Hoofdstuk 35
Toen Colin in de hal van vliegveld Gatwick bij Londen verscheen, werd hij begroet door twee stralende gezichten. Hij keek Bert en Ray even aan, en toen grepen ze elkaars handen vast met het warme gevoel dat ze hun doel hadden bereikt. Ze waren met zijn drieën bij elkaar – veilig – en over niet meer dan tien dagen werd de Lagos Palm in de haven van Tilbury verwacht! Nu hoefden ze alleen nog af te wachten. Binnenkort zou alles voorbij zijn.
De week daarop werd hun geduld zwaar op de proef gesteld. De dagen sleepten zich voort. Maar op de tiende dag gingen ze met zijn drieën naar Tilbury om te zien hoe de Lagos Palm voorzichtig aanlegde. Opgewonden zagen ze hoe de kabeltouwen werden uitgegooid en het schip langzaam op zijn plaats werd getrokken.
‘Wanneer wordt de lading afgeleverd?’ vroeg Bert, die onwillekeurig over zijn lippen likte terwijl hij naar het schip keek.
‘Volgens de agent over twee of drie dagen,’ antwoordde Colin. ‘Ik wilde niet te veel bij hem aandringen, want dan werd hij misschien nieuwsgierig, maar voortaan moet er voor alle zekerheid altijd iemand in de winkel zijn, met ingang van morgen.’
‘Ik wil wel!’ riep Bert uit. ‘Dacht je dat ik wilde missen dat er voor drie miljoen aan goud wordt bezorgd?’
Colin lachte opgewekt. ‘Ja, Bert, daar zit wat in,’ zei hij. ‘Dat willen we geen van drieën missen. We zullen er alle drie zijn.’
‘Ja.’ Rays stem klonk ongewoon ingetogen, alsof hij nog iets anders aan zijn hoofd had. ‘Ja,’ herhaalde hij. ‘We zullen er alle drie zijn.’
Ze verwachtten niet echt dat het goud de eerste dag zou worden bezorgd, en hoewel die kans de dag daarop groter was, vonden ze het niet vreemd dat het op de tweede dag ook niet kwam. Maar op de derde dag waren hun verwachtingen hooggespannen. Ze zaten met thermosflessen thee en koffie te kaarten in de winkel.
Toen er buiten een vrachtwagen aankwam, trok Colin ongeduldig de zonwering uit elkaar. Het was een wagen met een platte laadbak en het dekzeil was teruggeslagen, zodat hij tien jutepakken netjes op elkaar gestapeld zag liggen. Toen hij plotseling verstijfde en snel inademde, keken de anderen op en kwamen ze vlug van hun stoel. Opgewonden keken ze tussen de lamellen van de zonwering door.
‘Yes.’ fluisterde Bert. ‘Daar heb je het.’ Hij porde Colin hard op zijn rug. Zijn hele gezicht was een en al stralende glimlach.
Ze zagen de vrachtwagenchauffeur kijken of het adres overeenkwam met dat op zijn lijst. Toen kwam hij uit zijn cabine en liep naar de ingang van de winkel.
‘Ik heb wat voor u, meneer.’ De chauffeur wees met zijn duim over zijn schouder. ‘Tien pakken cacaoboter, kan dat kloppen?’
‘Ik verwachtte ze al,’ zei Colin met een onbewogen gezicht tegen hem. Hij moest zijn best doen zijn ongeduld te bedwingen.
Aan de overkant van de straat drukte een rechercheur in een gewone personenauto met zijn duim op de zendknop van zijn radio. ‘Het is zover!’ Zijn stem trilde van opwinding. ‘Operatie Goudnet gaat door!’
‘Nou, dan…’ De chauffeur maakte een touw los en klom achter in de vrachtwagen. Toen hij zich omdraaide, zag hij tot zijn verbazing drie mannen met een ongewoon blij gezicht die stonden te wachten tot ze hem konden helpen met uitladen. Elk van hen nam een pakket op zijn schouder en liep er haastig mee de winkel in. Dat ging zo door tot alle pakketten waren uitgeladen. Nu hoefde er alleen nog maar voor ontvangst in goede staat te tekenen.
‘Eh… sorry!’ Hij stond in de deuropening van de winkel en keek naar de drie mannen die bij de pakketten stonden. ‘Sorry!’ Hij moest zijn stem verheffen om hen af te leiden. In zijn handen had hij een klembord en een afgekloven stompje potlood.
‘O! Ja… goed.’ Colin kwam met enige tegenzin bij de buit vandaan.
‘Zo, meneer.’ De chauffeur zag Colin zijn naam zetten. ‘U bent…’ Hij tuurde naar de bijna onleesbare naam. ‘Meneer Thompson?’
‘Ja, dat ben ik.’ Het was de naam die Colin had opgegeven toen hij de cacaoboter bestelde.
‘Brief voor u, meneer.’ De chauffeur hield hem een dikke bruine envelop voor.
Colin stopte de brief ongeduldig in een zak. Terwijl hij wat kleingeld tevoorschijn haalde, dirigeerde hij de chauffeur het trottoir op, en meteen daarop ging hij weer naar binnen, waar het overwinningsfeest al was begonnen.
‘Kom! Schud er eens aan!’ drong Ray aan bij Bert, die met zijn dikke vingers bezig was het ijzerdraad van een fles champagne te halen. Hij dook weg toen de kurk explodeerde en hij een wolk schuim over zich heen kreeg.
De sfeer was glorieus. Onder het uitstoten van harde blije kreten doken ze weg om het meeste schuim te ontwijken. Intussen probeerden ze iets van het rondvliegende schuim in gebarsten mokken op te vangen om op de veilige aankomst van het goud te toosten.
Opeens klonken er naderende sirenes. Ze verstijfden als drie mannetjesvossen in het struikgewas, in de hoop dat de jacht aan hen voorbij zou gaan. Plotseling hoorden ze gierende banden. Portieren klapten dicht en zware schoenen stampten over het trottoir. Ze keken elkaar aan, hun ogen groot van schrik. Eén keer… twee keer… drie keer beukte iets zwaars tegen de deur. Speren van versplinterd hout vlogen in het rond, en toen sprong het slot en stormde een stel figuren met een blauwe baret, zwarte overall en kogelwerende vest de winkel in.
‘Politie! Staan blijven!’ De agenten gingen gehurkt in schietpositie zitten, elk met een Heckler & Koch 9mm-mitrailleur. ‘Geen beweging!’ Nog meer gewapende mannen stormden door de deuropening naar binnen.
‘Tegen de muur en benen spreiden!’ riep een stem. ‘Spreiden, zei ik!’ Ruw werd het hevig geschrokken trio tegen de achterwand gedrukt. De politiemannen schopten tegen enkels, dwongen hun benen uit elkaar en trokken hun voeten uit elkaar, zodat ze zich gedwongen zagen met gestrekte armen tegen de muur te leunen. Ervaren handen fouilleerden hen vakkundig, op zoek naar wapens. Er kwamen andere voetstappen de winkel binnen, en Colin voelde dat er een hand op zijn schouder werd gelegd. Die hand draaide hem om, zodat hij kon zien wie hem hadden opgepakt.
Colin keek een ogenblik naar het zwarte gezicht tegenover hem, en hij was zo verdoofd dat het even duurde voor hij de man herkende. Toen zag hij een wenkbrauw trillen alsof die opzettelijk de aandacht trok, en kwam het besef als een vloedgolf van verbijstering bij hem opzetten.
‘U!’ stomverbaasd keek hij in het grijnzende gezicht van majoor Akaba. ‘Maar… hoe?’ stamelde hij, en toen kon hij niets meer uitbrengen.
‘Het “waarom” weet u vast wel al, meneer Grant.’ Akaba’s stem klonk diep en sissend. ‘En het “hoe”? Nou, ik ben bang dat de dood van uw vriend me op het spoor heeft gebracht. En ook de fouten die u maakte. De leugens die u vertelde toen ik u die dag ondervroeg. Ik wist toen dat u degene was die ik wilde hebben, maar ik moest u tijdelijk laten gaan, want dan zou u me misschien naar het goud en het vierde lid van uw bende leiden. Ik had deze zaak het liefst in Ghana geregeld, maar u was me te slim af door die bar uit te glippen en naar Takoradi terug te gaan. Evengoed heeft mijn oorspronkelijke beslissing om u te laten gaan blijkbaar uiteindelijk vruchten afgeworpen.’ Hij keek naar de twee anderen, die nog met gespreide benen tegen de muur stonden. Toen keek hij naar de pakketten.
‘Dat is mijn voorraad.’ Colin kwam een stap naar voren, bleek van schrik. ‘We waren net aan het vieren dat het was aangekomen. Een grote dag voor mij.’
‘Grote dag?’
Colin was zo hevig van Akaba geschrokken dat hij inspecteur Lambert niet had opgemerkt, maar hij herkende de stem en zag nu ook zijn spottende gezicht.
‘Weet je, Grant,’ zei Lambert, ‘ik heb het gekke gevoel dat je niet helemaal eerlijk tegen ons bent.’
‘Waarom zou ik liegen?’ Het duizelde Colin nog. Het was nog niet goed tot hem doorgedrongen. ‘Dit is mijn winkel en dit is mijn voorraad: cacaoboter, gekocht en betaald. Daar is niets mis mee.’
‘Nee, niet zolang je daar alleen maar cacaoboter hebt,’ zei Lambert nadrukkelijk. ‘Want het zou niet goed zijn als we iets in die pakketten vonden wat Hare Majesteits regering in verlegenheid zou kunnen brengen, hè?’
‘Natuurlijk is het alleen maar cacaoboter! Wat zou het anders kunnen zijn?’ Bluf was het enige wapen dat Colin had.
‘In dat geval hebt u niets te vrezen,’ insinueerde Akaba’s stem zachtjes. ‘Maar ja, we weten allebei dat u wel degelijk iets te vrezen hebt, nietwaar?’
‘Wat heb ik dan te vrezen?’
Akaba glimlachte grimmig. ‘Gevangenschap… een proces… Misschien zelfs de dood.’ Hij perste zijn lippen nog meer op elkaar.
‘Waar hebt u het nou weer over?’
‘Ik heb het erover dat u en uw medeplichtigen naar Ghana worden teruggebracht om daar terecht te staan voor het kapen van een passagiersvliegtuig en het stelen van Ashanti-goud ter waarde van drie miljoen pond. Twee misdrijven waarvan ik weet dat u er schuldig aan bent.’ In zijn nauwelijks onderdrukte woede verhief hij zijn stem en vloog er venijnig speeksel uit zijn mond. ‘Op beide misdrijven staat in mijn land de doodstraf.’
‘Ahem!’ Er kwam een beleefd kuchje van een van de figuren op de achtergrond. ‘Heren, ik denk dat er eerst enig bewijs geleverd moet worden voordat dergelijke beschuldigingen kunnen worden gedaan.’ Er kwam een enigszins gebogen, oudere man naar voren. Hij hield een koffertje als een soort ereteken voor zich uit.
‘Johnstone-Carruthers, ministerie van Buitenlandse Zaken,’ stelde hij zich – zonder een hand te geven – aan Colin voor. ‘Ik moet getuige zijn van de inbeslagname van het goud, opdat er geen vertraging optreedt bij het verstrekken van uitleveringsdocumenten tegen de betrokken personen.’
‘Uitlevering!’ Colin keek hem verbijsterd aan.
‘Een formaliteit; dat verzeker ik u.’ Akaba keek hem met een grimmig glimlachje aan. ‘Vliegtuigkaping is een daad van internationaal terrorisme die door geen enkele overheid wordt getolereerd. Uw overheid heeft me alle medewerking toegezegd. Binnen niet al te veel uren zijn uw medeplichtigen en u op de terugweg naar Ghana.’ Zijn tong bewoog zich gretig over zijn lippen, als een adder die zich op zijn volgende maaltijd verheugt. ‘En dan, Grant…’ De glimlach die om zijn dunne lippen lag drong niet tot zijn dreigende ogen door.
‘Alleen als u het bewijsmateriaal in de vorm van het goud produceert, majoor Akaba,’ bracht de gebogen man van buitenlandse zaken hem vriendelijk in herinnering. ‘Ik moet het goud zien voordat ik aan uitlevering kan meewerken.’
Akaba keek Colin weer aan. ‘Toen Scotland Yard me de naam van uw onderneming en het adres van deze winkel stuurde, begreep ik hoe u het goud had verstuurd. Ik hoefde maar in de bedrijfsgegevens en ladingsbrieven te kijken om te ontdekken dat op het laatste moment was geregeld dat de Lagos Palm een zending voor de firma Hansel meenam. Daarna hoefde ik alleen maar te wachten tot het goud u allen in het net verstrikte.’ Hij hield zijn handen bij elkaar vandaan als een goochelaar die een truc had volbracht. ‘En kijk eens aan!’
‘Als ik u mag onderbreken, majoor Akaba…’ De man van Buitenlandse Zaken maakte een geërgerd geluid en wees naar de pakketten. ‘Hoe eerder deze onaangename zaak is afgehandeld, hoe eerder we allemaal naar ons kantoor terug kunnen. Dus met uw welnemen?’ Hij keek nadrukkelijk naar de jutepakketten.
Akaba haalde een mes uit zijn zak, hield hem voor Colins gezicht en drukte op een knopje waardoor vijftien centimeter lang vlijmscherp staal naar buiten schoot. Hij keek spottend in Colins ogen en wendde zich toen tot de pakketten.
‘Dat is mijn voorraad!’ Colin kwam een stap naar voren in een wanhopige poging de dreigende catastrofe tegen te houden. ‘Als u mijn voorraad beschadigt, ga ik procederen.’
‘Dit kunnen ze toch niet doen?’ Berts stem klonk schor.
Ray, die met zijn handen hoog tegen de muur stond, keek onder zijn arm door naar Akaba, die met het mes naar een van de balen uithaalde. De jute scheurde gemakkelijk open, en twee van de kartonnen dozen kwamen in zicht.
Het stijve karton kostte een beetje meer tijd, maar even later was het weggetrokken en zagen ze de inhoud van de doos. Akaba keek Colin aan terwijl hij zelfverzekerd in het blok gele cacaoboter sneed, maar zijn gretige gezicht verflauwde toen hij de boter met snelle halen van zijn mes aan flarden sneed en… niets aan het licht bracht. Er kwam een gesmoord geluid over zijn lippen en hij ging de tweede doos te lijf.
Colins mond viel open. Hij keek eerst naar Bert en toen naar Ray, maar kon alleen hun achterhoofd zien. ‘Dat zei ik toch?’ Zijn stem klonk gespannen en hij schudde Lamberts al veel minder strakke greep van zich af. ‘Het is maar cacaoboter.’
Akaba sneed al in de tweede doos. Terwijl het litteken boven zijn oog wild trilde, stak hij woest met het mes in het onschuldige blok boter. Weer… niets! Er kwam een jammerend geluid over zijn lippen en toen hij in de jute van het volgende pakket sneed, haalde hij met korte stoten adem.
Er was geen ander geluid te horen dan Akaba’s hijgende ademhaling. De politiemannen stonden in een kring om hem heen en zagen hem nog eens een blok boter in stukken snijden zonder dat hij iets vond. Akaba viel nu als een bezetene op de cacaoboter aan. Daar ging weer een pakket aan flarden. De brokken harde boter vlogen wild in het rond toen hij het mes erin stak alsof hij een vijand van zijn ingewanden wilde ontdoen.
Colins mond stond wijd open. ‘Ik zei toch…’ probeerde hij opnieuw. Hij begreep het niet, maar bleef doen alsof hij onschuldig en verontwaardigd was. ‘Jullie verspillen jullie tijd.’
Inspecteur Lambert keek op naar de man van Buitenlandse Zaken. De borstelige wenkbrauwen van Johnstone-Carruthers waren opgetrokken als vraagtekens, maar hij schudde zijn hoofd en keek weer gefascineerd naar het spektakel van Akaba die hysterisch op het zoveelste pakket inhakte. Inmiddels was de helft van de jutepakketten opengescheurd en was de inhoud ruw vernield. Telkens als Akaba’s mes alleen zuivere, onvermengde cacaoboter aan het licht bracht, kwam er een kreet van protest over zijn lippen.
Ten slotte hield Akaba op en schopte hij ongelovig tegen de langzaam smeltende massa waar hij tussen stond. Zijn gelaatskleur was merkwaardig grijs geworden en zijn ogen waren gevaarlijke poelen van duisternis. Hij draaide zich met een ruk om.
‘Waar is het?’ schreeuwde hij, en hij drukte het lemmet van zijn mes tegen Colins keel. ‘Waar heb je het verstopt?’
‘Ik weet niet waar u het over hebt,’ antwoordde Colin meteen. ‘U bent knettergek!’
Akaba pakte Berts arm vast, draaide hem om en duwde hem hard met zijn rug tegen de muur. ‘Jij! Jij moet weten waar het is.’ Hij klonk nu bijna smekend.
‘Weten waar wát is?’ vroeg Bert, en hij leek net een verbaasde buldog. ‘Ik heb geen flauw idee waar u het over hebt.’
Als een man in doodsnood greep Akaba de schouders van Ray vast en keerde hem om. Akaba deed zijn mond open om iets te zeggen, maar verstijfde in plaats daarvan. Zijn ogen puilden bijna uit hun kassen en er kwam een gesmoord geluid uit zijn keel. Het was of hij plotseling een spook had gezien. Terwijl hij langzaam terugdeinsde, kwam zijn hand omhoog om het brede, ontstoken litteken boven zijn oog aan te raken, dat opeens groter leek te zijn geworden. De strakke huid werd bijna doorschijnend en trilde en klopte alsof het een eigen leven leidde.
‘Jij!’ Hij fluisterde van ongeloof. ‘Jij bent de vierde man!’
Er speelde een vaag glimlachje om Rays lippen, en hij sprong spottend in de houding. ‘De vierde man, majoor Akaba? Ik weet niet waar u het over hebt.’ Zijn stem klonk jennend.
Het litteken boven Akaba’s oog bolde pulserend op doordat het zich vulde met bloed. Zijn gezicht ging van verbijstering over in razernij, met speekselbellen op de lippen. Hij boog zich naar achteren als een slang die zich opmaakt om toe te slaan. Het lemmet van het mes glinsterde nog tussen hen in. Toen dook hij als een bezetene naar voren. Hij stak omhoog, mikkend op Rays hart.
Ray bewoog nauwelijks. Zijn ene hand hakte verlammend hard tegen Akaba’s pols, zodat het mes tollend op de vloer terechtkwam. Zijn andere hand, even snel, vormde een vuist en hamerde keihard op het pulserende littekenweefsel boven de krankzinnige, starende ogen. Het bloed spatte een eind in het rond toen de gespannen huid kapotsprong en Akaba’s oog achter een sluier van vuurrood bloed verdween. Ray ging geen centimeter achteruit en grijnsde voldaan om het gehavende gezicht. De politieagenten kwamen dichterbij en gingen tussen Ray en de koortsachtig spartelende Akaba in staan. Colin en Bert keken verbijsterd toe, volkomen verrast door de wending die de gebeurtenissen hadden genomen.
‘Arresteer ze!’ riep Akaba uit, zijn gezicht een masker van druipend bloed. ‘Lever ze uit!’ Toen inspecteur Lambert hem losliet, ging hij hijgend tegenover Johnstone-Carruthers staan. ‘Lever ze uit!’ eiste hij, alsof hij bevelen schreeuwde tegen een recalcitrante ondergeschikte. ‘Deze mannen moeten met mij mee terug naar Ghana om terecht te staan.’
Johnstone-Carruthers keek hem vol afschuw aan. ‘Het spijt me, majoor Akaba. Waarvoor zouden ze terecht moeten staan?’ Hij sprak op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘De Britse overheid heeft heel goed duidelijk gemaakt dat de aanwijzingen waarover u beschikt op zichzelf ontoereikend zijn om de uitlevering van de vermeende criminelen te rechtvaardigen. De voorwaarde voor uitlevering is volkomen duidelijk: het goud moet in het bezit van de door u beschuldigde mannen worden aangetroffen. Dat, en alleen dat, zou tot hun snelle terugkeer naar Ghana hebben geleid. Maar…’ Hij wierp een welsprekende blik op de massa smeltende cacaoboter. ‘Zoals meneer Grant herhaaldelijk heeft gezegd, hebben we hier alleen maar cacaoboter. Ik hoef u vast niet te vertellen dat de import van die substantie geen delict vormt. Van uitlevering kan dan ook geen sprake meer zijn. Sterker nog,’ merkte hij droogjes op, ‘als jurist raad ik de heer Grant dringend aan met zijn advocaten te overleggen teneinde een eis tot schadevergoeding tegen u in te dienen met betrekking tot zijn verlies en de mogelijke schade aan zijn onderneming door deze onfortuinlijke affaire. Maar het is aan hem om daarover een beslissing te nemen. Ik wens u een goede dag, meneer Akaba. Het was me een genoegen kennis met u te maken.’ Hij glimlachte Akaba voldaan toe, gaf Lambert een hand en wierp Colin ten slotte een geamuseerde blik toe alvorens majestueus de winkel te verlaten.
‘Nou.’ Lambert wendde zich tot de hevig ontdane Akaba. ‘Het ziet ernaar uit dat uw theorie geen hout snijdt, majoor. Geen goud, geen vervolging!’
‘Ze hebben het goud gestolen! Ik weet dat ze het hebben gestolen. Ik wil dat die drie misdadigers worden gearresteerd en in hechtenis worden gehouden totdat de rest van de cacaoboter aan boord van de Lagos Palm is opgespoord en gecontroleerd. Misschien zijn de pakketten met elkaar verwisseld.’
‘Jammer genoeg is er een groot verschil tussen wat u weet en wat u kunt bewijzen, majoor. Dat overkomt mij ook vaak. U bent weer een ervaring rijker. Trouwens,’ voegde hij er met een sceptische blik aan toe, ‘ik denk niet dat dit stel pienter genoeg is voor een roof op dat niveau. Een beetje oplichterij hier, een diefstalletje daar, misschien een inbraakje; dat is wel zo ongeveer wat ze kunnen. Maar een vliegtuig kapen en een lading goudstaven stelen…? Nee!’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat gaat ze ver boven hun macht.’
‘Maar het bewijs!’ Akaba, die met al dat bloed op zijn gezicht niet erg gezaghebbend meer overkwam, telde de bekende feiten op zijn vingers af. ‘Deze winkel die ze hebben gehuurd. De tickets voor vlucht 670 die via de post en vanaf een correspondentieadres in Takoradi zijn gekocht. Een door Grant gehuurde auto die op het parkeerterrein van de universiteit is gezien. De in scène gezette dood van Docherty, en Grants ontkenning toen ik hem vroeg of hij Docherty had gekend. Weer die gehuurde auto; ditmaal op het parkeerterrein van het hotel. En alsof dat nog niet genoeg is: de cacaoboter die op de dag na de roof in allerijl naar dit adres is gestuurd. Dat moet toch wel meer dan genoeg bewijs zijn voor een arrestatie?’
‘Sorry, majoor. U bent hier niet in Ghana. En in dit land accepteren we het toeval niet als bewijs,’ zei Lambert. ‘Er zijn meer dan duizend boksliefhebbers voor dat gevecht van Londen naar Ghana gereisd; daarmee is één toevallige omstandigheid al verklaard. U weet alleen de kleur en het merk van de auto bij de universiteit, dus dat kan ook niet als bewijs worden gebruikt. Tenminste niet in dit land. En het is niet verboden om cacaoboter van Ghana naar Groot-Brittannië te versturen, hoe snel dat ook wordt geregeld. Zonder het goud hebt u alleen maar een aantal gemakkelijk te verklaren toevalligheden.’
‘U doet blijkbaar grote moeite om te bewijzen dat ze dat vliegtuig niet hebben gekaapt.’ Akaba keek hem woedend aan. ‘Hoe kunt u dan Docherty’s verwondingen verklaren?’
‘Die hoef ik niet te verklaren. In het rapport van uw eigen patholoog-anatoom wordt de val van dat balkon als doodsoorzaak genoemd.’
‘We moesten het rapport van de patholoog-anatoom vervalsen om geen argwaan te wekken bij de criminelen.’
Lambert keek hem aan en schudde zijn hoofd. ‘Ik heb nooit echt kunnen geloven dat dit stel die roof voor elkaar heeft gekregen. Maar u vertelde een overtuigend verhaal en de hoofdcommissaris accepteerde het. Nu geeft u toe dat u het rapport van de patholoog-anatoom hebt vervalst. Sorry, majoor, maar er zit een luchtje aan uw methoden. En ook aan uw verhaal. Ik stel voor dat u weggaat voordat ik u arresteer wegens bezit van een verboden wapen en poging tot moord.’ Hij pakte de stiletto van de grond en knikte twee van zijn mannen toe, waarna hij onbewogen toekeek terwijl ze de protesterende Akaba naar zijn auto dirigeerden.