13

 

 

In 1977 zou de grootste wens van mijn adoptieouders alsnog in vervulling gaan. Ze hadden zo lang op een eigen kind moeten wachten dat ze er zelf waarschijnlijk niet meer in geloofden. Maar nu had moeder goede hoop dat ze het leven zou schenken aan een stamhouder. Ik merkte in die tijd niets van haar zwangerschap, eigenlijk wist ik nog helemaal niet precies wat dat was. Ik had geen idee hoe kinderen op de wereld kwamen. Voorlichting was voor mama blijkbaar een nogal pijnlijke kwestie. Wanneer ik in mijn onschuld een heikel thema aanroerde, gaf ze me meteen te verstaan dat ‘men’ daar niet over praatte. En daar hield ik me aan.

Wel begon ik haar strenge regels steeds vaker te omzeilen, en ik beleefde er nog plezier aan ook. Ik moest bijvoorbeeld altijd op tijd thuis zijn, dus deed ik het juist rustig aan en liep ik de hele weg te treuzelen, vooral als er thuis werk op me lag te wachten. Op een avond in de lente van 1977 was het al bijna halfzeven toen ik vanuit de speeltuin naar huis toe liep. Geheel tegen haar gewoonte in was moeder niet om zes uur gekomen om me aan mijn haren naar huis te slepen. Bij wijze van voorzorgsmaatregel draaide ik de wijzer van mijn horloge terug en bedacht alvast een smoes.

Maar ik kreeg niet eens de kans om die op te dreunen. Toen ik thuiskwam was de deur dicht, hoewel er binnen licht brandde. Ik belde aan, maar niemand deed de deur open. Dus liep ik om het huis heen. De kelderdeur, de deur naar zolder, de ramen: alles zat potdicht. Ik was buitengesloten. Angst besloop me, en ik drukte op de bel alsof mijn leven ervan afhing, maar er gebeurde niets. Ik wist dat mijn moeder mijn thuiskomst allang moest hebben opgemerkt, maar blijkbaar wilde ze het me deze keer goed laten voelen. Ja, natuurlijk, ik was te laat, had de heilige huisorde geschonden. Maar om me dan meteen maar buiten te sluiten? Soms kon ze harteloos zijn als een stiefmoeder uit een sprookje.

Ik belde opnieuw aan. Opeens werd ik overvallen door pure paniek. Ze willen me niet meer! ging het door me heen. Moet ik nu op straat gaan slapen? Waar kan ik nog wat te eten krijgen? Ik barstte in tranen uit en probeerde krampachtig te bedenken of er niet toch nog ergens een manier was om naar binnen te komen. Het was een uitzichtloze situatie. Ik huilde en smeekte: ‘Laat me erin!’ Ik zag al voor me dat ik weer in het tehuis werd gedumpt. ‘Het zal echt nooit meer gebeuren!’ beloofde ik in tranen. Ik vuurde alle beloften die ik maar kon bedenken af, dat moesten mijn ouders wel horen. Maar zonder resultaat. Mijn hulpeloosheid veranderde in steeds grotere woede, en ik schopte tegen de deur. Steeds opnieuw.

Meestal was ik redelijk in mezelf gekeerd, maar nu werd ik gegrepen door een diepe wanhoop. Bijna een halfuur lang trommelde ik als een bezetene tegen de voordeur, tot ik niet meer kon. Geen twijfel mogelijk: ik was niet meer welkom bij mijn ouders. Na alle andere teleurstellingen was dat een flinke klap voor me. Op dat moment brak er iets in mij wat later nooit meer echt geheeld is. Voor mijn ouders was ik al die jaren dus een vreemde gebleven. Dat was voor mij de boodschap van die avond.

In mijn hulpeloze woede brulde ik: ‘Als jullie me niet meer willen, dan ga ik wel!’ Huilend draaide ik me om, om mijn toevlucht te zoeken bij mijn tante, vijf huizen verderop. Toen ik bij het tuinhek was aangekomen en mijn verbanning voor iedereen zichtbaar dreigde te worden, ging de deur als bij toverslag open.

Gebroken en nederig sloop ik naar binnen, waar mijn moeder me verwelkomde met de vraag: ‘Meen je dat wat je net allemaal beloofde ook echt?’

Vader zat al aan de gedekte tafel te wachten en hield zich er duidelijk buiten. Voor opvoedkwesties voelde hij zich zoals gewoonlijk niet verantwoordelijk.

Mijn woede was vervlogen, het kon me allemaal niets meer schelen. Ik bood oprecht mijn excuses aan. ‘Het zal nooit meer gebeuren, ik beloof het,’ snikte ik.

Daarop maakte moeder met een berisping een eind aan de kwestie. ‘Je weet toch dat je je aan je beloften moet houden?’ Dat was alles. Geen knuffel, geen straf, geen vergeving. Met die belerende tekst was het thema afgehandeld.

Moeder sloeg me zo goed als nooit, eerder strafte ze me door me consequent te negeren. Dagenlang kon ze door me heen kijken alsof ik lucht voor haar was. Een ergere straf kon ik niet bedenken.

Die avond bij de afwas probeerde oma Erna me weer wat op te vrolijken. ‘Je moet er niet zo zwaar aan tillen,’ zei ze. ‘Je moeder bedoelt het niet kwaad. Vraag haar maar of je haar nog ergens mee kunt helpen, dan doet ze vast weer lief tegen je.’

Toen ik klaar was met mijn taken vroeg ik uit mezelf aan mijn moeder of er nog iets te doen was. Beleefd zeiden we elkaar welterusten. Het leek alsof er niets was gebeurd. Door me buiten te sluiten had mijn moeder haar doel bereikt. Vanaf dat moment hield ik me zoveel mogelijk aan de regels en vermeed smoesjes of leugens. Nu had ze een dochter die precies deed wat ze zei. Maar mijn kinderlijke liefde was ze kwijtgeraakt.

Met mijn vader probeerde ik juist des te meer een band op te bouwen. Het was geen contact van veel woorden, maar op praktisch gebied hadden we elkaar gevonden. Sneeuw scheppen in de winter, het onkruid tussen de stenen van het tuinpad wegkrabben in de zomer of bladeren op een hoop harken in de herfst, moeder liet ons bereidwillig onze gang gaan. Vader leerde me tafeltennissen en zelfs met een luchtbuks schieten. Hij onderwees me met engelengeduld in de basisbeginselen van het klussen. Samen met hem mocht ik ons huis opknappen, behang van de muren scheuren, kamers opnieuw sauzen, spijkers inslaan of hout zagen. Ik was trots dat ik vaardigheden van hem leerde die moeder uitdrukkelijk uit de weg ging. Ik beheerste iets wat zij niet kon. En oogstte daar nog lof voor ook.

Zelfs vader had duidelijk de behoefte om af en toe onder het strenge bewind van zijn vrouw uit te komen. Het liefst ging ik samen met hem op onderzoek uit in het aangrenzende bosperceel, sinds een tijdje vergezeld door Minka, de bruingevlekte poes die bij ons aan was komen lopen. Soms nam papa me ook mee naar zijn vader in het nabijgelegen Bad Köstritz. Opa Heinz had naast zijn werk in de brouwerij nog altijd zijn boerderijtje. De appel- en kersenbomen op het erf waren mijn klimtoestellen. Tussen alle schapen, kippen en konijnen mocht ik me kind voelen, en niemand die me daarvan weerhield.

Op de boerderij was het juist wel leuk om te werken. Samen met Steffi en Lucie, de twee kleinkinderen van opa’s nieuwe vrouw, klom ik in de knoestige bomen om appels, peren of kersen te plukken. We ravotten in het hooi – natuurlijk kreeg ik prompt hooikoorts – of rooiden voederbieten. Herdershond Freya sprong met haar tong uit haar bek om ons heen, terwijl achter de akker een zee van bloemen golfde. Ik plukte de allermooiste in alle kleuren en maakte er een bont boeket van voor mijn oma. Het werd zo groot dat het alleen in een emmer paste. Moe van het oogsten en plukken liet ik me in het kniehoge gras vallen om naar de hemel te staren. Op het blauwe doek boven me vormden schaapjeswolken fantasiebeelden. Het waren momenten zonder tijd en ruimte. Voor mij beschrijven ze het geluk van de kindertijd.

Op de wei achter het huis graasde Marco, de bejaarde, aan één oog blinde pony. Het was slechts aan de goedmoedigheid van mijn opa te danken dat Marco niet naar het slachthuis hoefde. De geduldige knol trok ons op een omgebouwde ladderwagen van de akker terug naar huis. Op de terugweg van onze uitstapjes naar het platteland stopte papa graag met een ondeugende blik naar mij bij de stationsrestauratie van Köstritz. Daar hadden ze onbetwist de lekkerste Hackepeter* van de regio, op vers brood van de bakker. (* Broodje rauw gehakt. [Noot vert.]) Als twee samenzweerders zaten we te eten, ons verkneukelend over ons geheimpje. Want met zoiets kostelijks kon het avondeten van mijn moeder niet concurreren. Ze zou ons culinaire uitstapje meteen als belediging van haar kookkunsten hebben uitgelegd. ‘Dit kun je thuis maar beter niet vertellen,’ drukte vader me ten overvloede op het hart, en ik besefte dat tussen de twee echtelieden ook niet alles koek en ei was.

In juni 1977 was de vrouw des huizes opeens weg. ‘Mama ligt in het ziekenhuis,’ werd me verteld. Hoewel ik met mijn tien jaar zo langzamerhand ‘wijs’ werd, zoals ik vaak te horen kreeg, was ik behoorlijk in de war door het feit dat moeder niet aanwezig was toen ik in de woonkamer van mijn tante met koffie en zelfgebakken taart mijn verjaardag vierde. Nooit was ze ziek geweest, nooit had ze ook maar een dag in het ziekenhuis gelegen sinds ik hier was. Voor mij was die plek synoniem aan ziekte. Met afgrijzen herinnerde ik me de aanslag met het gasmasker die ze daar op me hadden gepleegd. Meteen was mijn angst weer terug. Zal mama ooit terugkomen? vroeg ik me bezorgd af. Zal ik haar nu ook kwijtraken, net als destijds oom Karl?

Kinderen onder de veertien jaar was de toegang tot ziekenhuizen in het algemeen ontzegd, waardoor ik niet eens de kans kreeg om te gaan kijken hoe het met haar ging in het ziekenhuis. Natuurlijk was me verteld dat mijn moeder een klein broertje mee naar huis zou nemen, zonder dat ik me er iets bij kon voorstellen waar dat kind vandaan moest komen. Maar de grote mensen hadden me al zo vaak iets op de mouw gespeld.

Een paar dagen later kreeg ik te horen: ‘Mama komt snel weer naar huis.’ Nu zou blijken of ze me de waarheid hadden verteld. De leidster van de naschoolse opvang zal die dag wel helemaal gek van me zijn geworden. Anders luisterde ik altijd vol aandacht naar de voorgelezen avonturen van de stoere Pippi Langkous, de goede daden van de grote ‘kindervriend’ Karl Marx in de in de DDR beroemde kinderroman Mohr und die Raben von London, of de geldwisselacties van de Russische Robin Hood, Timo en zijn bende. Maar nu keek ik de hele tijd op de klok. De dag op de opvang strekte zich eindeloos voor me uit. Ik was druk, benieuwd en vol voorpret.

Na een eeuwigheid was het eindelijk zover. Ik was niet echt sportief, maar die middag rende ik de berg naar huis zo snel op dat ik buiten adem aankwam. Nog hevig hijgend zag ik haar al van veraf op de schommelbank in de voortuin zitten. Ze had bezoek van een ver familielid, dat in het laboratorium van de kliniek werkte.

‘Mama, mama!’ riep ik blij en ik rende op haar af.

Haar blik zei me dat ze geen tijd had. Maar dat betrok ik niet op mezelf en ik wilde haar omhelzen. Ze zei nog niet eens ‘hallo’ tegen me. Integendeel, ze duwde me van zich af en snauwde dat ik uit moest kijken. Vervolgens gaf ze me opdracht om eerst mijn tas op te bergen.

Dat werd me te veel. Ik stormde de trap op en hoopte tegelijkertijd dat mama me achterna zou komen. Maar ze kwam niet. Vader was ook niet thuis en zelfs het beloofde broertje niet. Ik sloot me op in mijn slaapkamer en huilde. Sinds onze onderhuurster met het oog op de aanstaande gezinsuitbreiding het veld had moeten ruimen, had ik mijn eigen kamer, waar ik mijn tranen de vrije loop kon laten.

Terwijl ik mijn hoofd in mijn kussen begroef veranderde mijn verdriet in koppigheid. Als moeder mijn liefde niet wil, dan toon ik die ook niet meer, besloot ik. Halsstarrig als ik was dacht ik dat ik voortaan wel zonder moederliefde kon.

Zorgzaam als altijd kwam op een gegeven moment mijn oude oma Erna naar boven, die vroeg: ‘Wat is er met je aan de hand, Katrin?’

‘Laat maar,’ antwoordde ik afwijzend, ‘niets belangrijks.’

Ze probeerde me te troosten met een kop warme chocolademelk, maar zelfs haar toverdrankje smaakte me niet die dag.

‘Ben je dan niet blij dat mama terug is?’ vroeg ze.

Ik kon het niet laten en antwoordde: ‘Ja, maar zij is niet blij om mij te zien!’

Dat kon mijn oma niet geloven en ze probeerde me wat milder te stemmen. Maar daar zag ik geen enkele aanleiding toe.

‘En ik, domme koe die ik ben,’ pruilde ik, ‘verheugde me zelfs nog op haar!’ Ik voelde me als verlamd en zwolg in zelfmedelijden.

Op een gegeven moment was ik het mokken zat en liep ik de trap weer af. Voor de buitentrap naar de tuin was een klein marmeren tafelblad in de muur gemetseld. Daar ging ik zitten, om onopgemerkt naar het gesprek van de twee vrouwen te luisteren. Het ging over het ziekenhuis, verhalen over ziekten en volwassenengedoe waar ik niets van begreep. Over mij en mijn nieuwe broertje werd niet eens gerept.

Toen moeders bezoek was vertrokken kwam ze over de binnenplaats naar me toe. Koppig zat ik met over elkaar geslagen armen op de marmeren tafel en deed mijn best om zo kwaad mogelijk te kijken.

Nu pas vroeg ze me, met een toon van verwijt in haar stem: ‘Ben je dan niet blij om me te zien?’

Beledigd sprong ik op en liep naar het huis. ‘Jawel,’ barstte ik los, ‘maar jij, jij wilt niets van me weten!’ Toen pas merkte ik dat haar armen vol blauwe plekken zaten.

Berispend zei ze: ‘Je ziet toch dat het niet goed met me gaat.’

Hoe kon ik dat nou weten? Met mij had ze het niet over haar pijn gehad. Dat de bevalling niet gemakkelijk was geweest en het infuus pijnlijke plekken op haar huid had achtergelaten, dat begreep ik allemaal nog niet met mijn tien jaar. Moeder praatte nooit over haar gezondheid, en al helemaal niet met mij. Bij belangrijke aangelegenheden werd ik principieel niet betrokken, en ik mocht er ook niet naar vragen. Als er bezoek was moest ik altijd mijn mond houden. Nu begon ik een beetje te begrijpen waarom ze me zo afwijzend had ontvangen. Toch vond ik niet dat ik ongelijk had.