8
Ik was al aan het ritueel gewend geraakt. De Ferien zum Jahreswechsel, zoals de kerstvakantie in DDR-Duits officieel heette, was in 1973 net begonnen. Nog twee dagen tot het feest van de liefde, wat voor mij niets meer betekende dan dat ik opnieuw de mistroostige plechtigheden in het tehuis mocht bijwonen. Met als kers op de taart het eenheidscadeau voor alle kinderen die geen familie meer hadden. Wat een vooruitzicht!
Dus toen ik in de aanloop naar kerst weer eens naar het kantoor van de directrice werd geroepen, kwam me dat heel goed uit. Iedere kans om uit mijn bewaarplaats weg te komen moest ik grijpen. Het was mijn laatste. De waarschuwing van mijn oma dat ik, als ik tegen bleef werken, uiteindelijk onder toezicht van de staat zou blijven, lag nog vers in mijn geheugen. Voor geen goud wilde ik achter het net vissen.
In het kantoor van de directrice zat een echtpaar op me te wachten. De bezoekers, beide begin tot midden dertig, zagen er verzorgd uit, en op het eerste gezicht maakten ze een sympathieke en toegankelijke indruk op me. De man, Klaus, zoals ik zijn vrouw hem hoorde noemen, was groot, slank, had zwart haar en was modieus gekleed. Spontaan aaide hij me over mijn wang, wat me meteen voor hem innam, want dat gebaar kende ik nog van mijn moeder. Zo te zien was hij ook in zijn nopjes met mij.
Ook zijn vrouw had een sportief figuur, ze droeg haar donkerblonde haar in een pagekapsel. Ze zag er jeugdig uit en was opvallend elegant gekleed. Ze maakte geen opgedofte indruk, maar leek te vertrouwen op haar natuurlijke uitstraling. De gebruikelijke geschiktheidstest, de vragen, de taxerende blikken bleven deze keer allemaal achterwege. Blijkbaar hadden ze hun besluit al genomen.
‘Zo, Katrin,’ zei de man bemoedigend tegen mij, ‘kom je met ons mee?’
Ik besefte dat dit het moment was, mijn kans op een gelukkiger leven, en knikte stralend.
Mevrouw Heinze waarschuwde me – met een niet mis te verstane ondertoon: ‘Dit is onze laatste poging!’ Om ook maar iedere twijfel uit de weg te ruimen dat ik een bijzonder hopeloos geval was, voegde ze daar, tot mijn nieuwe moeder gericht, aan toe: ‘Als iemand grip op Katrin kan krijgen ben jij het, Christel!’ Ze tutoyeerde haar, als ‘kameraden’ onder elkaar.
Pas later zou ik erachter komen hoe de vork precies in de steel zat: de twee vrouwen kenden elkaar waarschijnlijk uit de partij, de SED. Mijn toekomstige nieuwe moeder gaf Russisch aan de bovenbouwklassen van de Polytechnische Oberschule Bruno Kühn en was bovendien gediplomeerd sportonderwijzeres. Maar door haar gewichtige werkzaamheden als partijsecretaris hield ze weinig tijd over voor het lesgeven. In die functie vertegenwoordigde ze de belangen van de massaorganisatie die naar eigen zeggen de ‘motor voor de stapsgewijze omvorming’ van de maatschappij was en ‘altijd het recht aan haar zijde’ meende te hebben. De SED was de staat binnen de staat, ze stuurde, controleerde en selecteerde. De partij besliste over fundamentele wetten, beroepskansen, carrières, promotie en degradatie, wel en wee van de werkende mens en in het uiterste geval zelfs over leven en dood.
Wie in het bezit was van het rode lidmaatschapsboekje met het wapen met hamer en passer op de voorkant – dat waren in die tijd bijna drie miljoen kameraden – mocht het gevoel hebben bij een elite te horen. Vrijwel niemand die een verantwoordelijke functie op het gebied van bestuur, economie of defensie bekleedde, of het nu directrice van een kindertehuis was of leider van een Kombinat, kon zijn of haar positie zonder de zegen van de partij bereiken. Het SED-lidmaatschap fungeerde als een soort keurmerk, een garantie voor ideologische stabiliteit en loyaliteit aan de partij.
Als onderwijzeres met een partijfunctie was ze dus meer dan geschikt als kandidate voor mijn adoptie. Als het haar niet zou lukken om me uit mijn pruilhoekje te krijgen, mijn bij tijd en wijle opstandige gedrag te temmen en de dochter van een rebelse tegenstandster van de staat in de socialistische gemeenschap te integreren, wie dan wel? Al snel werd duidelijk dat de onderwijzeres geen uitdaging uit de weg ging. Haar ambitie en haar pedagogische plichtsbesef waren aangewakkerd. Voor de partij was het doel van adoptie niet van sociaal-pedagogische aard, men had andere plannen met me: ooit zou ik als kaderlid deel uitmaken van de elite van de socialistische staat. Zoals ik lange tijd later uit mijn dossier opmaakte, verplichtten mijn ouders zichzelf daarmee mij op te voeden ‘zoals onze staat het van ons verwacht’.
Op dat moment doorgrondde ik deze verbanden natuurlijk nog niet. Als iemand me destijds een alternatieve oplossing had geboden, misschien zelfs dat ik mijn broer terug zou zien, was ik waarschijnlijk niet zonder slag of stoot met het vreemde paar meegegaan. Maar op dat moment verkeerde ik in een toestand waarin ik vermoedelijk zelfs een kamelendrijver naar de Gobiwoestijn was gevolgd als hij me een uitweg uit mijn treurige kindertehuisbestaan had beloofd.
Dus stemde ik opnieuw bereidwillig in toen de directrice mij met een knikje naar het echtpaar vroeg: ‘Wil je met hen meegaan? Lijken ze je aardig?’
Ik knikte. Ja, ze leken me aardig. Ze waren vriendelijk maar niet te overheersend. Ze leken te weten wat ze wilden en overtuigd van wat ze van plan waren. Het was duidelijk dat ze niet slechts een opdracht van de partij uitvoerden. Ze wilden een kind, en ze wilden mij. Stralend verliet ik het kantoor.
Als ik nu aan dat moment terugdenk, lijkt het alsof ik die dag ook mijn kans schoon zag om het mijn biologische moeder eens flink betaald te zetten. Als ze al die jaren gewoonweg niet op kwam dagen om me uit het tehuis te halen, dan wilde ik hier ook niet tot in lengte van dagen tevergeefs op haar blijven wachten. Dat was haar verdiende loon.
Ik had nog maar tien minuten om mijn tehuisleven af te sluiten. De paar spulletjes die ik bezat belandden in mijn koffertje, de laatste relicten uit een ver verleden. Deze keer liep ik met geheven hoofd de trap af, langs mijn stille hoekje van vertwijfeling en tranen. Vol hoop mocht ik grotemensenhanden vastpakken, rechts mijn nieuwe vader, links mijn nieuwe moeder. Aan mijn zijde had ik, voor iedereen zichtbaar, wat de andere kinderen in het tehuis moesten missen: ouders. Ik voelde me weer compleet, ingebed in een drie-eenheid. Zelden was ik zo gelukkig geweest.
Alleen de blonde leidster kreeg het voor elkaar om mijn afscheid te verpesten. ‘Denk eraan,’ siste ze me in het voorbijgaan toe, ‘als je terugkomt blijf je voor altijd hier!’
De rit in de Trabant van mijn nieuwe gastgezin duurde nog geen kwartier. En toch was het voor mij een reis naar een andere wereld. De aankomst in mijn nieuwe leven voelde als een onverwacht en bijna onwerkelijk kerstcadeau. Het huis in Gera, in de wijk Langenberg, was ruimer dan ieder ander huis waar ik ooit was geweest. Mijn toekomstige thuis was idyllisch gelegen tegen een helling, die grensde aan een bos aan de noordkant van de wijk. De twee-onder-een-kapwoning uit de jaren dertig had, inclusief kelder en een zolderverdieping onder het rode pannendak, vier verdiepingen en, heel fijn voor kinderen, een eigen tuin en een bestrate binnenplaats. Op het grasveld achter het huis, dat omzoomd was door een met sneeuw bedekte moestuin, fruitboompjes en struiken, stond een stellage om tapijten uit te kloppen, waar in de zomer een schommel of zelfs een hangmat aan bevestigd kon worden. Vele uren zou ik daar in de toekomst doorbrengen, zoveel speelruimte had ik nog nooit gehad.
Het nieuwe huis was niet alleen ruim, je voelde je er als gast ook meteen welkom. Maar nog belangrijker vond ik de ontdekking dat er een jongen van ongeveer mijn leeftijd in de buurt woonde, Heiko. Bij het ontvangstcomité bevond zich ook een oudere dame, die zich als onderhuurster voorstelde.
Mijn gastouders leidden me al bijna als hun eigen dochter naar de keuken, waar mijn nieuwe oma Erna me in de deuropening stond op te wachten. Ze aaide me ter begroeting liefdevol over mijn haar en zei dat ik aan de gedekte tafel mocht gaan zitten. Mijn nieuwe papa haalde een kussen voor me uit de woonkamer, zodat ik hoog genoeg zat. Oma liet de grote lepel verdwijnen in de stoofschotel die ze die ochtend had klaargemaakt en vulde daarmee mijn bord. Toen ze ging zitten viel me op dat ze schone theedoeken onder haar zitkussen had gelegd om ze, in plaats van ze te strijken, met haar aanzienlijke achterste plat te persen.
Nu pas voelde ik hoeveel trek ik had. Maar de bekroning van de maaltijd was de compote toe, met een lekkere ‘familiesaus’, zoals ze de vanillesaus gekscherend noemden. In het tehuis kwamen dergelijke desserts maar zelden op tafel.
Na het eten moest ik van mijn nieuwe moeder een middagdutje doen op de bank in de woonkamer. Dat zou een dagelijkse verplichting worden. Het lukte me niet om in slaap te vallen, omdat ik er niet meer aan gewend was om alleen te liggen. Pas toen oma Erna ook naar de kamer kwam om een uiltje te knappen, kon ik de slaap vatten. Haar lichamelijke nabijheid stelde me gerust en gaf me een veilig gevoel. Toen ze eerder dan ik opstond, raakte ik meteen in paniek – niet omdat ze weg was, maar omdat ik vond dat ze zich niet aan haar belofte had gehouden om bij me te blijven. Mijn slaapplaats werd voortaan het voorkamertje van haar zolderkamer, wat ik erg prettig vond. Oma Erna voelde eigen en al snel werd ze de persoon die ik het meest vertrouwde. Haar volle figuur gaf me moederlijke warmte.
Ik was een dankbare gast daar op zolder. Ik wist immers dat de grote mensen dat zo wilden. Ik was me er voortdurend van bewust dat ik, als ik me in dit nieuwe huis niet voorbeeldig gedroeg, het zomaar weer kwijt kon raken. Dus leerde ik algauw om aan de verwachtingen van mijn nieuwe familieleden te voldoen.
Ze deden er alles aan om dat makkelijker voor me te maken. Sinds mijn aankomst wakkerde de geur van versgebakken Lebkuchen mijn voorpret voor het kerstfeest aan, en tot mijn vreugde mocht ik meehelpen met de voorbereidingen, met als hoogtepunt dat ik de kom met koekjesdeeg uit mocht likken. Er werden boodschappen gedaan, er werd gebakken en in de kelder wachtte de geslachte haas uit opa’s stal op zijn bestemming als kerstgebraad.
Op kerstavond mocht ik mijn aanstaande adoptiemoeder helpen de kerstboom te versieren met kerstballen, lichtjes, zilversliertjes, chocoladebeestjes en de verlichte ster bovenop. Ze gaf me veel aandacht en zelfs complimentjes: ‘Katrin, dat heb je uitstekend gedaan.’
Na het eten maakte de heer des huizes persoonlijk tijd voor me vrij om samen een sneeuwpop te maken in de tuin. Even voelde het alsof ik weer bij mijn oma was, op de binnenplaats achter haar huis waar de kolen werden opgeslagen. Daar hadden mijn broer en ik altijd sneeuwpoppen gemaakt. Stukjes kool voor de ogen lagen er genoeg. Maar ik verdrong de herinnering weer snel omdat ze te pijnlijk was, en ik deed mijn uiterste best om de enthousiaste dochter te spelen. Voor het eerst in mijn leven had ik iemand tegen wie ik papa kon zeggen. Eigenlijk had ik moeten zwelgen in mijn nieuwe familiegevoel.
Maar zo ervoer ik het destijds niet. De ervaringen en teleurstellingen als tehuiskind hadden mijn gevoelens afgestompt. Apathisch liet ik het afwisselende programma over me heen komen. Ik was niet meer in staat tot intense vreugde of zelfs enthousiasme, ik kon geen vertrouwen meer opbrengen. Waarom zou ik gevoelens toelaten als er misschien algauw weer een abrupt eind aan deze nieuwe belevenissen zou komen? Ik trok een blij gezicht bij dit spel, en daar had ik ook echt genoeg reden voor. Maar mijn ziel voelde nog altijd op een bepaalde manier verdoofd aan.
Toch was ik opgewonden toen we binnen de sneeuw van onze schoenen klopten en ze naast elkaar zetten om te drogen. Welk kind kan zich nu aan het magische kerstgevoel onttrekken? Even later ging de bel, een van de volwassenen ging naar de deur en kwam terug met de blijde boodschap dat de Kerstman was geweest. De deur van de woonkamer werd opengedaan en daar lagen de kerstcadeaus, en het magische kaarslicht verjoeg alle sombere gedachten. Onder de kerstboom stonden bordjes met Lebkuchen, chocoladebeestjes, sinaasappels en noten. Maar mijn blik viel meteen op de beige teddybeer met het lichtblauwe slabbetje, waar ik op slag verliefd op was, en dat zou lange tijd zo blijven.
De beer, die ik Bruno noemde en die mijn steun en toeverlaat werd, heeft met mij niet alleen de ondergang van de DDR meegemaakt, maar is zelfs daarna nog bijna twee decennia lang mijn gezelschap geweest voor ik na een hevige ruzie met mijn pleegmoeder bij wijze van symbolische daad afscheid van mijn trouwe metgezel nam.
Die avond onder de kerstboom drukte ik het fluweelzachte knuffeldier, dat helemaal alleen van mij was, stevig tegen me aan. Voor het eerst in bijna twee jaar had ik het gevoel iets vertrouwds mee te maken. Ik kende het kerstgevoel nog uit mijn kleuterjaren. Ik mocht voortborduren op ervaringen die ik meer voelde dan dat ik ze me herinnerde. Ik rook de nestgeur van familie.
Tijdens de feestdagen was het huis voortdurend vol bezoek. Mijn gastouders hadden dan wel geen kinderen, maar ze hechtten grote waarde aan familiebanden. Grootvader van vaderskant was er, die er door het huwelijk met zijn tweede vrouw ook haar twee kleinkinderen als een soort bruidsschat bij had gekregen. Ook had de heer des huizes nog een broer en een zus. Zijn oudere zus Irene, met wie hij nauwelijks contact had, woonde met haar gezin in het nabijgelegen plaatsje Hartmannsdorf bij Bad Köstritz, het gezin van zijn broer Karl, de oudste van de drie, woonde zelfs bij ons in de straat. Ik vond het heerlijk dat de grote mensen tijd in overvloed hadden – ook voor mij. Vooral oma Erna hield zich met groot inlevingsvermogen met me bezig. Het ene lekkere maaltje volgde op het andere, en tussendoor ravotten mijn buurjongen en ik in de sneeuw.
Maar de kerstvrede vervloog sneller dan ik ooit had kunnen vermoeden. De kerstdagen waren nog maar net voorbij en het nieuwe jaar net ingeluid, toen ik op 2 januari 1974 naar de Trabbi van mijn pleeggezin werd geleid. De enige uitleg die ik kreeg was dat ik na de eerste proeftijd nog een keer terug moest naar het kindertehuis. Ik voelde het dreigende gevaar en weigerde als een koppige ezel om het huis te verlaten. Alsof ze me naar de slachtbank brachten klampte ik me vast aan iedere deurklink of trapleuning die ik binnen handbereik kreeg. Met vereende krachten moesten mijn gastouders me naar de auto slepen. Ondertussen probeerden ze me te troosten en praatten ze kalmerend op me in.
‘Het is maar voor even,’ zeiden ze. ‘We komen je hoe dan ook snel weer halen. Dat beloven we, met de hand op het hart!’
Ik luisterde niet, hun woorden klonken me loos in de oren, aangezien ik heel goed wist dat zodra ik in dat ding zat alles voorbij zou zijn. Dan konden ze me brengen waarheen ze maar wilden, net zoals ze mijn moeder tot nooit meer ziens hadden afgevoerd. Dus schreeuwde ik in blinde paniek: ‘Laat me los! Ik wil daar niet heen! Mag ik hier blijven, alsjeblieft?’ Zo zwijgzaam en in mezelf gekeerd als ik anders was, nu schreeuwde ik zo hard dat de buren nieuwsgierig uit het raam gluurden.
Niet weer weg, niet opnieuw gedumpt worden. Ben ik dan echt maar een stuk koopwaar dat je naar believen heen en weer kunt slepen? Maar deze keer was het niet mijn schuld! Ik had het familiespelletje braaf meegespeeld en was oprecht blij geweest met de teddybeer. Nooit had ik ook maar een signaal gegeven dat ik hier weg wilde, geen traan had ik vergoten, geen draai om mijn oren hoeven incasseren. Maar blijkbaar deden volwassenen toch gewoon wat ze wilden en hielden ze hun ware bedoelingen voor kinderen verborgen.
Ik had niet de kracht om me te verweren. Uiteindelijk zat ik in een zachte houdgreep op schoot bij de vrouw van wie ik even had gedacht dat ze mijn nieuwe moeder zou worden, terwijl de man die had gedaan of hij mijn vader was achter het stuur zat en me naar een plek bracht die ik maar al te goed kende. En inderdaad zag ik na een korte rit het oude vertrouwde kindertehuis door de voorruit opdoemen.
Ik kon het bijna niet geloven: zou de profetie van de blonde leidster uitkomen? De woorden van mijn grootmoeder echoden in me na: ‘Het is je laatste kans!’ Als ik hier terug zou keren, zou het met me gedaan zijn, dan was mijn tehuiscarrière voor me uitgestippeld. Maar zonder mij! Alleen met geweld zouden ze me de auto uit krijgen. Toen we stilstonden verzette ik me met mijn hele lijf. Mijn handen klemden zich vast aan de zijkant van het portier. Mijn pleegouders moesten mijn vingers terugbuigen om mijn greep te ontspannen. Dat zal niet alleen bij mij pijn hebben gedaan.
Eenmaal buiten ging ik op de grond zitten en weigerde ook maar een stap te zetten. Mijn vermeende vader moest me uiteindelijk dragen, wanhopig had ik mijn armen om zijn nek geslagen. De dammen die ik had opgeworpen braken allemaal tegelijk door, de tranen stroomden over mijn wangen. Ik snikte en schreeuwde: ‘Waarom moet ik bij jullie weg?’ Wat een vernedering om met betraand gezicht mijn kwelgeest onder ogen te moeten komen.