7. Vergeten!

Even later zijn ze weer bij de boot.

Juist als Peter aan boord wil stappen, schiet hem iets te binnen. ‘O, we zijn vergeten het raamluik weer te sluiten. Als die man van de portemonnee bij de keet terugkomt, zal hij merken dat er iemand is geweest.’

‘Wacht maar’, zegt Edwin. ‘Dat is mijn schuld. Ik zal hem wel snel even gaan sluiten.’

Meteen spurt hij weg. Tor denkt dat zijn baasje wil gaan spelen en rent, ondanks de warmte, snel achter hem aan.

Tim blijft dit keer bij Vera. ‘Ik wil niet dat je daar nog eens naar binnen gaat’, spreekt ze hem vermanend toe. Tim kijkt haar onschuldig aan.

Als Edwin in de buurt van de griendkeet komt, ziet hij dat Tors nekharen weer overeind staan. Edwin stopt en kijkt om zich heen. Wat zou Tor nu weer hebben? Ze zijn vlak bij de keet.

Plotseling ziet Edwin achter de keet tussen het riet iets bewegen. Het is bij de steiger die ze zojuist hebben ontdekt. Hij kruipt langs de voorzijde van de keet weg. Zou dat degene zijn die hier vaker komt? Maar nu heeft hij het luik nog niet gesloten. Ai! Hij moet maken dat hij wegkomt, want de ingang van de keet zit aan zijn kant.

Hij kijkt om zich heen en ziet rechts enkele lage bosjes. Snel loopt hij erheen en fluistert tegen Tor dat hij moet volgen. Tor gromt zacht, maar volgt zijn baasje gehoorzaam.

Edwin zit nog maar net achter een lage struik als er een man om de hoek van de keet komt lopen. Hij steekt een sleutel in het deurslot en kijkt naar de grond. Opeens bukt hij zich en raapt iets op. Hij bekijkt het even en stopt het in zijn zak.

Edwin zit intussen in spanning af te wachten wat er gaat gebeuren.

De man stapt naar binnen en de deur valt achter hem dicht.

Zal ik snel wegrennen? denkt Edwin. Maar als de man dan naar buiten komt, ben ik er gloeiend bij.

Er gebeurt echter verder niets. Hij is toch wel een beetje nieuwsgierig wat die man daar binnen doet. Zou hij het wagen even naar binnen te gluren? Het luik staat natuurlijk nog open. Dat komt nu goed uit.

Voorzichtig sluipt hij achter de struiken naar de andere kant van de griendkeet. Hij kruipt door de bosjes. Tor wil achter hem aan komen.

Edwin legt zijn wijsvinger op zijn mond en fluistert tegen Tor: ‘Sssst, af! Blijf! Ik kom zo terug. Blijf hoor!’

Tor laat zich door zijn poten zakken en kijkt zijn baasje nietbegrijpend na.

Edwin kruipt langs de keet. Hij ziet nu ook dat er een bootje met een buitenboordmotor aan de steiger ligt. Het is een witte met twee groene strepen op de zijkant. Ook ziet hij dat er een paar fuiken in liggen. Die boot moet van de man zijn, denkt hij. Toch een visser dus.

Hij luistert met zijn oor tegen de wand. Er is niets te horen of ... het lijkt erop dat iemand een stoel verschuift. Als Edwin verder niets hoort gaat hij gebukt een paar stappen verder. Daar is het raam. Het luik is inderdaad nog open. Langzaam komt hij iets omhoog. Met één oog loert hij via het onderste hoekje naar binnen. Er is niemand te zien. Hij komt nog iets verder omhoog. Dan schrikt hij geweldig. Daar ziet hij ineens de man die zojuist naar binnen is gegaan. Hij zit met z'n rug naar het raam. Snel trekt Edwin zijn hoofd terug. Met een kloppend hart blijft hij onder het raam zitten. Hij drukt zich tegen de wand. Zo stil als het kan en zo dicht mogelijk tegen de houten planken sluipt hij achteruit.

Ineens zakt zijn linkerbeen weg. Edwin kan een kreet net onderdrukken, maar hij kan niet voorkomen dat hij met zijn arm tegen de wand slaat. Het geeft een korte doffe bons.

Zo snel als hij kan spurt hij nu weer naar de struiken en kruipt erachter weg. Tor ligt nog net zo als toen Edwin hem achterliet.

In de keet klinkt gestommel. De deur gaat open.

Edwin kan het niet zien, maar hij hoort wel aan een kuchje dat de man weer buiten is. Hij maakt zich zo klein mogelijk onder de struik waar hij samen met zijn hond zit. Weer klinkt er diep uit Tors keel gegrom. De man is nog niet te zien. Edwin houdt nu zijn hand op Tors neus. De hond stopt met grommen.

Ineens verschijnt de man aan de andere kant van de hut. Hij heeft een petje op en kijkt boos. Hij loert om zich heen. Edwin ziet hem in zichzelf mompelen, maar kan niet verstaan wat hij zegt. De man loopt richting de struiken en stopt bij de plaats waar Edwin zojuist heeft gezeten. Zijn blik gaat omlaag.

image

Edwin durft bijna niet meer te kijken. Ineens begrijpt hij waar de man naar kijkt. Hij is zo-even met zijn linkerbeen ergens in weggezakt. Hij heeft bladeren gevoeld. Die moeten platgetrapt zijn. Dat heeft de man natuurlijk ontdekt.

Dan loopt de man door. Hij komt steeds dichter bij de struik waar Edwin zich onder verborgen houdt. Nog een paar stappen en dan zal hij bij hem zijn. Edwin houdt zijn adem in.

Tor durft wel te kijken. Zijn scherpe ogen volgen iedere stap. Edwin voelt dat de spieren van de hond zich spannen.

De man loopt de hoek om en gaat weer naar de voorkant van de hut.

Nog even blijft Edwin muisstil liggen. Dan slaakt hij voorzichtig een diepe zucht. Het zweet loopt van zijn voorhoofd. Hij moet hier weg zien te komen, voordat de man op onderzoek uitgaat. Als hij nu naar achter kruipt, kan hij wellicht zonder gezien te worden wegkomen. Hij moet wel een stuk omlopen om weer bij de boot te komen. Er staan op het eiland nog enkele groepjes lage struiken, zodat de Albatros vanaf de keet niet te zien is.

Hij kijkt nog eens richting de griendkeet en sluipt weg, met Tor achter zich aan. Even later stapt hij weer aan boord van de boot.

‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt Peter, die Edwin uit een andere richting heeft verwacht.

‘D'r kwam iemand bij de steiger vandaan en nu heb ik het luik niet kunnen sluiten. Hij heeft de portemonnee wel opgeraapt en ik was er bijna bij.’

Edwin vertelt het hele verhaal. Peter en Vera luisteren gespannen.

‘Ik denk dat we maar beter weg kunnen gaan’, zegt Vera.

‘Waarom? Eigenlijk heeft die man ons toch niets misdaan’, werpt Peter tegen. ‘Eigenlijk hebben wij iets gedaan, of ik bedoel ... eh die hond van jullie.’

‘En dat afgesneden touw dan?’ komt Edwin z'n zus te hulp.

‘We weten toch niet of hij dat heeft gedaan? We hebben er geen van allen iets van gezien’, zegt Peter. Maar hij moet ook wel toegeven dat het wat vreemd is.

Niet veel later start de motor van de Albatros en worden de touwen weer losgemaakt. Het eiland verdwijnt weer achter hen.