HOOFDSTUK 9
Zenith liep niet achter Carol aan. In plaats daarvan liep ze naar de Groeve. In het begin was het de enige groeve geweest, vandaar de naam. Zenith realiseerde zich dat ze, net als de vorige keer toen ze erheen liep, geen veiligheidshelm droeg. Helmen waren nu niet nodig, want alles was stilgelegd. Er werd niet meer gefloten voor het wisselen van de ploegen, want er werd niet meer gewisseld.
Ze liep naar het platform en staarde naar de diepte. Er waren geen gele mieren meer die langs de wanden van het gapende gat omhoog kropen.
Ze probeerde zich het grote gat voor te stellen als het gevuld zou zijn met water, maar dat kon ze niet. Ze kon zich zelfs niet voorstellen dat ook maar een gedeelte van Savage, haar droge, gebarsten, rode Savage, onder water zou staan, maar wat had Steve Forbuck gezegd?... ‘Het zal binnensijpelen, zich verspreiden en het zal niet lang duren of je vraagt je af hoe het ook weer was toen er nog geen water was.’
‘Waar denk je aan?’ Steve was stilletjes achter Zenith aan gekomen. ‘Aan waterlelies? Andere waterplanten? Een paar felgekleurde kano’s om het geheel een feestelijke aanblik te geven?’
‘Doe niet zo gek!’
‘Een beetje onzin is zo gek niet. Er zijn genoeg ernstige zaken.’ ‘Hoe ernstig?’
‘Onze ernstige zaken zijn nogal voor de hand liggend. Stilzetting van het werk voor een onbepaalde tijd... mogelijk zelfs voorgoed.’ ‘Voorgoed?’
‘Jawel, dame.’
‘Maar - maar het erts verdwijnt toch niet,’ protesteerde ze. ‘Dat lost niet op.’
‘En hoe wil je het onder het water vandaan halen?’
‘Maar het water zakt toch weg? Dat gebeurt altijd.’
‘Ja, ik denk wel dat dat gebeurt, hoewel ik niet durf te gokken hoe lang het zal duren. Aan de andere kant ‘Ja?’
‘Als het water in de groeven stroomt die je vader heeft gemaakt - zou het daar kunnen blijven staan. Dat is wel vaker gebeurd. Je zult zelf wel eens ondergelopen mijnschacht hebben gezien waarin het water is blijven staan.’
‘Nee.’
‘Ik wel. Ons huis was niet ver van een groeve - een idiote plek om een huis te bouwen.’
‘Waarom hebben je ouders dan -’
Steve Forbuck keek Zenith aan.
‘Mijn ouders?’
Meer zei hij niet.
Zenith verbrak de stilte.
‘Leg eens uit van die gaten die niet droogvallen.’
Dat deed Steve.
Sommige gaten, de meeste gaten, vallen droog. Maar sommige niet. Nadat je de leisteen uit Moeder Aarde hebt weggehaald, stuit je op klei en de meeste klei is ondoorlaatbaar.’
‘Zijn we in de Groeve op ondoorlaatbare klei gestuit?’
‘Voor zo ver we weten niet, maar daar kunnen we achterkomen.’ ‘Wat denk jij?’ drong ze aan.
‘Ik weet het niet... maar ik denk dat het water altijd zal wegzakken... in de loop van de tijd. Dus in plaats van Miss Geen Porte-Monnee, blijf je de ijzererts-erfgename, Zenith. De moeilijkheid is dat je misschien zult moeten wachten, je erfenis misschien zult moeten vermaken aan je kinderen, je kleinkinderen zelfs.’
‘Hoe weet je dat allemaal?’ vroeg Zenith nieuwsgierig. ‘Over groeven, bedoel ik.’
‘Ik heb je al gezegd dat we er vlak naast woonden. Op een nogal gekke plek, zoals ik zei, maar toch is geen van de bewoners daar ooit iets overkomen.’
‘Bewoners?’ vroeg ze.
‘Het was een weeshuis,’ zei hij. Hij staarde naar het gat, maar zag kennelijk een ander gat voor zich.
‘Ik hield van die oude groeve. Hij was niet meer in gebruik en helemaal overwoekerd. In de loop van de tijd was het een erg aantrekkelijke plek geworden. Er groeiden klimplanten. Er vlogen allerlei insekten. Ik geloof dat die plek een obsessie voor me werd, ik herinner me nog dat ik een heleboel last kreeg toen ze me er eens betrapten. Hoe dan ook, toen ik me liet inschrijven aan de universiteit koos ik water en alles wat ermee te maken heeft.’
‘Hydrologie.’
‘Precies.’
Alsof ze het hadden afgesproken draaiden ze zich om en slenterden terug naar de stad. Daar scheidden hun wegen. Steve ging naar zijn vrijgezellenkamer, Zenith ging naar het huis van de baas, want daar sliepen ze nog steeds. Ze sloeg het avondeten over en ging vroeg naar bed. Ze was moe. Het was een lange, zware dag geweest. Alle dagen waren de laatste tijd lang en zwaar.
Enige tijd later werd ze wakker van het geluid van voetstappen. Het zouden pa en Carol wel zijn die terugkwamen uit de kantine. Maar dat was niet zo. Als het dat paar was geweest zouden ze binnen zijn gekomen om daar verder te praten. Het gesprek werd nu buitenshuis gevoerd, door zachte, onverstaanbare stemmen. Zenith kon niet horen wie er sprak of wat er werd gezegd. Toen hoorde ze de deur dichtgaan en iemand... te horen aan de lichte stappen, Carol... binnenkomen en naar haar kamer gaan.
Ze hoorde hoe de andere stappen zich van het huis verwijderden. De volgende morgen vertrokken de laatste kinderen, de laatste moeders en echtgenotes. Alleen Helen, Carol en Zenith bleven achter, wat de vrouwen betrof.
Morgen, zei Derek Smith, zouden de mannen vertrekken.
‘Er zijn een heleboel mannen die protesteren, die willen blijven,’ zei Derek, ‘maar ik heb ze verteld dat er niets anders opzit dan weg te gaan. Steve zegt dat we binnenkort niet genoeg ruimte meer hebben.’ ‘En toch laat je drie vrouwen blijven, pa? vroeg Zenith glimlachend.
‘Eén daar, mijn dochter, is een ongehoorzame lastpost, dus wat heb ik daarover te zeggen?’
‘En Carol?’
‘O, ja, Carol.’
‘Helen.’
‘Helen natuurlijk. Helen kan niet weg. Ik begin niets zonder Helen.’ Nee, pa? Nee? Doe er dan iets aan. Stuur Carol weg -ik kan me vergissen, maar ik ben er nog steeds van overtuigd dat Carol een type is dat je beter kunt wegsturen en dan - dan -Vraag dan Helen, joegen Zeniths gedachten verder...
Wat moest hij aan Helen vragen? Hoe kon pa Helen vragen terwijl Helens ogen een ander volgden? Waarom? Waarom doe je dat, Helen? Waarom? Waarom?
Toen de categorie arbeiders was vertrokken, volgde de categorie kantoorpersoneel, toen de uittocht van de analist, de verbindingsman, de biochemicus, de andere stafmensen. Jake, de kok het laatst.
Jake nam Zenith even apart voordat hij wegging en liet haar de voorraden zien die hij voor hen had laten komen. Steeds als er een vliegtuig zou binnengekomen had het levensmiddelen meegebracht.
‘Succes, Zennie,’ zei Jake. ‘Houd je kruit droog, dan red je het wel.’
‘Droog, terwijl we omringd zijn door water!’ Maar Zenith was blij dat Jake het had gezegd. Drinkwater! Had iemand gezorgd voor drinkwater? Ja, dat had Steve Forbuck gedaan. Er was een ruime voorraad, verzekerde hij hen. Als die opraakte, zouden ze altijd water kunnen koken en zuiveren uit de omringende zee.
‘In liefde en oorlog is alles toegestaan,’ merkte hij op.
‘De oorlog tegen het naderende water kan ik volgen,’ zei Zenith. ‘Maar wat heeft de liefde ermee te maken?’
‘Dat weet je wel,’ antwoordde hij.
O, ja, dat weet ik wel, zei Zenith in zichzelf maar weet jij het ook? Toch wist ze nu dat Steve net zo veel belangstelling had voor Helen als Helen voor hem.
Zenith liep met Jake mee naar de kleine startbaan. Hij vertrok met het laatste vliegtuig van die dag, mogelijk het laatste van weken.
‘Belachelijk!’ had Carol gezegd toen Steve Forbuck ervoor had gewaarschuwd. ‘Er is nog nergens iets van een overstroming te zien.’
‘Dat kan wel, maar we hebben moeilijkheden met het vervoer,’ had Steve schouderophalend gezegd. ‘Het toestel dat we te leen hadden, is teruggeroepen door iemand die kennelijk denkt dat we uit de problemen zijn en onze eigen Cessna is dringend aan een beurt toe. Daar zou ik maar eens over nadenken, Miss Quinn.’
‘Waarover?’
‘Over dat waarover besluiteloze jongedames nadenken voordat ze een besluit nemen.’
Carol had geen antwoord gegeven.
Deze laatste uittocht betekende een volle lading. De kleine wachthut was stampvol en verscheidene passagiers stonden naast de witte omgekeerde emmers die de startbaan markeerden.
Jake begon Zenith uit te leggen hoe ze moest koken als er niets meer te koken was. Toen het toestel binnenkwam, had hij het over eieren. Hij had een heleboel eieren achtergelaten en sommige ervan zouden onherroepelijk gaan bederven. Dat kon je kontroleren door Ja, ja. Veel geluk en een goeie baan.’ Zenith ging op haar tenen staan en gaf Jake een kus. Toen deed ze een pas naar achteren en begon te zwaaien.
Toen ze zich ten slotte omdraaide zag ze dat Steve en pa, die ook met het busje waren meegekomen, weer waren vertrokken. Ze hadden niet gekeken of er misschien nog een passagiere was die mee terug moest. Nu zou ze moeten lopen.
Maar aan de andere kant van de schuilhut stond een jeep, dus moest er nog iemand zijn. Het was een hete, droge wandeling naar de stad en Zenith liep er opgelucht naartoe... bleef toen staan.
Vanuit de hut klonken stemmen.
‘Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben aan het eind van mijn latijn. Ik slaap ’s nachts niet omdat ik lig na te denken.’ Het was Carols stem, schril en verontrust.
‘Dat geldt voor mij ook... alleen is het voor mij natuurlijk anders.’ Dat was Brent.
‘Heel anders. Jij kunt alleen je baan kwijtraken.’
‘Ja, maar wel een goede baan.’
‘Maar ik verlies... ja, wat verlies ik eigenlijk? Dat is het moeilijke, Brent, ik weet het gewoon niet.’
‘Je bedoelt ’
‘Je weet wat ik bedoel. Hoe lang gaat die verdraaide overstroming duren? Wat is het eindresultaat?’
‘Erts kan niet verdwijnen,’ stelde Brent haar gerust.
‘Maar het kan onbereikbaar worden.’
‘Dat is waar, Carol. Het kan jaren duren.’
‘Ik kan me geen jaren veroorloven,’ snauwde ze.
‘Je bedoelt ‘Je weet wat ik bedoel.’
‘Ik geloof het wel, maar als je eerlijk bent, zeg je het tegen me.’ ‘Dan bedoel ik wat ik zou winnen, of verliezen, als vrouw van Smith. Niet later, maar nu. Toen ik ermee begon, zag alles er rooskleurig uit, de man was kennelijk bijna miljonair. Maar nu is dit gebeurd, of Forbuck zegt dat het zal gebeuren en ‘Het zal gebeuren,’ viel Brent haar in de rede. ‘Ik heb erover gepraat met Steve Forbuck - ik mag hem niet maar ik ben ervan overtuigd dat hij weet waarover hij praat - en het zal gebeuren.’
‘En ik?’
‘Je bedoelt als vrouw van Smith?’
‘Hoe anders?’ snoof Carol.
‘Je staat er dan gunstig voor... op papier. De belangrijkste erfgename van een aantal rijke ertsmijnen.’
‘Maar in feite? Niet op papier?’
‘Niets direkt. Misschien zelfs over een hele tijd niets.’
‘Hoe lang?’ wilde ze weten.
‘Dat weet niemand. Misschien dat je kinderen, als je een gezin zou hebben -’
‘Ik ben niet van plan Smith van kinderen te voorzien die erven wat ik zou kunnen erven,’ zei Carol scherp.
‘Goed dan,’ zei Brent met een volkomen andere stem. ‘Nu begrijpen we elkaar.’
‘O ja?’
‘Dat geloof ik wel, Carol. Tenzij ik me heel erg vergis ben jjj iemand die ik heel goed begrijp, iemand die weet waar hij op uit is.’
‘Maar ik weet het niet, dat zit me dwars. Geef me raad, Brent.’ ‘Nou, je kunt niet direkt met Smith trouwen, wel? Nu niet. Hoe dan ook, ik was erbij toen hij je die avond in de kantine weigerde. Brents stem klonk droog. ‘Ik heb bewondering voor de manier waarop je het opvatte.’
‘Ik vatte het zo op omdat ik wist dat ik hem en zijn besluit kon veranderen als ik wilde,’ zei Carol onverschillig. ‘Dat kan een vrouw nu eenmaal.’.
‘Maar toch kun je nu niet met hem trouwen. Zelfs niet al zou de baas het willen. Een vliegtuig kan wel levensmiddelen komen brengen, maar geen geestelijke.’
‘Je hoeft niet te trouwen om iemand aan je te binden,’ antwoordde Carol minachtend. ‘Het gaat erom: Ben ik bezig mijn tijd hier te verdoen? Kan ik beter verdwijnen?’
‘Je vergeet dat dat het laatste toestel was.’
‘Er kan een helicopter komen.’
Er volgde een lange stilte die werd verbroken door Brent.
‘Je vraagt me of je het bijltje erbij moet neergooien of niet, maar op die vraag kan alleen de toekomst antwoord geven. Misschien zul je er geen spijt van krijgen als je nog een poosje blijft. Per slot van rekening ben je nu verloofd, iets dat je tot nu toe niet is gelukt, geloof ik.’
‘Je bent wel erg openhartig, Brent,’ zei ze koel.
‘Ja, maar ik geloof dat je toch vindt dat ik gelijk heb.’
‘Waarom, denk je?’
‘Omdat mannen als Smith niet aan de bomen groeien, zelfs niet voor opvallende schoonheden als jy, en je zat te wachten op een Smith.’ ‘Ben ik echt mooi?’
‘Je weet verdraaid goed dat je dat bent.’
Weer een stilte, ditmaal verbroken door Carol.
‘Je hebt gelijk, ik ben mooi. Ik heb genoeg gejaagd - maar steeds zonder resultaat. Waarschijnlijk stelde ik mijn eisen te hoog. O, aanbiedingen genoeg - je weet wat ik bedoel.’
Weer een stilte... toen Carol weer, met ingehouden vrolijkheid: ‘Ik geloof dat jij je ogen ook niet in je zak hebt gehad. Ik geloof dat jij een oogje had op de dochter van de baas. Ik zal het wel voor je verknald hebben.’
‘Je bedoelt met je schoonheid?’
‘En door weg te nemen wat zij anders zou hebben gekregen.’
‘Eh - ja. Maar eerlijk gezegd was het niet zo’n klap voor me. Zenith is een prima meid, maar ze is mijn type niet. En die verdraaide griet heeft mij nooit serieus genomen.’
‘Als ze dat wel had gedaan, was jij mijn schoonzoon geworden,’ Carol lachte zacht bij deze gedachte.
‘Ik kan me wel een betere verhouding voorstellen.’ Er klonken voetstappen en Zenith moest de rest fantaseren.
Ten slotte zei Carol: ‘Jij laat er geen gras over groeien, hè?’ Het klonk ademloos.
‘Jij bent precies wat een man als ik nodig heeft.’
‘En wat voor man is dat?’
‘Moet ik je dat nog eens duidelijk maken?’ Weer voetstappen. ‘Nee? Ik ben het met je eens - daar hebben we nu geen tijd voor. Luister, Carol, we houden het nog een tijdje vol. Een meisje als jij heeft meer nodig dan wat Smith je kan geven, ze heeft hersens nodig die met haar kunnen meedenken. Als we sam-sam doen, kan ons niets overkomen., We beginnen dan wel niet aan de top, misschien niet eens halverwege, maar ‘Met andere woorden: je vindt dat ik de schijn moet blijven ophouden?’
‘Voorlopig. Als het geen vruchten afwerpt... ach een verloving is snel genoeg verbroken.’
‘Een huwelijk tegenwoordig ook,’ zei Carol. ‘Maar we moesten nu maar teruggaan, Brent, als we het verhaaltje willen volhouden.’
‘Prima,’ zei Brent en weer volgde die veelzeggende stilte.
‘Ik zei dat we weg moesten.’ Carol giechelde en Zenith verdween net op tijd om de hoek van de hut.
Zonder te zien waar ze liep door de woedende tranen die in haar ogen prikten, begon Zenith te lopen. Ze was nog maar halverwege toen er een rode stofwolk verscheen. Een minuut later stopte de jeep bij Zenith. Carol sprong eruit en kwam op Zenith toe lopen.
‘Je was daar,’ zei ze, wijzend in de richting van de startbaan.
‘Ja, ik heb de bus gemist.’
‘Maar iets anders heb je niet gemist!’
‘Ik heb je niets te zeggen, Carol,’ zei Zenith effen.
‘Je luistert alleen maar, schijnt het. Luister dan. Toen we terugkwamen in Savage ben ik op zoek gegaan naar jou, want het schijnt dat we een nieuwe regeling moeten treffen wat de maaltijden aangaat. Ik hoorde dat je, net als wij, was meegegaan naar de landingsbaan, maar dat je niet mee terug was gekomen. Ik hoefde niet te raden waarom. Je hoorde iets, durfde niet te voorschijn te komen. Maar zeg nu maar wat je te zeggen hebt, Zenith.’
‘Ik heb niets te zeggen,’ zei Zenith zacht.
‘Ik wel. Ik vind het vervelend dat je het hebt gehoord. Maar aangezien het nu eenmaal zo is, gaan we verder. Alles wat er is gezegd was waar, ik ontken het niet. Ik ben met Derek naar Savage gekomen met één doel voor ogen.’
‘Trouwen met pa?’
‘Natuurlijk.’ Stilte. ‘En dat kan nog steeds.’
‘O, nee,’ zei Zenith. ‘Niet meer nu ik het weet.’
‘Je bedoelt dat je het hem wilt vertellen.’
‘Ja.’
‘Ik denk het niet.’ Carol bevochtigde haar lippen. ‘Zoals je vandaag hebt gehoord heb ik genoeg van dit soort ondernemingen. Bij Silver-stream Hydro leerde ik Steve Forbuck kennen... besloot daarna tijdelijk ander werk te gaan doen. Als medisch sekretaresse.’ Carol keek Zenith sluw aan. ‘Daar ontmoette ik je vader.’
‘Pa? Maar pa was toch niet... hij is niet...’
‘Wat voor reden gaf je vader je voor zijn laatste bezoek aan Sydney?’
‘Zaken.’
‘Hij is naar een hartspecialist geweest omdat hij zich zorgen maakte.’
‘O, nee!’ riep Zenith uit.
‘O, ja. Ik weet dat het niet past om uit de school te klappen als sekretaresse van een dokter, maar Derek kwam naar het spreekuur omdat hij een paar aanvallen had gehad.’
‘Ik heb nooit geweten - hij heeft me nooit verteld - O, die arme pa! Kennelijk was alles in orde. Kijk eens hoe hij er uitziet -’
‘Het was niet in orde. Dokter Namoi, voor wie ik werkte, stond erop dat hij het kalmaan ging doen. Hij zegt het nooit tegen een patiënt, als - Begrijp je me, Zenith?’
‘Nee.’
‘Je vader heeft een ernstige hartaandoening, maar hij weet het niet. Omdat ik zijn medische geschiedenis heb uitgetikt, weet ik het wel. En nu weet jij het ook. Kennelijk heeft lichamelijke inspanning geen slechte invloed op hem, dus moet zijn aandoening voortkomen uit wat dokter Namoi “stress” noemt. Snap je het nu?’
‘Ik geloof het wel. Je bedoelt dat, als ik het hem vertel -’
‘Ja, ik ben blij dat je het zelf hebt gezegd. Knappe meid.’
‘Maar ik geloof je nog steeds niet. Pa heeft het nooit over een dokter gehad. Hij zei alleen maar dat hij jou had ontmoet. Ik geloof zelfs dat hij het over een feestje had.’
‘Mooi feestje,’ lachte Carol.
‘Ik zal het navragen,’ besloot Zenith.
‘Rijd maar mee.’ Carol stapte in de jeep en hield het portier aan de passagierskant open.
‘Vind je het erg als ik jou in de gaten houd, om ervoor te zorgen datje je mond niet voorbij praat als een klein kind?’
Toen ze in Savage waren aangekomen, ging Zenith regelrecht naar kantoor, Carol op haar hielen.
‘Pa, Carol heeft me zojuist verteld dat jullie elkaar hebben ontmoet bjj een dokter.’
‘Dat is waar, Zennie. Ik heb je nooit eerder verteld dat ik naar Bill Namoi ben geweest omdat ik je niet ongerust wilde maken. Later heb ik je niets gezegd omdat er niets te zeggen was. Alleen maar een kwestie van indigestie. Ik heb het nooit tegen Jake durven zeggen. Hij denkt nog steeds dat hij de beste kok van de wereld is. Maar Carol, kindje, waarom ben jij erover begonnen?’
‘Het spijt me, Derek, het ontglipte me. Toe, schat, vergeef het je domme meisje.’ Carol deed een pas naar voren en hief haar mooie gezichtje op.
Tien minuten geleden had ze haar gezicht opgeheven naar iemand anders, ze had dingen gezegd die Zenith hadden verbijsterd en hadden doen walgen, dingen waarvan Zenith wist dat ze ze moest vertellen, maar hoe kon ze dat nu doen?
Geen lichamelijke inspanning, had dokter Namoi gezegd, maar stress.
Carol, die mooie blonde Carol met haar blauwe ogen, betekende stress, tenminste, de waarheid omtrent haar zou dat betekenen.
Zenith liep haastig naar buiten.