3. De Albatros

‘Mogen we vanmiddag naar Peter?’ vraagt Edwin. ‘Dan gaan we op de boot alvast wat dingen in orde brengen voor volgende week. Hij heeft gevraagd of we onze slaapzakken mee wilden brengen.’

‘Eens even denken’, zegt moeder. ‘Ik wil ook nog wat boodschappen doen met jullie. Maar dat kan morgen ook nog wel.’

‘Waar liggen die slaapzakken?’

‘Ho ho, rustig aan. Eerst de afwas doen. Vera, help je me even? Volgende week sta ik er ook helemaal alleen voor.’

Vera kijkt haar moeder even aan. ‘Maar dan hebt u ook maar de helft te doen. In plaats voor ons vieren hoeft u maar voor twee te zorgen, papa en uzelf.’

‘Daar heb je gelijk in, maar help nu toch maar even.’

Vera pakt snel de theedoek en Edwin gaat Tim en Tor uitlaten.

‘Leuk mam, volgende week. Ik heb er echt zin in!’

‘Ik ... eh ... weet nog niet of het wel zo verstandig is om die dieren mee te nemen’, zegt moeder aarzelend.

Vera kijkt haar moeder verschrikt aan. ‘Maar het mocht toch?’

‘Nou ja, mogen ... we hebben het erover gehad ... maar er is eigenlijk nog iets anders. Ik vind het eigenlijk niet passen dat jongens en meisjes zomaar bij elkaar slapen. Dat zie ik nog niet zo zitten. Kunnen jullie niet gewoon thuiskomen 's nachts?’

‘Maar Tim en Tor luisteren toch altijd heel goed naar ons. Het gaat best hoor, ma!’ Op het andere bezwaar gaat ze niet in. Oei, zo meteen loopt hun vakantieplan nog helemaal in het honderd.

‘Ik zal er eerst nog eens met vader over spreken.’

Vera zegt verder niets. Ze hoopt dat vader het wel goed vindt. Moeders kunnen soms best wel een beetje moeilijk doen. Nou ja, dat hoort erbij, denkt ze. Het komt wel goed.

 

Op het boerenerf komen ze Peter al tegen. Hij brengt juist een kruiwagen brokken naar een van de stallen.

‘Hoi, jullie zijn er al. Ik moet even deze kruiwagen in de stal zetten, dan ben ik klaar.’

De tweeling zet hun fietsen bij de schuur op de standaard.

Edwin haalt de slaapzakken onder de snelbinder vandaan. Tjonge, wat zit dat strak. Het is ook een dikke prop, twee opgevouwen slaapzakken. Hij trekt en trekt. Ai, daar springt een snelbinder kapot. Beteuterd pakt Edwin de twee uiteinden vast.

‘Gebroken?’ klinkt het achter hem. Peter komt eraan.

Edwin knoopt de twee eindjes aan elkaar.

‘Je had ze eigenlijk niet onder je snelbinders vandaan hoeven te halen. We moeten toch naar de jachthaven, waar de boot ligt.’

‘O, eh ... als we er dan eens één bij jou achterop doen en één bij Vera’, stelt Edwin voor.

‘Doe maar. Dan haal ik binnen even de sleutel van de boot.’

De jachthaven is vlakbij en even later stappen ze bij een steiger af. Edwin en Peter nemen allebei een slaapzak mee. Ze lopen de steiger over totdat ze bij een witte boot komen met een donkerblauwe streep waarop in sierlijke, goudkleurige letters ‘Albatros’ staat.*

‘Hoe komen jullie op die naam?’ vraagt Vera, terwijl ze naar de voorkant van de boot wijst.

‘Weet ik eigenlijk niet’, antwoordt Peter. ‘Dat heeft m'n broer verzonnen. De boot heette eerst ‘Vera’, maar dat vonden we zo'n domme naam ...’

Voor hij verder kan spreken heeft hij een opdoffer van Vera te pakken.

O, sorry hoor, Veertje. Was maar een grapje. De boot heette eerst ‘Dirkje’. Ja, echt waar. En nu niet zo lelijk tegen me doen, anders mag je niet mee op vakantie.′

‘Poeh! Als je niet oppast, dan wil ik niet eens mee.’

‘Lekker rustig!’ plaagt Peter.

‘Dan zul je wel je eigen potje moeten koken en wat hebben jullie daar nou verstand van? Ik zie ze al terugkomen, Eddy en Peer. Zo mager als een lat ...’

‘Zeg eh, zullen we niet eens aan boord gaan?’ komt Edwin tussenbeide.

‘Goed idee,’ antwoordt Peter, ‘maar ik wil eigenlijk ook wel weten hoe die honden van jullie aan hun naam komen.’

‘Oh ... eh, Tim komt van Timothéüs. Zo heette de jack russel van ome Rien, maar dat vonden we veel te lang, dus hebben we er Tim van gemaakt. En Tor rijmt lekker op labrador’, zegt Vera.

‘Aha ...’ Peter denkt even na en buigt dan met een armzwaai voor Vera. ‘Dames gaan voor!’

Ze doen alledrie een grote stap van de steiger op de boot en belanden in het smalle gangboord van de Albatros.

Peter ritst het zeil dat over het achterdek is gespannen los en stapt naar binnen. De anderen volgen.

Onder de opklapbare stoel naast de bestuurdersstoel is een keukenblokje. Links naast het stuurrad is een houten deurtje. Peter steekt de sleutel in het slot en opent de kajuit. Achter de deur bevindt zich een kleine maar gezellige ruimte met een tafel in het midden en aan weerszijden een bank. Er is zelfs een toilet met wastafel aanwezig.

‘Leg die slaapzakken maar op de bank’, zegt Peter.

Edwin en Vera zijn al een keer eerder op de boot geweest, maar kijken toch hun ogen weer uit.

Vooral Vera vindt het allemaal erg mooi. ‘Wat leuk! Alles zit erin.’ Dan denkt ze weer aan wat moeder zei over het slapen op de boot.

‘Ja, we hebben zelfs een koelkast. Kijk maar onder het keukenblokje.’ Vera stapt uit de kajuit en opent het deurtje. ‘O, net echt!’

‘Net echt? Het is allemaal echt hoor.’

‘Ja, dat bedoel ik ook, joh.’

‘Hier houden we het wel een week uit’, zegt Edwin.

Buiten klinkt het geluid van een buitenboordmotor. Alle drie kijken ze even door de raampjes.

‘Die gaat ook de Biesbosch in.’

Er zit een man in het bootje. ‘Zoiets heeft de melkrijder volgens mij bedoeld’, zegt Peter nadenkend.

‘Wat bedoeld?’

‘O, wat onze melkrijder vannacht heeft gezien.’

‘Wat heeft-ie dan gezien?’

‘Je weet wel, die chauffeurs werken de hele nacht door. Hij vertelde vanmorgen dat-ie hier vlak bij de brug over het Steurgat een man met een bootje heeft zien wegvaren. Maar het was een uur of halfvier. Wie gaat er nu zo vroeg varen? Dat vond-ie een beetje eigenaardig.’

Edwin denkt even na.

‘Halfvier ... mmm. Hoe zag hij eruit?’

‘Ja hallo, 't was nog pikdonker ... Hij zei wel dat het een vent was met een rugzak.’

‘En welke kant ging hij op?’

‘Heeft-ie niet gezegd en heb ik ook niet gevraagd. Maar dat zal wel de Biesbosch in zijn, want aan de andere kant moet-ie door de sluis en dat zal 's nachts wel niet gaan.’

‘O ja, en wat zei je vader?’

‘Niets. Tenminste, niet waar ik bij was. De melktank was net leeg en dus moest de chauffeur weer aan het werk. En ik moest hoognodig naar school.’

‘Waar hebben jullie het over?’ vraagt Vera die erbij komt.

Peter vertelt opnieuw wat de chauffeur van de melkauto afgelopen morgen heeft verteld aan zijn vader.

Vera trekt een bedenkelijk gezicht. ‘En hij voer de Biesbosch in? En wij gaan daar ook heen?’

‘Ach kom ...’ zegt Edwin. ‘Dat wil toch niets zeggen? Er varen zoveel boten in de Biesbosch en daarbij: wij kennen die man niet eens en hij ons ook niet. Dus waar maak je je druk om?’

‘Zullen we de kussens van de bedden en de banken gaan luchten?’ stelt Peter voor.

Ze gaan meteen aan de slag.

Vera denkt opnieuw aan wat moeder heeft gezegd. Zal ik het de jongens vertellen? denkt ze. Dat is misschien wel beter. Stel je voor dat moeder blijft weigeren.

‘Ik ... eh ... we hebben nog wel een probleempje’, begint ze.

De jongens kijken haar vragend aan.

‘Een wat?’

‘... eh ... ma heeft ... eh, wil eigenlijk niet dat we allemaal bij elkaar slapen. Ik bedoel, jongens en meiden ...’

Even is het stil. Dan laat Edwin met een diepe zucht zijn schouders zakken. ‘O nee hè!’

Peter legt een van de kussens op het tafeltje en krabbelt achter zijn oor.

‘Wacht eens’, zegt hij. ‘Da's toch niet zo moeilijk.’ Hij wijst naar Vera. ‘Als jij met Tim en Tor hier in de voorste kajuit gaat slapen, dan kruipen Eddy en ik in het kajuitje op het achterdek, ieder op een bank in een slaapzak. We laten de zeilen om het achterdek heen zitten. Dan is het een compleet huisje met twee slaapkamers. Deze boot is vierpersoons.’

De gezichten van Vera en Edwin klaren meteen op.

‘Dat we dat niet eerder bedacht hebben.’

 

* Wil je weten hoe de Albatros eruitziet? Kijk dan op pagina 126.