HOOFDSTUK 2
Hoe zou die Carol van pa hierop reageren? Zenith piekerde erover toen ze met de jeep naar het huis van de baas reed. Het was geen mooie omgeving die ze passeerde, eigenlijk was het wel het tegengestelde van mooi, maar toch had het iets, iets dat je niet kon vergeten. Zenith was niet de enige die daarachter was gekomen, bijna iedereen die in Savage werkte had het gemerkt. Als je eenmaal was gegrepen door het okerkleurige land, liet het je niet meer los.
Het was kaal land. Zelfs nu het was verfraaid door de plantengroei die zich had ontwikkeld na de Grote Regens en de overstroming van de rivier, kon je zien dat het in wezen kaal was. Het was een keihard land, woest, en toch kon het soms onvoorstelbaar teder zijn, want plekken waar ijzer werd gewonnen bezaten nu eenmaal die tovermacht. Het verzachtende purperen waas dat alles in een roodpaarse mantel hulde, veroorzaakte dat en dat was weer het rechtstreekse gevolg van ijzererts in de bodem. Het leek wel of het erts vlekken maakte in de lucht. Verder was het krukdroog, ruw, boomloos op een paar verweerde gombomen na, maar toch gaf de wijde omgekeerde kom van de verbijsterend blauwe hemel er een schittering aan die het in wezen niet bezat.
Zenith was ervan gaan houden vanaf de eerste dag dat ze er kwam en dat was zeven jaar geleden toen haar vader haar tijdens een schoolvakantie had meegenomen. Na de ruime, maar natuurlijk beperkte terreinen van de Meisjesschool van Retford had het eindeloos geleken.
Haar vader was blij geweest met haar enthousiasme maar hij had haar toch gewaarschuwd: ‘Geen feestjes hier, Zennie, geen zeilwedstrijden en tea-party’s, eigenlijk helemaal niets.’
‘Toch vind ik het hier fijn, pa.’ De jonge Zenith had hem slim aangekeken. ‘Net als jij.’
‘Dus dat heb je gemerkt, hè? Ja, het is mijn land. En alsof het wat wil terugdoen voor mijn liefde, geeft het zichzelf. Overvloedig. Zenith, binnenkort word je Miss Porte-Monnee.’
‘Mooi zo, Mr. Porte-Monnee. Dus ik begrijp dat we rijk zijn.’
‘Dat zijn we binnen een paar jaar. O, niet steenrijk, maar rijk genoeg. Het was wel mijn geluksdag, toen ik hier in Savage kwam rondscharrelen en besefte wat ik had ontdekt. ’
‘Dat was geen geluk, pa,’ merkte ze op, ‘je had lang genoeg gezocht.’ ‘Er zijn een heleboel mannen die zoeken, Zen, maar ik heb de pot gewonnen.’
‘Mag ik van school om voor jou te zorgen?’ vroeg ze.
‘De kantine zorgt prima voor me en jij maakt je school af,’ was haar vaders antwoord.
‘Maar daarna?’
‘Als je er dan nog steeds zo over denkt.’
‘Natuurlijk, pa.’
‘Ja, dat denk ik ook. Maar er is iets waarover ik me zorgen maak.’ ‘Wat, pa?’ had ze gevraagd.
‘Geschikte mannen. Ik neem aan dat je eens zult willen trouwen.’ ‘Ach, ja.’ Zenith had onverschillig haar schouders opgehaald. Derek Smith had een rimpel in zijn voorhoofd getrokken. ‘Er is hier niet veel keus in echtgenoten, Zenith. Ik wil proberen zo veel mogelijk getrouwde mannen aan te trekken door te zorgen voor gerieflijke huizen tegen een lage huur. Op die manier ben je er zeker van dat ze ten minste vier, vijf jaar blijven en dat is veel waard. Vrijgezellen spekken hun spaarbankboekje en gaan er dan vandoor.
‘Wie dan leeft, wie dan zorgt, pa.’
‘Natuurlijk, meiske.’
‘En mag ik elke vakantie komen?’
‘Elke vakantie.’
‘En als ik zeventien ben -’
‘Achttien,’ verbeterde hij.
‘O, pa!’
‘Achttien.’
‘Achttien dan,’ had Zenith gelaten gezegd. ‘Maar dan blijf ik voorgoed.’
Twee jaar geleden, op haar achttiende, was ze naar Savage gekomen. Voorgoed.
Zenith had intussen het huis van de baas bereikt en ze stopte.
Het gebouw was niet groter en niet beter dan welk van de andere gezinsonderkomens en dat gold ook voor het interieur. Zenith kauwde op haar lip. Ze vroeg zich af wat Miss Carol Quinn daarvan zou vinden.
Het was een geprefabriceerd huis, dat waren ze allemaal, en tijdens het transport hierheen over de wegen in aanleg, waren er de te verwachten ongelukken gebeurd. Om kort te gaan: het zag er sjofel en armoedig uit. Vooral de meubels hadden erg te lijden gehad. Wat geen poot had verloren of waarvan geen ruitje was gebroken was wel geschaafd of gekrast.
Maar ze had haar best gedaan met vrolijke gordijnen en gisteren was ze de rimboe in gegaan en ze was met een jeep vol moois teruggekomen: rode woestijnerwt, iris uit een overgebleven meertje dat na de laatste regens was verschenen, en de felblauwe salvia’s. Ze had overal boeketten neergezet en ze was tevreden geweest met het resultaat. Haar vader was even blijven staan toen hij het zag en toen had hij zich glimlachend omgedraaid om te zeggen: ‘Je kunt het net zo mooi als je moeder.’
‘Kon zij het goed?’
‘Ze kon een kunstwerk maken uit een bos narcissen.’
‘Arme pa,’ zei Zenith. ‘Ik had het al veel eerder netjes moeten maken in huis.’
‘Je hebt het net zo druk gehad als ik, Poesje, er was geen tijd. Maar ik ben blij dat je het nu hebt gedaan.’
‘Voor - Carol?’
‘Ja, Zen, het is zo een hartelijk welkom, hè?’
Zenith had geknikt - maar ze was niet verder gegaan met het schikken van de bloemen. Welkom voor Carol, had ze gedacht, welkom voor Carol, niet voor - Ze had zich omgedraaid.
Gelukkig was haar vader de kamer uitgegaan, ze zou hem voor niets ter wereld verdriet hebben gedaan, maar Carol. Waarom Carol? Waarom niet Ze had geprobeerd zich te herinneren wat ze had gevoeld op die avond dat hij haar zijn nieuws had verteld. Hij was net terug van een reis naar Sydney... en hij was helemaal veranderd.
‘Zenith,’ had hij gezegd.
‘Ja, vader? Je hoort toch wel dat ik “vader” zeg in plaats van “pa”? Je ziet er vanavond zo knap uit. Boeiend, om je de waarheid te zeggen.’
‘Met die grijze pruik van me! Maar ik ben blij dat je vindt dat ik er goed uitzie.’
‘Ik zei knap,’ bracht ze hem in herinnering.
‘Ik ben blij omdat... nou ja, om kort te gaan, Zen, er is dit keer iets gebeurd.’
‘In Sydney?’
‘Ja.’ Stilte. ‘Zen, het is al een hele tijd geleden, sinds Elvie dood is.’
‘Twintig jaar,’ had Zenith geantwoord.
‘Het was niet uit plichtsbesef tegenover jou dat ik ongetrouwd ben gebleven en het was ook niet vanwege een onsterfelijke liefde, zoals je wel eens leest, want dat zou Elvie afschuwelijk hebben gevonden, het was - nou ja, ik heb gewoon nooit iemand ontmoet, Zen.’
Helen? Helen en pa? Zenith had het wel willen uitschreeuwen, maar dat had ze niet gedaan.
‘Ja, vader?’ had ze aangedrongen.
‘Nu heb ik wel iemand ontmoet, Zenith. Ik - ik voel erg veel voor haar en die gevoelens zijn wederzijds.’
‘Dat is dan fantastisch, lieverd.’ Zenith was erin geslaagd haar stem enthousiast te laten klinken, maar het was niet eenvoudig geweest.
‘Bedoel je datje het niet erg vindt?’
‘Of ik het erg vindt dat jij gelukkig bent? O, pa!’
‘Ik verzeker je datje nooit iets te kort zult komen, Zennie, ik bedoel, er is meer dan genoeg voor -’
‘Voor zes vrouwen?’ Waarom had ze dat toch gezegd? Het was niet grappig.
‘Vertel me eens iets over haar, pa. Hoe heet ze?’
‘Carol. Carol Quinn. ’ Stilte. ‘Zenith, ze is mooi. Een ouwe knar als ik en dat mooie meisje -’
‘Meisje?’ vroeg ze.
‘Tja, dat is de moeilijkheid. Zie je, zeis... nou ja... eh, ze is niet veel ouder dan jij, Zen.’ Een ongeruste blik. ‘Ben je geshockeerd?’
‘Geshockeerd? Natuurlijk niet. Wat een onzin!’
Maar Zenith was wel geshockeerd geweest. Niet geshockeerd vanwege het leeftijdsverschil tussen die Carol en haar vader, maar geshockeerd vanwege Helen. Helen was ongeveer even oud als pa, even oud als haar moeder zou zijn geweest. Dat was de schok geweest. En de pijn.
‘Wat een onzin,’ had ze nog eens gezegd en hij had haar geloofd.
‘Ik had haar nooit durven benaderen, maar - nou ja, zij benaderde mij.’ Derek had verrukt gelachen.
Wist ze wie je was? had Zenith zich afgevraagd, had iemand je Mr. Porte-Monnee genoemd?
‘Zennie, ze houdt van me. Ze heeft me uitgelegd dat sommige meisjes een oudere man nodig hebben.’
Dat zal best! had Zenith in zichzelf gezegd.
‘En- en dat is het. Liefde. Ik zal wel een ouwe gek zijn, maar ik merk nu dat ik het jaren heb gemist.’
‘Dan is het goed, pa.’ Zenith had diep adem gehaald en het gedecideerd gezegd. Het was goed, het moest goed zijn, pa’s geluk was het enige dat telde, al het andere was onbelangrijk.
Ze hadden naar elkaar geglimlacht, toen had Zenith te horen gekregen dat Carol naar Savage toe kwam. Derek had laten dóórschemeren dat Zenith het nieuws maar moest verspreiden.
‘Want Carol vindt dat we niet te lang moeten wachten,’ had hij gezegd, ‘en hoewel ik wil dat ze er absoluut zeker van is, vind ik dat onze mannen het moeten weten.’
‘Dan moet ik maar op mezelf gaan wonen, pa.’
‘Nog niet. Zie je, Carol had het erover dat we afwisselend in Sydney en Savage konden wonen en in dat geval.
Afwisselend in Sydney en Savage. In Sydney. Pa zou doodgaan in Sydney, hij was een echte buitenman. Maar Zenith had niets gezegd.
‘Best,’ had ze toegegeven.
‘Vertel jij het dan aan de mensen hier? Ik - nou ja, ik zie er tegenop om het ze zelf te vertellen.’
‘Voor oprechte liefde hoef je je niet te schamen, pa, maar ik snap wel wat je bedoelt.’
‘Dank je, Zen. O, en vergeet niet het tegen Helen te zeggen, hè?’
‘Pa -’ begon Zenith.
‘Gek,’ bekende hij, ‘maar ik zie er werkelijk heel erg tegenop om het tegen Helen te zeggen. We werken al zo lang samen, daar zal het wel aan liggen. We zijn zo’n beetje broer en zus geworden.’
‘Op mij maakt Helen niet de indruk dat ze je zuster is.’
‘Hoe dan ook, Zenith, wil jij het haar vertellen?’
Zenith had het aan Helen verteld en het enige dat ze na afloop had kunnen melden was dat Helen haar bril had afgezet, hem had opgepoetst en weer had opgezet.
‘Ik hoop dat Mr. Smith heel erg gelukkig wordt,’ had ze effen gezegd.
‘Helen -’
‘Hij is een goeie man - de beste. Ik weet zeker dat iedereen hem geluk wenst.’
‘Helen -’ begon Zenith weer.
‘Vooral zijn dochter, hè?’
‘Helen.’ Ditmaal was Zenith erin geslaagd door te gaan. ‘Helen, waarom? Waarom?’
Helen had hetzelfde geantwoord als enkele ogenblikken geleden. ‘Zo is het wel genoeg.’ Sindsdien hadden ze er niet meer over gepraat.
Ze zouden er nu ook niet over praten - dat had Helen haar op kantoor wel duidelijk gemaakt. Wat konden ze erover zeggen? Het was iets dat vaststond, het was een definitief besluit, een fait accompli... bijna tenminste. Helen zou met een paar schalen uit de kantine komen en zij, Zenith, moest de tafel dekken en zich verkleden.
Ze zou met het laatste beginnen, besliste ze. Ze liep door de hal naar de badkamer en ondervond een bijna wreed genoegen in de kale vloer - het was hier te warm voor kleden - en het zeer eenvoudige, nogal lelijke, zakelijke meubilair. Hoe zou Miss Quinn de inrichting vinden?
Ze gooide haar kleren op de grond en draaide de kranen wijd open. Ze wilde niet meer denken aan Carol. Ook niet meer aan die snertvent, want ze werd aan hem herinnerd door een opkomende blauwe plek boven haar borst. Ze wierp een woedende blik op de paarse vlek.
Ze stapte onder de douche vandaan en pakte een ruwe handdoek. Tegen de tijd dat ze klaar was, had ze de gedachte aan Carol en hem weggewreven. Ze kleede zich aan en bond een schort voor. Door een van de ramen zag ze Helen uit haar wagentje stappen. Ze droeg een grote pan met het een of ander, afgedekt met een servet. Ze zag dat ze terugliep om nog meer te halen.
Dus het diner voor zes personen was in aantocht.
‘Wat is het, Helen?’ Zenith keek nieuwsgierig naar de pan.
‘Nu nog een eenvoudige stoofschotel, maar vanavond een smakelijke Stroganoff... hoop ik. Haal jij de versierselen, dan beginnen we met de grote tovertruc. Ik dacht dat gele rijst er wel mooi bij zou staan.’
Zenith pakte al wat ze kon vinden en begon de tafel te dekken. Een kanten kleed en kaarsen maakten het al dadelijk feestelijk.
‘Je hebt prachtige boeketten gemaakt, lieverd.’ Helen hield even op met hetgeen waarmee ze bezig was.
‘Dank je, Helen, maar ik vraag me af of ze de plaats kunnen innemen van een dozijn langstelige rozen. Rode...’ een scherpe klank in Zeniths stem... ‘vanwege de ware liefde.’
‘Vast wel. Zenith -’
‘Ja, Helen?’
‘Kun je niet eens aan je vader denken in plaats van -’
‘In plaats van wat?’
‘Ik wilde zeggen in plaats van aan jezelf.’
‘Maar ik- ach ja, in zekere zin misschien wel. Zie je, ik wil niet- ik wil niet -’
‘Kun je niet eens aan je vader denken, Zenith?’ viel Helen haar scherp in de rede.
‘Denk jij dan aan hem, ben jij de perfekte sekretaresse, zoals gewoonlijk? De feilloze automaat?’ Zenith beet kwaad op haar lip. ‘O, Helen, neem me niet kwalijk!’
‘Al goed. En ik denk aan hem. Daarom maak ik de beste Stroganoff die ik kan maken.’
‘En als ik nu eens op het beslissende moment mijn grote mond open doe en zeg: “Dit is eigenlijk een stoofschotel uit de kantine en niet wat jullie denken”?’
‘Dan zul je ervan langs krijgen en ik geloof dat ik weet wie zich daarmee zal belasten.’ Helen grinnikte in zichzelf.
Zenith bedacht dat ze ook wel iemand wist en ze kromp ineen maar ze liet het Helen niet merken.
‘Weet je al wie onze zesde gast is?’ vroeg ze.
‘Ja.’ Weer had Helen een binnenpretje.
‘Een van de getrouwde mannen wiens vrouw op het ogenblik in het zuiden zit?’ opperde Zenith.
‘Nee, een rasechte vrijgezel. Tussen twee haakjes, ik wilde dat hij en Brent Davis kwamen. Ik had graag dat ze hier waren voordat de eregasten er zijn.’
‘Dat lukt denk ik niet, want daar heb je pa’s wagen, geloof ik.’ Je kon hier vandaan al zien dat er een auto in aantocht was voordat je de wagen zelf zag. Er was altijd een waarschuwende wolk rood stof.
‘Opschieten,’ zei Helen en ze ging verder met het verfraaien van de schotels.
De stofwolk werd groter. De vorm van de wagen werd zichtbaar. En op het moment dat de auto bij de stoep stilhield kwamen er twee mannen door de zijdeur binnen.
‘Prima op tijd,’ bewonderde Helen. ‘Nu hoef ik geen rode loper uit te leggen.’
‘Rode loper?’ vroeg een stem waarvan Zenith dacht dat ze hem al eerder had gehoord.
‘Die hebben we niet,’ zei ze tegen de stem, terwijl ze knikte tegen Brent en zich toen omdraaide om de andere man toe te knikken, degene die zojuist iets had gezegd, maar die met zijn rug naar haar toe stond.
Brent Davis keerde zich nu ook om naar de deur. Helen en Zenith keken nieuwsgierig naar buiten.
Derek Smith en zijn verloofde kwamen de stoep op naar de veranda, ze kwamen de hal in. Het meisje had haar hand op pa’s schouder gelegd en hij liep kaarsrechtop, zich trots bewust van haar gebaar van afhankelijkheid.
Maar - knap? O, nee, dat was een heel verkeerd woord. Ze was niet gewoon knap, ze was mooi. Absoluut, ontegenzeglijk beeldschoon, haar huid, haar gelaatstrekken, haar houding... o, alles.
Zenith hoorde Helens adem stokken en Brent rechtte zijn schouders. Ze zag Ze zag de man die was gekomen om het aantal gasten even te maken en die achteruit deinsde bij het naderen van het paar... of liever gezegd, bij het naderen van het meisje. Alsof... alsof hij haar al kende. Maar zou iemand die zo’n meisje kende niet een stap naar voren doen in plaats van naar achteren?
Toen zag ze het profiel van de man, hard, beheerst, een heerszuchtige kin.
Maar dat was hèm. De snertvent. De bruut.
‘Wat een ontvangst,’ zei pa. ‘Carol, lieverd, dit zijn mijn dochter, mijn sekretaresse, mijn boekhouder en mijn nieuwe rechterhand, vastbesloten alles op alles te zetten en niet alleen met die rechterhand, maar met beide handen.’
‘Carol Quinn,’ vervolgde hij zachter, ‘binnenkort Carol Smith, dit zijn Zenith, Helen, Brent en Steve.’
Helen had ervoor gezorgd dat er iets te drinken klaarstond en ze brachten de gebruikelijke heildronk uit. Daarna bracht Zenith Carol naar haar kamer.
Hij zag er heel aantrekkelijk uit, vond Zenith. Met een schuldig geweten, vanwege haar ware gevoelens, had ze er extra haar best op gedaan.
Ze had geen moeite hoeven doen. Carol zag er duidelijk niets van. Ze gooide haar tas en haar sjaal op het bed en plofte neer.
‘Hemelse goedheid!’ zuchtte ze.
‘Was het een vermoeiende reis?’ vroeg Zenith.
‘Nee, maar het was - ach, laat maar. Laten we maar teruggaan.’
‘Ik dacht dat je je misschien wilde wassen.’
‘Zeker aan de andere kant van het huis.’
‘Tja, zie je, dit zijn pre-fab huizen en ‘Bespaar me de onaangename rest. Ik vind het wel.’ Het meisje was weer opgestaan en was al bij de deur voordat Zenith haar de badkamer had kunnen wijzen. Maar eenmaal daar, bleef ze staan.
‘Hoe lang zit Steve Forbuck hier al?’ vroeg ze.
‘Forbuck?’ vroeg Zenith.
‘Die knaap buiten. Die lange.’
‘Hij is hier kort voor jou gekomen, denk ik.’
‘Interessant,’ zei Carol.
‘Ik weet het niet... ik bedoel ik ken hem niet.’
‘Maar die andere ken je wel, die Brent Dinges?’
‘Brent Davis?’
‘Ja.’
‘Ja, die ken ik wel.’
‘O. Leuk voor hem.’ Een lachje.
Een tikkeltje onzeker, want Zenith wist niet hoe ze het moest opvatten, begon Zenith haastig aan het toespraakje dat ze had voorbereid.
‘Ik hoop dat je hier erg gelukkig zult worden - dat hopen we allemaal. Natuurlijk zal het in het begin wel een beetje vreemd zijn, tenslotte is het een vreemd deel van Australië, maar -’
‘Vertel dat straks maar.’ Carol liep weg van Zenith en liet het water over haar slanke handen stromen. Aan een ervan flonkerde een diamanten ring. Toen liep ze terug naar de voorkamer en nam nog wat te drinken.
Helen trok Zeniths aandacht en samen verdwenen ze in de keuken en dienden de stoofschotel uit de kantine op die nu was veranderd in een ‘Beef Stroganoff. Ze deden het zwijgend. Ze wisselden geen woord.
Maar de stilte veranderde niets aan de schotel. Derek zei dat het verrukkelijk was, het lekkerste dat hij ooit had gegeten.
‘We hebben een Franse kok,’ zei hij trots tegen Carol.
‘Hadden -’ begon Zenith, maar ze hield op toen iemand haar onder tafel een schop gaf. Helen was het niet, want Helen was naar de keuken gegaan om het een of ander te halen.
‘Maar jammer genoeg, liefje,’ vervolgde pa, ‘kookt Pierre alleen maar. Hij dient het niet op.’
Brent kon het niet zijn, hij kon niet weten dat Pierre weg was. Restte nog - Zenith keek heel even naar de zesde gast en kreeg een heel kort knikje terug.
De maaltijd was een redelijk succes. Carol at niet veel maar ze nam ieder woord gretig in zich op. Haar violetgrijze ogen, groter en stralender dan ogen ooit waren, rustten op iedere spreker als hij aan het woord was, want het was steeds een ‘hij’ omdat Zenith noch Helen ook maar iets bij droeg tot het gesprek en Carol ook geen enkele maal het woord tot hen richtte.
Gelukkig hoefden ze zich geen zorgen te maken over de vuile borden. Ze hadden dan wel geen kok, maar ze hadden een vaatwasmachine.
Helen en Zenith stapelden en laadden, zetten de machine aan en kwamen terug in de salon.
Misschien zou het vanavond beter zijn geweest als ze het met de hand hadden moeten doen, want dat zou de avond hebben gebroken. Maar ze hadden mechanische hulp. Instinktief keken ze allebei op de klok en zagen dat het pas acht uur was.
Zenith merkte dat Carol onrustig om zich heen zat te kijken.
Nu was het natuurlijk tijd voor dat tête à tête tussen pa en zijn verloofde. Ze keek naar Brent met de bedoeling dat hij zou opstaan.
Brent stond op, maar met een voorstel.
‘De avond is nog jong. Als we eens naar de kantine gingen om naar het dansen te kijken?’
‘Ik denk dat Carol -’ probeerde Zenith.
‘Ja, ik heb het gevoel dat je moe bent, liefje,’ viel Derek Smith haar bij.
‘Helemaal niet moe. Razend nieuwsgierig om meer te zien. Kan ik zo mee of moeten we ons verkleden?’
Er was niets meer te zeggen. Ze liepen naar buiten, de heuvel op naar de rekreatiezaal. Daar speelde elke vrijdagavond het bedrijfsorkestje.
Zenith was somber gestemd. Dit was niet goed, dacht ze. Het was niet wat haar vader wilde.
Maar Derek Smith ging glimlachend zitten en moedigde Brent aan, alsof hij enige aanmoediging nodig had, met Carol te dansen. Het was een erg modern nummer en pa zou niet weten wat hij ermee aan moest, wist Carol.
Steve Forbuck haalde Helen. Helen protesteerde, maar deed een heldhaftige poging en haar vader was een en al bewondering.
‘Onze Helen laat zich niet kennen, ze is een fantastische knul.’
‘Helen is geen knul, pa,’ protesteerde Zenith.
‘Dat is maar bij wijze van spreken. Ik...’
‘Als jij een paar jaar jonger was zou je ze allemaal de baas zijn,’ zei Zenith bij zichzelf. Ze had een idee gekregen. Ze liep naar Jim, de bandleider, en fluisterde hem iets in zijn oor.
‘Natuurlijk,’ grijnsde hij, ‘voor de baas wel. Wat denk je van De Blauwe Donau?’
‘Zo oud hoeft het niet te zijn. Speel maar een gewone gezellige wals.’
‘Komt voor elkaar!’
Dadelijk veranderde de muziek van tempo.
De partners wisselden ook. Zenith zag hoe haar vader, aangemoedigd door de bekende muziek, opstond en op weg ging naar zijn verloofde.
Maar voordat pa er was gebeurde er iets. Brent kwam aanlopen en vroeg Zenith en toen ze omkeek zag ze dat Steve Forbuck met Carol danste. Dus bleef Helen voor pa over, wat Zenith prettig zou hebben gevonden, als Steve en Carol op dat moment niet langs waren gekomen. Ze dansten zo dicht tegen elkaar aan dat ze één geheel leken te vormen, éen paar armen, éen paar benen, éen ademtocht.
‘Zo zo,’ merkte Brent op en hij besloot hen na te doen.
Zenith trok zich terug en op dat moment stopte de muziek.
Ditmaal kreeg pa Carol. Brent kreeg Helen.
Zonder enig enthousiasme maar onvermijdelijk kwam Zenith in de armen van Steve Forbuck terecht.
Ze begonnen te dansen.