20. Tim en Tor in actie

Tim en Tor liggen rustig in hun mand te wachten tot hun baasjes weer terug zullen komen.

Ineens tilt Tor zijn kop op. Zijn flaporen draaien naar voren. Hoort hij daar iets? Tim komt meteen overeind. Hij kruipt uit zijn mand en gaat alvast voor het trapje bij de kajuitdeur zitten. Fijn dat ze weer terugkomen. Gelukkig is Tor er wel, maar zonder de baasjes is het eigenlijk maar niks.

Er stapt iemand op de boot. Tor hoort dat het geen baasje is en ook geen Peter. Er klopt iets niet.

‘Waf’, klinkt het ineens hard in de kajuit. ‘Waf waf.’

De man die op het achterdek is gestapt, staat stokstijf stil. Da's waar ook, die honden. De kajuitdeur zit dicht. Gelukkig. Voorzichtig loopt hij over het gangboord naar voren en gluurt door het smalle raam naar binnen.

Tor ziet hem nu ook een begint een heel blafconcert. Tim helpt nu luidkeels mee.

De man ziet alleen Tor en grijnst. ‘Blijf jij maar lekker binnen zitten. Ik zal wel zien dat ik je straks ergens dump’, mompelt hij. ‘Eerst maar zien weg te komen hier en m'n eigen bootje oppikken.’

Hij loopt naar de stoel achter het stuur en gaat erop zitten. Het pistool legt hij naast zich neer. Vervolgens haalt hij een sleutel uit zijn broekzak. Hij steekt hem in het contactslot en draait 'm een kwartslag.

Hij zoekt even op het dashboard en drukt dan op een zwarte knop. De motor slaat onmiddellijk aan. De man stapt weer van de stoel en loopt naar het touw waarmee de Albatros vastzit aan de steiger.

Tor wordt steeds bozer. Hij gaat rechtop tegen de deur staan en legt een poot op de klink. Edwin heeft de deur daarnet te hard dichtgeslagen, zodat hij weer uit het slot is gesprongen.

Plots vliegt deur open.

Tor bedenkt zich geen moment en springt naar buiten.

Daar heeft de man niet op gerekend. Hij hoort de kajuitdeur openslaan. Vlug draait hij zich om, maar het is al te laat. Doordat het allemaal net even te snel gaat en zijn linkervoet achter een tafelpoot op het achterdek haakt, verliest hij z'n evenwicht. Zijn handen graaien door de lucht maar er is niets om zich aan vast te pakken. Hij tuimelt achterover en smakt met zijn achterhoofd tegen de houten rand van het aanrechtblok. Dan glijdt de man als een zoutzak onderuit en blijft stil op het achterdek liggen.

Tor staat er verbaasd bij te kijken. Hij snuffelt eens aan de man. Nu de man daar zo stil ligt, zwijgt hij ook maar.

Tim komt ook naar buiten en besnuffelt de man. De man is buiten bewustzijn en er komt een beetje bloed uit zijn oor.

 

In de keet staan de drie vrienden voor het raampje te kijken. Eerst gluurde Edwin voorzichtig over het onderrandje. Hij zag nog net dat de man tussen het riet verdween waar de steiger is. Hij was dus echt weg. Toen heeft hij een stoel gepakt om zo hoog mogelijk door het raam te kijken. Hij kon nog net het hoofd van de man zien die bezig was op het achterdek. Ineens was het hoofd weg. Dat is nu al een paar minuten geleden. De Albatros blijft liggen waar ze ligt. Ook Vera en Peter zijn erbij komen staan.

image

‘Hij zei toch dat-ie met onze boot weg zou gaan?’

‘Hij heeft geen haast zeker.’

‘Vreemd!’

‘Hé, kijk daar nou! Tor!’ roept Vera. ‘Tor komt eraan.’

Tor loopt met zijn neus vlak boven de grond richting de griendkeet.

‘En Tim ook!’

‘Hoe kan dat nu toch?’

‘En waar is die vent nu?’

‘Ga kijken! Dan weet je het.’

‘Dan moeten we wel eerst buiten zien te komen.’

‘Nou, da's toch niet zo moeilijk. Hoe denk je dat Vera en ik binnen zijn gekomen?’

O ja natuurlijk, dat ik daar niet aan gedacht heb, denkt Edwin.

Meteen lopen ze alle drie naar het keldertje.

Even later staan ze buiten.

Edwin aait Tor over zijn zwarte kop, terwijl Vera Tim op haar armen neemt.

‘We moeten oppassen’, zegt Peter. ‘Ik begrijp niet goed waarom onze boot niet wegvaart, terwijl Tim en Tor hier zijn. Ik denk dat-ie ze heeft losgelaten.’

Edwin staat even na te denken en zegt dan: ‘Ik geloof niet dat Tor zomaar was weggelopen als hij ze had losgelaten. Hij had hem op z'n minst aangevallen. Vraag maar aan Vera.’

Vera is het daar roerend mee eens.

‘Zou dat echt gebeurd zijn?’

‘Als we dat willen weten, moeten we toch gaan kijken.’

‘Ik ga wel samen met Tor’, zegt Edwin dan en loopt meteen richting het steigertje. ‘Kom Tor ... kom!’

Als Edwin bij de rietkraag komt, houdt hij zijn pas in. Hij kruipt achter het riet en loert om de hoek.

Het is stil op de Albatros.

Langzaam doet Edwin een paar stappen vooruit en houdt Tor beet. Hij stopt even en doet nog een paar passen. De boot ligt nu op nog geen tien meter afstand. Hij kijkt naar het achterdek. Niets te zien ... of ... wat is dat? Het lijkt wel of daar een knie omhoogsteekt. Edwin deinst een beetje terug. Dat moet hem zijn. Maar vreemd, wat ligt hij daar op het achterdek te doen?

Edwin moet alle moed bij elkaar rapen om vooruit te lopen. De Albatros komt steeds dichterbij. Dan weet hij zeker dat het de man is die op het achterdek ligt. Vreemd! Hij hoort de motor van de Albatros draaien.

Voorzichtig loert Edwin over de reling. De man ligt plat achterover. Zijn ogen zijn gesloten. Wie gaat daar nu zo liggen slapen? Maar wat is dat nu? Ziet hij dat goed? Edwin pakt de reling en buigt voorover. De man bloedt uit zijn oor. Nu weet hij zeker dat er iets mis is.

Hij springt aan boord en gaat op zijn knieën naast de man zitten. Hij is buiten bewustzijn. Dat is wel duidelijk. Maar hoe is dat gekomen?

Tor snuffelt nog eens aan de bewegingloze man.

Edwin bekijkt de man van top tot teen. Nergens bijtsporen. Dit hebben Tor of Tim dus niet gedaan. Hij staat weer op en springt van de boot en rent richting de griendkeet. Hijgend vertelt hij wat hij heeft ontdekt.

Peter en Vera lopen snel met hem terug naar de Albatros.

Vera durft niet dichtbij te komen.

‘Wat moeten we nu doen?’ vraagt Peter zich hardop af.

‘Ik weet het!’ zegt Edwin ineens. ‘We moeten 112 bellen.’

Peter kijkt hem aan. ‘Ja, oké.’

Edwin duikt meteen de kajuit in en is snel weer terug met z'n mobieltje. Peter zet de motor van de Albatros uit.

‘Het is maar goed dat we het beltegoed hebben opgewaardeerd. Bel jij of bel ik?’

‘Maakt niet uit. Bel jij maar. 't Is jouw toestel.’

Edwin toetst de drie cijfers in en drukt het apparaat tegen zijn oor. Al snel klinkt er een vrouwenstem in zijn oor die vraagt waarmee ze hem van dienst kan zijn. Even weet Edwin niet goed hoe hij moet beginnen. Het is ook een raar verhaal dat hij moet vertellen.

‘Ik ... eh ... wij zijn met een boot op vakantie en nu ligt hier op onze boot een man, bewusteloos, ... enne hij bloedt uit zijn oor.’

‘Wat zegt u?’ ... ‘Nee, ik ken hem niet.’ ... ‘Waar we zijn? We zitten op een eiland in de Biesbosch’ ... ‘Ja, da's inderdaad lastig’ ... ‘Het heet ... eh ... Peter, hoe heet dit eiland?’

‘Nerzienplaatje.’

‘O ... eh, mijn vriend hier zegt Nerzienplaatje. NER-ZIENPLAAT- JE’ ... ‘Hoe hij op onze boot komt?’ ... ‘Ja, eh ... wij denken dat het een inbreker is.’ ... ‘Wat zegt u?’ ... ‘Ja, dat is nog vreemder.’ ... ‘Hoe het nu met hem is? Moet ik even kijken.’

Edwin bukt even voorover en kijkt naar de nog steeds bewusteloze man.

‘Nog steeds hetzelfde. Hij ligt een beetje raar te snurken en hij ziet erg wit.’ ... ‘Ja, dat is goed. Ik houd de telefoon bij me.’ ... ‘Nee, dat zal ik niet doen. Hebt u mijn nummer al?’ ... ‘Goed, komt er dan zo snel mogelijk iemand?’ ... ‘Oké.’

Het gesprek is afgelopen.

‘Die mevrouw gaat overleggen wat ze kunnen doen. Maar hoe of wat, dat weet ik niet. Ik moet m'n mobieltje bij me houden en niemand anders bellen. Dan kunnen ze ons bellen als het nodig is. O ja, en we moeten niet aan hem komen.’

‘Ik hoop eigenlijk niet dat-ie nu bijkomt’, zegt Vera. ‘Stel je voor dat er nog niemand is ... ’

‘Daar ziet het ook niet naar uit’, antwoordt Peter en kijkt met een bezorgde blik naar de man op het achterdek.

‘Hij doet een beetje raar met zijn adem’, vindt Edwin.