10. Terug naar het eiland

Zachtjesaan is de storm weer gaan liggen. Het regent nog wel maar niet meer zo hard. Peter en Edwin hebben de kajuitdeur geopend en zijn naar buiten gegaan. De nieuwsgierige Tim wil ook mee, maar wordt teruggestuurd. Samen trekken ze het touw aan boord.

‘Moet je zien! De paal zit er nog aan.’

‘Dat is pas vastbinden hè’, grapt Edwin.

‘Maar de paal is wel gebroken. We moeten zien dat we een andere krijgen.’

De regen is wel op het achterdek geslagen, maar de slaapzakken liggen in de kleine kajuit en zijn gelukkig niet nat geworden.

Peter start de motor.

‘Nu nog onze plek weer opzoeken.’

‘Dat zal niet meevallen in het donker’, zegt Edwin.

‘Maar we hebben twee zaklampen. Als Vera en jij nu eens bijlichten bij het aanmeren?’

‘Goed plan. Dan moet het lukken.’

Meteen duikt Edwin de voorste kajuit in. Samen met Vera en ieder gewapend met een zaklamp komen ze even later weer naar buiten. ‘Ik zal wel voor op de boot gaan, als jij hier op de achterkant bijschijnt.’

De honden moeten binnenblijven. Als er iets met hen gebeurt in het donker ... Dat kunnen ze er niet bij hebben.

Het valt nog niet mee. De vrienden zijn een halfuur in de weer voordat ze hun plekje weer hebben gevonden. Ze zijn verder weggedreven dan ze verwacht hadden. Al met al kunnen ze pas anderhalf uur nadat ze wakker zijn geschrokken weer in hun slaapzak kruipen. Het is helemaal gestopt met regenen. Er komen zelfs weer sterren aan de hemel tevoorschijn.

 

De volgende ochtend zijn ze pas over negenen wakker. De inspanning van de afgelopen nacht heeft hen flink vermoeid. Een voor een gaan de slaapzakken open. Vera is de eerste die op is. Ze wil alvast water opzetten voor een lekker bakje thee. Maar hoe kan dat nu? De gaspit wil geen vlam vatten. Ze draait nog eens aan de knop en probeert het met een nieuwe lucifer. Zonder resultaat. Ze hoort ook helemaal niets sissen als ze de knop omdraait. Ze draait de knop opnieuw om en houdt haar oor vlak boven de pit. Niets! Ze snuift een paar keer. Nu zou ze toch ook iets moeten ruiken. ‘Stinkt het fornuis? Niet goed schoongemaakt gisteren?’

Peter staat achter haar.

Vera schrikt en komt overeind.

‘Nog een beetje schrikkerig na vannacht?’

‘Helemaal niet, maar dat fijne fornuis van jullie boot doet niks meer.’

‘Ach ja, je heb altijd van die mensen die nergens verstand van hebben. Laat mij maar eens proberen.’

Peter pakt de luciferdoos uit Vera's hand en strijkt een lucifer aan.

Vera doet verontwaardigd een stap terug.

Maar alle pogingen die Peter onderneemt hebben hetzelfde resultaat als bij Vera.

‘Zie je nu wel. Je kunt wel denken dat je het beter weet!’

‘Ja, ja ... vrouwen hebben altijd gelijk! Maar weet je wat ik denk? Dat de gasfles leeg is. We zullen een andere moeten halen in het dorp. Zonder een kop thee gaat nog wel, maar eten koken wordt een probleem.’

Vera heeft de tafel al gedekt en samen beginnen ze alvast.

‘Die broer van je is niet wakker te krijgen.’

‘Weet je wat ... ’ stelt Peter even later voor, ‘we zouden vandaag nog op het eiland gaan kijken.’ Vera's gezicht betrekt. ‘Morgen ... dat is goed.’

‘Nee wacht, laat me even uitspreken. En dan gaan we daarna naar ons dorp. Dan halen we wat we nodig hebben en blijven we vannacht in de jachthaven slapen. Dat vind je misschien wel een veiliger idee na de afgelopen nacht. En dan gaan we morgen naar een heel andere plaats in de Biesbosch. Nou, wat vind je daarvan?’

Vera's gezicht staat weer op vrolijk.

Dan komt Edwin de kajuit in. Hij wrijft eens in zijn ogen en gaapt een paar keer langgerekt.

‘Nou, nou ... da's me de zeeman wel’, spot Peter en geeft Vera een knipoog.

Snel kleedt Edwin zich aan en schuift aan tafel. Nadat hij heeft gebeden, gaan zijn ogen zoekend over tafel. ‘Geen thee?’

‘Nee,’ antwoordt Peter, ‘het warm water was op.’

Vera grinnikt om het verbaasde gezicht van haar broer.

Edwin begrijpt er niet zoveel van en laat het maar zo. Hij wrijft maar een keer door zijn haar en loopt naar de koelkast. ‘Dan maar cola’, mompelt hij voor zich uit.

Tim en Tor, die hun maaltje al op hebben, springen net weer op de boot na een bezoekje aan de wal. Tor komt bij Edwin staan en geeft hem een lik over zijn hand. Hallo, ik ben er ook weer. Edwin aait hem een keer over zijn kop. Tim springt naast Vera op de bank.

Dan vertelt Peter zijn hele plan nog eens. Edwin hoort het zwijgend aan, maar als Peter is uitverteld ziet hij het eigenlijk wel zitten. ‘Komt eigenlijk wel goed uit, want het beltegoed van m'n mobieltje is bijna op’, voegt hij eraan toe.

 

Een poosje later varen ze richting het eiland. Als ze dichterbij komen neemt Peter gas terug.

‘We gaan met een ruime boog langs de linkerkant. Dan kunnen we zien of dat witte bootje aan het steigertje ligt.’

Peter stuurt de boot kort langs de oever tegenover het eiland.

‘Nog een klein stukje, dan moeten we die steiger kunnen zien’, weet Edwin. ‘Ik zie het dak van de griendkeet al boven de rietkraag uitsteken en daar is het steigertje vlakbij.’

‘Maar het lag toch tussen het riet?’ vraagt Vera zich af.

‘Ja dat is zo, maar ik weet bijna zeker dat we het kunnen zien.’

Alle drie turen ze aandachtig naar de overkant.

‘Daar moet het zijn’, wijst Edwin.

Tim en Tor staan allebei in de richting van het eiland te kijken alsof ze er alles van begrijpen.

Inderdaad staat op de plek die Edwin aanwijst geen riet.

‘Kijk kijk, ik zie het steigertje. Er ligt geen boot!’ roept hij opgetogen.

Peter let even niet goed op. Edwin en Vera staan vlak bij hem. Opeens horen ze een schurend geluid. Tegelijkertijd schokt de boot en rollen Edwin en Vera ondersteboven. Tor valt over Tim heen, die begint te keffen. Peter kan zich net in evenwicht houden op zijn stoel, omdat hij het stuur beetheeft. Dan ligt de boot stil en de motor slaat af.

‘Ik denk dat we zijn vastgelopen’, zegt Peter beteuterd.

Vera en Edwin krabbelen weer overeind. Edwin wrijft over zijn hoofd. Hij is niet al te zachtzinnig in aanraking gekomen met de kajuitdeur.

‘Hoe kan dat nu?’

‘Ik denk dat we vastzitten op een zandbank. Het is laagwater.’

‘Da's niet zo mooi!’

‘Als het goed is, komen we over een paar uur wel weer los. Maar daar hebben we nu niets aan.’

‘Nu kunnen we natuurlijk niet meer naar het eiland’, zegt Edwin teleurgesteld.

Peter krabbelt weer even achter zijn oor. ‘We kunnen gaan zwemmen.’

‘Kan dat?’

‘Wat zijn jullie van plan?’ komt Vera tussenbeide.

‘We kunnen naar het eiland zwemmen. We moeten toch wachten tot het water weer omhoog komt’, herhaalt Peter.

‘Mij niet gezien!’

‘Nou, dan blijf je toch op de boot?’ zegt Edwin. ‘Tim en Tor blijven wel bij jou.’

‘Laat ze allebei maar bij mij. Als jullie maar niet te lang wegblijven.’

‘Nee, vanzelf niet. Wat zouden we daar al die tijd moeten doen?’

‘Weet je wat! Ik heb een idee ...’ zegt Edwin ineens, ‘als we nu eens ons fototoestel meenemen. Vera heeft er een bij zich.’

‘Niks ervan! Hoe wil je dat doen als je gaat zwemmen?’

‘Wacht, er is hier aan boord nog wel een waterdichte zak. Die kun je om je nek hangen.’

‘Maar wat moet je op dat eiland met m'n fototoestel?’

‘Luister’, fluistert Edwin. Hij legt geheimzinnig een vinger op zijn mond. ‘Misschien kunnen we door het raam een paar foto's maken voor de politie.’

‘Dat is wel een slim idee’, geeft Vera toe.

‘Zullen we ons dan eerst omkleden?’

‘Zouden jullie geen waterschoenen aandoen’, roept Vera hen na.

Peter en Edwin duiken in de kajuit.

Even later staan ze allebei in zwembroek en waterschoenen aan dek. Edwin heeft een kunststof zak aan een koord om zijn hals hangen.

‘Doe je wel voorzichtig met mijn toestel?’ vraagt Vera.

De jongens laten zich aan de achterkant over boord zakken. Vlak bij de boot is het zo ondiep dat ze kunnen staan. Dan duiken ze van de boot weg.

‘En blijf echt niet te lang, hè!’ roept Vera hen nog na.

Tim en Tor staan ieder aan een kant van haar over de reling de jongens na te kijken. Tim staat boven op een bank.