INLEIDING door Michael Beschloss

Nu is het dus eindelijk haar beurt om te spreken. Als je al die duizenden boeken over John Fitzgerald Kennedy doorwerkt, zal je de stem van een van de belangrijkste getuigen missen. Het is zoals in het overlijdensbericht in The New York Times de ochtend na haar overlijden op 19 mei 1994 stond: ‘Haar zwijgen over haar verleden en speciaal over de Kennedyjaren en haar huwelijk met de president, had altijd iets mysterieus.’ Ze schreef geen autobiografie of memoires.

Jacqueline Lee Bouvier werd geboren op 28 juli 1929 in Southampton, New York, het plaatsje waar de familie van zowel haar moeders als haar vaders kant de zomers doorbrachten. Haar door de zon gebruinde, in Yale opgeleide, Frans-Amerikaanse vader, John V. Bouvier III, was in de voetsporen van zijn voorvaderen getreden en op Wall Street terechtgekomen. De crash van de aandelenmarkt van 1929 kwam hij echter nooit helemaal te boven. Haar moeder, Janet Norton Lee, was de dochter van een Iers-Amerikaanse tycoon in het bankwezen en vastgoedmagnaat. Dankzij haar jeugd aan Park Avenue en op Long Island hield Jackie (zij gaf de voorkeur aan Jacqueline, maar vrienden en familie noemden haar zelden bij haar volledige naam) van paardrijden, het maken van zonderlinge tekeningen en het lezen van boeken – vooral over kunstgeschiedenis, poëzie, Franse geschiedenis en literatuur. Toen zij 12 jaar was, scheidden haar ouders met ruzie. Haar moeder hertrouwde met Hugh D. Auchincloss jr., erfopvolger van de oliemaatschappij Standard Oil, die Jackie en haar jongere zuster Lee hartelijk ontving in zijn beide schilderachtige buitenhuizen in McLean, Virginia, en Newport, Rhode Island. Ze kwam op Miss Porter’s School, een befaamde kostschool in Farmington, Connecticut, waar zij ook haar paard Danseuse mocht stallen. De leerkrachten vonden Jackie een zeer intelligent, eigenzinnig meisje met een sterke wil.

Na twee jaar Vassar College, die haar niet erg inspireerden, kwam ze als jonge vrouw pas echt tot leven tijdens een studiejaar op de Sorbonne en de universiteit van Grenoble in het kader van een uitwisselingsprogramma. Toen ze terugkwam, ging ze in Merrywood, het huis van haar stiefvader aan de rivier de Potomac, wonen. Ze studeerde in 1951 af aan de George Washington University en liet met het winnen van de Prix de Paris van Vogue twaalfhonderd andere vrouwelijke studenten achter zich. Ze had voor de wedstrijd een proefnummer van het tijdschrift ontworpen en een essay geschreven over ‘Mensen die ik graag had willen ontmoeten’ (Oscar Wilde, Charles Baudelaire en Sergej Diaghilev). De prijs bood een plekje voor een jaar aan als leerling-redacteur bij Vogue in New York en Parijs. Ze sloeg het af – tot grote opluchting van haar moeder, die haar dochters belangstelling voor Frankrijk als een onwelkome voorbode zag voor hernieuwd contact met haar vader Jack Bouvier, die in Frankrijk verbleef. Jackie nam in plaats van het aanbod een baan als ‘onderzoeksfotograaf’ bij de Washington Times-Herald aan. Het was in die functie dat ze haar toekomstige echtgenoot leerde kennen.

De eerste keer dat zij Jack Kennedy ontmoette, was in de trein van Washington D.C. naar New York, in 1948, toen zij, zoals zij zelf toentertijd noteerde, een kort gesprekje voerde met een attent ‘lang mager jong Congreslid met heel lang rossig haar’. Maar de ontmoeting liep op niets uit. In datzelfde jaar trok familievriend Charles Bartlett haar op het huwelijksfeest van zijn broer op Long Island mee ‘door de menigte belangrijke gasten’ richting Jack Kennedy om kennis met hem te maken, maar ‘toen ik haar daar eindelijk had weten te krijgen, was hij helaas al vertrokken’. In het voorjaar van 1951 werden Jack en Jackie dan eindelijk officieel aan elkaar voorgesteld in de eetkamer van Bartlett en zijn vrouw Martha in Georgetown. Na wat zij een ‘ongedurige verkeringstijd’ noemde, trouwde de francofiele esthetica op 12 september 1953 in Newport met de snel opklimmende senator voor Massachusetts, waarmee het decennium van hun leven begon waarover wij kunnen lezen in dit boek.

In de maanden na de moord op John Kennedy had de 34 jaar oude weduwe zo’n moeite met de herinneringen die zij had aan hun leven in het Witte Huis, de tijd die zij zelf ‘de gelukkigste jaren van hun leven’ noemde, dat zij de chauffeurs van de Geheime Dienst dringend verzocht niet langs haar voormalige woning te rijden op weg naar haar afspraken, zodat ze er nooit per ongeluk een glimp van zou kunnen opvangen. Ze had zich voorgenomen nooit meer een voet in het Witte Huis te zetten – en dat gebeurde ook niet, op één uitzondering na. (Toen Aaron Shikler in 1971 zijn staatsieportretten van de vijfendertigste president en zijn vrouw voltooid had, bracht ze met haar kinderen een zeer besloten bezoekje aan het Witte Huis, waar ze de schilderijen bekeek en dineerde met president Richard Nixon en zijn gezin.) Eind 1963 was Jacqueline Kennedy nog heel bang dat ze, als ze te lang stil zou staan bij de herinneringen aan haar leven met haar echtgenoot, ‘weer zou gaan huilen’, maar ze was wel vast van plan ervoor te zorgen dat Jack een onbevooroordeeld verslag van de historici zou krijgen. Aangezien JFK, in tegenstelling tot andere presidenten, de kans ontnomen was zich te verdedigen tegen historische verslagen in boeken, artikelen en openbare commentaren, voelde zij het als haar plicht te doen wat ze kon. Om er zeker van te zijn dat men hem niet algauw na Dallas zou vergeten, stelde Jacqueline zich al voor hoe de Kennedy Library eruit zou gaan zien – die zou gebouwd worden voor Harvard, aan de rivier de Charles, zoals de president een maand voor zijn dood nog bepaald had.

Arthur Schlesinger jr., medewerker van Jack, pakte begin december 1963, toen de weduwe en haar kinderen nog in het Witte Huis woonden, een paar van de meest ontroerende brieven die hij had ontvangen over zijn overleden baas en liet ze naar boven brengen. Schlesinger, die bekendstond om zijn vlinderdasje en om ‘zijn haarscherpe humor en zijn enorm verende tred’, was hoogleraar geschiedenis geweest aan Harvard, één van de meest gerespecteerde wetenschappers van het land en auteur van bekroonde boeken over de tijdperken van Andrew Jackson en Franklin Roosevelt. Daarnaast schreef hij speeches voor Adlai Stevenson tijdens zijn twee campagnes voor het presidentschap. Hij kende JFK al sinds ze samen studeerden aan Harvard, maar zijn vriendschap met Jackie was pas ontstaan tijdens de presidentiële campagne van 1960, toen haar man aan Schlesinger had gevraagd zijn adviezen op tactische wijze naar hem door te spelen via zijn vrouw, zodat hij niet voortdurend gezien zou worden in het gezelschap van liberale wetenschappers. De historicus was nu al, in de nasleep van de moord, een begin aan het maken met onderzoek voor een boek over het vijfendertigste presidentschap, een boek waarvan JFK en zijn andere medewerkers altijd al gedacht hadden dat hij het een keer zou schrijven.

Jacqueline antwoordde Schlesinger vanuit haar woongedeelte in het Witte Huis met een met de hand geschreven briefje: ‘Hierbij stuur ik je je brieven terug... ik vond het heel fijn ze te zien... ik heb nog geen tijd gehad om er een te lezen.’ Ze schreef dat iemand erop had aangedrongen dat de Kennedy Library zou proberen de invloed van Kennedy op de jeugd voort te laten duren: ‘Nou, ik zou niet weten hoe dat verder moet zonder hem... maar misschien kan jij iets bedenken... het is zeker de moeite waard om het te proberen.’ Ze vertelde Schlesinger dat ze ‘zeer onder de indruk’ was geweest van een toespraak die hij over haar echtgenoot had gehouden: ‘Het was precies zoals ik over Jack denk... al kan hij zijn dromen niet meer uit zien komen... hij wilde zo vreselijk graag een fantastische president zijn... ik denk dat hij dat nu ook nog kan zijn... omdat hij was begonnen met al die goede plannen... zoals jij ook zei. Hij verdient het om daarom fantastisch gevonden te worden.’ Ze drong er bij Schlesinger op aan snel over hem te gaan schrijven, ‘nu alles nog vers is... nu je nog precies weet wat hij zei’.

Schlesinger vertelde later dat hij ‘na Dallas sterk dacht’ aan een project orale geschiedenis, ‘en Robert Kennedy ook’. Hij was op Harvard al een vroege voorvechter geweest van deze nieuwe onderzoeksmethode. Pioniers aan de universiteit van Columbia waren uit angst dat historisch belangrijke informatie verloren zou gaan omdat mensen minder brieven en dagboeken schreven, begonnen historische figuren te interviewen, de gesprekken op te nemen en de transcripties in openbare archieven op te slaan. Schlesinger wees Jacqueline er ‘vanwege urgentieoverwegingen’ op dat – in tegenstelling tot de presidenten Truman en Eisenhower, die beiden een dagboek bijhielden en verrassend onthullende brieven schreven – het leiderschap van John Kennedy veelal was uitgevoerd via de telefoon en via persoonlijk contact, waarvan geen geschreven verslagen bestaan.[1] Zonder een ‘spoedproject’ orale geschiedenis op te zetten, waarmee de dan nog verse herinneringen van de New Frontiersmen – mensen die Kennedy had aangesteld als regeringmedewerkers: wetenschappers, liberalen, familieleden – werden vastgelegd, zou veel van de geschiedenis uit de periode-Kennedy voorgoed uit de herinnering verdwijnen. In januari 1964 verleenden Jacqueline en Robert Kennedy goedkeuring aan het plan om wetenschappers en mensen uit de kring van Kennedy herinneringen vast te laten leggen van ‘duizenden’ mensen die de president hadden gekend – familieleden, vrienden, regeringsfunctionarissen, politici in Massachusetts, buitenlandse politieke leiders en anderen, die hadden mogen genieten van een ‘meer dan oppervlakkige’ relatie met hem. Het belangrijkste deel van deze verzameling zou, naast de orale geschiedenis van Robert Kennedy zelf, bestaan uit gesprekken met de weduwe van John F. Kennedy, die zouden worden gevoerd door Schlesinger zelf.

==

02.tif

Arthur M. Schlesinger jr.

==

Zo gebeurde het dat Schlesinger op maandag 2 maart 1964 naar de nieuwe woning van Jacqueline Kennedy op 3017 N Street liep en de treden van de lange houten trap beklom om te beginnen aan het eerste van zeven gesprekken met de voormalige first lady. Mrs. Kennedy kocht dit huis, dat gebouwd was in 1794 en recht tegenover het huis stond dat ooit van Robert Todd Lincoln was geweest, nog in haar periode van rouw. Ze deed haar best een zo normaal mogelijk leven te creëren voor haar 6 jaar oude dochtertje Caroline en haar 3 jaar oude zoontje John, wat ze beschouwde als haar plicht en tegelijkertijd als haar redding. Overdag (en soms ’s nachts) stopten er tientallen bussen voor haar huis, waar ladingen toeristen uitrolden die afval achterlieten op haar trappen, instantcamera’s richtten op haar voorramen, de namen van de kinderen riepen en haar dwongen de gordijnen van haar kort daarvoor witgeverfde huiskamer dicht te houden.

==

03.tif

President John F. Kennedy met Caroline en John in de Oval Office

==

Eenmaal binnen liep Schlesinger door de schuifdeuren om zich bij Jacqueline in de zitkamer te voegen, waar op planken in de boekenkast kunstvoorwerpen uit het oude Rome, Egypte en Griekenland uitgestald stonden, die ze in de loop der jaren van haar man had gekregen. Ze zat het liefst op een bank van velours met haar rug naar het voorraam. Boven op het tafeltje naast haar stonden twee ingelijste foto’s: een lachende JFK op een stoel naast zijn bureau terwijl hij in zijn handen klapt voor zijn dansende kinderen, en een andere waarop hij campagne aan het voeren is te midden van een grote menigte mensen. Schlesinger zal zijn bandrecorder op een laag zwart oosters tafeltje gezet hebben, naast een zilveren sigarettendoosje, en aan de rechterzijde van Jacqueline plaats hebben genomen op een vaalgele stoel, die hij ook boven in het Witte Huis had gezien. Hij vroeg haar te praten alsof ze het had tegen ‘een historicus uit de eenentwintigste eeuw’. Zoals hij later vertelde: ‘Af en toe vroeg ze me de bandrecorder uit te zetten, zodat ze even kon zeggen wat ze wilde zeggen en daarna vroeg ze dan: “Kan ik dat ook zeggen als het wordt opgenomen?”... Meestal zei ik dan: “Waarom zeg je het niet gewoon?... Je hebt zelf de zeggenschap over de transcriptie.”’ Gedurende deze en de volgende zes bijeenkomsten stortte Jacqueline haar hart uit, in het begin met onvaste stem, maar gaandeweg met steeds meer zekerheid, terwijl de band ook geluiden oppikte als het aansteken van haar sigaret, het tinkelen van de ijsblokjes in hun glazen, het blaffen van honden in de verte, het denderen van vrachtwagens door N Street en het geluid van straalvliegtuigen.

Voor wie zich afvraagt of Jacqueline Kennedy wel beschikte over voldoende zelfdiscipline, moet opgemerkt worden dat ze zichzelf heeft moeten dwingen om in deze maanden van grote wanhoop zo gedetailleerd over haar vorige leven te praten. En Schlesinger was niet eens de enige die dat voorjaar met haar sprak. In april 1964 werd ze in dezelfde kamer tot ’s avonds laat, vier uur achter elkaar ondervraagd door William Manchester, die opdracht had gekregen voor het schrijven van een boek over de moordaanslag en daar nu onderzoek naar deed. Om Jacqueline het leed te besparen om tweemaal over deze gebeurtenissen te praten, liet Schlesinger deze taak volledig over aan Manchester. Later werd ze echter toch nog gedwongen om nogmaals in diezelfde kamer vragen te beantwoorden over de laatste autorit van haar man. Leden van de Warren Commission kwamen haar daarover ondervragen in juni, op de dag nadat Schlesinger zijn laatste gesprek met haar had gevoerd.

De gesprekken in dit boek werpen, bijna een halve eeuw later, een nieuw licht op alle verschillende episodes uit de geschiedenis van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw, waarvan we dachten dat we ze wel kenden. Deze orale geschiedenis biedt ons van binnenuit een nieuwe blik op het leven van John Kennedy als senator, presidentskandidaat en president en de wijze waarop zijn vrouw deze jaren beleefde. Ze geven nieuwe details over wat Jack en Jacqueline privé tegen elkaar zeiden, haar rol achter de schermen in zijn politieke leven, in de diplomatie en tijdens wereldcrisissen, en over haar uitgesproken en immer originele mening over de voortdurend wisselende figuren om hen heen. Degene die de jaren rondom Kennedy al eens nauwkeurig heeft bestudeerd, zal weten dat Jackie het werkterrein van haar man enorm kon uitbreiden dankzij haar beheersing van de Franse en Spaanse taal, haar kennis over de geschiedenis van Europa en de koloniën van Europese landen, en haar achtergrond in kunstgeschiedenis. Toch denken ook nu nog veel mensen dat zij betrekkelijk onverschillig stond tegenover politiek. Toen Schlesinger haar in 1959 in Hyannis Port ontmoette, vond hij haar, en anderen met hem, ‘grillig wat betreft politieke zaken’. Zo stelde ze ‘met wijd open ogen naïeve vragen’ over elementaire aangelegenheden. Dit gedrag was niet zo gek, aangezien goed opgevoede jonge vrouwen van Jacqueline’s generatie in die tijd niet aangemoedigd werden intellectueel over te komen. Bovendien zou het haar man niet ten goede komen als zij haar soms bijtende opinies bij meer mensen dan alleen bij hun vrienden zou ventileren. Maar zoals uit deze orale geschiedenis blijkt, wist ze aanmerkelijk meer van het politieke bestaan van John Kennedy dan ze liet blijken aan buitenstaanders, en haar invloed op zijn zakelijke contacten was aanzienlijk.

Jacqueline Kennedy zou de laatste zijn – tijdens deze gesprekken of daarna – die zou beweren dat zij een soort van geheime Witte Huis-goeroe op het gebied van de politiek was geweest. Uit de gesprekken komt duidelijk naar voren dat zij vond dat het tot haar rol behoorde om haar man niet lastig te vallen met zaken als werkgelegenheid of internationaal recht, zoals Eleanor Roosevelt dat had gedaan met Franklin, maar om JFK een ‘sfeer van affectie’ te bieden, met intrigerende gasten voor het diner, lekker eten en met ‘de kinderen in een goed humeur’. Zo zou zij hem kunnen helpen af en toe te ontsnappen aan de druk die op hem lag om de Free World door een van de gevaarlijkste periodes van de Koude Oorlog heen te loodsen. Tot grote verbazing van zowel de president als de first lady – er blijkt duidelijk uit deze orale geschiedenis dat zij beiden bang waren geweest dat de kiezers haar te weinig uitgesproken zouden vinden – bleek zij, dankzij haar knappe uiterlijk en haar sterachtige uitstraling, politiek gezien een enorme aanwinst. Massa’s Amerikaanse vrouwen wilden net zo lopen, praten, zich kleden, hun kapsel doen en hun huizen inrichten als Jackie. Het was niet toevallig dat de president er bij haar op aandrong om mee te gaan op zijn campagnereizen naar Texas en Californië. Hij maakte op zijn laatste ochtend voor zijn toehoorders in Fort Worth nog een grapje over de aantrekkingskracht die zijn vrouw had. Hij deed alsof hij klaagde over het feit dat ‘niemand erop let wat Lyndon of ik dragen!’[2]

Jacqueline was als first lady geen feministe, althans niet één zoals wij het woord nu opvatten. Het baanbrekende boek The Feminine Mystique van Betty Friedan was in 1963 uitgekomen, maar de echte vrouwenbeweging liet nog een jaar of tien op zich wachten. In dit boek geeft Jacqueline aan dat zij denkt dat vrouwen hun doel zouden moeten zoeken bij hun man en dat de ouderwetse vorm van een huwelijk ‘de beste’ is. Ze beschrijft de eerste secretaresse die zij in het Witte Huis had, als ‘een soort feministe’ en dus ‘heel anders dan ik’. Ze constateert zelfs dat vrouwen niet in de politiek moeten gaan, omdat ze te ‘emotioneel’ zouden zijn (ideeën die zij in de jaren zeventig van de vorige eeuw overigens nadrukkelijk liet vallen). Ondanks dat soort uitingen kan niemand betwisten dat deze first lady wel degelijk heel duidelijk haar eigen plan trok wat betreft haar werk en haar leven. Ze weerstond de mensen die haar aanraadden haar wat conventionelere voorgangsters na te volgen en maakte van het begin af aan duidelijk dat zij het niet als haar belangrijkste taak beschouwde om liefdadigheidsbijeenkomsten of politieke banketten bij te wonen, maar om haar kinderen een goede opvoeding te geven, en dat ondanks de enorme belangstelling die er voor het gezin van de president was. En ze zette zich in voor projecten die zij geheel op eigen initiatief op zich had genomen. Jacqueline besteedt in deze gesprekken weinig aandacht aan haar eigen bezigheden. Dit komt ook wel doordat Schlesinger zijn project in dit kader met name wilde richten op haar echtgenoot en omdat in 1964 zelfs een zo erudiet historicus als Schlesinger het verhaal van een first lady als bijkomstigheid zag, waardoor hij Jacqueline vooral beschouwde als bron van gegevens over haar man. Dit is jammer, zeker omdat onder de first lady’s van de twintigste eeuw alleen Eleanor Roosevelt misschien meer invloed heeft gehad op de Amerikanen van haar tijd.

Een van de belangrijke zaken waar Jacqueline Kennedy aan heeft bijgedragen, is het verkondigen van het belang van het bewaren van historisch erfgoed. Tussen 1950 en 1970 wilden Amerikaanse architecten en stadsplanners niets liever dan stedelijke monumenten en buurten die ze ouderwets en achterhaald vonden, platgooien en daarmee ruimte maken voor nieuwe autowegen, kantoren, stadions en woningen. Als mevrouw Kennedy niet had ingegrepen, zou een aantal kroonjuwelen van Washington D.C. hetzelfde lot beschoren zijn geweest – zoals Lafayette Park en Lafayette Square tegenover het Witte Huis, die door Pierre L’Enfant, de ontwerper van het oorspronkelijke stadsplan van Washington D.C., bedoeld waren geweest als President’s Park, de ‘tuin voor de president’. [Nu wordt met President’s Park een groter gebied rond het Witte Huis bedoeld.] Er werd hard aan een plan gewerkt om bijna alle huizen en gebouwen uit de negentiende eeuw, die ten oosten en westen van Lafayette Park stonden, inclusief het herenhuis waar Dolley Madison, echtgenote van president James Madison, woonde toen zij weduwe was geworden, en het gebouw uit 1861, dat het eerste museum voor moderne kunst van de hoofdstad was geweest, af te breken. Op hun plaats zouden ‘moderne’ witmarmeren kantoortorens komen waarbij het Witte Huis in het niet zou vallen.

Wandelend rondom het plein herinnerde Jaqueline zich wat zij had geleerd tijdens haar studietijd in Parijs, over hoe de Fransen hun belangrijke gebouwen en plaatsen beschermden. Ze wenste dat het Witte Huis en de Senaat een ‘wet zouden invoeren, die net zoiets zou doen als de Monuments Historiques in Frankrijk’. (Het Congres zou dat in 1966 ook doen.) Ze schreef in een brief dat ze niet stil kon blijven zitten terwijl Amerika’s monumenten ‘afgebroken werden en er vreselijke dingen voor in de plaats werden gezet. Bij deze gedachte raak ik gewoonweg in paniek en ik besloot op het laatste moment om hiertegen bezwaar aan te tekenen.’ In reactie hierop klaagde een vooraanstaande Amerikaanse architect dat er ‘zo goed als niets’ aan de westkant van het plein de moeite waard was om te behouden: ‘Ik hoop dat Jacqueline Kennedy gaat beseffen dat ze in de twintigste eeuw leeft.’ Maar Jacqueline kreeg gelijk. ‘Hou je vast,’ schreef ze aan een van haar medestanders. ‘Onze wildste dromen komen uit... De Dolly Madison en Tayloe House blijven bewaard!!!’ Was iemand anders de first lady geweest, dan zou het uitzicht vanuit het raam aan de noordkant van het Executive Mansion wel eens heel deprimerend kunnen zijn geweest.[3] Onder de andere kapitale monumenten die zij wist te behouden, bevindt zich het grijze Executive Office Building met zijn mansardedak dat in de jaren 1870 naast het Witte Huis is gebouwd en waarin de ministeries van Buitenlandse Zaken, van Oorlog en van Marine ooit gehuisvest zijn geweest.

Toen de zojuist geïnaugureerde president en zijn vrouw in januari 1961 over Pennsylvania Avenue reden, zagen ze weer eens hoe het ontwerp van L’Enfant voor een grootse ceremoniële ‘mijl’ plaats had moeten maken voor armoedige tattooshops en souvenirwinkels. Zonder dat iemand het wist, liep Jacqueline wel eens met Jack tot ‘halverwege’ het Capitool, zoals ze later aan haar zwager, senator Edward ‘Ted’ Kennedy schreef: ‘De toenemende smakeloosheid van de omgeving van het huis van de president deprimeerde hem. Hij wilde iets doen waardoor de adel van de architectuur langs Pennsylvania Avenue, de slagader van de regering van de Verenigde Staten, terugkwam... Hij wilde in de voetsporen treden van Thomas Jefferson, met wie hij een grote instinctmatige verbondenheid voelde... Ik wilde je alleen maar vanuit heel mijn hart vertellen dat dit iets is wat echt veel voor Jack betekende.’ De president stelde een commissie in voor de herinrichting van de boulevard en hield daar samen met zijn vrouw zorgvuldig toezicht op. Jacqueline schreef Edward Kennedy dat Pennsylvania Avenue een van de laatste dingen was ‘waarvan ik me herinner dat Jack er met gevoel over sprak’ voordat ze in november 1963 naar Texas vertrokken.

Bekend is dat ze van het Witte Huis een schatkamer maakte met historische Amerikaanse meubels, schilder- en beeldhouwwerk en andere voorwerpen, waarmee het kan concurreren met wereldberoemde musea. Vanaf het moment dat Abigail en John Adams honderdzestig jaar eerder de eerste bewoners waren, hebben presidenten na hen de openbare vertrekken naar eigen goeddunken aangepast. Toen Jacqueline Kennedy ze voor het eerst aanschouwde, werd ze er depressief van. Het slechte behang en reproducties waren zoals ze zei, ‘vroeg Statler’ [naar de Statler Hotels] en vrijwel geheel gespeend van enige Amerikaanse geschiedenis. Ze ontwikkelde een plan om rijke verzamelaars over te halen (door ‘mijn jachtinstinct’ te gebruiken, zoals ze in privékring grapte) om belangrijke Amerikaanse kunstvoorwerpen te schenken, om de openbare vertrekken na zorgvuldig onderzoek opnieuw in te richten, en door de oprichting van de White House Historical Association om een toekomstige presidentsvrouw ‘met een tante met een bric-à-bracwinkeltje’ ervan te weerhouden om die kamers naar haar eigen ongeschiedkundige smaak opnieuw in te richten. Vooral na Jacqueline’s op televisie uitgezonden rondleiding door het opgeknapte Witte Huis in februari 1962, waar zesenvijftig miljoen mensen naar keken, werden Amerikanen zich meer en meer bewust van hun tradities in decoratieve kunst. Duurzaam zijn ook enkele andere aanpassingen die Jacqueline heeft ingevoerd en die zij beschreef als ‘het kader waarbinnen het presidentschap aan de wereld getoond wordt’, zoals het verloop van staatsdiners en andere presidentiële ceremonies. Ze transformeerde de strenge Oval Office in een ‘New England-huiskamer’ door er banken en leunstoelen neer te laten zetten, de haard weer gebruiksklaar te laten maken en het grote bureau van H.M.S. Resolute te laten installeren, dat sindsdien door vijf opvolgers van haar man is gebruikt. Het was op Jacqueline’s verzoek dat industrieel ontwerper Raymond Loewy het hemelsblauw met witte embleem ontwierp dat nu de luchtvloot van de president siert.

Jacqueline transformeerde ook de rol van de first lady. Sinds haar restauratie van het Witte Huis, een onderneming die zij bedacht had en waarvan ze het toezicht ook op zich nam, heeft iedere presidentsvrouw zich verplicht gevoeld om zich in te zetten voor een of ander belangrijk openbaar project. De 31 jaar oude Jacqueline meende het toen ze zei dat haar voornaamste taak in het Witte Huis die van echtgenote en moeder was, maar zoals Lady Bird Johnson later zei: ‘Ze was een werker, maar ik geloof niet dat dat altijd erkend werd.’ Met haar arbeidsethos was het heel natuurlijk dat ze het restauratieproject op zich zou nemen, al wist ze hoe vermoeiend dat zou zijn. Nadat ze was afgestudeerd, had ze een volledige baan gehad, iets wat in haar sociale omgeving vreemd was, en in 1975, toen haar tweede man Aristoteles Onassis overleden was en haar beide kinderen op kostschool zaten, nam ze een baan aan als redacteur bij uitgeverijen Viking en Doubleday, die een reputatie hadden op het gebied van kwaliteitsboeken over kunst en geschiedenis en nu konden profiteren van haar smaak, levenservaring en kennis.

Jacqueline’s vermogen om intellectueel te blijven groeien bleek toen ze in de jaren zeventig de vrouwenbeweging omarmde. Ze vertelde een vriendin dat ze was gaan beseffen dat ze niet kon verwachten om voornamelijk als echtgenote door het leven te gaan. Ze steunde verschillende feministische zaken, waaronder het tijdschrift Ms. van Gloria Steinem. Ondanks haar onwil om interviews te geven, gaf ze er wel een om de werkende vrouw te verheerlijken voor een coverstory van Ms. in 1979. Hierin zei ze: ‘Wat zo treurig is geweest voor vrouwen van mijn generatie, is dat ze niet geacht werden te werken als ze een gezin hadden.’

Maar begin jaren zestig lag dit allemaal nog in de toekomst. Van even groot belang als Jacqueline’s project om het Witte Huis te restaureren waren, achteraf gezien, haar veel minder bekende inspanningen om Aboe Simbel te redden. Toen ze in 1962 hoorde dat een stuwmeer het bijzondere Egyptische monument bedreigde, schreef ze JFK: ‘Het is de grootste tempel aan de Nijl – 13e eeuw v.Chr. Het zou net zoiets zijn als het Parthenon onder water zetten... Aboe Simbel is de mooiste. Er zal nooit meer iets worden gevonden dat hierop lijkt.’ Ondanks JFK’s opmerking dat het Congres Aboe Simbel af zou doen als een handvol ‘Egyptische stenen’, deed de first lady toch een persoonlijk beroep op Capitol Hill en wist ze de benodigde financiën los te krijgen. Toen de president van Egypte, Gamal Abdel Nasser, aanbood om als dank een van de nationale schatten aan Amerika te schenken als teken van erkentelijkheid, vroeg ze om de tempel van Dendur die zij en haar man in Washington hoopten te kunnen opbouwen ‘om de mensen eraan te herinneren dat begrip oorlog voorkomt’. De tempel, die in de buitenlucht te veel zou lijden onder het weer, staat nu in het Metropolitan Museum in New York.

John Kennedy zou de eerste zijn om toe te geven dat de culturele mijlpalen van zijn presidentschap – Pablo Casals en het American Ballet Theatre in de East Room, de Mona Lisa tentoongesteld in Amerika, het diner voor Nobelprijswinnaars, de inspanningen om een nationaal theater op te richten (nu het John F. Kennedy Center for the Performing Arts), enzovoort – hoogstwaarschijnlijk niet zouden zijn bereikt als hij niet getrouwd was geweest met Jacqueline Bouvier. Beide Kennedy’s hamerden erop dat de kunsten deel uitmaken van de definitie van het volle Amerikaanse leven. De welvaartsstaat van begin jaren zestig maakte een dergelijke uitspraak mogelijk. Veel Amerikanen, die de naoorlogse welvaart genoten, vroegen zich af waar ze hun hoge inkomens, waar hun voorouders slechts van konden dromen, aan konden besteden.

Jacqueline Kennedy’s gevoel voor hoe symbolen en ceremonie de Amerikaanse geschiedenis kunnen bepalen, was nooit zo duidelijk als gedurende de nachtmerrie van dat lange weekeinde na de moord op haar man. De geschokte weduwe herinnerde zich wat ze tijdens de restauratie van het Witte Huis had gelezen over de begrafenis van Abraham Lincoln, tot dat moment de uitgebreidste in de Amerikaanse geschiedenis, en improviseerde drie onvergetelijke dagen van ceremonies in perfecte sfeer – het ritueel in de East Room en de Rotunda van het Capitool, de buitenlandse staatshoofden zoals die door de merkwaardig intieme oude kathedraal liepen, JFK’s geliefde Air Force One die als saluut boven de plechtigheid op de begraafplaats vloog, het aansteken van de eeuwige vlam (zoals ze die in Parijs had gezien toen ze aan de Sorbonne studeerde). Na Dallas hielp dit alles de Amerikanen om althans een deel van hun zelfrespect terug te winnen. Toen het droevige schouwspel eenmaal voorbij was, verloor Jacqueline haar gevoel voor het grote gebaar niet: toen zij en haar kinderen officieel het Witte Huis voor de laatste keer verlieten, zorgde zij ervoor dat haar zoon John de Amerikaanse vlag naar buiten droeg.

In de zomer van 1964 zei ze tegen een vriendin dat het vertellen aan Arthur Schlesinger over haar voorbije leven, ‘ondraaglijk’ was geweest. Gekweld door de drukte rond haar huis in Georgetown en de martelende herinneringen aan gelukkiger tijden, verhuisde ze met haar kinderen naar een appartement hoog boven Fifth Avenue in New York, op zoek naar ‘een nieuw leven in een nieuwe stad’. Vanuit haar nieuwe slaapkamer kon ze aan de overkant het Metropolitan Museum of Art zien liggen, waar, ondanks haar voorkeur voor Washington, de tempel van Dendur werd opgebouwd, en ’s nachts had ze last van de schijnwerpers. Dat najaar, ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de moord, schreef ze voor het tijdschrift Look over JFK: ‘Dus is hij nu een legende, terwijl hij liever een man was geweest... Nu zal hij tenminste nooit weten welke droefheid hem nog te wachten stond.’ En bijna als een voornemen voegde ze hieraan toe: ‘Hij is vrij en wij moeten doorleven.’

Nadat ze deze woorden had geschreven, had Jacqueline het in het openbaar nooit meer over haar man – niet in 1965 toen koningin Elizabeth II een monument ter herinnering aan hem onthulde bij de plaats waar de Magna Carta in 1215 werd getekend, niet in 1979 toen ze aanwezig was bij de opening van de Kennedy Library, nooit.[4] Toen zij zich eenmaal met haar kinderen in New York had gevestigd, eiste ze haar recht op om als gewone burger te leven en was ze er tevreden mee dat de gesprekken in dit boek haar voornaamste bijdrage zouden zijn aan de historiografie van de Kennedy’s. In het voorjaar van 1965 las ze een vroege versie van Arthur Schlesingers A Thousand Days: John F. Kennedy in the White House en was kwaad toen ze erachter kwam dat de schrijver zaken had gebruikt uit hun verzegelde gesprekken om de relatie te beschrijven die de president met haar en hun kinderen had. Ze verzocht hem dringend per brief om ‘dingen’ te verwijderen ‘die ik te persoonlijk vind... De wereld heeft geen recht op zijn privéleven met mij – ik deelde al die kamers met hem – niet met de lezers van het Boek van de Maand + ik wil niet dat ze nu in die kamers neuzen – niet eens in de badkamer – met de kinderen.’ Schlesinger gaf toe en toen A Thousand Days verscheen, was hun vriendschap hersteld.

Ondanks haar aandringen op privacy vergat Jacqueline Kennedy nooit haar verplichtingen aan de toekomst. Ze wist dat, wanneer deze orale geschiedenis na haar dood gepubliceerd zou worden, ze zo goed als zeker het laatste woord had over het leven met haar man. Ook dat was een vernieuwing van haar kant. Met alle herinneringen die in dit boek staan, is Jacqueline de eerste vrouw van een Amerikaanse president die uren intensief in aanwezigheid van een bandrecorder vragen heeft beantwoord over haar openbare en haar privéleven. Luister nu, na decennia waarin anderen over haar hebben geschreven, naar wat zij te zeggen heeft.

Mijn Leven Met John F. Kennedy
titlepage.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_000.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_001.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_002.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_003.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_004.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_005.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_006.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_007.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_008.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_009.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_010.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_011.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_012.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_013.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_014.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_015.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_016.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_017.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_018.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_019.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_020.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_021.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_022.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_023.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_024.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_025.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_026.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_027.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_028.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_029.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_030.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_031.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_032.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_033.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_034.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_035.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_036.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_037.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_038.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_039.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_040.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_041.xhtml
Mijn_leven_met_John_F_Kennedy_split_042.xhtml