Hoofdstuk 8

 

 

 

 

 

Twee weken na zijn teleurstellende bezoek aan de goudmijn zat Colin op de veranda zijn gebruikelijke avondborrel te drinken met George. Hij bracht ter sprake wat hem al een paar dagen bezighield.

‘Toen je het over die goudmijn had, George…’ zei hij zo nonchalant mogelijk. ‘Weet je nog wel? Toen ik hier net was aangekomen? Toen zei je ook iets over diamantmijnen, en je zei dat ik die zou kunnen bekijken.’

‘Ja.’ George knikte verstrooid. ‘Ja, dat is waar, of tenminste gedeeltelijk.’ Hij grinnikte. ‘Die goudmijn bestaat inderdaad, maar er zijn geen diamantmijnen in Ghana. We hebben diamantvélden. De diamant zit aan de oppervlakte. Het zijn alluviale diamanten, om de juiste benaming te gebruiken. De Afrikanen graven ernaar. Soms graven ze een vrij diepe kuil, maar meestal gaan ze niet diep en zeven ze de grond om de stenen te vinden.’

‘Wat? Ze graven maar wat en vinden dan diamanten?’ Colin ging onwillekeurig rechtop zitten.

‘Nou, zo simpel is het nou ook weer niet,’ gaf George toe. ‘Ze werken op de diamantvelden tegenwoordig veel met machines. Maar het komt er wel op neer. Je neemt een schop en je gaat graven.’

‘Mag iedereen dat? Mag ik het ook proberen?’

‘Nee, nee, nee,’ zei George lachend. ‘Het is allemaal in handen van de overheid. Die velden zijn staatseigendom. Je zou die diamanten trouwens niet herkennen. Ze glanzen en fonkelen niet, als je dat denkt.’

‘Maar mag ik daar gaan kijken?’

‘Natuurlijk mag dat. De dichtstbijzijnde velden liggen de kant van Tarkwa op, zo’n zestig kilometer ten noorden van hier. De weg wordt wel erg slecht als je verder bij de kust vandaan komt, dus misschien is het niet zo dichtbij als het lijkt.’

Colin kon zijn opwinding nauwelijks bedwingen, maar hij zei nonchalant: ‘Ik zou die diamantvelden echt graag willen zien, George. Zou ik daar in mijn eentje naartoe kunnen?’

‘Natuurlijk. Je bent een grote jongen, Colin, je redt je wel. Maak er maar een dagje uit van. Laat Sam wat eten en een paar flesjes bier voor je inpakken.’

‘Dat is een goed idee.’ Colin praatte zachtjes. Hij dacht al aan de verleidelijke mogelijkheden: oké, die goudmijn had niets opgeleverd, maar diamanten – industriële of andere – die daar gewoon op de grond lagen! Daar was vast wel iets te verdienen.