21 Het graf van de heks

E en herberg was natuurlijk de plek om de laatste nieuwtjes, roddels en sterke verhalen te horen. Tenminste, de reiziger uit de stad dacht al snel dat het sterke verhalen waren. Wat hem betrof het bewijs dat oud bijgeloof in dorpjes langer bleef voortleven dan in de moderne stad. Maar dat stadsmensen die verhalen wat vaker serieus zouden moeten nemen, blijkt wel uit dit verhaal.

Bij Rotterdam, in het verleden, door onze verslaggever – ‘Rooie Mie was een heks, ik weet het zeker!’

In een dorpje vlak bij Rotterdam zaten op een nacht een paar late drinkers samen rond de tafel. De wind huilde griezelig om de herberg heen en zoals zo vaak gebeurde op zo’n donkere nacht was het gesprek op spokerijen beland.

De vrouw van de kastelein had zojuist het verhaal verteld van Rooie Mie, een oude vrouw uit het dorp waarvan iedereen had geweten dat het een heks was die mensen ziek kon maken door ze aan te raken.

De veehandelaar uit Rotterdam schudde zijn hoofd in ongeloof en nam nog maar eens een slok van zijn borrel.

Het was laat geworden die dag, en hij had besloten de nacht door te brengen in de herberg voor hij de volgende ochtend terug naar de stad zou gaan.

Ook de plaatselijke slager was blijven plakken omdat hij nog wat zaken had af te handelen met de veehandelaar, en het was een gezellige avond geworden. In de gelagkamer zaten de veehandelaar en de slager flink te drinken met een reiziger, ook al een stadsmens, die de nacht in de herberg doorbracht, en de plaatselijke kruidenier, die gewoon geen zin had om naar huis te gaan.

Maar nu was het erg laat, de herberg was vrijwel leeggestroomd en het gesprek werd steeds minder gezellig.

De schaduwen waren tijdens het vertellen van het verhaal van de heks Rooie Mie steeds dieper geworden en de stemming in de kamer was langzaam veranderd.

‘Het is toch niet goed op de late nacht, dat soort verhalen,’ zuchtte de kastelein.

De Rotterdamse veehandelaar moest hartelijk lachen. Zoals iedere stadsmens in die tijd (en vaak ook nog in deze tijd) keek hij een beetje neer op dat achterlijke plattelandsvolk met hun bijgeloof.

De slager keek hem afkeurend aan. Die stadsmensen ook… denken altijd dat ze wat meer zijn dan een ander. ‘Daar moet je niet om lachen,’ zei hij. ‘Geloof me, ik kan er een eed op doen dat ik op een nacht iets of iemand heb horen kloppen in mijn slaapkamer. Drie keer achter elkaar. Ik stak het licht aan en ging kijken, maar niks te zien. En nu komt het: toen ik terug in bed kroop en het licht uitmaakte, hoorde ik iemand zuchten. Precies op die plek waar ik net gekeken had!’

Hij keek de veehandelaar afwachtend aan, hopend dat hij nu zou geloven dat er meer was tussen hemel en aarde, maar zijn verhaal had niet het resultaat waar hij op gehoopt had.

Allebei de stadsmensen, de veehandelaar en de reiziger, barstten nu in lachen uit.

‘Ik zou nog niet aan spoken geloven als er nu een binnenkwam en hier aan tafel ging zitten!’ lachte de veehandelaar en nam nog een flinke slok jenever.

De rillingen liepen over de rug van de kasteleinsvrouw. Ze had er spijt van dat ze over Rooie Mie was begonnen. Hielden ze maar eens op met die praat! Spotten met dit soort dingen trok het onheil aan. Nerveus keek ze naar de diepe zwarte schaduwen in de hoeken van de kamer en dwong zichzelf om haar fantasie in bedwang te houden. In die schaduwen kon je van alles zien als je hoofd op hol sloeg.

De kruidenier schoot de slager nu te hulp. ‘Ja, lach maar,’ zei hij tegen de stadsmensen. ‘Maar als ik jullie nu vertel dat Mietje van de kastelein ziek is geworden nadat ze een kus kreeg van Rooie Mie? Het hele dorp kan dat voor de kantonrechter bezweren. Als dat geen bewijs is!’

‘Ach wat,’ lachte de veehandelaar. ‘Spoken bestaan niet. Allemaal larie. De een maakt de ander bang en die vertelt het verhaaltje weer door en zo komen die verhalen in de wereld. Als die Rooie Mie een knap wijf was geweest, hadden ze in de rij gestaan om door haar gekust te worden! En die hekserij had ik er met een flinke stok wel uitgeslagen!’

Hij schuddebuikte van het lachen en vroeg om een nieuw glas jenever.

De kasteleinsvrouw kon er niet meer tegen dat er zo om de dorpelingen werd gelachen.

Dachten ze soms dat het hele dorp achterlijk was?

‘Ik weet anders nog meer over Rooie Mie,’ zei ze zachtjes. ‘Ze zeggen, en als ze zoiets zeggen dan weet iemand er meer van, anders zeggen ze het niet, ze zeggen dat het bij haar graf nog steeds spookt. De jongen van Barend was op een avond op weg naar z’n meissie en die zag iets wits boven op d’r kruis zitten.’

De veehandelaar lachte. ‘Klets!’

‘Niemand uit het dorp durft ’s nachts naar haar graf te gaan,’ zei de slager. ‘Voor geen goud.’

‘Ik doe ’t voor minder,’ zei de reiziger.

De kruidenier, die boos naar zijn glas had zitten staren, keek opeens op en zei: ‘Om ’n rondje!’

De kastelein vond dat het gesprek uit de hand begon te lopen. Een beetje praten over dat soort dingen is één ding, maar…

‘Doe dat nou niet, heren,’ zei hij. ‘Als meneer zegt dat hij het durft, is dat goed genoeg. Hier kan alleen maar ongeluk van komen.’

Maar de kruidenier had genoeg van het gebluf van de stadsmensen en had eindelijk een manier gevonden om hen een lesje te leren.

‘Praten kan iedereen,’ zei hij. ‘Met zijn mond durft iedereen alles. Ik geef een dubbel rondje als je nu meteen naar dat graf gaat. Alleen.’

De reiziger, die genoeg had gedronken om de donkere schaduwen en de huilende wind te negeren, liet zich niet kennen.

‘Goed,’ zei hij. ‘Zeg me maar waar het is.’

‘Meneer, alstublieft…’ zei de kastelein. ‘Dit is niet goed. Blijft u hier.’

‘Ach wat! Waar is dat graf?’

‘U weet het kerkhof te vinden?’ vroeg de kruidenier.

‘Jawel.’

‘Het derde graf vanaf de ingang. Je kunt het niet missen: een groot houten kruis.’

‘En het bewijs?’ vroeg de slager.

‘Ik zal een kluit aarde meebrengen,’ stelde de reiziger voor.

De veehandelaar lachte. ‘Nee nee, ouwe jongen, die geintjes kennen wij. Aarde kun je overal oprapen. Ik heb een beter idee.’

Hij wendde zich tot de kastelein. ‘Jansen, heb je een hamer en een spijker?’

De kastelein rommelde even rond onder de toog en kwam terug met het gereedschap.

‘Nou ga jij naar het kruis van Rooie Mie,’ zei de veehandelaar tegen de reiziger, ‘en dan timmer je er mijn visitekaartje op vast.’

Hij gaf de reiziger een kaartje met de tekst L.B. Dikkers. veehandelaar. rotterdam .

‘Da’s ook nog goeie reclame voor mij,’ lachte hij. ‘En als je terug bent, gaan wij kijken of de kaart op het graf zit. En dan is meneer de kruidenier zijn dubbele rondje kwijt. Zet de mijne maar vast klaar, Jansen!’

De kastelein probeerde de reiziger opnieuw tegen te houden, maar aangespoord door de anderen stond deze op en liep vastberaden naar de deur.

Zo gauw hij buiten in de donkere nacht stond en de deur achter zich had dichtgetrokken, leek het wel of hij in een andere wereld was beland. De warmte en de zachte gloed van de olielampen maakten plaats voor een bitter koude duisternis.

Het kerkhof was recht tegenover de herberg, en dat was maar goed ook, want het was zo donker dat hij onmogelijk zijn weg had kunnen vinden door het dorp.

Hij trok zijn kraag omhoog tegen de snijdende wind en stapte over de kiezelweg op het hek van het kerkhof af. Brr, wat een weer! Waarom had hij zich nou weer om laten praten? Typisch iets voor dat boerenvolk met hun dom bijgeloof. Nou ja, als die kerel met alle geweld zijn geld kwijt wilde, dan moest het maar.

Onverschillig fluitend kwam hij bij het hek aan en probeerde de poort te openen. Die was gesloten.

Hij lachte. Aha, was dat soms hun grap? Nou, dan kenden ze hem nog niet!

Hij greep de tralies van het ijzeren hek beet en begon te klimmen. De wind huilde en rukte aan de panden van zijn jas, maar hij negeerde het spookachtige geflapper.

Met een sprong landde hij op het kerkhof. Nu moest hij goed opletten. Als hij een verkeerd graf te pakken had, was hij zijn rondjes kwijt.

Vanaf de poort begon hij langzaam op de tast langs de grafstenen te lopen. Hij zag geen hand voor ogen en zijn voetstappen op de dode bladeren maakten een griezelig geluid. Hij geloofde dan wel niet in spoken, maar toch moest hij toegeven dat je je nooit echt op je gemak voelde op zo’n kerkhof. Daar kon je niets aan doen, hoe nuchter je ook was.

Hij vermande zich. Het enige waar je in het donker bang voor hoefde te zijn waren dieven en moordenaars, en die waren hier niet, dus hij had niets te vrezen.

Tastend liep hij langzaam verder. Opeens struikelde hij en viel met zijn knie op de rand van een grafzerk. Hij onderdrukte een vloek en krabbelde overeind. Hij begon zich steeds ongemakkelijker te voelen.

De eerste zerk, de tweede…

De derde was helemaal geen kruis. Wat had dat nou weer te betekenen? Het derde graf was toch van Rooie Mie?

Hij stond al op het punt om terug te gaan naar de herberg, boos maar stiekem toch een beetje opgelucht, toen hij besefte dat hij de rij graven rechts van het pad had gevolgd. Misschien lag het graf wel aan de linkerkant.

Hij begon nu op de tast langs de graven aan die kant te lopen en steeds meer spijt te krijgen van zijn eerdere uitspraken. Hij kon niet wachten tot hij weer veilig binnen in de herberg zat.

Opeens voelde hij het kille hout van een kruis. Het graf van Rooie Mie. De heks.

Met een trillende hand haalde hij het adreskaartje van de veehandelaar uit zijn jaszak. Eigenlijk deugde dit niet. Als die veehandelaar kwam kijken, moest hij het kaartje er meteen weer afhalen, want het was niet netjes om zo’n ding op een kruis te spijkeren.

21. Het graf van de heks.jpg

Hij probeerde de hamer en spijker tevoorschijn te halen, maar zijn handen beefden nu zo erg dat hij de spijker liet vallen. Hij bukte zich en stak een lucifer aan, die heel even het houten kruis van Rooie Mie oranje deed oplichten en toen door de wind werd uitgeblazen.

Een tweede lucifer waaide ook meteen uit en pas bij de derde lucifer wist hij de spijker te vinden tussen de dorre herfstbladeren op het graf.

Hij zette zijn verstand op nul, negeerde het stemmetje in zijn hoofd dat zei dat hij iets verkeerds deed, en begon met driftige slagen de spijker door het papier te slaan.

De wind raasde nu zo hard over het kerkhof dat zijn hoed bijna van zijn hoofd werd geblazen.

Het kaartje zat vast.

Opgelucht draaide hij zich om en wilde het kerkhof zo snel mogelijk verlaten, maar toen slaakte hij een rauwe kreet en liet de hamer uit zijn hand vallen.

Iets hield hem tegen.

Hij gaf een ruk, maar zijn jas werd vastgehouden. Daar, in de inktzwarte duisternis rond het graf, had iets zijn jaspand gegrepen, iets wat hem niet wilde laten gaan.

Vergeten was nu zijn stadse nuchterheid, vergeten zijn spot over de bijgelovige dorpsmensen. Alleen het dierlijke instinct om te ontsnappen, om zijn leven te redden, bleef nu over.

Hij schreeuwde en zwaaide met zijn armen in het rond, maar hij werd niet losgelaten. Bewusteloos zakte hij in elkaar, zijn hoofd rustend tegen Rooie Mie’s zerk.

In de herberg hadden ze zolang zitten wachten dat het gesprek helemaal verstomd was.

Zelfs de dronken Rotterdammer had niets meer te vertellen. De klok had allang middernacht geslagen, maar de reiziger was nog steeds niet teruggekeerd.

Bij iedere windstoot keken ze op naar de deur, maar niets.

Uiteindelijk besloten ze te gaan kijken. Angstig, dicht op elkaar gedrongen en met een flink aantal lantaarns trotseerden ze de geheimzinnige duisternis.

Alles was rustig op het kerkhof. Ze riepen naar de reiziger, maar het enige antwoord dat ze kregen was het geritsel van de dode bladeren in de wind.

De veehandelaar, die meer had gedronken dan de anderen en dus het moedigst was, klom over het hek. Op het kerkhof tilde hij zijn lantaarn hoog op om rond te kijken. Hij zag het derde kruis vanaf de poort. In de schaduwen onder het kruis lag een levenloze vorm. Geschrokken boog hij zich voorover, maar hij was te laat. De reiziger was dood. Een pand van zijn jas was aan het kruis gespijkerd.

Heksen. Ze zijn de hoeren van de duivel, wordt weleens van hen gezegd. Dit soort verhalen zorgde ervoor dat de bevolking altijd op haar hoede bleef. Want wie weet was je buurvrouw wel een heks, of dat oude dametje van om de hoek. Maar hoe bewees je nou dat ze echt een heks was? Dat dit dilemma nogal eens voor problemen kon zorgen, bewijst het volgende verhaal.

Mysteries in Nederland - Rotterdam
titlepage.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_0.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_1.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_2.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_3.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_4.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_5.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_6.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_7.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_8.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_9.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_10.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_11.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_12.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_13.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_14.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_15.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_16.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_17.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_18.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_19.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_20.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_21.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_22.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_23.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_24.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_25.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_26.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_27.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_28.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_29.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_30.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_31.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_32.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_33.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_34.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_35.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_36.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_37.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_38.xhtml
Mysteries_in_Nederland_-_Rotterdam_split_39.xhtml