HOOFDSTUK 10

 

 

 

Zenith had nooit gedacht aan de tijd dat Savage leeg zou zijn. De volgende morgen keek ze naar buiten en ondanks alle waarschuwingen was ze verbijsterd. De stad zag er rauw, primitief uit en als de gebouwen er niet hadden gestaan had het een maanlandschap kunnen zijn.

Er was bericht gekomen van de luchtvaartmaatschappij en Derek liet het grijnzende rondgaan onder de vijf die bij hem waren gebleven. De huur van het vliegtuig werd opgezegd. Het was eigenlijk geen ramp, want de toestand van de langdingsbaan was sinds gisteren achteruitgegaan en de maatschappij beloofde in geval van nood een helicopter te zullen sturen.

‘Ik heb de toestand bestudeerd,’ zei Forbuck, ‘en ik wil dat u, sir’... tegen Derek Smith... ‘en de dames’... een blik op Carol en Zenith... ‘vanavond uit het huis van de baas gaan en hier op de heuvel komen.’

‘Waar moeten we dan slapen?’ vroeg Carol.

‘In de voormalige vrijgezellenbarakken.’

‘Dat is een grote ruimte,’ protesteerde ze.

‘Waar twee slaapgedeelten van gemaakt kunnen worden.

‘Ik heb altijd een eigen suite gehad,’ mopperde Carol, ‘of een eigen kamer.’

‘Dan wordt dat vannacht anders.’ Steve schokschouderde.

Helen kwam zoals gewoonlijk met een kompromis.

‘We hebben stapels dekens, Miss Quinn. We kunnen een paar degelijke afscheidingen maken en ik ben ervan overtuigd dat we voor privacy voor iedereen kunnen zorgen.’

Maar pas als het noodzakelijk is, zei Zenith in zichzelf. En volgens mij is het nog steeds niet noodzakelijk.

Maar ze leverde geen hoorbaar kommentaar, ze deed of ze Steves voorstel aanvaardde. Ze stelde Helen voor de voorraden te gaan kontroleren en alles wat ze dagelijks nodig zouden hebben op een handige plaats neer te zetten.

‘En als je daarmee klaar bent, neem dan mee wat je uit huis nodig hebt,’ riep Steve Forbuck. ‘Dat meen ik!’ voegde hij eraan toe.

Dus die snertvent had haar weer doorzien!

Carol verscheen even in het magazijn en verdween toen weer. Zenith vroeg zich af wat het meisje met haar tijd zou doen, als je bezig bleef, hoefde je je niet te vervelen. Zij en Helen hadden hun handen vol. Zes personen betekende achttien maaltijden per dag.

Maar waarom zes? dacht Zenith wrokkig. Pa moest natuurlijk blijven. Steve Forbuck ook, dacht ze. Pa zelf had erop gestaan dat Helen bleef. Als dochter van de baas van het bedrijf vond Zenith dat zij dat recht ook had. Maar waarom die anderen? Carol, wist ze, was nog steeds aan het “denken”, maar Savage had beslist geen boekhouder meer nodig. Toch was Brent Davis gebleven en hij moest ook te eten krijgen. Zenith zette een pak suiker zo hardhandig neer, dat het openscheurde. ‘Sorry, Helen,’ verontschuldigde ze zich.

‘Ik denk dat we allemaal een beetje gespannen zijn,’ zei Helen.

‘Jij niet. Nu zeker niet.’

‘Nu?’ Helen keek haar met haar hazelnootkleurige ogen aan, die ogen die Zenith aan iemand deden denken.

‘Ik heb op je gelet, Helen. Ik vind dat je de laatste tijd - eh -’

‘Ja?’

‘Het is gek, dat weet ik, maar je bent op de een of andere manier gelukkiger, opgewonden, opgetogen.’

‘Dat is zeker, gek, Zenith!’ zei Helen zacht.

‘Dat zal wel. Maar triest ben je niet, wel?’

‘Nee, ik ben niet triest.’

‘Is het om pa en dat het misschien niet doorgaat?’

‘Wat bedoel je, Zenith?’

‘Carol. Het is een aflopende zaak met haar en pa, bedoel ik.’

‘Daar heb ik niets van gemerkt en als je denkt dat ik blij ben, is het niet daarom.’

‘Heb je dan geen belangstelling meer?’

‘Belangstelling?’

‘Voor Derek.’

‘Zenith, laten we het over iets anders hebben.’

Zenith liet het erbij, tenminste wat Carol betrof.

‘Helen’ begon ze. ‘Heb jij de laatste tijd de indruk gehad dat pa niet helemaal gezond is?’

‘Toevallig dacht ik gisteren dat hij schijnt op te knappen van deze krisis.’

‘Heeft hij nooit tegenover jou geklaagd?’

‘Over zijn dochter, ja.’

‘Niet over zijn - niet lichamelijk?’

‘Beslist niet. Lichamelijk verkeert hij in uitstekende vorm.’

Of het lijkt zo, dacht Zenith, maar ze sprak er niet verder over.

De twee vrouwen maakten een rooster voor het klaarmaken van de maaltijden. Zenith zou vandaag het eten bereiden en ze begon eraan met een enthousiasme dat haar zelf verbaasde.

‘Het is niet helemaal gaar,’ klaagde ze tegen Carol die de keuken was binnengekomen om het een of ander te halen. Ze was er zo door van streek dat het haar niet kon schelen dat het Carol was aan wie ze het verkondigde.

‘De laatste keer dat ik keek stond het over te koken, dus heb ik het lager gezet.’

‘Dat had je me wel eens mogen vertellen. Nu is het niet klaar en we eten over tien minuten.’

‘Pech gehad. Vertel maar wat er is gebeurd, mjj kan het niet schelen.’ Maar dat deed Zenith niet. Wat zou het kinderachtig zijn om te roepen: ‘Het zou goed geweest zijn als Carol het niet had bedorven.’ ‘Een dubieus geval, sommige stukjes smaken uitstekend,’ zei Steve later met een glimlach naar Zenith. ‘Maar het hindert niet, ik zal het stamhoofd vanmiddag vragen je een van de lubra’s te sturen om je kookles te geven.’

‘Nee, dank je,’ weigerde Zenith.

‘Misschien niet. Misschien moeten we eerst maar eten wat er nu op ons bord ligt. - Sorry, Zenith.’ Weer een glimlach die haar razend maakte. ‘Maar het doet er niet toe. Schiet op, we moeten gaan kijken hoe de zaken ervoor staan.’

‘Waar?’ vroeg ze. ‘Ik heb trouwens corvee.’

‘Het kost geen hele middag.’

‘Ik ga niet mee,’ zei ze resoluut.

‘Maar ik ben afhankelijk van jou wat de vrouwen betreft.’

‘Ik denk dat je heel goed in staat bent het zelf op te knappen.’

Zonder nog een woord te zeggen, liep hij naar buiten en nadat hij was weggegaan, kreeg Zenith spijt. Ze had belangstelling gekregen voor het kamp, ze wilde echt helpen, maar door haar eigen koppigheid had ze alles verknald.

Roekeloos gooide ze de rest van haar brouwsel met pan en al weg, want alles zat aan de bodem vastgekoekt.

Brent had een stapel dekens neergelegd om de barak in een vrouwen- en een mannengedeelte te verdelen en Helen had ervoor gezorgd dat de vrouwen een eigen slaapgedeelte hadden. Maar het kwam er toch op neer, dat Zenith naast Carol moest slapen en precies twintig minuten nadat de lichten waren uitgegaan en ze aan weerszijden van haar een regelmatige ademhaling hoorde met aan de andere kant van de dekenafscheiding een mannelijk gesnurk, kroop Zenith naar buiten.

Het duister maakte haar niet angstig. Ze kende de weg naar het huis van de baas op haar duimpje. Zonder moeilijkheden liep Zenith naar huis en sliep in haar eigen bed. Wat zeg je daarvan, Forbuck? Was haar laatste gedachte.

Ze wist niet waardoor ze wakker werd. Ze bleef een paar minuten stil in haar bekende bed liggen. Iemand had een kraan open laten staan... Ze doezelde weer weg.

Toen opende ze opnieuw haar ogen. Dat laatste geluid was... spattender geweest, als je dat van een geluid kon zeggen. Ze stapte uit bed en haar voeten beroerden een vochtige vloer. Vocht!

Ze liep naar de gang en probeerde iets te zien maar er waren geen maan en sterren die haar konden helpen, dus bleef ze in het donker staan. Ook hier stond ze op iets nats. Ze liep verder. Nog steeds nat. Weer verder en ditmaal nat tot aan haar enkels.

Verdraaid nog aan toe - het hele huis was nat!

Er lagen lucifers in de keuken dus waadde Zenith daar naartoe. Toen ze een lucifer had afgestreken stokte haar adem. De vloer van de keuken stond enkele centimeters onder water.

Ze pakte een stormlamp, stak hem aan en liep ermee naar de achterdeur. Ditmaal stokte haar adem niet, ze kon slechts ongelovig staren Voor zover ze kon zien, was er water.

Zenith begon te huilen, dom natuurlijk, want het was al nat genoeg. Het had geen zin hier te blijven staan. Ze deed de lamp uit en liep de gang door naar de voordeur. Ze zou teruggaan en met een beetje geluk kon ze terugglippen in de barak zonder dat iemand merkte wat voor doms ze had gedaan. Ze deed de deur open en stapte naar buiten... en het volgende moment werd ze meegesleurd in een draaikolk.

Het was geen krachtige draaikolk, maar Zenith begreep dat ze op haar hoede moest zijn. Ik ben stom geweest. Zenith beet op een trillende onderlip.

Er volgde geen draaikolk meer op die eerste. Zenith probeerde zichzelf op te vrolijken met de gedachte dat wanneer ze eenmaal op de weg zou zijn die naar de top leidde, ze het water achter zich zou hebben gelaten.

Maar in plaats van het water te verlaten, leek het wel of ze er met elke stap dieper in kwam te staan. Waarschijnlijk liep ze tegen de stroom in en als ze wat meer naar rechts of naar links ging zou de tegenstroom wellicht minder sterk worden, maar ze voelde er niets voor van het smalle pad af te gaan.

Ze zette aarzelend een voet naar voren, tastte de grond af, zette nog een stap. Dat deed ze ongeveer zesmaal, toen werd ze gegrepen door een golf en ze stond weer op het punt van uitgang.

De volgende poging verliep moeizamer, het leek wel of het water in een bocht naar haar toe kwam. Het joeg haar schuin van het pad af waarvan ze wist dat ze het niet moest verlaten. Weer zette ze haar ene voet voor de andere, wensend dat ze iets had om op te steunen, maar er was zelfs geen struik om zich aan vast te houden.

Toch bleef ze volhouden.

Ze ademde nu zwaar en ze had al haar kracht nodig om zich staande te houden en een paar centimeter voorwaarts te gaan. Toen de stroom begon te kolken verloor ze die paar centimeter weer, daarna won ze enige afstand en als ze het zo kon volhouden...

Maar het begon tot Zenith door te dringen dat ze het niet zou kunnen volhouden, dat er in de strijd tegen het water iets nodig was dat sterker en groter was dan zij.

Het ergste was dat ze intussen de barakken kon zien. Zo dichtbij en toch zo ver weg, Ze huilde van ellende. Als ik dan toch moet omkomen, heb ik liever dat dat gebeurt zonder dat ik de mogelijke hulp kan zien.

Op dat ogenblik struikelde ze over een steen en heel even dacht ze dat haar einde was gekomen. Maar ze krabbelde overeind en terwijl ze dat deed, schoot haar iets te binnen. Ze was dan wel niet in staat zelf het laatste stuk af te leggen, maar ze zou toch wel een steen kunnen gooien om iemand te waarschuwen.

Voorzichtig raapte ze de steen op die bijna haar ondergang was geworden en in gedachten dankte ze haar sportlerares op Retford die had gevonden dat haar grootste kracht in discuswerpen lag, want dankzij haar training beschikte ze over trefzekerheid en kracht. Ze haalde diep adem en gooide.

De steen brak geen raam, want dat zou ze hebben gehoord, maar raakte wel iets anders, want ze zag dadelijk een licht aangaan.

‘Help,’ riep ze schor, ‘help me, help me!’ Ze hief haar armen om de straal van een zaklantaarn op te vangen en riep weer: ‘Help me, help me snel, alsjeblieft!’

Ze bleef roepen.