5. Op het eiland en er weer af
‘Moet je eens zien’, zegt Edwin tegen Peter, die de boot voorzichtig naar de wal stuurt. Hij houdt het uiteinde van het touw voor zijn neus.
‘Wat is daarmee?’
‘Kijk dan eens goed!’
‘O! Da's afgesneden. Wie heeft dat gedaan?’
‘Moet je niet aan mij vragen.’
‘Zouden de honden daarom zo onrustig zijn geweest?’ komt Vera tussenbeide.
‘Daar zeg je wat’, antwoordt haar broer.
Alle drie kijken ze naar het eiland, maar er is niets te zien.
Dan springt Edwin op de wal om het touw weer vast te leggen aan de boom. Met een kreet komt hij overeind. ‘Wat heb ik gezegd!’ Hij wijst naar de boom. ‘Het uiteinde zit er nog om.’
Vera kijkt bedenkelijk. ‘Kunnen we niet beter ergens anders naartoe gaan? Ik wil hier niet meer slapen.’
De jongens kijken elkaar eens aan. Meisjes zijn natuurlijk altijd wat banger uitgevallen, zeggen hun blikken. Maar echt leuk is het inderdaad niet. Eigenlijk heeft Vera wel gelijk, maar dat laten ze niet merken natuurlijk.
Peter heeft een voorstel. ‘Als we nu eens een andere plaats opzoeken voor de nacht, dan wil ik morgen overdag hier toch nog wel eens rondkijken.’
De tweeling gaat akkoord, al vindt Vera het wel een beetje eng.
‘Ik weet nog een andere mooie plaats’, zegt Peter en duwt de gashandel naar voren. Langzaam wordt het eiland kleiner.
Na een halfuurtje varen stuurt Peter de Albatros opnieuw naar de wal.
‘Dit is wel geen eiland, maar wel een prachtig en rustig plekje.’
Er staan geen boompjes vlak bij het water. Ze moeten nu dus op de wal een paal in de grond slaan. Gelukkig is de grond niet hard. Bovendien heeft Peter dat wel vaker gedaan.
Intussen is het bijna etenstijd.
‘Zeg Veer, wordt het geen tijd dat je voor wat eten gaat zorgen? Jij hebt er verstand van, wij niet’, roept Edwin naar zijn zus, die nog op de boot zit.
‘Mag ik daarom met jullie mee? Wacht, jullie kunnen best meehelpen.’
Vera loopt het trapje van de kajuit af en komt even later weer naar buiten met een pan, een zak aardappels en twee mesjes.
‘Zo, als jullie de aardappels schillen, zal ik de sla klaarmaken die we hebben meegenomen. Die moet het eerste op.’
‘Aardappels schillen? Dat kan ik niet. Dat heb ik nog nooit gedaan’, roept Edwin uit.
‘Dan kun je dat nu mooi leren’, kaatst Vera terug.
Peter grinnikt. ‘Ze heeft wel een beetje gelijk ... jouw zus.’
Edwin bromt iets wat de anderen niet kunnen verstaan.
Even later zijn de jongens op het achterdek allebei met een mes en aardappels in gevecht.
Edwin kijkt in de pan. ‘Zo hé. Die van jou lijken wel dobbelstenen.’
‘Kan wel zijn, maar van die van jou schiet niet veel meer over dan knikkers.’
Vera kijkt bij het keukenblok achterom. ‘Zijn jullie al klaar?’
‘Heb je die doperwten in de pan al gezien? Als het zo doorgaat komen we om van de honger.’
‘Ja hoor,’ verweert Edwin zich, ‘en Peter kan zo in een frietfabriek gaan werken. Kijk es ... allemaal vierkant.’ Hij vist een mooi exemplaar dikke patat uit de pan.
‘Oefenen jullie nog maar een poosje’, zegt Vera en draait zich lachend om.
Een poosje later zitten ze in de knusse kajuit aan de maaltijd. Het ruikt er heerlijk.
‘Ze kan het toch wel, die zus van me’, moet Edwin bekennen.
‘Dat had ik allang in de gaten’, antwoordt Peter.
Ook voor Tim en Tor wordt gezorgd. Ze krijgen allebei een bak vol brokken.
‘Wat ben je morgen eigenlijk van plan op dat eiland?’ vraagt Edwin met een volle mond.
‘Nou gewoon, ik wil er eens rondkijken. Er moet daar iemand zijn die onze boot heeft losgemaakt.’
‘Het touw heeft doorgesneden’, verbetert Edwin hem.
‘Hmmm, ik ben er verschillende keren geweest met mijn vader. Hij heeft er nog weleens wat koeien laten grazen, maar verder is daar eigenlijk niets te zoeken. Dus waarom zou iemand ons touw willen doorsnijden?’
‘Je hebt het toch zelf gezien?’
‘Weet ik. Daarom wil ik er ook gaan kijken.’
Na een poosje ravotten op het gras aan de wal en een spelletje Kolonisten op de boot, kruipen ze alle drie in hun slaapzak. De jongens in het kajuitje op het achterdek en Vera in de grotere kajuit. Daar bevindt zich ook het toilet en de wasruimte. Ook de manden van Tim en Tor zijn meegebracht en staan in de kajuit.
Midden in de nacht wordt Edwin wakker. Hij heeft iets gehoord, maar weet niet wat. Opnieuw hoort hij iets. Het deurtje van het achterste kajuitje staat open. Hè, weer gedoe midden in de nacht of heeft hij nu wel gedroomd? Het is Tor die heel zacht gromt. Dus toch! Opnieuw laat Tor een diep gebrom horen. Dan slaat Tim ook aan.
Edwin komt overeind. Hij kruipt nog iets verder uit zijn slaapzak en schuift voorzichtig een piepklein stukje van het gordijn weg. Er is niet veel te zien in het donker. Ineens lijkt het toch alsof hij iets ziet bewegen op het water. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. Nu weet hij het zeker. Er vaart een bootje.
Edwin houdt zijn adem in en durft zich van schrik niet meer te bewegen. Wat moet dat bootje daar nu? vraagt hij zich af. Een tel later ziet hij het bootje niet meer en nog wat later hoort hij het zachte geluid van een buitenboordmotor.
Tor laat niets meer van zich horen en Tim zwijgt ook.
Voorzichtig schudt Edwin aan Peters schouder, die boven de slaapzak uitsteekt.
Peter bromt een beetje en draait zich om.
Edwin schudt nog eens aan zijn andere schouder. ‘Hé, pssst. Er was net een bootje vlak bij de onze.’
Peter komt nu een beetje overeind. ‘Huh wat?’
‘Er was iemand bij onze boot.’
‘Waar?’
‘Op het water.’
Peter kruipt uit zijn slaapzak en kijkt ook door een kiertje.
‘Ik zie niks’, zegt hij zacht.
‘Nee, ik zei ook: er WAS een bootje vlakbij.’
‘Misschien een visser’, zegt Peter zacht en kruipt weer in zijn slaapzak.
Edwin sluipt nog even de kajuit van z'n zus binnen om naar de dieren te kijken. Vera is ook wakker geworden, maar blijft diep weggekropen in haar slaapzak. Tor ligt in zijn mand, maar Tim staat op de bank door het raam naar buiten te gluren.
‘Ga gauw in je mand, gek beest’, fluistert Edwin. Tim gehoorzaamt meteen.
Tim heeft wellicht ook meer gezien. Jammer dat-ie niet kan praten, denkt Edwin. Hij streelt Tim en Tor allebei een keer over hun kop en verlaat de kajuit weer. Vera kijkt hem vragend aan, maar Edwin haalt een keer zijn schouders op. Hij zegt niets.
Even later is het weer stil op de boot. Het duurt nog een hele poos voordat Edwin in slaap valt.