HOOFDSTUK 8
De evacuatie begon de volgende morgen vroeg. Derek Smith was het liefst dadelijk begonnen, maar het moest systematisch gebeuren en hoewel iedereen er al enige tijd van op de hoogte was, waren er geen serieuze voorbereidingen getroffen.
‘Mijn schuld is het niet,’ klaagde Brent Davis tegen iedereen die het maar wilde horen. ‘Ik heb gevraagd of degenen die wilden vertrekken zich kwamen melden, maar er is niemand gekomen.’
‘Niemand geeft jou de schuld,’ zei Zenith, die met een lijst naar Brents kantoor was gestuurd en wel moest luisteren. ‘Je kunt de mensen niet dwingen... dat kon toen niet. Nu is er geen keus. Hier heb je de namen die pa heeft opgeschreven voor de eerste lading.’
‘Is er al bekend of er nog een vliegtuig komt?’ vroeg Brent.
‘Pa is ermee bezig. Maar het zal niet meevallen. We liggen erg afgelegen voor een klein toestel en voor een normaal vliegtuig hebben we geen landingsruimte.’
‘Wat een land!’ mompelde Brent.
‘Je lijkt Carol wel,’ merkte Zenith op.
‘Hoezo?’
‘Die zegt altijd dat het hier zo primitief is.’
Brent keek op, bevochtigde zijn droge mond, keek weer naar de lijst maar zei niets.
Zenith ging doen wat haar vader haar had gevraagd en dat was de vrouwen helpen. Niet, dat er veel te helpen was. Er konden slechts persoonlijke bezittingen worden meegenomen, het vliegtuig zou al zwaar genoeg geladen zijn met menselijke lading.
Dat was de vrouwen verteld, maar Zenith vond haar taak niet eenvoudig. Achter elke deur waarop ze klopte, trof ze een vrouw met behuilde ogen.
‘Maar dit was mijn alleerste trouwcadeau,’ zei Jenny Allsopp huilend toen Zenith haar een broodrooster uit handen nam. Jenny en haar man waren naar Savage gekomen toen ze net getrouwd waren. ‘Kijk.’ Jenny wees naar een vreemd uitziend voorwerp aan haar keukenmuur. Zenith liep erheen en keek naar het zwarte ding.
‘Onze eerste geroosterde boterham. Bill heeft hem daar opgehangen voor het nageslacht. Ik had hem laten verbranden,’ voegde Jenny er onnodig aan toe.
‘Hij kan toch nog dienst doen voor het nageslacht,’ zei Zenith en haar ogen brandden ook een beetje.
‘Je bedoelt dat ik het rooster kan meenemen?’
‘Nee.’
‘Het toastje dan?’
‘Nee, Jenny. Toen ik zei voor het nageslacht, bedoelde ik dat jij en Bill terugkomen om meer toast te maken.’ Maar Zenith zei het niet overtuigend en ze wist dat Jenny er ook niet vast in geloofde.’
Ze keek de andere kant op toen ze langs de kleuterschool kwam. Wanneer zou ze weer een rij slaapmatjes neerleggen en een rij verschillend gekleurde hoofdjes welterusten wensen?
Natuurlijk zouden vrouwen en kinderen als eersten worden geëvacueerd, maar de meeste vrouwen zouden niet weggaan zonder hun man. Dat betekende meer lijsten, meer uitstel.
‘Geen ruzie,’ raadde Steve Forbuck aan - hij was het kantoor binnengekomen toen Zenith worstelde met de namen - ‘zo vlug zal het niet zijn.’
‘Het water?’
‘Ja.’
‘Hoe vlug wel?’
‘Meer verraderlijk dan snel. Het ene ogenblik nog niet, het volgende wel.’
‘Dat is vlug!’ schrok ze.
‘Niet zoals je denkt, want zo zal het niet gebeuren. Er komt geen bulderende stroom, geen snel stromende rivier, helemaal niet. Het zal gewoon binnensijpelen, zich verspreiden. En kort daarop zul je je afvragen hoe het ook alweer was toen het water er nog niet was.’
‘Je bedoelt de zee om ons heen?’
‘Ja.’ Stilte. ‘Sta jij op de lijst?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Dat is helemaal niet zo natuurlijk, maar daar hebben we het nu niet over. Nog niet. Het ziet ernaar uit dat we onze handen de eerstkomende dagen vol zullen hebben.’
‘De eerstkomende dagen? Ik had gedacht dat het wel een week zou duren.’
‘We hebben goed nieuws. Er is een vliegtuig naar ons onderweg, groter dan ons eigen toestel en toch niet te groot om hier te kunnen landen. Met twee toestellen in plaats van een ‘Fantastisch,’ antwoordde Zenith. ‘Ik zal aan de volgende lijst beginnen.
Ondanks hun uiterlijke tegenzin om te vertrekken was het merendeel van de vrouwen duidelijk opgetogen, sommigen zelfs beschamend uitgelaten.
Als pa het al moeilijk vond zijn beste krachten kwijt te raken, dan had Zenith er heel veel moeite mee dat ze haar kinderen zou verliezen. Ze reed met elke ladihg vertrekkenden mee en elke keer als er een kleuter vertrok, liet ze haar tranen stromen.
‘Die zogenaamde overstroming komt eerder dan jullie denken, als jij zo doorgaat,’ merkte Carol op. Carol scheen ook altijd in de bus te zitten - waarom wist Zenith niet, ze zei nooit iemand gedag.
Maar Carol keek erg aandachtig naar het vertrekkende toestel. Ze had nooit gezegd of ze weg wilde of niet, niet sinds die avond in de kantine toen ze Derek had voorgesteld gauw te trouwen.
Op de dag dat de kleine Alexander met zijn ouders vertrok - zijn moeder was in verwachting van de eerste baby die in Savage geboren zou worden - stortte Zenith bijna in.
‘Je stond op het punt, geschiedenis te maken, Mary,’ zei ze verwijtend.
‘Ik kom terug, Zen, en ik beloof je dat er een Savage-kindje komt. Trouwens, waarom zorg je er zelf niet voor?’
‘Ik ben niet eens getrouwd,’ Zenith veegde haar tranen weg en produceerde een bibberig lachje.
‘Ik geloof niet dat dat de ware reden is, ik denk dat deze lastpost je voorgoed van het verlangen naar kinderen heeft genezen.’ Alexanders moeder keek naar haar zoon.
‘O nee!’ Zenith deed overdreven, want Alexander was een lastpost geweest... een lieve lastpost.
Ze keek naar de driejarige kleuter en zag dat hij, ondanks de voorschriften betreffende de bagage, iets had meegenomen.
‘Ik kon hem niet afpakken,’ zei Mary op wanhopige toon.
‘Hij kan niet mee, Mary, Hugo is te groot, bijna net zo groot als een kind.’ Hugo was de kleuterschoolbeer die Alexander in het bad had gegooid. Jammer genoeg was hij door de waspartij niet gekrompen, zoals je zou hebben verwacht, de beer was nog groter en slobberiger geworden dan tevoren.
‘Hij kan niet mee,’ herhaalde Zenith zwakjes... toen liet ze Hugo natuurlijk meegaan.
Pas toen het toestel was verdwenen, zag Zenith dat Steve Forbuck ook bij het vertrek aanwezig was geweest.
‘Wat betekent die voorkeurbehandeling voor beren?’ vroeg hij.
‘Alexander was dol op hem.’
‘Laat je iedereen meenemen waarvan hij houdt?’
‘O, nee, Jenny mocht haar broodrooster niet meenemen en haar verbrande toastje ook niet.’
Steve keek haar quasi geschrokken aan.
‘Je moet niet zo lang in de zon staan,’ zei hij.
In de kleine wachthut, die verlaten was nu het vliegtuig was vertrokken, keek hij haar kritisch aan.
‘Je houdt het niet vol, hè?’ vroeg hij.
‘Het werktempo?’
‘Het vertrek uit Savage, het afscheid van de gezinnen.’
‘Nee...’ Zenith wist dat ze het moest toegeven, want hij hoefde maar naar haar te kijken om het te zien.
‘Dat kunnen we niet hebben. Er is nog te veel te doen. Houd maar eens op met dat afscheidnemen. Geef het baantje aan Carol.’
‘Carol gaat iedere keer mee.’ Zenith keek om zich heen, in de verwachting het meisje nu te zien, maar ze was waarschijnlijk teruggereden met de bus.
‘Ja,’ zei Steve droog. ‘Dat is me opgevallen. Ze kijkt nogal, vind je niet? Hoe dan ook, voor vandaag is het jouw laatste rit geweest,’ vervolgde hjj. ‘Ik heb je hulp nodig.’
‘Hulp?’ vroeg ze.
‘Met de vrouwen, de lubra’s. We gaan naar de plek waar we al eerder zijn geweest om te kijken of de mannen zijn teruggekomen.’
‘Maar hoe kan ik helpen als ik geen woord kan zeggen en zij niets terug kunnen zeggen?’ protesteerde ze.
‘Pantomime. Vrouwelijk intuïtie. Vrouwen onder elkaar. Als ze het maar begrijpen. Als ik jou was zou ik met de kleine kinderen beginnen - ze zijn verschrikkelijk trots op hun baby’s. Ze zouden hun leven geven om ze te verdedigen. Ik heb op je gelet, Zenith en ik denk dat jij hetzelfde zou doen.’
‘Ik heb geen kinderen,’ merkte ze op.
‘Dat komt nog wel,’ zei hij en zijn blik hield de hare vast op een manier die ze niet zou kunnen omschrijven. Het kostte haar moeite om de andere kant op te kijken.
Ze reden niet eerst terug naar Savage, ze reden regelrecht de rimboe in. Weer vroeg Zenith zich af hoe de man naast haar de weg wist te vinden.
Toen ze op de plaats van bestemming waren aangekomen, was het eerste dat Steve deed de beek onderzoeken. Hy uitte een gegrom toen hy een paar takken uit elkaar boog en toen Zenith achter hem aan kwam slaakte ze een kreet. Het was geen beekje meer, het was bijna een kreek.
‘Zie je wel,’ zei Steve.
Zenith knikte en ze bleef gehoorzaam bij de kreek staan terwijl hij op zoek ging naar de oude mannen. Net zoals de eerste keer was Zenith zich ervan bewust dat er iemand naar haar keek. Het duurde een hele tijd eer Steve terugkwam.
Terwijl ze wachtte, stak ze haar hand in het water om een verfrissende dronk te nemen. Toen Steve eindelijk terugkwam, dronk hij ook wat.
‘Ze hebben gemerkt dat het water hoger is gekomen’ zei hy.
‘Dat is belangrijk. Verder nog iets?’
‘Ik kon alleen maar spreken met de oude mannen.’
‘Je bedoelt dat de jongeren nog steeds weg zijn?’
‘Ja, ze zitten achter Avua aan.’
‘De krijger die de regel betreffende de rouw verbrak en wegliep?’
‘Ja.’
Zenith dacht even na.
‘Ik vraag me af waarom Avua dat heeft gedaan,’ zei ze. ‘Hij kon weten wat er zou gebeuren.’
‘Waarom doen mannen van die dingen terwijl ze weten wat er kan gebeuren? Het antwoord is eenvoudig: om een vrouw natuurlijk.’
‘Waarom natuurlijk?’
‘Omdat alleen een vrouw die macht heeft.’
‘Je fantaseert weer!’ beschuldigde ze hem.
‘O, nee, Miss Smith, het is begonnen bij Eva en het is sindsdien zo gebleven. Als je me nog steeds niet gelooft, zal ik je wat feiten geven. Avua is maar om één reden weggegaan van de rouwenden. De naam van de reden is Ludy.’
‘Dat heb je al gezegd,’ bracht ze hem in herinnering.
‘Ik zeg het nog eens omdat ik het nu zeker weet. Ludy is in het kamp, degelijk bewaakt zoals het hoort.’
‘Ze heeft niets gedaan.’
‘Alleen maar met haar ogen gedraaid,’ zei Steve.
‘Hebben ze elkaar gesproken?’ vroeg Zenith.
‘De jonge geliefden? O, nee, daar hebben de bewaaksters wel voor gezorgd.’
‘Waarom zijn ze dan toch achter Avua aan gegaan? Ze konden toch weten dat hy hier naartoe zou komen, niet weg zou blijven?’
‘Maar uit welke richting, vanwaar? Je hebt er geen idee van hoe groot de afstand is die een gezonde jongeman in een paar uren kan afleggen en Avua, heb ik gehoord, is een erg jonge, erg gezonde jongeman. Daarom zoeken ze ver buiten het kamp naar hem, ze weten dat hij via een omweg zal terugkeren. En dat is ons probleem, Zenith. De jagers... en het wild.. .kunnen aan de andere kant van het kamp door het water worden verrast. Ze zouden weken, maanden weg kunnen blijven.’
‘En de oude mannen, de vrouwen en de kinderen onbeschermd achterlaten?’
‘Precies. Je begrijpt het. We moeten ze naar Savage krijgen. Zonder de hulp en de leiding van de jonge mannen zijn ze erg kwetsbaar.’ Stilte. ‘Hoe ben je in mime?’
‘Mime?’ echode ze.
‘Je spreekt de taal immers niet?’
Nee, dacht Zenith, ze sprak de taal niet, maar hoe moest ze hier iemand zien te vinden op wie ze haar mime kon proberen? Ze wist dat er ogen waren die naar hen keken, maar waar waren die ogen?
Steve zorgde voor de oplossing. Hij ging opnieuw naar de oude mannen, wisselde enkele woorden met hen, boog voor hen en kwam terug bij Zenith.
‘Je bent geaccepteerd,’ grinnikte hij.
‘Wat voor toverij heb je gebruikt?’
‘Geen enkele. Ik heb gewoon gezegd dat je mijn vrouw bent en bent gekomen om te helpen.’
‘Ik ben je vrouw niet.’ Het lag op het puntje van Zeniths tong om te zeggen: Maar jij, Mr. Forbuck, bent wel iemands man. Van Helen. Sinds Zenith Helens gezicht had gezien toen Derek Smith Steve had gevraagd de mannen toe te spreken had ze een heleboel andere dingen opgemerkt. Een zachtheid in Helen als Steve in de buurt was. Een schijnbaar onweerstaanbaar verlangen om iets van hem aan te raken. Eenmaal had ze zelfs gezien dat Helen langs een jas streek die Steve over een stoel had laten hangen.
‘Daar hebben we het later nog wel eens over,’ antwoordde Steve. ‘De oude mannen laten je met de vrouwen spreken.’
‘Je zou me kunnen helpen.’
‘Taboe,’ antwoordde Steve.
Zenith ontmoette de oude mannen. Ze knikten ernstig na haar buiging, leidden haar toen onder enkele vooroverhangende gombomen naar een kamp aan een zijtak van de beek. Er waren niet veel vrouwen, want het was geen grote stam, maar aan acht volwassenen en twaalf kindertjes had ze haar handen al vol, dacht Zenith.
Ze begon wiegende bewegingen te maken met haar armen en zei het enige aboriginalwoord dat ze kende voor kind en dat waarschijnlijk niet eens werd gebruikt door deze myalls, maar misschien begrepen ze het.
‘Birrahlee,’ herhaalde ze steeds maar. ‘Birrahlee?’
Ja, ze begrepen haar en enkele vrouwen gingen naar hun gunyah en kwamen terug met kleine kinderen.
Tot zo ver ging het goed, dacht Zenith. Ze maakte de gebaren om een aanstaande moeder aan te duiden. Waren die er? vroeg ze.
Daarop gaven ze geen antwoord, maar enkelen keken naar de plek waar de bewaaksters stonden. Die zagen er geen van allen uit of ze zwanger waren, dus verontstelde Zenith dat ze Ludy bedoelden, die volgens Steve een kind verwachtte.
Zenith gebruikte al haar toneellessen van school om gevaar, stijgend water, overstroming aan te duiden. Ze nam de vrouwen mee naar de kreek om te laten zien hoe hoog het water al stond en ze knikten en keken angstig.
Zenith wees op de gevaren voor een birrahlee, een kind. Ze zou ook graag iets hebben gezegd over een aanstaande moeder, maar ze had het gevoel dat ze ver genoeg was gegaan voor een eerste ontmoeting.
Dat vond Steve ook, toen ze zich later bij hem voegde.
‘Je hebt ze iets gegeven om over te praten, om bang voor te worden.’
‘Ik wilde ze niet bang maken.’
‘Je hebt ze een aanwijzing gegeven en dat heb je goed gedaan. Ze zullen er de hele avond over praten, allerlei debil-debils verwachten. Heb je Ludy nog gezien?’
‘Taboe,’ antwoordde Zenith.
De evacuatie van Savage ging de volgende dag verder. Het zou de hele week blijven duren. Hoewel er nu een extra vliegtuig was, konden er nog steeds maar heel weinig mensen tegelijk worden vervoerd.
Derek Smith zei tydens de maaltijd in de kantine dat het een langdurige kwestie zou worden.
‘O, hadden we maar een jumbo-jet!’ verzuchtte hij.
‘Wanneer,’ begon Carol, toen maakte ze ervan: ‘Als het water komt ‘Wanneer, liefje,’ verbeterde Derek zacht.
‘Wat gebeurt er als de landingsbaan onderloopt?’ vervolgde Carol. ‘Ik bedoel, stel dat er nog iemand hier is?’
‘Er zal iemand achterblijven,’ antwoordde Derek. ‘En dan zal het een karwei worden voor een helicopter.’
Carol schoof haar bord weg, schoof het zenuwachtig weg, maar ze zei niets. Derek vervolgde: ‘Maar iemand die achterblijft zal geen hulp van een helicopter nodig hebben. Zoals ik al eens heb gezegd, als het water zo hoog zou komen dat de groeven vollopen, dan is het voor iedereen afgelopen. Denk je ook niet, Steve?’
‘Dag wrede wereld,’ antwoordde Steve. ‘Wees maar niet bang, Carol, je zult niet verdrinken... tenzij in je tranen, want die zullen zeker vloeien. Je hebt er geen idee van wat je te wachten staat, hè? Ik wel. Het wordt verdraaid onaangenaam. Overal water. Alle privacy verdwijnt. Je eet met zijn allen, soms alleen maar met je vingers, soms van een niet al te schone vloer. Als het werkelijk erg wordt, moet je je met zijn allen wassen met water dat al eens is gebruikt. Vaak blijf je vuil. Je kunt je kleren niet wassen, want je kunt ze nergens te drogen hangen, dus houd je ze dag en nacht aan. Er komen planten binnendrijven, ze gaan rotten, stinken. Ratten, muizen, een enkele slang, komen schuilen. Er komen kakkerlakken.’
‘Houd op,’ zei Carol verstikt. Ze liep naar de deuropening en staarde naar buiten. Toen liep ze weg.
‘Dat was wel erg wreed,’ mopperde Helen.
Pa scheen het niet gehoord te hebben, merkte Zenith.
‘Iemand moet voor moeder spelen,’ antwoordde Steve en hij keek plotseling naar Helen alsof hem ineens iets te binnen schoot.
De oudere vrouw en de jongeman keken elkaar strak aan. Ze schenen niemand anders te zien dan elkaar. Het duurde maar even, maar het leek een eeuwigheid, vond Zenith.
Lente en herfst... mei en december. Als er niets tegen was voor een oudere man en een jongere vrouw, voor pa en Carol, kon het dan ook niet gelden voor een jongere man en een oudere vrouw? Voor Steve en Helen?
Zenith schoof haar bord opzij en liep de kantine uit.