Proloog

 

 

 

 

 

Het was stil op het mijncomplex, waar de aarde zozeer geplunderd was dat er niets meer op kon leven. Op de steile helling achter de stilgelegde groeve was het licht in de woonverblijven al lang gedoofd. Alleen het bleke, gele schijnsel van enkele kraanlichten verried dat het complex niet echt verlaten was.

Vier ineengedoken zwarte mannen kropen met hun zwetende lijf door de diepe schaduw van een schalieberg. Hun ogen volgden twee gewapende soldaten die het gebouw bewaakten en zojuist hun ronde hadden gedaan. Artu Koffi, hun leider, hield zijn hoofd schuin om de geluiden van de nacht in zich op te nemen. Toen gaf hij een teken om zijn mannen nog dieper in de schalie te laten wegkruipen, want op dat moment verstoorde het vreemde geronk van een naderend voertuig de stilte van de nacht. Het gebrul van de motor zwol aan en ze lieten zich nog dieper zakken. Terwijl ze zich in de losse schalie drukten, wierpen de twee lichtbundels lange beschuldigende schaduwen in hun richting. Met zijn lichaam dicht tegen de grond bracht Artu zijn hoofd net voldoende omhoog om het gedrongen silhouet van een militaire landrover achter de schittering van de koplampen te zien opdoemen. Hij keek op zijn horloge en glimlachte tevreden. De landrover maakte een hele draai en kwam knarsend tot stilstand voor het gebouw. De twee soldaten waren al in de houding gesprongen.

Twee sergeants, onder wie een blanke man van een speciaal trainingsdetachement, en twee soldaten stapten uit de landrover. Met stampende laarzen en wapens die werden geschouderd volgde de aflossing van de wacht. De zwarte sergeant gaf de nieuwe bewakers het commando ‘Op de plaats rust’ en liep toen met de blanke sergeant naar voren om de zware deur van het lage, raamloze gebouw te inspecteren. Een van de soldaten die waren afgelost zei iets tegen de nieuwkomers en stak zijn hand uit. Het wit van Artu’s ogen werd groot toen de nieuwkomer zijn veldfles aan een van de afgeloste soldaten gaf; daar had niemand aan gedacht. Zijn zweet drupte op de grond toen hij zag hoe de soldaat de veldfles aan de mond zette en een grote, verfrissende slok nam alvorens hem door te geven aan de andere afgeloste soldaat. Knipperend tegen het zweet dat plotseling in zijn ogen prikte zag Artu die tweede soldaat langzaam een grote slok uit de fles nemen. Toen zag hij de twee sergeants naar de hoek van het gebouw lopen en langs de zijkant kijken. Ze gaan toch niet het hele terrein inspecteren? Gespannen zocht Artu bij de twee soldaten naar tekenen van loomheid. Hij wenste vurig dat de sergeants naar de landrover terugkeerden, want hij wist dat het middel dat zijn agent in de veldfles had gedaan krachtig was en snel werkte. Als de afgeloste bewakers nu in slaap vielen, kwam er niets van het hele plan terecht, en zijn mensen hadden het goud dringend nodig: hún goud. 

Hij was opgelucht toen beide sergeants naar de landrover terugliepen en tegen de vermoeide mannen gromden dat ze moesten instappen. Even later was het geluid van de motor opgeslokt door de duisternis van de nacht.

De nieuwe bewakers waren klaar met hun eerste ronde en gingen met hun rug tegen de deur op de veranda zitten. Ze praatten zachtjes en dronken om beurten uit de veldfles. Binnen enkele minuten werden hun stemmen zwakker en zakten ze verder onderuit tegen de deur. Artu gaf hun ondanks zijn ongeduld nog twee minuten, en toen kwam hij met zijn mannen tevoorschijn.

Beide bewakers waren buiten westen en Artu’s mannen trokken hen vlug bij de deuropening vandaan. Het wapen van de een werd weggeschopt. Het andere wapen werd opgepakt; de man die als uitkijk zou fungeren nam het in de armen. Twee van de mannen haalden gereedschap uit rugzakken en bewerkten daarmee de zware, hardhouten deur. De wrikkende, krakende geluiden waarmee dat gepaard ging werkten op de zenuwen van de uitkijk, die nerveus naar de gebouwen op de helling keek. Er volgde een scherp, nog harder krakend geluid van versplinterend hout, toen beide breekijzers tegelijk in actie kwamen en de deur lieten openspringen, zodat de weeïge lucht van geboende vloeren en houten wanden op hen af kwam. Artu liep door de deuropening naar binnen en knikte tevreden toen hij de grote ijzeren kluis zag achter het traliehek dat het kantoor in tweeën deelde. Vlug nam hij zijn rugzak en beval zijn mannen verder te gaan: ze hadden dringend werk te doen. 

 

De kazerne van het 4th Ghanaian Rifles bevond zich ongeveer tien kilometer ten noorden van de mijn, en meestal werd er op de terugweg opgewekt gepraat. Maar na eerst nog wat grappen over en weer vervielen de twee bewakers die avond in een ongewoon stilzwijgen. Sergeant Nunsu, altijd gevoelig voor de stemming onder zijn mannen, keek over zijn schouder naar hen. Ze zagen er moe uit, bijna alsof ze niet goed wakker konden blijven. Nou ja, dacht hij, zelfs ’s nachts was het warm en werd je er doodmoe van als je de wacht moest houden bij de mijn. Hij keek even naar de blanke sergeant die naast hem zat, blij dat zijn mannen aan het eind van hun lange wachtdienst nog alert waren geweest. 

Toen de landrover door de poort van het kazerneterrein reed, waren soldaten Joseph Nati en Adame Katey in diepe slaap verzonken. Toen ze geen gevolg gaven aan zijn tweede bevel om uit te stappen, maakte sergeant Nunsu zich kwaad en trok hij Nati ruw aan zijn schouder. Hij schrok toen de soldaat van zijn plaats viel en op de vloer van de auto zakte, zwaar bewusteloos. Hij ging na of hij alcohol rook, maar hij rook niets. Ganja! Die gedachte kwam meteen bij hem op en zijn gezicht was een en al woede. 

Twee minuten later waren beide bewusteloze mannen naar de ziekenboeg gedragen en was een mopperige verpleger ruw uit een stiekem dutje gewekt. De broeder scheen met een zaklantaarntje in de ogen van beide soldaten, nam hun pols op en ging hun bloeddruk na. Net als de sergeant sloot hij alcohol uit, maar hij sloot ganja ook uit. Verbaasd rapporteerde hij aan de sergeant dat beide mannen blijkbaar zwaarverdoofd waren.

‘Verdoofd?’ Sergeant Nunsu keek de verpleger wezenloos aan. ‘Hoe kunnen ze verdoofd zijn? Ze komen net terug van wachtdienst bij de mijn.’

De vermoeide ziekenbroeder haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet hoe het komt. Ik weet alleen dat het is zoals ik zeg.’

De verbaasde sergeant streek met zijn hand over zijn kale hoofd. ‘Maar ze zijn bewusteloos… Verdoofd, zeg je?’

‘Het is zoals ik zeg,’ herhaalde de verpleger. ‘Misschien hebben ze iets gegeten. Of gedronken,’ voegde hij eraan toe.

Sergeant Nunsu schudde zijn hoofd. ‘Het moet uren geleden zijn dat ze hebben gegeten. En ze hadden geen water meer. Ik zag dat de soldaten die hen aflosten hen uit hun veldfles lieten drinken.’

De verpleger hield zijn handpalmen voor hem omhoog. ‘Dus… Ze dronken dat water en nu zijn ze… verdoofd.’ Hij nam zijn blik van de bewusteloze mannen weg en keek in de plotseling half dichtgeknepen ogen van de sergeant.

Ondanks de hitte van de nacht ging er een ijzige huivering door Nunsu heen. Hij pakte meteen een telefoon.

 

Artu en zijn mannen hadden verwoed gewerkt. Al zwoegend vulden ze de ongeventileerde kamer met de muskusachtige stank van muf zweet. Twee van hen gebruikten een autokrik om een opening te verbreden die ze in het stalen traliehek tussen de twee kanten van de kamer hadden gemaakt. In het achterste gedeelte knielde Artu voor een grote kluis neer, en terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegde, drukte hij zorgvuldig een detonator in het stuk geligniet dat hij in de ruimte achter het sleutelgat had gestopt. Toen hij er zeker van was dat de detonator stevig op zijn plaats zat, deed hij een stap terug en liet het blauwe lont vieren tot hij bij de opening in het traliehek was aangekomen. Vlug controleerde hij of de smalle opening waar hij zich doorheen had gewrongen voldoende verbreed was om een snelle aftocht mogelijk te maken. Artu wist dat ze weinig tijd hadden als de explosie eenmaal door de nacht daverde. Maar de mannen hadden goed werk geleverd en hij glipte vlug door het gat om aan de andere kant bij hen te komen staan.

De drie indringers stonden bij het lont en volgden het met hun ogen naar de glanzende koperen punt van de detonator. Artu stuurde de twee anderen met een ongeduldig handgebaar naar buiten en haalde een aansteker uit zijn zak. Drie keer gleed zijn duim, nat van het zweet, vergeefs over het geribbelde wieltje, en toen kreeg hij er eindelijk vat op. De gloeiende vonken lieten het butaangas opvlammen. Hij keek nog eens naar de deur van de kluis en hield de vlam na een gebed tot de goden van zijn stam bij het lont, dat hij tussen zijn vingers heen en weer rolde tot het sissend ontbrandde. Voorzichtig legde hij het lont op de grond en hij zag hoe de vonken zich dansend en sputterend naar de detonator in het sleutelgat van de kluis verplaatsten. Het ging goed. Hij knikte tevreden en ging toen vlug naar buiten, naar de anderen toe.

De mannen zaten gespannen tegen de muur van het gebouw gedrukt te wachten. Ze keken elkaar zorgelijk aan, want ze dachten dat het te lang duurde, maar toen daverde de explosie over het mijnterrein. De klap galmde als een ricochetterende granaatinslag tegen de verstilde woonverblijven. Verlamd drukten ze zich nog dichter tegen de muur. Toen de echo’s waren weggestorven, stonden ze op en renden het met stof gevulde gebouw in. In de opwinding verliet de bewaker zijn positie en rende met hen mee. Ze verdrongen elkaar om als eerste door de opening in het traliehek te kunnen gaan. 

De zware deur van de kluis hing scheef. Met wilde juichkreten stormden ze naar voren. Er volgden enkele seconden van uitbundige verwarring, maar toen riep Artu hen met zijn blafstem tot de orde. Ze herinnerden zich hun instructies en hielpen elkaar vlug de rugzakken te vullen die ze op hun rug hadden. Het was een kwestie van maar enkele minuten en algauw liepen ze met hun buit als zware last naar de deur. Ze wilden zo snel mogelijk weg.

De eerste man die buiten kwam keek naar de woonverblijven en zag licht branden in de ramen hoog op de helling. Hij grijnsde zelfverzekerd, want hij wist dat ze genoeg tijd hadden om weg te komen voordat er iemand die polshoogte kwam nemen ter plaatse was. Hij werd opzij geduwd door de anderen, en met zijn allen draaiden ze zich om naar de schaliebergen, waarachter ze wilden verdwijnen. Plotseling was er een geschreeuwd bevel te horen, en opeens stond de voorkant van het gebouw in het felle licht van oogverblindende schijnwerpers.

De vier mannen verstijfden. De immense massa licht drukte hen tegen de witte muur, als dode insecten die door een verzamelaar waren opgeprikt. Toen loste de gewapende uitkijk van pure frustratie een zinloos schot. Onmiddellijk werd dat schot beantwoord met een dodelijk salvo. Het hoofd van een van de mannen verdween in een massa bloed, bot en hersenmaterie die hoog en breed tegen de muur achter hem spatte. Een tweede man werd door de explosieve kracht van de high-velocitykogels tegen het gebouw geslingerd. Er spoot bloed uit zijn borst en toen hij levenloos op de grond zakte, liet zijn rug een verticaal rood sleepspoor op de muur achter. Een andere man keek ongelovig naar de stomp van zijn rechteronderarm, waaruit donker slagaderlijk bloed in een dikke stroom naar buiten gutste. Toen de verdovende schok was weggetrokken en de pijn met volle kracht tot hem doordrong, zwol zijn gekreun aan tot een schel, door merg en been gaand gekrijs.

Vreemd genoeg bleek Artu Koffi zelf ongedeerd te zijn. Hij ging rechtop staan, zijn benen uit elkaar, zijn armen omhoog, het wit van zijn ogen groot van de schrik. Terwijl hij in het oogverblindende licht tuurde, hoorde hij het afgemeten knerpen van naderende voerstappen. Geleidelijk kwam een legerofficier in zicht; de ronde klep van zijn pet vormde een donkere stralenkrans in het felle licht. Artu zag het gezicht toen de man dichterbij kwam, zag de smalle lippen die in een grijns van triomf waren samengeperst. Hij herkende Judas Akaba, de kapitein die verantwoordelijk was voor de bewaking van de mijn. Een hele tijd bleef de geüniformeerde man in de houding staan en keek hij rustig naar de vier mannen die alles op het spel hadden gezet. Het had maar heel weinig gescheeld of ze waren nog geslaagd ook. Toen renden soldaten hem voorbij om de rugzakken van de twee dode mannen weg te halen. Zonder zich iets aan de kreten van de gewonde man gelegen te laten liggen, trokken ze de banden van zijn rugzak over de verminkte stomp van zijn arm, en ten slotte sloegen ze Artu met hun geweerkolven tot hij op zijn knieën zat en ze zijn rugzak ook konden verwijderen.

De officier snauwde een bevel en zijn soldaten gingen enkele stappen terug, lieten de rugzakken bij hun voeten vallen en richtten hun wapens op Artu en de man die nog op de grond lag te kronkelen. De diepe, wrede stem gaf opnieuw een bevel, en meteen daarop volgde het scherpe, metalen ratelen van wapens die werden doorgeladen. Dat geluid klonk hard en onheilspellend, met het gekreun van de gewonde man op de achtergrond.

‘Nee! Nee!’ De blanke sergeant verscheen opgewonden in het felle licht. ‘Nee! Nee!’ riep hij opnieuw, en hij zette het op een lopen. ‘Ze hebben zich overgege…’

Zijn stem verdronk in een salvo machinegeweervuur en hij bleef machteloos staan. Kogels boorden zich in kwetsbaar vlees. Armen en benen vlogen wild in het rond: de levenden voegden zich bij de doden.

Kapitein Akaba liep naar voren en bukte zich om de klep van een van de rugzakken omhoog te trekken. Langzaam, opzettelijk, liet hij de inhoud in het felle licht komen. De soldaten lieten hun mond openvallen van pure verbazing. Artu Koffi keek met ogen die steeds waziger werden naar het geboorterecht van zijn mensen, dat daar voor hem op de grond lag te glinsteren. Toen bracht hij pijnlijk, langzaam, zijn hoofd omhoog en keek in de genadeloze ogen van Judas Akaba.

‘Op een dag…’ Hij verzamelde het laatste beetje kracht, stervend als hij was. ‘Op een dag wordt ons goud aan het Ashanti-volk teruggegeven. Op een dag.’ Hij viel met een zucht achterover; de glans van het goud weerspiegelde in zijn ogen. Hij zag niet meer dat Akaba zijn pistool trok en was al dood toen de zware 9mm-kogel zijn schedel verbrijzelde. 

‘Vuile moordenaar!’ De blanke sergeant zwaaide met zijn vuist naar de grijnzende Akaba.