Hoofdstuk 23
Voor Colin sleepte de week zich voort. Zijn plannen waren in het honderd gelopen en hij zakte weg in een moeras van moedeloosheid. Zijn zonnige, misdaadvrije toekomst, met Lesley aan zijn zijde, was hem ontnomen door een stel anonieme militaire bureaucraten. De schoften! Hij vervloekte hen voor de zoveelste keer, met een haat die diep in hem voortwoekerde, alsof hij beroofd was van iets wat hem rechtens toekwam. En de firma zou die dag arriveren, wat zouden ze te zeggen hebben?
‘Hé,’ hoorde hij George door de dikke mist van zijn gedachten zeggen. ‘Je ontbijt wordt koud.’
Schuldbewust kwam hij weer bij zijn positieven. Hij zag zijn oom naar hem kijken en mompelde dat hij die nacht slecht had geslapen.
‘Je maakt het tegenwoordig vaak te laat, jongen,’ waarschuwde George. ‘Je hebt jezelf de afgelopen weken helemaal uitgeput.’
‘Ik voel me prima.’ Colin dwong zich te glimlachen. ‘Ik heb veel rondgereisd; dat is alles. Ik denk dat het hier vermoeiender is dan je denkt. Al die hitte en vochtigheid.’
‘En je hebt geen golf gespeeld,’ verweet George hem. ‘Een ontspannend partijtje golf in de middag zou je veel goed doen.’
‘Ja,’ beaamde Colin. ‘Toevallig ben ik van plan om vanmorgen naar de club te gaan, voordat het te heet wordt. Ik wil daar een beetje luieren en bij Lesley zijn.’
‘Zo mag ik het horen! Een dagje bij het zwembad zal je enorm goed doen.’
Zodra George naar kantoor was gegaan, pakte Colin de tassen uit de schuur, zette ze in de auto en reed naar de stad. Daar aangekomen, parkeerde hij in een stille zijstraat en liep naar een garage om daar een Ford Escort op te halen die hij had gehuurd. Hij had besloten zich die dag aan zijn oorspronkelijke plan te houden, al was het alleen maar om aan de firma te bewijzen dat hij zijn deel van het werk efficiënt had uitgevoerd. Er was ook altijd nog de mogelijkheid dat ze een deel van het geld dat ze aan de parachutes hadden besteed in Accra terug konden krijgen, en anders namen ze die dingen gewoon in hun bagage mee terug naar Londen. Het was nu zaak te redden wat er nog te redden viel.
Op het bord met aankomst- en vertrektijden op het vliegveld Accra International zag hij dat het chartervliegtuig volgens schema was vertrokken en over ruim een uur zou arriveren. Omdat hij tijd over had, liep Colin naar het observatieplatform op het dak van het terminalgebouw, dat maar één verdieping telde. Een Boeing 737 van Nigeria Airways was zojuist geland en taxiede naar zijn plaats. Toen hij vol bewondering naar het ranke vliegtuig keek, zag hij de trap vanuit de deuropening zakken en de passagiers langzaam uitstappen, en met enige verbazing zag hij opeens Ray in het heldere zonlicht verschijnen. Nu had Ray gezegd dat hij zijn eigen reis zou regelen, maar Colin had gedacht dat Ray gebruik zou maken van hetzelfde reisbureau als Bert en Doc en alleen maar afzonderlijk een kaartje zou kopen om te voorkomen dat ze met elkaar in verband werden gebracht. Hij liep vlug de trap af naar de aankomsthal.
‘Het leek me veiliger een heel andere route te volgen,’ legde Ray uit toen ze koffie zaten te drinken in de lounge van de aankomsthal. ‘Ik heb tickets geboekt om via Lagos te gaan, en twee dagen na de bokspartij volg ik dezelfde route naar huis. Op die manier blijven we bij elkaar vandaan. Dat zou belangrijk kunnen zijn, als we onze zaken hebben gedaan.’
‘We doen geen zaken.’ Colin zei het ronduit. Hij had verwacht dat hij hen alle drie bij elkaar zou hebben als hij het nieuws over het karwei vertelde, maar Rays onverwachte komst had zijn plannen in de war gestuurd en hij zag geen reden waarom hij het subtiel moest aanpakken.
Ray ging rechtop zitten. Zijn grijze ogen keken Colin onderzoekend aan. Hij beval: ‘Zeg dat nog eens.’
‘We doen hier geen zaken,’ herhaalde Colin kortweg. ‘Het gaat niet door.’
Ray stak zijn kin naar voren. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij met onverholen teleurstelling in zijn stem. ‘Is iemand erachter gekomen wat je aan het doen was?’
‘Nee, dat niet.’ Colin sprak op scherpe toon, geërgerd omdat Ray zo gauw tot die conclusie kwam. ‘Dat kloteleger heeft er een helikopter bij gehaald. Dat is het.’ Hij vertelde over de nieuwe regeling in Kumasi.
‘Weet je dat zeker?’
‘Ik ben vorige week nog een keer met het vliegtuig mee geweest om alles voor het laatst te controleren, en toen heb ik de helikopter zelf gezien. Ik zag ze zelfs het goud inladen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het gaat niet door.’ Er ontsnapte hem een diepe zucht. ‘Wat zou het een buit zijn geweest! Genoeg voor de rest van ons leven. Jezus!’ Hij sloeg vol walging met zijn vlakke hand op de tafel.
Ray dacht erover na en zijn ogen werden net stukjes vuursteen. Hij plantte zijn ellebogen op de tafel, hield zijn duimen onder zijn kin en wreef met zijn beide wijsvingers over de zijkanten van zijn neus. Colin keek naar hem en vroeg zich af wat er in hem omging.
‘Hoe lang doet die helikopter dat al?’ vroeg Ray ten slotte.
‘Drie weken, volgens die man met wie ik heb gepraat.’
‘Geen problemen sinds het is begonnen?’
Colin keek hem vragend aan. ‘Geen problemen? Ik zou het niet weten. Wat bedoel je precies?’
‘Alleen dat. We maakten bij de SAS veel gebruik van helikopters en die hadden altijd kuren. Ze laten het steeds afweten, vooral in dit soort klimaat. Hier in de tropen is zelfs het brandstofgebruik ongelooflijk groot.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’
‘Nou…’ Ray spreidde zijn handen. ‘Er is altijd een kans dat de helikopter niet beschikbaar is. Misschien wordt hij voor iets anders ingezet.’
‘In plaats van het goud te vervoeren, bedoel je?’ Colin keek hem sceptisch aan. ‘Waarom zouden ze dat doen?’
‘Ik ben een man van het leger, Colin. Ik weet dat ze die kostbare helikopter niet alleen in Kumasi hebben gezet om één keer per week een tochtje met dat goud naar Accra te maken. Het goud is vast iets wat dat toestel erbij doet. Als de helikopter defect is of andere bezigheden heeft, is de kans groot dat ze het goud weer in de DC-3 zetten.’
‘Je klampt je vast aan een strohalm.’
‘Het is wel een beetje sterker dan een strohalm,’ sprak Ray hem tegen. ‘Je hebt me al verteld dat je ze vorige week het goud in de helikopter hebt zien laden, nietwaar?’
‘Ja… Toen ik mijn laatste controlevlucht maakte.’
‘En leidde je daar niets uit af?’
Colin liep rood aan. ‘Wat is dit, Ray, een stomme quiz? Zeg nou wat je bedoelt.’
‘Het betekent dat het goud volgens een vast schema wordt afgeleverd. Het zal wel een regeling met het ministerie van Financiën zijn. Dat goud wordt al jaren elke woensdag afgeleverd, en dat is routine geworden. Als de helikopter niet beschikbaar is, zetten ze het goud meteen in het vliegtuig, zoals ze vroeger deden. Als ik nog in het leger zat, zou ik daar mijn strepen onder durven verwedden.’
‘Niet beschikbaar op de enige woensdag waarop wij het vliegtuig willen kapen? Kom nou, Ray. Een strohalm! Je ziet ze vliegen!’
‘Wie weet.’ Ray sprak met een vastberaden stem. ‘Maar geen enkele positie is hopeloos totdat het echt voorbij is. Zolang er nog een kans is dat het goud in die DC-3 wordt gezet, zouden we wel stom zijn als we eraan voorbij gingen. Per slot van rekening hebben we alles voorbereid.’
‘Wil je gewoon doorgaan met het plan?’
‘Nou… we zijn er helemaal klaar voor, nietwaar? En als het goud niet in het vliegtuig is, zijn we niet slechter af dan op dit moment.’
Colin keek hem peinzend aan. ‘Alles is voorbereid,’ zei hij ten slotte. ‘En ik heb al het materieel buiten in de wagen liggen.’
‘Nou, laten we het dan doen!’
Colin keek op zijn horloge. ‘Bert en Doc landen hier over een half uur. Ik zal het aan ze voorleggen, dan horen we wat zij ervan vinden.’
‘Nee!’ Ray schudde nadrukkelijk zijn hoofd. ‘Ze maken zich toch al grote zorgen over dit karwei. Als je ze over de helikopter vertelt, willen ze misschien helemaal niet meer.’
‘Maar we moeten ze over de nieuwe situatie vertellen.’
‘Nee, dat hoeft niet! We hoeven ze niets te vertellen.’ Ray nam nu duidelijk de leiding van het gesprek. ‘Voor zover zij weten, gaat het karwei gewoon door. Laat ze dat maar denken. Als het goud niet in dat vliegtuig ligt, klagen ze tien minuten over hun pech en leunen dan achterover en genieten van de vlucht. Je schiet er niets mee op als je het ze vertelt. De kans is groot dat ze er dan mee kappen.’
‘Maar het moet ze verteld worden.’ Colin klonk aarzelend. ‘We zijn altijd eerlijk tegen elkaar geweest als we een karwei deden.’
‘Als de helikopter ons problemen zou kunnen opleveren, zou ik het direct met je eens zijn,’ zei Ray ernstig om op Colins argumenten vooruit te lopen. ‘Maar dat zie je toch wel in: als het goud niet in het vliegtuig zit, gaat het karwei gewoon niet door. Je brengt ze niet in gevaar door het ze niet te vertellen.’
Colin trommelde met zijn vinger op het harde tafelblad. Hij had niet zo over de dingen nagedacht als Ray, maar hij besefte dat zelfs de zenuwen van iemand die keihard was misschien niet bestand waren tegen het idee dat ze pas op het allerlaatste moment zouden weten of het doorging. Ray, met zijn militaire training, kon die onzekerheid wel aan. Maar Bert en Doc…? Hij tikte een laatste keer hard op de tafel. Ray had gelijk. Al was het maar een kans van één op de honderd dat de Dakota het goud aan boord zou krijgen, dan nog moesten ze het doen. ‘Goed,’ zei hij. ‘We doen het zoals jij zei.’
‘Goed zo.’ Rays ogen straalden alsof er een last van zijn schouders was genomen. ‘We doen gewoon ons best. En vergeet niet,’ zei hij met een wolfachtige grijns en met ogen die fonkelden van enthousiasme, ‘who dares wins. Wie waagt, die wint.’ Het motto van de SAS.
Twintig minuten later zagen ze de gecharterde 707 landen en wachtten ze tot ze Bert en Doc uit het vliegtuig zagen stappen. Zodra Colin had geconstateerd dat ze veilig waren aangekomen, liep hij met Ray naar zijn auto en reden ze naar het centrum van Accra.
Het duurde bijna een uur voordat de eerste bussen bij het vliegveld vandaan reden om de boksliefhebbers naar hun hotels te brengen. Omdat Colin wist dat Bert en Doc kamers in het viersterrenhotel Ambassador hadden, wachtte hij op het parkeerterrein van het hotel, waar ze hadden afgesproken. Ray had al een taxi naar zijn hotel in een ander deel van de stad genomen en zou terugkomen zodra hij daar zijn intrek had genomen. Colin keek ongeduldig op zijn horloge. De middag was al een eind gevorderd en ze hadden veel te bespreken.
Opnieuw was Ray de eerste die aankwam. In zijn kleinere hotel was alles veel sneller geregeld dan in het grotere en bezadigder Ambassador. Hij droeg een vale militaire broek en een katoenen overhemd met open hals, zodat je zijn gebruinde borst kon zien, en had een gebronsd gezicht dat er gezond uitzag onder zijn korte militaire haardracht. Hij zag er goed uit, een toonbeeld van fitheid. Zijn tred had iets veerkrachtigs, en dat deed Colin goed toen hij hem zag aankomen.
‘Heb je je kamer?’ vroeg hij toen Ray naast hem kwam zitten.
‘Geen punt.’ Ray stak glimlachend zijn beide duimen op.
‘Het was me daarnet helemaal ontschoten,’ zei Colin, ‘maar stel dat we morgen geluk hebben… heb je die vlieglessen nog genomen?’
‘Ik heb vierendertig vlieguren gemaakt. Het is geen probleem.’
‘Vierendertig uren! Is dat alles?’
‘Ruimschoots genoeg voor ons,’ zei Ray vol zelfvertrouwen. ‘Ik weet dat het niet veel lijkt, maar je staat ervan te kijken hoe lang het duurt om vlieguren te verzamelen, vooral wanneer je het nog aan het leren bent. Het is heel anders dan autorijden. Als je eenmaal het solostadium hebt bereikt, wordt het gemakkelijker, maar voor de eerste twaalf, vijftien uren heb je zo’n twee weken nodig. Zodra je de elementaire dingen onder de knie hebt, gaat het veel sneller.’
‘Kun je dan solo vliegen?’
‘Zeker weten! Ik vloog al solo na tien uur les, twee minder dan alle andere leerlingen.’
‘Denk je dat je die DC-3 aankunt?’
‘Absoluut!’ zei Ray met klem. ‘Daarom heb ik maar vierendertig vlieguren: ik heb vrij veel geld besteed aan uren in een tweemotorig toestel, een Piper Aztec. Dat is klein, maar ik dacht dat ik nuttige ervaring zou opdoen met de dubbele brandstoftoevoer en instrumenten. Ik ben er vrij goed in geworden,’ zei hij met een tevreden glimlach.
‘Is dat toestel te vergelijken met een DC-3?’
‘Wat grootte betreft komt het niet bij een DC-3 in de buurt,’ gaf Ray toe. ‘Maar de instrumenten zijn in wezen bijna hetzelfde, en daar was het me om te doen. Ik wilde wennen aan de besturing en instrumenten van een tweemotorig vliegtuig.’
‘En je kunt dat vliegtuig morgen echt aan, als het ons meezit?’
Ray klonk plotseling erg serieus. ‘Laten we onszelf niet wijsmaken dat ik opeens een eersteklas piloot ben, maar ik heb hard gewerkt en goed opgelet. Daar komt nog bij dat het me gelukt is vier uur in de cockpit van een echte DC-3 te zitten. Ik ontdekte dat een luchtvaartbedrijfje vrachtvluchten van Southend naar Oostende in België uitvoert, met één piloot in de cockpit. Een van die piloten was parttime vlieginstructeur op de club. Ik bood hem het instructeurstarief aan als ik bij hem mocht zitten om wat ervaring op te doen. Hij was blij met het geld en nam me drie keer mee, en toen vertelde hij me hoe alles ging. Ik heb veel van hem geleerd, ook hoe je de automatische piloot moet bedienen.’
‘Hé, dat is geweldig!’ zei Colin, maar toen trok hij weer een somber gezicht. ‘Alles zit ons mee, behalve die vervloekte helikopter.’
‘Ja, nou…’ Ray keek peinzend. ‘Ik denk nog steeds dat we een goede kans maken. En als ze het vliegtuig gebruiken en we het in handen krijgen, kan ik het besturen. Zolang het helder weer is en ik de horizon en de grond kan zien, kan ik de koers en de hoogte handhaven en veranderen. Ik kan zelfs een lichte bocht maken. Maar als het zicht slecht is, of als het stormt of er turbulentie is, gaat het niet door.’
‘Jezus.’ Colin blies zijn adem uit en schudde zijn hoofd. ‘We moeten wel een heleboel geluk hebben.’
‘Ja,’ beaamde Ray, ‘dat weet ik. Maar we zijn er tenminste klaar voor, en als alles meezit, kunnen we het doen.’
‘Ja,’ zei Colin. ‘We zijn er klaar voor. En daar heb je Bert en Doc.’ Hij wees naar twee mannen die zojuist in zicht waren gekomen. ‘Tenminste…’ Hij aarzelde. ‘Ik herken Doc, maar…’ Hij keek naar de onbekende figuur die met Doc meeliep.
‘Dat is Bert echt wel,’ verzekerde Ray hem. ‘Hij heeft zijn hoofd helemaal kaalgeschoren. Dat maakt hem jaren ouder en zijn gezicht lijkt er ook smaller door. Het hoort bij zijn vermomming. Hij heeft er weken op geoefend om zich snel te kunnen vermommen.’
Colin stapte uit en zwaaide om hun aandacht te trekken.
‘Fijn je te zien.’ Ze wisselden ingetogen groeten. Bert en Doc keken veel ernstiger dan gewoonlijk.
‘Kijk.’ Colin liet zijn horloge zien terwijl hij hen in de auto liet plaatsnemen. Hij liet Ray achterin zitten, zodat er voorin plaats kwam voor Doc. ‘We hebben geen tijd te verspillen, dus we praten onder het rijden, oké?’ Hij wendde zich tot Doc. ‘En ik wil dat je let op de route die we volgen. Als we morgen klaar zijn, moet jij deze wagen terugbrengen.’ Terwijl hij dat zei, zette hij de auto in beweging. ‘Is het parachutespringen jullie goed bekomen?’ vroeg hij toen ze op de weg reden.
‘Het was geweldig!’ zei Doc enthousiast. ‘Echt geweldig! Ik heb al meer dan twintig sprongen gedaan. Het is geen probleem.’
‘Ik hoor jou niet veel zeggen.’ Colin keek in zijn spiegeltje en deed zijn best om niet te glimlachen toen hij Berts zwetende voorhoofd zag.
‘Ik red het wel,’ bromde hij, en hij wreef nerveus over zijn neus. ‘Ik heb de basiscursus gevolgd en genoeg sprongen gemaakt om te weten wat ik moet doen.’
‘Je klinkt niet erg enthousiast.’
‘Ik ben ook niet enthousiast,’ gromde Bert. ‘Ik weet wel wat leukers te bedenken dan op duizenden meter hoogte uit een prima werkend vliegtuig te springen.’
‘Je redt het wel, ouwe jongen.’ Doc ergerde hem door zijn hand naar achteren te steken en hem een bemoedigend tikje op zijn hoofd te geven, grijnzend en voorbereid op een stuntelig verweer. ‘Hij heeft acht sprongen gedaan,’ zei hij tegen Colin. ‘Hij redt het wel.’
‘Alleen voor het goud,’ snauwde Bert hem toe. ‘Je krijgt me niet zover dat ik het voor de lol doe.’
‘Maar heb je er een goed gevoel bij?’ drong Colin aan. ‘Heb je er vertrouwen in?’
‘Ja, ja. Het stelt niks voor,’ gaf Bert ten slotte toe, met een woedende blik op de berouwloze Doc. ‘Je hoeft alleen maar aan een touwtje te trekken en de parachute doet de rest.’
‘We zijn op weg naar Cape Coast,’ legde Colin uit terwijl hij in een pittig tempo over de weg reed. ‘Ik laat jullie de landingsplaats zien, en de plaats waar de auto geparkeerd zal staan. Dan kan Doc ons naar Accra terugrijden, zodat hij ten minste één keer met de vluchtroute kan oefenen.’
Ze deden er iets meer dan een uur over om in Cape Coast te komen. Toen ze die stad naderden, fonkelden de witte gebouwen van de universiteit in de zon. Colin verliet de grote weg en volgde een bord dat hem naar het parkeerterrein van de universiteit stuurde. Hij verspilde geen tijd en bleef daar net lang genoeg staan om uit te leggen: ‘Ik laat deze wagen hier morgen voor jullie staan, met de sleutels boven het voorwiel aan de passagierskant. Als je flink de vaart erin houdt, ben je binnen een uur in Accra.’
In het leegstaande dorp liet hij hen zien welke voorbereidingen hij had getroffen. Ze bekeken de dropzone en hij vertelde welke tekens hij had bedacht. Ray, de expert, liep verder het veld in, bekeek de structuur van de aarde en zocht naar gevaarlijke rotsen of kuilen. Ten slotte gaf hij zijn oordeel over het terrein: ‘Een vrij goede dropzone.’
‘Maar kun je deze plek vinden?’ vroeg Bert.
‘Ik heb veel tijd aan navigatie besteed,’ zei Ray tegen hem. ‘Het zal geen punt zijn om de vlakte te vinden, en na alles wat Colin hier heeft geregeld lijkt het me geen probleem om hier te komen.’
‘Daarom heb ik de gevel van het gebouw geverfd en voorbereidingen voor het vuur getroffen,’ merkte Colin op. ‘Dan heb je iets om naar uit te kijken.’
‘Daar zal ik veel aan hebben,’ zei Ray. ‘Maar vergeet niet dat ik met een snelheid van meer dan tweehonderd kilometer per uur kom aanzetten en dat het in één keer goed moet zijn. Ik doe geen tweede poging, dat staat vast.’
‘Bedoel je dat je ons hier niet kunt krijgen?’ vroeg Bert, zijn hele gezicht samengetrokken.
‘Natuurlijk kan hij dat wel,’ zei Doc vol vertrouwen. ‘Hij heeft genoeg geld uitgegeven om het te leren, nietwaar?’
‘Ik vraag het aan hem.’ Bert keek Ray strak en doordringend aan.
Ray trok zijn schouders recht en keek naar de lage, in nevel gehulde heuvels aan de horizon. Toen antwoordde hij: ‘Ik kan het. Ik lever jullie hier af.’
‘Dus het is geregeld?’ vroeg Colin.
‘Ik heb genoeg gezien,’ zei Ray. ‘Ik heb nu alleen nog een goede kaart met de vliegroute en dit deel van het kustgebied nodig.’
‘Vooruit dan,’ spoorde Colin hen aan. ‘We hebben hier niets meer te doen en ik heb nog heel wat te reizen.’ Hij leidde hen naar de auto terug. ‘Bert, jij gaat vanavond met mij mee naar Takoradi.’
‘Takoradi?’ Berts stem klonk scherp van verbazing. ‘En het hotel dan?’ De auto hobbelde intussen over de verwaarloosde weg.
‘Doc en jij delen toch een kamer?’ Colin wachtte niet op een antwoord. ‘Niemand merkt er iets van als een van jullie vannacht verdwenen is.’
‘Ik dacht erover om zelf te verdwijnen,’ zei Doc met een suggestieve blik. ‘Weet je wat ik bedoel?’ Hij porde Colin aan.
‘Ik heb het helemaal uitgedacht,’ vervolgde Colin. Hij ging niet op Docs luchtige woorden in. ‘Je blijft vannacht in Takoradi, Bert, en stapt daar in het vliegtuig. Op die manier is er al een van jullie aan boord als het in Kumasi aankomt. Het betekent ook dat jullie niet met zijn drieën uit Accra hoeven te komen, want dat zou misschien aandacht trekken.’
‘Je hebt het inderdaad helemaal uitgedacht,’ erkende Bert.
‘Bovendien heb ik iemand nodig die me morgen helpt jullie vluchtauto bij de universiteit neer te zetten.’
‘Overuren dubbel tarief!’ waarschuwde Bert.
‘Dan kun je nu meteen beginnen,’ zei Colin. Hij reed de auto de grote weg op en stopte. ‘Je rijdt nu van hier naar Accra. Dan heb je de route minstens één keer gereden.’
Doc maakte zijn enige oefenrit in een fiks tempo, maar nam geen risico’s. Drie kwartier later kwam hij in de industriële buitenwijken van de hoofdstad en ging daar gemakkelijk op in het drukke avondverkeer. ‘Dat is dan dat.’ Hij ontspande enigszins. ‘Als we hier eenmaal zijn, zitten we goed.’ Hij knikte naar het drukke verkeer. ‘Het lijkt hier wel de binnenstad van Londen.’
De kamer in het Ambassador Hotel leek bijna te klein toen ze zich om de kaart verzamelden die Colin bij zich had. Ray legde hem recht voor zich op de salontafel en trok een lijn tussen Kumasi en Accra. ‘Daar,’ zei hij, en hij zette een teken met zijn potlood. ‘Ik volg de normale vliegroute tot hier…’ Hij tikte ongeveer zeventig kilometer ten zuidoosten van Kumasi op de kaart. ‘En dan ga ik hier naar tweehonderdvijfendertig graden.’ Zijn potlood bewoog zich ten zuiden van de officiële vliegroute. ‘En na dertig minuten…’ Het potlood prikte op de kaart. ‘Uturri! Dat betekent dat jullie vijfentwintig minuten de tijd hebben om de passagiers in bedwang te krijgen en jullie op de sprong voor te bereiden.’
‘Als we het goed doen, moet het lukken,’ zei Bert langzaam en zorgvuldig, zoals ze van hem gewend waren. ‘Voor zover ik kan nagaan, zijn er bij kapingen eigenlijk nooit problemen geweest met passagiers.’
‘Dat is zo,’ beaamde Ray, ‘maar je moet het wel goed aanpakken. Je moet er een beetje een show van maken en ze laten geloven dat je echt gaat schieten.’
Bert tikte hard met zijn vinger op de papieren kaart. Het klonk als pistoolschoten in de verte. ‘Ja, we zullen ze de stuipen op het lijf jagen. Maar het begint met jou. We kunnen pas in actie komen als jij de cockpit hebt overgenomen.’
‘Maak je daar maar geen zorgen over.’ Ray grijnsde. ‘Ik kan heel angstaanjagend overkomen, als ik wil.’ Hij keek Colin aan. ‘Wat weet je over de bemanning in de cockpit?’
‘In de cockpit zitten alleen de piloot en de copiloot,’ antwoordde Colin. ‘En kort na het opstijgen gaat er altijd een stewardess naar hen toe met koffie.’
‘Nemen ze nog maatregelen tegen kapen? De cockpitdeur op slot, geen passagiers voorbij een bepaald punt… dat soort dingen?’ vroeg Ray.
‘Ik ben vier keer heen en weer gevlogen,’ antwoordde Colin. ‘De laatste keer nog maar een week geleden, en als het vliegtuig in de lucht is, loopt de stewardess gewoon de cockpit in en uit zonder te kloppen en zonder sleutels of zo.’
‘Dus we hoeven alleen maar de cockpit binnen te lopen en ze met een pistool bedreigen,’ merkte Ray op. ‘Ik hoop dat je fatsoenlijke nepwapens hebt gekocht, Colin. Dingen die echt angst aanjagen, bedoel ik.’
‘De wapens zijn prima,’ zei Colin. ‘Ik heb het beste gekocht wat er te krijgen is. Geloof me: ze zien er dodelijk uit.’
‘Welke modellen heb je gekocht?’
‘Grote dingen, Ray. Ik wist dat je dat zou willen.’ Colin grijnsde. ‘Vervaarlijke .45 Colts. En het zijn niet zomaar nepwapens. Ze kunnen losse flodders schieten en de hulzen uitwerpen, net als echte wapens. Geloof me: ze zien er echt uit en klinken ook echt.’
‘Oké,’ zei Bert. ‘Dus we hebben de wapens. Hoe krijgen we ze aan boord? Op vliegvelden hebben ze tegenwoordig heel strenge beveiliging.’
‘Hier niet,’ zei Colin, ‘zeker niet bij binnenlandse vluchten. Het zal geen punt zijn de wapens aan boord te krijgen. Omdat ze hier nooit problemen hebben gehad, stelt de beveiliging niet veel voor. Daar hoeven we ons echt geen zorgen over te maken.’
‘Ja, dat klinkt goed.’ Ray knikte. ‘Maar we nemen morgen het vliegtuig naar het noorden,’ merkte hij op. ‘Hoe wou je de wapens bij ons krijgen?’
‘Doc en jij vliegen vanuit Accra,’ legde Colin uit. ‘Het is altijd mogelijk dat ze met al die drukte in verband met de bokswedstrijd de beveiliging op het vliegveld opvoeren. Ik zag daar trouwens vandaag al meer mensen in uniform dan anders. Het is dus veiliger als Bert ze via Takoradi meebrengt. Daar zijn nooit controles en hij kan ze in Kumasi aan jullie geven.’
Aan het eind van het gesprek haalde Colin een langwerpige envelop uit een van zijn zakken en gaf hem aan Doc. ‘Retourtickets naar Kumasi. Ik heb ze weken geleden geboekt om er zeker van te zijn dat er plaats was, en ik heb ze op het postkantoor van Accra gekocht om me niet te hoeven identificeren. Ze staan op naam van Braun en Steiner. Dat heb ik gedaan om ze een beetje op het verkeerde been te zetten, ze te laten denken dat jullie Duitsers of zoiets zijn. Dat schept een beetje verwarring als ze met hun onderzoek beginnen.’ Hij keek Bert aan. ‘Ik heb jouw ticket in Takoradi liggen.’
‘Je hebt goed werk geleverd,’ zei Ray, en hij knikte waarderend. ‘Je hebt een goed plan uitgedacht.’
‘Dank je.’ Colin nam het compliment in ontvangst en leunde op zijn stoel achterover. ‘Deze is van jou, Doc,’ zei hij, en hij tikte met zijn voet tegen de tas die hij uit de auto mee naar boven had genomen. ‘En die van jou ligt nog in de auto, Ray. Ik zet jou met je tas bij je hotel af wanneer Bert en ik naar Takoradi terugrijden.’
‘Ja,’ zei Ray. ‘Dat is goed.’ Hij stond op en rekte zich uit. ‘Ik duik er vanavond vroeg in. Morgen is de grote dag.’
‘Ik ga ook nergens heen.’ Doc knikte ernstig. ‘Misschien maak ik alleen een wandelingetje om de atmosfeer van de stad te proeven.’
Ray vouwde de kaart op. ‘Ik neem deze mee om hem vanavond te bestuderen.’
‘Oké! Klaar om te vertrekken?’ Colin keek Bert aan. ‘Je hebt in Takoradi geen bagage nodig, dus laat je spullen hier maar achter en neem alleen je vermomming mee. Ik heb al een hotel geboekt en kan je aan een schoon overhemd en scheerspullen helpen. Nou…’ Hij keek hen een voor een aan. ‘Heeft iemand nog iets te zeggen voordat we ieder onze weg gaan?’
Ray stak Bert zijn hand toe. ‘Ik heb eens nagedacht,’ zei hij. ‘Met die boksmatch zal het vliegtuig wel helemaal vol zitten. Het is niet de bedoeling dat ik door de hele lengte van het vliegtuig moet lopen om in de cockpit te komen.’
‘Ik zorg ervoor dat ik in Takoradi als eerste aan boord ga,’ beloofde Bert. ‘Ik neem een plaats helemaal voorin voor je.’
‘Dan hebben we alleen nog een beetje geluk nodig.’ Ray keek Colin even aan, maar die blik zei de anderen niets.
Colin keek Ray lang aan en zei toen: ‘Voelt iedereen zich goed? Is iedereen tevreden?’
‘We hebben alles besproken,’ zei Doc. ‘Als er iets misgaat, is het niet onze schuld.’
Opnieuw keken Colin en Ray elkaar aan. Ze knikten elkaar bijna onwaarneembaar toe.
‘Er gaat niets mis,’ zei Colin vol vertrouwen. ‘Een kaping is wel het laatste wat ze hier verwachten.’ Hij tikte Bert zachtjes op zijn schouder. ‘Kom. Jij ook, Ray. Bert en ik moeten vanavond nog terug naar Takoradi.’
Toen ze met zijn drieën naar de deur liepen, bleef Colin een beetje achter. ‘Nou, Doc,’ zei hij, ‘dit is de grote klapper waar we allemaal van dromen. Ik verwacht van je dat je morgen uit dat vliegtuig springt en mij miljonair maakt.’
Doc fronste zijn wenkbrauwen en hij stak zijn kin naar voren. ‘Ja, de grote klapper, zeg dat wel. Duizenden kilometers bij Londen vandaan, en dan vliegtuigen kapen, parachutespringen en door de jungle rennen. Ja! Dit wordt de grote klapper.’
‘Heb je er wel een goed gevoel bij?’
‘Het ziet er goed uit,’ gaf Doc toe. ‘Ik heb wel zwaardere klussen gedaan voor veel minder geld. Ja.’ Hij knikte. ‘Ik heb er een goed gevoel bij.’
‘Veel geluk.’ Colin stak zijn beide duimen omhoog en maakte van dat gebaar een snelle groet. Toen liet hij de deur dichtvallen en liep hij vlug achter Ray en Bert aan.
‘Zo, nu zitten we eraan vast.’ Colin stond bij de achterkant van de auto en pakte Rays tas uit de kofferbak.
‘We doen hier goed aan,’ verzekerde Ray hem. ‘Er is altijd de kans dat we geluk hebben in Kumasi.’
‘Nou, jij hebt nu blijkbaar de leiding, Ray. Ik hoop alleen dat het ons morgen meezit.’
‘Nee.’ Ray legde zijn hand op Colins arm. ‘Het is jouw operatie. Ik doe alleen maar voorstellen op grond van mijn ervaring in het leger. Jij hebt dit karwei ontdekt en je plan is hartstikke goed. Als dat goud morgen in de Dakota gaat, krijgen we het te pakken. En dat is dan te danken aan jouw plan!’
‘Ja, áls het in de Dakota gaat.’ Colin klonk erg pessimistisch.
‘Geloof me, Colin: als ik niet dacht dat daar een reële kans op was, zouden we nu niet met elkaar staan te praten.’
‘Ja.’ Colin knikte, blij met de morele ondersteuning, al had hij zijn twijfels.
Ze liepen naar de zijkant van de auto en Ray praatte nu harder, opdat Bert het ook kon horen. ‘Allemachtig!’ riep hij hoofdschuddend uit terwijl hij naar een brede boulevard met hoge palmbomen keek. ‘Een paar weken geleden reed ik nog met een taxi door Fulham Road… En kijk nu eens waar ik ben. Dit is verdomme nog beter dan de SAS!’
‘Nou, het komt morgen op jou aan, soldaat.’ Bert keek grijnzend naar hem op. ‘Je hebt er wel vertrouwen in, hè?’
‘Ja, alle vertrouwen.’ Ray keek Colin recht aan. ‘Ik heb vertrouwen in alles.’ Hij stond op het brede trottoir en liet zijn tas een beetje heen en weer zwaaien terwijl Colin in de auto stapte. Toen zeiden ze bijna tegelijk: ‘Veel succes!’
De auto reed weg door de vlekkerige schaduw van de palmbomen in de door lantaarns verlichte straat. In de verte zagen ze remlichten opgloeien voor een kruising. Ray keek hun achterlichten peinzend na. ‘Veel succes?’ herhaalde hij zachtjes bij zichzelf. ‘Nou, zoals je zelf een keer tegen me zei: Colin: je moet er in dit vak zelf aan werken om succes te hebben.’
Een kwartier later had Ray zijn tas in zijn kamer achtergelaten en donkerder kleren aangetrokken. Hij ging de straat weer op en vroeg naar de dichtstbijzijnde markt die de hele nacht open bleef. Toen hij op de markt was geweest en het een en ander had gekocht, hield hij een taxi aan.
‘Hoeveel pond naar Kumasi?’ vroeg hij de chauffeur, die blij opkeek.