HOOFDSTUK 3

 

 

 

Het was al direkt duidelijk dat dit geen kwestie zou worden van twee samensmeltende figuren. Steve Forbuck danste kaarsrecht en een centimeter of twintig bij Zenith vandaan. Zenith moest denken aan die ouderwetse films waarin dames en heren zich statig en sierlijk in een star ritme in het rond bewegen. Ze trok haar hand los om een bijna hysterische lachbui te onderdrukken.

‘Niet bepaald wang aan wang, hè?’ zei hij. ‘Wil je dat ik daar verbetering in breng?’

‘Nee, alsjeblieft niet!’ Zenith trok de aandacht van de bandleider en hij grijnsde, onderbrak de wals en ging over op popmuziek.

Dadelijk verlieten pa en Carol de vloer, gevolgd door Brent en Helen. Zenith wilde ook weggaan, maar Steve Forbuck pakte de hand terug die ze had losgelaten toen toen de muziek veranderde en begon met haar rond te draaien, schijnbaar losje, maar in werkelijkheid vaster dan hij Carol had vastgehouden.

‘Ik heb helemaal geen zin in deze dans,’ protesteerde Zenith.

‘Maar je hebt er toch om gevraagd. O, jawel, ik zag je knikken. En waar je om vraagt, dat krijg je, hè? Dat moet je vandaag al eerder hebben gemerkt.’

‘Ik heb vandaag een heleboel dingen gemerkt,’ zei Zenith kwaad.

‘Je maakt me nieuwsgierig, dochter van de baas.’ Hij draaide weer met haar in de rondte. Hij was beslist goed op de hoogte van de nieuwste dansen, dacht Zenith.

Maar ondanks alles merkte Zenith dat ze genoot van het veranderde ritme. En als de enige ongetrouwde partner voor de vrijgezellen van Savage wist ze dat ze dit soort dingen heel goed kon. Dus deed ze het nu... en ze was een beetje gepikeerd toen bleek dat Steve haar niet alleen kon bijhouden, maar dat het haar moeite kostte hem bij te houden.

‘Je kunt er wat van,’ zei ze ten slotte hijgend.

‘Een hele reeks mijnbouwprojekten en de wekelijkse dansavond als enige vorm van afleiding.’ Hij schokschouderde en keek haar glimlachend aan.

‘Een hele reeks! Wilden ze je daar dan niet houden?’

‘Ik ben uit mezelf weggegaan. Ze hadden niet wat ik zocht.’

‘Heeft Savage dat wel?’ vroeg ze.

‘Dat weet ik niet, maar ik denk... ik heb het gevoel...’ Hij keek de andere kant op en Zenith volgde de richting van zijn blik. Zijn ogen waren gericht op de tafel waar de baas en zijn gasten zaten. En de verloofde van de baas.

‘Voor het geval je het verkeerd hebt begrepen, mijn vader en Miss Quinn zijn verloofd,’ zei Zenith stijfjes.

‘Ik had het niet verkeerd begrepen,’ verzekerde hij haar.

‘Maar -’

‘Maar ik denk dat jij het verkeerd begrijpt als je zo eigengerechtigd optreedt. In je hart wil je net zo min dat Miss Quinn met je vader trouwt als dat je mij tot echtgenoot wilt,’ zei hjj grinnikend.

‘Wat dat laatste betreft heb je gelijk, je bent wel de laatste die ik me zou wensen, maar je vergist je wat pa betreft. Ik gun pa alles.’

‘Maar niet als dat alles Carol heet? O, ja, het was heel duidelijk vanaf het begin, hoe zeer je ook je best deed om het niet te laten merken. Wat is het? Voel je er niets voor te zijner tijd de buit te moeten delen met een Mrs. Porte-Monnee, Miss Porte-Monnee?’

‘Je bent onuitstaanbaar!’ zei ze kwaad.

‘Maar heb ik gelijk?’

Woedend kaatste ze de bal terug. ‘Je zei dat ik duidelijk was, maar wat denk je van jezelf?’

‘Ik? Duidelijk?’

‘Je kende Carol Quinn - dat zag ik direkt.’

‘Hoe zag je dat?’

‘Je - je raakte uit je doen.’ Het was het enige dat Zenith wist te bedenken.

‘Wie zou er niet uit zijn doen raken bij het zien van zo’n meisje? Je had het gezicht van je vriend eens moeten zien.’

‘Brent?’

‘Wie anders?’

‘Dat is hij niet.’

‘Wat niet?’

‘Niet mijn vriend.’

‘Misschien vanavond niet of morgen niet of volgende week niet. Maar op den duur toch wel?’

‘Nee.’

‘Dat kan ik niet geloven. Ik zag zijn gezicht namelijk ook toen hij naar jou keek. Voordat hij naar Carol keek, natuurlijk.’

‘Natuurlijk,’ zei Zenith zuur.

‘Davis was verblind door je,’ vervolgde hij.

‘Net zo verblind als jij bent door haar?’

‘Dat ben ik niet, was ik niet en zal ik nooit zijn.’

‘Dat kan ik niet geloven. Maar een ding staat intussen vast: je hebt Miss Quinn eerder ontmoet. Ik denk zelfs dat je om haar bent weggegaan waar je vandaan komt. Zij reageerde niet op die dodelijke charme van je en dus ben je weggegaan. Er is niets zo erg als een afgewezen man.’

‘Of de fantasie van een vrouw. Heb je er genoeg van?’

‘Waarvan?’

‘Van deze dans. Ik wel namelijk. En ik heb ook genoeg van jou.’ Hij wachtte en toen ze niet antwoordde vroeg hij: ‘Mag ik je terugbrengen naar de kudde?’ Zonder af te wachten leidde hij haar weg.

Kort daarop verliet het gezelschap de zaal.

Zenith ging naar bed zodra ze thuis waren. Nu kunnen pa en Carol eindelijk alleen zijn, dacht ze. Maar als ze nu al met elkaar spraken, dan duurde het maar even. Ze had ternauwernood haar deur dichtgedaan of ze hoorde Carols deur dicht gaan. Het meisje kon volgens haar niet moe zijn, maar - Met een onbehaaglijk gevoel dat ze niet kon verklaren, knipte Zenith het licht uit.

Carols deur was nog dicht toen Zenith de volgende morgen opstond.

Pa was weg; hij was nooit een witteboordenbaas geweest. Ongetwijfeld was hij nu bij een van de doorgravingen, op weg van de ene ploeg naar de andere terwijl hij net zo smerig werd als de arbeiders zelf. En dat kom hem geen snars schelen. Wat zou Carol daarvan vinden?

Zenith zette thee en liep aarzelend naar de kamer van het meisje. Toen ze geen antwoord kreeg op haar zachte kloppen draaide ze de knop om en keek naar binnen. Carol lag te slapen, haar blonde haren uitgespreid op het kussen, haar blanke armen uitgestrekt, en net zo mooi zonder make-up als met. Het was niet eerlijk. Zenith zette de thee neer en trok zich terug. Het was tijd om de kleuterschool te openen.

Ze was geen echte onderwijzeres, maar ze had als vrijwilligster gewerkt op een kleuterschool in Sydney tijdens haar laatste schooljaar en toen haar vader het had voorgesteld en bleek dat de moeders het op prijs stelden, had ze ineens heel veel zin gekregen in haar klasje.

Er was een gebouw voor vrijgemaakt en gemeubileerd op de gewone manier met hobbelpaarden en klimrekken, speelgoedtreintjes, schoolborden en de geijkte teddybeer.

Zenith pakte een envelop en schreef: ‘Kijk maar een beetje rond, Carol, en doe waar je zin in hebt. Ik ben in de kleuterschool.’ Ze trok haar kiel aan, een wijd vallend roze geval met enorme zakken, want met kinderen had je altijd reusachtige zakken nodig, en verliet het huis.

Op weg naar haar leerlingetjes merkte Zenith dat de zorgen van haar afgleden.

De op luciferdoosjes lijkende gebouwen - het waren heel sterke bouwsels, maar Zenith moest altijd aan luciferdoosjes denken - zagen er net zo gewoon uit voor haar als een met bomen omzoomde laan voor een huisvrouw uit een buitenwijk. Het voortdurende lawaai, soms heel scherp en doordringend, soms alleen maar een zacht gedreun, hoorde er net zo goed bij als het gezang van de vogels.

Nu klonk de schelle fluit die het wisselen van de ploegen aankondigde. De ene ploeg op, de andere ploeg af. Zijn ploeg? Die van Forbuck? Wie was hij? Wie was die Steve Forbuck die pa in dienst had genomen? Waarom was hij gekomen? Hij had een hele reeks banen achter de rug voordat hij deze kreeg; daar had pa op moeten letten. Zo veel andere banen wezen niet op veel goeds.

Zenith liep naar haar kleuterschool.

Een stuk of zes moeders stonden op haar te wachten. Ze vertrouwden haar hun peuters toe en gingen naar hun pottebakkers- of mandenvlechtersclubjes waarvoor de meerderheid overigens niet eens veel interesse had. Maar het gaf hun hetzelfde luxe gevoel dat hun stads-zusters hadden en op die manier kreeg je tevreden vrouwen en tevreden vrouwen zorgden voor mannen die in Savage bleven en daar ging het uiteindelijk om.

Maar hoe moest het verder met Carol? vroeg Zenith zich af. Zij had geen kinderen om hier af te leveren en ze zou ze, pa’s leeftijd in aanmerking genomen, waarschijnlijk ook niet krijgen. Carol maakte ook niet bepaald de indruk dat ze zich zou werpen op mandevlechten. Of op baby’s, mocht het ooit zo ver komen. Maar... pa had gezegd dat ze een deel van de tijd zouden doorbrengen in Sydney, als ze eenmaal waren getrouwd. Wat zou er dan met mij gebeuren? vroeg ze zich af.

Ze nam de kleine Marcella over van Joan Lintott, Peter van Mary Burton.

‘Sjenith,’ zei Marcelle gewichtig. ‘Je weet het sjwembad toch wel?’ O, ja, Zenith wist het zwembad. Het bad hoorde noodzakelijkerwijs bij de uitrusting van de school. De temperaturen konden hier in de zomer akelig hoog oplopen en een bad was noodzakelijk bij een kleuterschool, want in een klimaat als dit droogden kinderen snel uit en ze moesten regelmatig een duik nemen om af te koelen. Er zou nog een groot zwembad worden gebouwd, maar tot dan -‘Ja, Marcella,’ zei Zenith, ‘ik weet waar het bad is.’

‘Je kent Alexander toch?’

‘Ja, ik ken Alexander.’

‘Nou, Alexander gooit er dingen in.’

‘In het bad?’

‘Ja.’

‘Nou, liefje, als het leeg is...’

‘Het is niet leeg,’ kondigde Marcelle aan. ‘Hij heeft het vol gemaakt.’ Alexander was een van de driejarigen, klein, vierkant, zelfstandig... en een flinke jongen.

‘Eerst,’ vervolgde Marcella opgetogen, ‘de rubber eendjes. Toen...’ even stilte, voor het effekt... ‘nog meer.’

‘Wat?’ vroeg Zenith.

‘Meer.’

‘O,’ zei Zenith en ze begon te hollen.

Alexander, die haar hoorde aankomen, ging snel tot handelen over. Hij gooide alle krijtjes, een krukje, een poppenhuis, Hugo, de grote bruine beer erin en nam ten slotte zelf een duik, met kleren en al.

‘Allemaal warm,’ legde hij uit.

Zenith viste alles uit het water, viste ook Alexander eruit, droogde Hugo en begon de dag met ‘De Heer zij geprezen’.

‘Heeft De Heer een sjwembad?’ vroeg Alexander. ‘Is De Heer schoon of vuil?’

‘Schoon,’ verzekerde Zenith hem. Op de vraag van het bad ging ze niet in, voor het geval Alexander zich in godsdienstige ijver opnieuw in het water zou storten. In plaats daarvan leidde ze hem af en de morgen verstreek.

Toen ze haar briefje schreef, had Zenith niet verwacht dat Carol erop zou reageren. Ze was blij en een tikkeltje beschaamd over zichzelf dat ze zo onaardig over haar had gedacht toen het meisje tegen elven kwam binnenwandelen.

‘Er is echt een school!’ Carol keek ongelovig. ‘Ik dacht dat je maar een grapje had gemaakt!’

‘Er is natuurlijk ook een mogelijkheid om meer te leren, maar dat gaat maar tot het peil van de lagere school. Na de basisschool moeten de kinderen naar het zuiden.’

Carol was duidelijk niet geïnteresseerd.

‘Arm kind en ik dacht nog wel dat je hier een leven als een prinses had.’

‘Heb je medelijden met me omdat ik dit doe?’

‘Ja.’

‘Maar ik doe het omdat ik het wil,’ verzekerde Zenith haar.

‘Begrijp ik het goed: is het vrijwillig?’

‘Ja.’

‘Word je er niet voor betaald?’

‘Nee. Pa stelde het voor, hij was bang dat ik me zou gaan vervelen als ik niets te doen had.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ zei Carol.

Zenith keek haar heimelijk aan. Het meisje zou zich nu toch nog niet vervelen... Maar als je naar Carol keek, wist je nog niets. Behalve dan dat ze buitengewoon mooi was. Zenith had dat gisteravond al gedacht, bij kaarslicht, maar nu, in het felle, onderzoekende, onthullende licht van het Noordaustralische binnenland wist ze het zeker.

‘Genoeg gekeken?’ vroeg Carol tenslotte.

‘O ... neem me niet kwalijk.’

‘Al goed,’ antwoordde Carol.

‘Ik wilde eigenlijk zien of je nu al genoeg had van Savage,’ waagde Zenith het erop.

‘Tot nu toe nog niet,’ glimlachte Carol.

‘Maar - later?’

‘Dan zijn we hier niet meer.’

‘O, ja, pa vertelde me dat je van plan was van tijd tot tijd in de stad te gaan wonen.’

‘Laat dat van tijd tot tijd maar weg,’ zei Carol.

‘Maar pa -’ begon Zenith.

‘Heb je me nog iets bijzonders te laten zien?’ viel Carol haar in de rede. ‘Nee? Dan ga ik mijn kennismaking met Brent voortzetten. Ik zag zijn kantoor toen ik op weg hierheen was.’ Ze bleef staan bij de deur, draaide zich om en keek Zenith aan. ‘Geen bezwaar?’ vroeg ze glimlachend.

‘Bezwaar?’

‘Dat ik een praatje ga maken met Brent.’

‘Als je dat zegt omdat je denkt dat er iets tussen ons is, vergis je je,’ zei Zenith.

‘Nee, dat dacht ik niet. Maar het had toch gekund, hè? Tenslotte was hij gisteravond ook hier.’

‘Er waren nog meer mensen. Helen -’

‘O, ja, Helen.’ Een lachje.

‘En - Mr. Forbuck.’

‘Steve.’ Nu speelde er een duidelijke glimlach om Carols volle rode mond. Maar ze zei niets meer over de nieuwe man, ze begon weer over Brent.

‘Ik hoop niet dat ik hier iets in de war heb geschopt, Zenith. Wat Davis betreft, bedoel ik.’

‘Hoe kan dat nou, als er niets in de war valt te schoppen?’ viel Zenith haar wrevelig in de rede.

‘Wat jou betreft niet, dat zegje tenminste, maar wat hem aangaat?’

‘Als je je afvraagt of ik heb gezien dat hij zich tot je aangetrokken voelde, Carol, dan is het antwoord ja.’

‘Wat ben jij eerlijk! Goed, ik zal ook eerlijk zijn. Belangstelling van zijn kant doet me niets, daar kun je gerust op zijn. Ik ben gewend aan dat soort dingen.’ Ze haalde een hand door haar volmaakte kapsel.

‘Als je het precies wilt weten,’ vervolgde Carol, ‘ging het gisteravond niet om mijn uiterlijk, maar om het feit dat jij nu niet langer de rijke erfgename bent die je vroeger was.’

‘Je zegt merkwaardige dingen,’ merkte Zenith op.

‘Maar terechte?’

‘Ben je van plan dat ook tegen pa te zeggen?’

‘Nee. Maar jij ook niet. Ik had je dadelijk door. Je mocht me kennelijk niet, maar je wilde je vader geen verdriet doen. Je bent zacht, Zenith, een aardig karaktertrekje, hoor, maar er is tegenwoordig geen plaats meer voor zachtheid.’ Stilte. ‘En datzelfde geldt voor de smachtend verliefde Helen.’

‘Helen?’ vroeg Zenith.

‘Ze zou door het vuur gaan voor Derek, hè?’

‘Dat - dat weet ik niet.’

‘Dan weet je het nu. Maar ik heb genoeg van vrouwepraatjes. Ik ga een praatje maken met die goeie Brent, als jij het toch niet erg vindt.’ Carol liep rustig de deur uit.

Geschokt keerde Zenith terug naar haar wereldje van vingerverven, zandkastelen bouwen, schommelen en de rest.

Ze was nog steeds uit haar doen toen de moeders terugkwamen van hun clubjes om hun schatten op te halen. Van sommigen waren de mannen die middag vrij en ongetwijfeld zouden ze een tochtje maken naar de warme artesische bronnen, een kilometer of vijftien verderop, waar de baas een picknick- en barbecueterrein had laten aanleggen. De anderen zouden naar de tennisbaan gaan of gezellig staan roddelen bij het magazijn.

Intussen zat Zeniths taak erop. Ze was vrij.

Een tikkeltje onzeker, hoewel ze hoopte dat ze het niet liet merken, zei Zenith de laatste kinderen en hun mammies gedag en verliet de kleuterschool op een manier die ten strengste verboden was, zeker voor de dochter van de baas, want de baas en zijn dochter werden altijd geacht het juiste te doen, om het goede voorbeeld te geven.

Om kort te gaan, Zenith liep naar buiten zonder haar veiligheidshelm.

Dat zou nog niet zo erg zijn geweest als ze regelrecht naar huis was gegaan, maar dat deed ze niet. In gedachten slenterde ze de weg af naar de Groeve.

Er waren een heleboel groeven in Savage, maar als je het over de Groeve had, bedoelde je deze groeve, de eerste groeve van allemaal, waaromheen de stad was gebouwd.

De Groeve was beslist enorm. Als je op het platform stond en naar beneden keek kon je het niet geloven, het was te onwezenlijk. Er waren kriskras lopende wegen langs de steile rotshellingen en langs die wegen kropen gele mieren... jeeps, lorries en een enkele bulldozer. De bulldozers waren de vechtmieren, dacht Zenith altijd.

Dan waren er plukjes mannen, vormeloos, zonder op mensen te lijken, alleen maar gele speldeknopjes. Dat geel bestond uit hun veiligheidshelmen, de helm... en Zenith had het nog steeds niet gemerkt... die ze in de school had laten liggen.

Verder was het alleen maar een gat, een gigantisch gapend gat. Gele mieren, gele stippen, slingerende wegen en een gat: dat was de Groeve.

Zenith keek peinzend naar beneden.

Het zou afschuwelijk lelijk moeten zijn, dat kon niet anders met zo’n gapende wond, maar het purperen waas van het erts had zich eroverheen gelegd en maakte het bijna mooi. De lichtpaarse lucht bleef overal hangen. Zenith boog zich instinktief naar voren om het in haar handen te vangen, zoals kinderen proberen de hemel te vangen en dat was het laatste dat ze zich herinnerde voordat ze voelde dat ze onderuit ging. Te laat drong het tot haar door dat ze van het platform af was gegaan om naar beneden te kijken vanaf een plek waarvandaan het haar en ieder ander was verboden te kijken. Nu gleed ze weg naar de vernietiging, want vanaf zo’n hoogte kon het alleen maar vernietiging zijn en tenzij er een wonder gebeurde...

Het wonder gebeurde op de derde kronkelweg vanaf de top, een weg die maar net breed genoeg was voor de wielen van een klimmend of een dalend voertuig en geen centimeter breder. Het vlakke gedeelte was genoeg om Zeniths val te breken en dat zou het ook zijn geweest als ze niet met zo’n vaart naar beneden was gekomen. Niettemin probeerde ze het wanhopig. Ze verzette zich uit alle macht tegen de afschuwelijke neerwaartse glijpartij, ze bood weerstand... toen grepen de vingers haar vast.

Ze begreep met een helderheid die haar verbaasde... hoe kon ze nog helder denken...? dat het vingers moesten zijn. Er was geen struik of iets anders dat haar kon tegenhouden, niet in de Groeve. De Groeve was volkomen kaal.

De vingers hielden vast, ze graaiden, klemden en vingen, toen begonnen ze haar langzaam terug te trekken.

Steve Forbuck had al zijn kracht nodig om de val te breken, om ervoor te zorgen dat hij niet samen met het meisje zou vallen. Maar hij hield haar en zelfs toen het gevaar was geweken, bleef hij haar vasthouden, zo stevig, dat de wanhoop van zijn eerste greep er bijna onbeduidend bij leek.

Zenith hijgde en na een paar minuten probeerde ze zich uit de staalharde greep te bevrijden. Een redding was mooi, maar als je redder je bleef vasthouden...

Maar Steve bleef haar vasthouden, hield haar bestraffend vast, een tikkeltje wreed en liet haar tenslotte langzaam los. Uitgeput strekten ze zich allebei uit.

De man herstelde zich het eerst.

‘Waar is je helm?’ vroeg hij.

‘Niet op mijn hoofd,’ antwoordde Zenith.

‘Dat vroeg ik je niet.’

‘Neem me niet kwalijk, ik bedoelde dat ik hem niet op had omdat ik hem op school had laten liggen.’

‘Je wist toch dat je hem op moest?’

‘O, ja.’

‘Dus?’

‘Ik heb hem gewoon niet opgezet,’ zei ze kwaad. ‘Trouwens, het was niet nodig.’

Terwijl ze het zei kwam er een vracht losse stenen naar beneden vallen. Hij trok haar naar zich toe, zette zijn eigen helm op haar hoofd. ‘Niet nodig?’ vroeg hij.

De kleine aardverschuiving stopte. Bibberig dwong Zenith zich zelf om naar beneden te kijken. De gele mieren waren nog steeds druk bezig. Een van de grotere gele mieren, de vechtmieren, niet de bulldozer, maar toch bijna zo groot als een vrachtwagen, begon aan de slingerende klim naar boven.

‘Denk je dat ze ons hebben gezien?’ vroeg ze. ‘Daar beneden, bedoel ik.’ ‘Of ze jou hebben gezien, bedoel je zeker. Ik hoef niet bang te zijn dat ze me hebben gezien. Ik was niet van mijn plaats en ik was korrekt gekleed. Maar ik denk niet dat ze je hebben gezien. Het is nogal ver weg.’ ‘Ja,’ rilde Zenith.

‘Je hebt me nog niet verteld,’ zei hij, ‘waarom je er zo ongekleed bij liep. Waarom je hier trouwens naartoe kwam. Waarom je van het platform af ging. Het lijkt me helemaal niets voor jou.’

‘Wat?’

‘Iets roekeloos te doen. Iets dwaas. Je gedraagt je anders echt als de dochter van de baas.’

‘Is dat verkeerd?’ vroeg ze.

‘Dat zeg ik toch niet?’

‘Is het dan goed?’

‘Laten we zeggen dat het een goed voorbeeld is... of hoort te zijn.’ ‘Ja,’ beaamde Zenith beschaamd, ‘en doorgaans probeer ik ook een goed voorbeeld te zijn. Dat verwacht pa van me. Of,’ ze beet op haar lip, ‘dat heeft hij verwacht.’

‘Dus dat ga je nu als excuus gebruiken. Zeggen dat je vader het niet meer van je verwacht? Niet meer, nu hij -’

‘Nu hij -?’ vroeg Zenith.

‘Nu hij iemand anders heeft, naast zijn geliefde dochter,’ zei hij lakoniek.

‘Ja - Carol. Zijn verloofde.’

‘Precies.’

Er verstreken enkele ogenblikken.

‘Je kende haar al, hè?’ probeerde Zenith.

Hij gaf geen antwoord.

‘Ze is je achterna gekomen.’

‘Dat is ze niet. Ze wilde wat groters aan de haak slaan.’

‘Die indruk had ik gisteravond niet,’ zei ze droog.

‘Dus je hebt op ons gelet?’

Hij trok zijn wenkbrauwen op.

‘Ik moest het wel zien. Iedereen zag het.’

‘Dan kan ik je wel vertellen dat jullie met afgunstige ogen hebben gekeken.’

‘Ogen voor pa,’ zei Zenith verdedigend. ‘Ik wil niet dat hem verdriet wordt gedaan.’

‘Als je daarmee bedoelt dat Carol het zal laten afweten om mij, dan vergis je je liefje.’

‘Ik had het over verdriet, niet over niet trouwen. En je liefje ben ik niet.’

‘Van Brent dan?’

‘Nee.’

‘Maar je moet toch iemands liefje zijn. Het hoort erbij, in zo’n afgelegen projekt.’

‘Was dat zo waar jij het laatst werkte? Waar je Carol hebt ontmoet? Was ze jouw -’

‘Mijn liefje? O, nee.’

‘Jij het hare?’

‘Best mogelijk. Je hebt vast wel gemerkt hoe aantrekkelijk ik ben.’ ‘Nee,’ zei Zenith effen.

‘Maar je hebt toch wel gemerkt dat ik er ben?’

Dat wilde ze ontkennen, maar ze besloot de waarheid te zeggen. ‘Ik kan moeilijk zeggen dat ik je niet heb opgemerkt als je me vanaf de eerste keer dat we elkaar tegenkwamen, hebt mishandeld.’

‘Als je het mishandelen noemt dat ik je een paar minuten geleden van een wisse dood heb gered, dan heb je gelijk.’

‘Misschien verkeerde ik in gevaar, maar die redding hoefde toch niet zo - niet zo -’

‘Ja. Zo. En houd nu eens even je mond, dochter van de baas. Er kan elk ogenblik een vrachtwagen de bocht om komen... nee, je hoeft niet achteruit te kruipen, daar is geen ruimte voor. We rijden mee.’

‘Rijden we mee?’

‘Hij komt natuurlijk heel langzaam naar boven. Ik zal jou omhoog duwen naast de chauffeur en zelf een plek zoeken tussen het erts.’

‘Dat kan niet,’ protesteerde Zenith.

‘Hoe denk je hier dan vandaan te komen?’

Zenith keek langs de bijna loodrechte helling naar beneden. Hij had gelijk.

‘Lopend,’ zei ze onzeker.

‘Kruipend, bedoel je zeker en dat kan jij misschien, maar ik heb er geen zin in. Er is vandaag te veel verkeer naar mijn zin.’ Hij wees naar een hele rij mieren die boven en beneden stonden te wachten. ‘Daar komt onze kans! Let op het verbaasde gezicht van de chauffeur. Hij verwacht hier natuurlijk geen lifters.’ Terwijl hij het zei, tilde Steve Forbuck Zenith op en duwde haar door het raampje naar binnen. Zelf maakte hij zich zo plat als een schaduw, dacht Zenith en de grote wielen van de vrachtwagen passeerden hem op een haarbreedte van zijn tenen. Hij wachtte tot de vrachtwagen voorbij was en hees zich langs de achterkant omhoog. De mier klom langs de bochtige wand van het gat en bereikte tenslotte de top. Daar stopte de chauffeur om Zenith eruit te laten en Steve Forbuck sprong uit de laadbak en nam haar plaats naast de chauffeur in.

Zenith begreep dat ze dankjewel of zoiets moest zeggen, maar de woorden wilden niet komen.

Toen ze eindelijk iets wist uit te brengen, waren de vrachtwagen en de mannen al verdwenen.