HOOFDSTUK 7
Zodra ze terug waren in de stad ging Steve op zoek naar Derek Smith. Het laatste wat Zenith van hem zag, was dat hij de deur van pa’s kantoor stevig achter zich dichtdeed. De twee mannen bleven er urenlang en Zenith wist dat er die avond niet in de kantine zou worden gegeten.
‘Waar zit iedereen?’ vroeg Carol humeurig. Zoals gewoonlijk had ze zich verkleed - ze verkleedde zich altijd voor het diner - en ze keek vol alkeer langs haar felblauwe japon naar beneden.
Zenith vertelde Carol uitgebreid wat er aan de hand was, maar niet al te nauwkeurig waarschijnlijk, want tegen het eind van haar verhaal verviel ze in een onsamenhangend gebrabbel, waarbij ze hydrologie en grote slangen die met rivieren en al onder de grond verdwenen hopeloos door elkaar haalde.
‘Waar wauwel je in vredesnaam over?’ vroeg Carol. ‘Je begint waarachtig op die kleuters van je te lijken, Zenith.’
‘Het gaat om wat pa heeft verteld,’ probeerde Zenith nog eens. ‘De overstroming vanuit Big Billy.’
‘O, dat!’
‘Ja, dat. Maar ditmaal is het menens, Carol. Je moet weten ’
Zenith begon opnieuw, ditmaal met weglating van de legende, en ze hield zich nu aan de feiten die ze van Steve had gehoord.
‘Dus je hebt Steve gesproken?’ viel’ Carol haar in de rede.
‘Ik heb het over wat Mr. Forbuck me heeft verteld, niet over de man zelf. Hij zei...’
‘Datzelfde oude verhaal,’ mopperde Carol. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zoiets geks gehoord. Wat probeert Steve gedaan te krijgen? Ons hier allemaal weg te werken? Natuurlijk is er geen sprake van een overstroming. Je hoeft maar naar buiten te kijken.’ Ze gebaarde met een sierlijke beweging van haar arm.
Zenith volgde de richting waarin ze wuifde en moest het bijna met haar eens zijn. De hemel was vandaag felblauw, de aarde eronder was rood en droog, kurkdroog.
Maar de feiten lagen er en ze vertelde het aan Carol.
‘Ik geloof het niet,’ zei Carol. ‘Ik geloof Steve Forbuck niet. Tenslotte kan ik het weten. We waren hiervoor samen bij dezelfde onderneming - ik denk dat je dat wel hebt gehoord.’
‘Ja, dat heb ik gehoord,’ bekende Zenith.
‘Hij is niet lang gebleven... hij bleef nooit lang ergens... maar hij is lang genoeg bij Silverstream Hydro gebleven om mij te laten ontdekken dat hij een leugenaar is.’
‘Ik wil het niet horen.’ Maar dat wilde Zenith wel. ‘Ik wil dat je begrijpt hoe ernstig de huidige situatie is.’
Carol negeerde haar.
‘Hij heeft altijd verkondigd dat hij geen vrouwen in de buurt wilde hebben... zelfs mij niet... maar toch kon je duidelijk zien dat hij naar iemand op zoek was.’
‘Bij een elektriciteitsmaatschappij?’
‘Ook bij andere ondernemingen waar hij heeft gewerkt voordat hij bij Silverstream kwam,’ zei Carol. ‘Er waren -’
‘Het zijn er een heleboel geweest, dat heeft hij me verteld.’
‘Net zoals hij je zijn laatste fantasieverhaal heeft opgedist.’
‘Dat is het niet,’ hield Zenith vol.
‘Nou, voor mijn part geloof je het... en geloof je hem, maar ik niet. Nu ik zie dat je hem gelooft, zal ik je waarschuwen: Steve Forbuck zit ergens achter aan... achter iemand aan - en al dat geklets over geen vrouwen is hetzelfde waard als die dwaze overstromingstheorie van hem. De man is op zoek naar een bepaalde vrouw. Het kan niet in haar uiterlijk zitten, anders was ik het wel geweest,’ zei Carol schouderophalend. ‘Het zou kunnen zijn om er beter van te worden, en dan zou jij in aanmerking komen, hoewel toch ook weer niet, nu ik ten tonele ben verschenen. Maar er is ergens iemand, daaraan hoef je niet te twijfelen ... en nu komen die twee eindelijk uit hun schuilplaats.’
Derek en Steve kwamen inderdaad te voorschijn maar het was niet voor lang. Zonder iets te zeggen liep Derek langs Zenith en Carol heen, wenkte Brent Davis en droeg de boekhouder op, dadelijk alle ploegbazen naar het kantoor van de baas te laten komen. Spoedvergadering, hoorde Zenith.
Carol hoorde het ook en snoof. Niettemin kwamen alle bazen en weer ging de deur met een klap dicht.
Zenith stelde voor een kop koffie in de kantine te gaan drinken, maar Carol was intussen woedend geworden.
‘Waar is al die drukte voor nodig?’
‘Het kan wel uren duren. We kunnen beter iets gaan eten,. Carol.’
Carol stak haar onderlip naar voren. Zonder Derek, Steve en Brent en een paar ongebonden vrijgezellen van kantoor had ze geen belangstelling voor de kantine. Iedereen die ze de moeite waard vond, zat achter die dichte deur.
Maar tenslotte haalde Zenith haar over en samen liepen ze naar Jake.
Carol haalde dadelijk vol afkeer haar schouders op en toen Zenith naar binnen keek, zag ze dat het gebaar vanwege Helen was. Het moest om Helen zijn. Er was niemand anders dan Helen.
‘Die vrouw -’ mopperde Carol.
‘Ze heeft meer recht om hier te zijn dan wij, zij hoort thuis in de categorie vrijgezellen en daarom heeft ze wel slaapgelegenheid maar geen keuken.’
‘Ja, dat heb je al eens gezegd, maar waarom hangt ze hier altijd rond? Trouwens, wat doet ze eigenlijk hier in Savage?’
‘De kost verdienen, denk ik,’ antwoordde Zenith. Het was nooit bij haar opgekomen Helen te vragen waarom ze haar werk in zo’n afgelegen oord zocht.
‘Omdat ze geen succes heeft gehad bij de huwelijksjacht,’ vervolgde Carol, ‘zitten wij met haar opgescheept.’
‘We zitten niet met haar opgescheept,’ antwoordde Zenith. ‘Ik houd van Helen. En zelf ben ik er ook nog niet in geslaagd een huwelijkspartner te vinden.’ Zenith had eraan toe kunnen voegen: ‘En zelfs jij bent nog niet getrouwd.’
Carol luisterde niet naar haar, ze vroeg Jake wat hij op dit uur had aan te bieden en ze vroeg het niet vriendelijk. Carol deed nooit moeite voor iemand op wie ze geen indruk wilde maken.
Wetend dat Carol daar verkeerd aan deed, en dat een leger marcheert op zijn maag, kwam Zenith naar voren om een paar geroosterde sandwiches aan Jake te vragen. Terwijl Carol een plaatsje zocht, niet in de buurt van Helen, babbelde ze met Jake en natuurlijk kwam het gesprek op de spoedvergadering.
‘Gewichtige zaken in de direktiekamer,’ zei Jake.
‘Ja, Jake.’
‘Maar we weten allemaal waarover het gaat. De overstroming hoort bij de feiten van het leven, Zennie.’
‘Dat zeggen ze.’
‘Ik zal het jammer vinden als ik weg moet,’ vervolgde hij. ‘Ik heb het hier best naar mijn zin. Maar ik vind wel wat anders - is me altijd nog gelukt.’
‘Je gaat toch niet weg, Jake. We kunnen je niet missen.’
‘Dat zal toch moeten. Ik ben gewend voor grote groepen te koken, niet voor een gezinnetje. En ik denk dat er maar een heel klein gezinnetje overblijft als de arbeiders weg zijn, zo klein, dat jullie wel voor jezelf kunnen zorgen.’
‘Wat zei die kerel?’ vroeg Carol toen Zenith aankwam met het blad. ‘Hij zei dat we binnenkort zelf ons eten zullen moeten klaarmaken,’ zei Zenith. Ze zette de koffie en de sandwiches neer en liep naar Helen om te vragen of ze bij hen kwam zitten. Tenslotte konden ze in zo’n grote ruimte niet apart gaan zitten met zijn drieën.
Carol was waarschijnlijk van gedachten veranderd na haar aanvankelijke slechte humeur.
‘Een hachelijke situatie, hè?’ vroeg ze glimlachend aan Helen. ‘Ongelukkig,’ bevestigde Helen.
‘Je bent hier al van het begin af aan,’ vervolgde Carol liefjes. ‘Dat vertelde Derek me tenminste.’
‘Ja, dat is waar.’
‘Dan kun je niet zeggen dat je van het kastje naar de muur bent gestuurd.’
‘Nee, Miss Quinn.’
‘Niet zoals onze nieuwe man Steve Forbuck bijvoorbeeld. Hij heeft al heel wat banen gehad. Waarschijnlijk steeds zonder succes.’
‘Dat zou ik niet denken.’
‘Maar je weet het toch niet zeker, wel?’
‘Ik weet alleen wat Mr. Smith me heeft verteld.’
‘Wat waarschijnlijk niet hetzelfde is als wat Derek mij heeft verteld,’ zei Carol, plotseling ziek van het beleefde gepraat. ‘Zijn die mannen nooit klaar met vergaderen? Ik heb genoeg van dat wachten. Ik ga naar huis en naar bed.’ Ze keek naar Zenith. ‘Zeg dat maar tegen je vader.’
Zenith, die liever was gebleven om het nieuws te horen en Helen haar excuus aan te bieden, stond ook op. Ze kende de weg naar huis op haar duimpje. Carol niet. Ze mocht het meisje niet, maar ze wilde niet dat de toekomstige Mrs. Derek Smith zou vallen en haar been zou breken.
Terug in huis deed Carol wat ze had gezegd te zullen doen, ze ging regelrecht naar bed.
Zenith bleef nog een uur op, toen ging ze ook naar haar kamer. Ze las... en nam geen woord in zich op.
Maar pa kwam de hele nacht niet thuis. Later hoorde Zenith dat de vergadering had voortgeduurd tot in de ochtend, maar na een poos verloor ze alle begrip voor tijd en viel ze in slaap.
Toen ze wakker werd, leek alles aanvankelijk eender... Carols deur zoals gewoonlijk dicht... pa’s kamer leeg, zijn bed opgemaakt, want hij was een vroege opstaander en hij liet zijn zaken altijd keurig achter.
Maar in de stad loeide een sirene, een alarmsirene, en toen Zenith naar de veranda liep om te kijken waarom, zag ze iets dat er uitzag als een mededeling op de deur van het hoofdkantoor. Ze zag mensen samendrommen om het te lezen.
Zenith holde er naartoe in haar kamerjas en rekte haar nek om het ook te lezen.
Een belangrijke openbare samenkomst, kondigde de met de hand geschreven mededeling aan. Iedereen moest komen.
Iedereen!
Zenith moest Carol wakker maken en haar het nieuws vertellen.
Of moest ze dat liever aan Derek overlaten? Maar pa had al zo veel aan zijn hoofd, te veel eigenlijk. Wat moest ze doen?
Zoals gewoonlijk ging Zenith op zoek naar Helen.
Helen was helemaal aangekleed. Evenals pa was ze gewend om vroeg op te staan.
‘Helen, het ziet er somber uit, hè?’ vroeg Zenith toen ze de oudere vrouw tenslotte had bereikt.
‘Het is ernstig, ja.’
‘Ernstig genoeg om Carol te waarschuwen?’
Helen zette haar bril af zoals ze altijd deed als ze nadacht, zette hem weer op toen ze een besluit had genomen.
Terwijl ze haar aankeek, schrok Zenith onwillekeurig. Voor de eerste maal sinds ze Helen kende, was ze zich op een gekke manier bewust van een herkenning. Ze had niet kunnen zeggen wat ze herkende, ze had alleen het gevoel... maar heel sterk... dat ze zulke ogen als die hazelnootkleurige van Helen al eens eerder had gezien. Niet die kleur, maar de uitdrukking erin.
‘Zit er een veeg op mijn neus?’ lachte Helen.
‘Nee - nee. Neem me niet kwalijk. Moet ik het haar vertellen of niet, Helen? Moet ik het aan Steve overlaten?’
‘Ik denk niet dat onze mannen tijd hebben voor iets anders dan publieke mededelingen. Ja, vertel het haar maar en neem haar mee naar de vergadering.’
‘Ja, Helen.’
Zenith liep de helling af.
Carol stond op de veranda, boos als gewoonlijk.
‘Wat is er in vredesnaam aan de hand?’ vroeg ze.
‘Het feest gaat beginnen, Carol.’
‘Zeg liever wat je daarmee bedoelt,’ snauwde Carol.
‘Nou, ik denk... we denken allemaal... dat de zaak uit de hand begint te lopen. Er is een openbare samenkomst over een uur.’ ‘Waarover?’
‘De overstroming.’
‘O, dat weer!’
‘We geloven dat het ditmaal ernst is, Carol. Ga je mee of niet?’ Carol dacht even na, keek naar Zenith en zei: ‘Ik kom zo.’ Ze ging naar binnen en kwam terug in een japon die het ijs van de Mount Everest zou kunnen laten smelten, dacht Zenith. Ze verheugde zich kennelijk op de blikken die haar op de vergadering ten deel zouden vallen. Ze moest nog een heleboel leren, wist Zenith. Mannen die werden gekonfronteerd met een serieuze zaak als deze, zou het zelfs niet opvallen al droeg een vrouw een jutezak.
‘Niet zo hard lopen,’ klaagde Carol. ‘Ik heb mijn slippers nog aan.’
Tegen de tijd dat ze bij het mededelingenbord waren aangekomen, had de hele stad zich onderaan de stoep, die toegang gaf tot de kantoren verzameld. Er liep een kleine veranda buiten de kantoren om en op de veranda stond een groep vertegenwoordigers van Savage. Zenith zag de betaalmeester, de biochemicus, de analist, de ploegbazen.
De deur ging open en Brent Davis voegde zich bij de groep. Toen kwam Steve Forbuck naar buiten. Laatst van allen Derek Smith. Zenith had haar vader er nog nooit zo moe zien uitzien.
Hij liep naar de rand van de stoep en keek neer op de verzamelde menigte.
‘Iedereen heeft wel iets opgevangen van de geruchten over evacuatie die de laatste paar weken in Savage de ronde doen. In het begin waren het inderdaad niet meer dan geruchten. Toen begonnen er bewijzen te komen... ik zal het aan onze waterspecialist overlaten jullie de bijzonderheden te vertellen... totdat we vannacht met de waarheid werden gekonfronteerd. De waarheid is: Er staat ons vrijwel zeker een overstroming te wachten. Er is geen gevaar voor jullie leven, zelfs als sommigen van jullie blijven, zoals ikzelf, komen jullie niet in gevaar te verkeren.
Er zal slechts plaats zijn voor een sterk gereduceerde staf, een paar huisbewaarders, zou je kunnen zeggen, die de boel in Savage in de gaten blijven houden tot alles weer kan funktioneren. Want dat zal gebeuren, dat kan ik jullie beloven, en als het zo ver is, wil ik jullie allemaal terug hebben, want ik waardeer mijn mannen.’ Derek Smith wachtte even en keek naar de vrouwen. ‘En ik waardeer de levensgezellinnen van mijn mannen.’
Naast Zenith schuifelde Carol onrustig heen en weer. Ze ergert zich, wist Zenith. Maar een vrouw in de volgende rij begon zachtjes te huilen. Zenith kreeg tranen in haar ogen toen een van de mannen begon te juichen. Ze namen de kreet allemaal over en Derek Smith hief zijn hand op. Zenith vond dat hij er ineens een stuk jonger uitzag.
‘Dank jullie,’ zei hij duidelijk ontroerd. ‘Dank jullie. Nu geef ik het woord aan Steve Forbuck.’
Steve had een moeilijke taak. Hij moest deze mannen vertellen waarom ze werden weggestuurd, waarom er zo’n haast bij was, terwijl alles er zo onschuldig uitzag. Hij moest het overtuigend laten klinken, geloofwaardig.
Het werd direkt duidelijk dat hij er de juiste man voor was. Steve verweefde zelfs een oude legende van de aboriginals in zijn verhaal en er werd niet eenmaal gelachen.
‘Een geweldige voorstelling,’ zei Carol sarkastisch. ‘Hij krijgt op zijn minst drie open doekjes, denk je niet?’
Zenith gaf geen antwoord. Ze keek naar Helen. Helen stond voor haar, ze zag haar en profil en er lag een spanning op het gezicht van de vrouw die ze er nooit eerder had gezien. Helen was altijd zo kalm, zo onverstoorbaar. Nu stond ze heel aandachtig te luisteren. Haar ogen waren gericht op Steve, dat viel niet te ontkennen. Helen keek naar Steve met een zeker - verlangen. Zenith keek de andere kant op, beschaamd om haar ontdekking. Helen was oud genoeg om Steve Forbucks moeder te kunnen zijn.
Naast Zenith zei Carol poeslief: ‘Liefde is een jonge droom, zeggen ze wel eens... maar een van de twee is niet jong meer, hè?’
‘Ik weet niet waarover je het hebt,’ zei Zenith koud.
‘Dat weet je heel goed. Ik zou die man maar in de gaten houden, als het mijn man was.’
‘Ik word misselijk van je, Carol,’ snauwde Zenith.
‘Maar zij kennelijk niet van hem!’ zei Carol zacht en venijnig.
Zenith baande zich een weg door de toehoorders naar een plek waar ze Steve nog kon horen. Maar ze zag Helen nog steeds. Helen, die aan Steve’s lippen hing.