HOOFDSTUK 12

 

 

 

De mensen van de stam waren zo rustig, dat Zenith zich soms wel eens afvroeg of ze er eigenlijk wel waren. De enige moeilijkheid was dat ze zo weinig voedsel wilden aannemen. Steve zei dat ze zich daar geen zorgen over hoefde te maken.

‘Er zijn moerassige gedeelten,’ merkte Steve op. ‘En in moerassen kun je allerlei lekkers vinden.’

‘Lekkers!’ huiverde Carol die het hoorde. Hoewel niemand last had van de bezoekers haatte ze duidelijk elke minuut van hun aanwezigheid.

Op een morgen trof Zenith Steve, die van top tot teen in een duikerspak was gehuld.

‘Ik dacht dat je een afschuwelijk monster uit de diepte was,’ zei ze rillend.

‘Niet uit de diepte, maar op weg naar de diepte.’

‘De diepte?’

‘Naar de Groeve. Het is de beste plek om iets te weten te komen over de inwerking van het water.’

‘Hoewel hij niemand had verteld wat hij van plan was te gaan doen, werd het al spoedig bekend. Toen het monster, zoals Zenith hem had genoemd, door de ondiepe plekken om de heuveltop heen naar de rand van de Groeve waadde, stond iedereen daar zo dicht mogelijk bij de rand.

Pa’s gezicht stond ernstig, dat van Helen was vertrokken van angst, Brent keek nietszeggend en Carols gezicht was bleek. Het was erg belangrijk voor Carol, wist Zenith.

Hoe zij eruitzag hoorde ze al gauw van het monster.

‘Kop op,’ zei hij. ‘Ik kom heus wel terug.’

Zenith draaide zich om. Haar lippen trilden. Toen voelde ze zijn grote hand op haar schouder.

‘Ik kom terug, Zenith,’ zei Steve met nadruk.

Natuurlijk kwam hij terug, maar het leek eeuwen te duren. Zenith probeerde zich voor te stellen hoe donker, duister, dreigend het daar beneden was. Hoe kon iemand ooit terugkeren uit die angstaanjagende diepten?

De wachtende stam was instinktief naar voren gegaan. Als Steve tevoren al een deel van hun vertrouwen had gehad, dan had hij het nu helemaal... Het leek wel of ze naar een droomgod keken en niet naar een menselijke duiker, toen Steve ten slotte bovenkwam.

Helens wangen waren nat van tranen van opluchting en Derek schudde Steve de hand. Hij en Helen haastten zich naar de kantine om ervoor te zorgen dat er iets warms was wanneer Steve binnenkwam.

De stam ging terug. Brent, Carol en Zenith bleven achter.

Brent keek naar Carol... toen vroeg Carol aan Steve: ‘Weet je het?’ ‘Wat?’

‘Het belangrijkste.’

‘Nog niet met zekerheid.’

‘Je bedoelt dat je nog eens moet kijken?’

‘Natuurlijk.’

‘Maar je moet toch tot enige konklusie zijn gekomen?’

‘Dat kan niet na één keer.’

‘Je weet toch wel iets? Er is toch wel een aanwijzing?’

‘Je houdt nogal aan, hè? Goed? Ik ben op klei gestuit.’ ‘Ondoordringbare klei?’ Dat was Brent.

‘Dat is klei meestal,’ zei Steve.

‘En dat houdt in?’

Steve haalde zijn schouders op. ‘Kunnen jullie even zonder mij totdat ik deze spullen heb uitgetrokken?’ Hij liep weg.

De drie volgden hem in stilte naar de kantine.

Toen Steve’s dorst was gelaafd, zag Zenith dat Carol en Brent weg waren. Wat ze ook samen hadden besproken, het was een andere Carol die even later terugkwam. Het bleke was verdwenen en Carol was een en al lievigheid. Ze glimlachte zelfs naar de kinderen van de stam en probeerde ze te lokken met suikerklontjes.

‘Dat moet je niet doen, Carol -’ begon Zenith... toen zag ze dat ze zich geen zorgen had hoeven maken. De kinderen weigerden de suiker en verstopten zich achter hun moeders, de moeders keken naar de grond.

‘Dat heb je als je het er te dik oplegt,’ zei Steve’s stem achter Zenith. ‘Ze heeft het met mij ook geprobeerd, met iedere man die ze wilde hebben. En wat heeft ze ermee bereikt?’

‘Ze is verloofd met pa,’ zei Zenith verstikt.

Ondanks de slechte ontvangst bleef Carol glimlachen naar de groep op de veranda. Zenith had de indruk dat haar kaakspieren pijn deden van het glimlachen.

Ze was aardig tegen iedereen, maar het aardigst tegen de baas. Tegenover Steve was ze op haar hoede. Toen hij voor de tweede maal dook, vroeg ze niets. Maar de barst in Carols vernis kwam die dag om twaalf uur ’s middags.

‘Hemelse goedheid,’ zei ze scherp. ‘Dat meisje Zenith volgde haar blik en zag dat “dat meisje” Ludy was.

‘Onze aanstaande moeder?’ glimlachte ze.

‘Lang zal het niet meer duren, zo te zien. O, het is walgelijk! Alsof het nog niet erg genoeg is, krijgen we er een kraamafdeling bij!’

Zenith had weer naar Ludy gekeken. Waarom moest Carol zo’n drukte maken? Zij hoefde geen kind te krijgen!

‘Het gaat te ver!’ gilde Carol. ‘Zelfs als het water redelijk snel verdwynt, wat Brent me maar blijft voorhouden, kan ik niet langer wachten. Grote vissen zijn alleen maar een goede vangst als ze groot blijven en wie weet waar het allemaal op uitdraait? Er zijn grenzen, zelfs als je een miljonair aan de haak kunt slaan. En ik word geacht intussen dit te verdragen! Ik begin zo langzamerhand te denken dat Brent gelijk had toen hij zei dat twee stel goeie hersens beter zijn dan een stel goeie en een stel dwaze... de mijne en die van je vader. Want Derek Smith moet wel niet goed bij zijn hoofd zijn als hij zoiets toestaat.’

‘Wat, Carol?’ Derek was het vertrek binnengekomen.

Carol keek hem sprakeloos aan en Zenith maakte gebruik van de gelegenheid door te zeggen: ‘Ludy’s naderende moederschap, pa.’ Derek wendde zich tot zijn verloofde. ‘Ik ben blij dat je het hebt gemerkt, want ik kwam je net vragen te helpen.’

‘Te helpen?’

‘Jullie alle drie.’

‘Alle drie?’

‘Ik reken Zenith en Helen natuurlijk mee.’

‘Natuurlijk.’ Dat was Carol weer.

‘Drie vrouwen,’ vervolgde Derek, ‘als medezusters ’

‘Dat meisje heeft haar eigen zusters!’ barstte Carol uit.

‘Precies, Carol, maar waarschijnlijk onervaren zusters. Helen heeft me verteld dat het wel eens een lastige bevalling zou kunnen worden.’ Carol deinsde achteruit. ‘Je lijkt wel gek!’ riep ze uit.

‘Maar liefje ’

‘Deze situatie is krankzinnig! Dat was het al van het begin af aan. De enige die bij zijn verstand is, is Brent. Brent - ben je daar? Brent? Brent? Brent!’

Steve liep op Carol toe toen ze naar de deur holde.

‘Hij zit in de radiokamer om door te geven wat er met de helicopter moet worden gebracht. En’, het bleef even stil, ‘meegenomen.’

Hij liet Carol passeren en kwam het vertrek binnen. ‘Wat is er met Ludy?’ vroeg hij.

‘Een eenvoudig geval van moederschap,’ glimlachte Derek. ‘Heb je toevallig verloskunde als bijvak gedaan tijdens je studie?’

‘Nee.’

‘Verdwijn dan, Forbuck.’

‘Ik help wel, pa.’ Zenith kwam naar voren.

‘Daarvan ben ik afhankelijk, maar vooral van Helen. Het blijkt dat Helen in haar jeugd verpleegster is geweest.’

‘O ja?’ Steve deed een pas naar voren. Zijn gezicht straalde. Derek zag het niet, hij had het te druk met organiseren.

‘Jullie tweeën zorgen voor heet water en houden de stam rustig. Tenslotte zijn ze niet gewend aan onze gebruiken.’

‘Haal een paar van hun vrouwen om te helpen,’ zei Zenith.

‘Ja, dat raadde Helen ook al aan. Steve, jij hebt goede kontakten met ze.’

‘Laat het maar aan mij over,’ stelde Steve hem gerust.

‘En jij, pa?’ vroeg Zenith.

‘Dat zal ik je vertellen,’ grinnikte Derek. ‘Ik help Helen bij de bevalling. Hemelse goedheid, meisje, ik moest ook helpen bij jouw geboorte. En wat ik niet meer weet, herinnert Helen zich nog wel.’

‘Ja, Helen,’ zei Steve met een schor stemgeluid.

Zenith draaide zich om en keek hem nieuwsgierig aan, maar er stond niets op zijn gezicht te lezen.

‘Ik heb nooit geweten dat Helen verpleegster is geweest,’ zei Zenith, terwijl ze even later pannen met water begon te vullen.

‘Ik had er een vermoeden van,’ zei Steve.

‘Hoezo?’

‘Ik wist dat ze ander werk had gedaan voordat ze sekretaresse werd.’ ‘Sekretaresse in zo’n afgelegen oord,’ zei Zenith. ‘Ik vraag me af waarom.’

‘Misschien wel om dingen te vergeten. Hoe moet ik dat eigenlijk weten?’

‘Je schijnt heel wat meer van haar te weten.’

‘Nog niet... nog niet... maar ik wil wel graag meer weten.’

Ze werkten in stilte verder. Toen ze een ogenblik niets te doen had, liep Zenith naar het raam... om zich dadelijk weer om te draaien. ‘Steve, Steve! Er keek iemand naar binnen.’

‘Wie?’

‘Dat weet ik niet. Een lange inboorling. Een jonge knappe inboorling. Maar we hebben hier alleen maar oude mannen.’

‘We hadden alleen maar oude mannen,’ verzuchtte Steve. ‘Blijf jij hier, Zenith. Ik ga op zoek naar onze vriend.’

‘Hoe zou hij hier zijn gekomen?’ wilde ze weten.

‘Door de kleverige ondiepe plekken, net zoals de stam met ons. Hoewel hij zich niet door een overstroming zou hebben laten afschrikken, want deze mensen kunnen zwemmen als vissen.’

Hij bleef een hele tijd weg. Derek Smith gaf zijn dochter opdracht het water aan de kook te houden. Alles ging goed, zei hij. Het viel hem niet op dat Steve er niet was.

Zenith liep heen en weer van pannen met kokend water naar beslagen ramen. Toen kwam Steve terug.

‘Het was Avua, Ludy’s man,’ vertelde hij lakoniek.

‘Avua! Hoe is die hier gekomen?’

‘Te voet of zwemmend, dat weet ik niet.’

‘Ik bedoel hoe hij erin is geslaagd aan zijn achtervolgers te ontkomen.’

‘Is hem dat dan gelukt? Dat valt nog te bezien.’ Steve’s stem klonk ongerust.

‘Wat is er?’ vroeg Zenith.

‘Van alles. Ik heb hem natuurlijk teruggestuurd.’

‘Wat heb je gedaan?’

‘Ik heb hem weggestuurd. We hebben niet te maken met aboriginals uit de stad, Zenith, we hebben te maken met myalls, om kort te gaan met mensen die doen wat hun grootvaders grootvaders deden.’ Ze gehoorzamen aan oude stamwetten. En Avua heeft niet alleen de vijand ontstemd, hij heeft zijn eigen stam beledigd, teleurgesteld en kwaad gemaakt en dat kan niet worden vergeven.’

‘Kan niet - of wordt niet?’

‘Dat komt toch op hetzelfde neer?’

‘Dat hoeft niet, als jij - als jij ‘Toe nou, Zen, ik kan me wel met wat onbelangrijke dingen bemoeien, maar niet met zoiets.’

‘Wat gebeurt er dan?’

Steve haalde zijn schouders op.

Ze bleven elkaar een tijdje zwijgend aankijken. Steve’s ogen zeiden: ‘Ik kan het niet’ .. .die van Zenith smeekten: ‘Probeer het.’

Een kreet verbrak de stilte, de kreet van een pasgeboren baby.

Op hetzelfde moment hoorde Zenith het geronk van een helicopter maar ze hoorde het vaag, onwezenlijk. Ze luisterde alleen maar naar de kreet.

‘Het is er! Het is er, Steve!’

‘Een nieuw leven,’ zei Steve zacht en hij liep naar Zenith toe en nam haar in zijn armen. Hij drukte zijn hoofd tegen haar schouder en Zenith liet het daar rusten.