HOOFDSTUK 5
In de dagen die volgden, ging het leven verder alsof er zich geen enorme hoeveelheid water vanaf het boorplatform van Big Billy in beweging zette, alsof het overblijfsel van de laatste regens niet op weg was naar het zuiden. Het leven ging zijn gewone gangetje... fluiten bij het wisselen van de ploegen, vrouwen die vertrouwelijkheden uitwisselden bij school, bij het magazijn, waar ze elkaar ook tegenkwamen.
Zelfs de jaarlijkse Cooee Wedstrijd vond op dezelfde manier plaats als het jaar tevoren.
De Cooee was niet uitsluitend een inlandse traditie, het was overgenomen uit Queensland vanwaar trouwens de meesten van deze harde mannen afkomstig waren. De Wedstrijd bestond uit een Cooee (de roep van de Australische kolonisten) wedstrijd, veedrijversliedjes zingen, ook al was met de komst van de mijnbouwers, het vee noodzakelijkerwijs verdwenen, en het kookaburra lachen.
Maar Savage hield de wedstrijden, zelfs in het vooruitzicht van het water dat hen bedreigde en iedere avond oefenden cooee-roepers, de zangers of de kookaburra-lachers hun stemvolume vanaf Savages enige “hoge heuvel”, die de Wreck Mountain werd genoemd, een helling die zo onopvallend was dat nieuw aangekomenen er speciaal op moesten worden gewezen. De regels eisten dat de roep of de zang of de lach duidelijk te horen moest zijn vanaf vierhonderd meter afstand.
Kwaliteit telde ook. Het “coo” van de “cooee” moest een lange, muzikale toon zijn en het “ee” hoog en schel, het zingen moest zelfs het meest humeurige beest in slaap doen vallen en de kookaburra-lach moest haviken en kiekendieven doen opschrikken.
Om het geheel af te sluiten hadden de mijnwerkers een bierdrinkwedstrijd georganiseerd en de regerende kampioen daagde iedereen uit om een gigantisch glas in vier seconden te legen.
‘Het is walgelijk!’ barstte Carol uit.
'Ja, dat ben ik met je eens,’ zei Zenith, ‘maar het is maar eenmaal per jaar.
Carol zei niets, maar haar ogen vonkten.
Op een avond reed Zenith met de Roover naar een plek achter de Wreck Mountain om te luisteren naar de cooee-roepers, de zangers en de kookaburra-lachers die aan het oefenen waren, want de dag van de wedstrijd naderde.
Ze was intussen aan het terrein gewend alsof ze er geboren was. Zenith keek op haar dagteller en schatte dat ze ongeveer vierhonderd meter had afgelegd. Ze bracht de Rover tot stilstand. Doodstil bleef ze zitten.
‘Coo-ee!’ Dat was er een, maar niet erg duidelijk. Hij zou het niet winnen, dacht Zenith. Een zanger probeerde een paar noten, een kooka-burra schaterlachte, toen klonken de twee lettergrepen weer. Cooee! Nee, het was niet cooee, het was - wel verdraaid, het was Het was Zenith. Zenith!
Wat was dat voor onzin?
Zenith sprong met opeengeklemde lippen uit de jeep.
‘Zenith!’ Daar was het weer. En het klonk duidelijk. Te duidelijk. De vervloekte roeper riep dan wel niet het juiste signaal, hij had wel een paar goeie longen ‘Zenith!’
Zenith liep naar de rand van de Wreek Mountain en keek achterom. Ze keek vol walging. Er was maar een persoon van wie ze wist dat hij expres en zo brutaal zou roepen. Hoe durfde Steve Forbuck haar belachelijk te maken?
Op dat moment zag ze Steve te voorschijn komen uit een mulgabosje dat was ontsnapt aan de ontbossing waarmee het graven gepaard ging en ze begreep waarom ze hem zo duidelijk had gehoord. Hij had niet vanaf de vereiste vierhonderd meter afstand geroepen, hij had geroepen vanaf niet meer dan een meter of honderd. Ze had zich opgelucht moeten voelen dat haar naam niet over het hele terrein had geschald, maar ze werd alleen maar kwader dan ze al was. Die kerel, die verwenste kerel...
Hij kwam op haar toe lopen op die zelfverzekerde manier van hem, ervan overtuigd dat ze er nog wel zou zijn. Nou, hij zou op zijn neus kijken. Er was geen tijd om terug te lopen naar de jeep, hem te starten en weg te rijden, maar er was tijd om rechtsomkeert te maken en te verdwijnen in de tegenovergestelde richting.
Dat deed Zenith... precies zes passen.
Toen viel ze. Als ze tijd had gehad om erover na te denken, zou ze hebben gedacht dat ze er de laatste tijd nogal een gewoonte van maakte om te vallen.
Er was niet veel om te vallen, maar hoewel het een geringe helling was, verdween ze steil naar beneden en kwam in de modder terecht. Er moest een oude wurlie of drinkplaats in de buurt zijn geweest, want de steile helling was overdekt met zwarte drassige blubber.
Zenith tuimelde omlaag, kwam terecht in een moddermoeras, stuitte, viel in een tweede hoop blubber en bereikte ten slotte de onderkant, nog steeds modder. Ze bleef liggen, te vies van zichzelf om zich te bewegen. Het eerste dat haar opviel toen Steve Forbuck naar beneden kwam glijden was, afgezien van zijn grijns, dat hij schoon was gebleven. Waarom moest hij er zo onberispelijk uitzien? raasde ze. Ze probeerde rechtop te gaan zitten.
Maar ze was vergeten hoe modder kan zuigen. De modder zoog nu aan Zenith en hield haar gevangen. Misschien was ze in drijfzand terechtgekomen. Ze had nooit gehoord dat dat hier was, maar de mogelijkheid bestond. De gedachte dat ze zou wegzinken in de zwarte troep maakte dat ze begon te gillen.
‘Kalm aan,’ zei haar redder. ‘De wedstrijd is nog niet begonnen en als dat geluid is bedoeld om het vee in slaap te zingen...’ Steve Forbuck was bij zijn voorzichtige afdaling langs de modderplekken gekomen en hij sprak nu zelfverzekerd vanaf een droge plaats op een kleine meter afstand van Zenith. Hij stak zijn hand uit om haar naar de schone plek toe te trekken en hoewel ze het eigenlijk niet wilde, pakte Zenith zijn hand en aanvaardde ze zijn hulp. Ze was misselijk van al dat slijk.
Dat had ze zeker gemompeld, want hij schudde zijn hoofd. ‘Dat slijk had je redding kunnen zijn. Ja, dat meen ik. Er is hier een rotsbodem van scherp gesteente, maar dankzij die zachte modder ben je daar niet op terechtgekomen. Je mag die heerlijke blubber wel dankbaar zijn.’
‘Mijn kleren zijn naar de maan,’ snauwde ze, ‘en wie weet was het wel drijfzand, waar je in weggezogen wordt.’
‘Centimeter voor centimeter,’ vulde hij aan, ‘en je neus het laatst.’ Hij had om zich heen gekeken en waarachtig een droge tak gevonden, hoewel Zenith niet begreep waar. Hij gooide de tak in de modder waar hij haar zojuist uit had getrokken en wachtte. De tak bleef liggen waar hij lag.
‘Zie je, geen drijfzand,’ grijnsde hij. ‘En dus ook geen verdwijnende neus, wat in jouw geval..hij keek haar aandachtig aan... ‘niet lang zou hebben geduurd.’
‘Houd jij meer van gebeeldhouwde gelaatstrekken? Zoals die van Carol?’
‘Wat heeft zij hiermee temaken!’
‘Niets... ik bedoel...’
‘Je weet niet wat je bedoelt op dit modderige moment. Denk je dat je alweer naar boven kunt klauteren?’
‘Ja,’ zei Zenith, hoewel klauteren wel het laatste was waar ze zin in had. Ze was duizelig en ze had het gevoel dat ze een lichte hersenschudding had opgelopen.
Hij trok haar overeind. Maar toen ze onwillekeurig wankelde, liet hij haar weer zakken.
‘Leugenaarster,’ beschuldigde hij haar.
‘Geef me vijf minuutjes.’
‘Ik geef je de rest van mijn leven, Zenith.’ Of zei hij: de rest van je leven? Zenith wist het niet. Ze had haar ogen gesloten om de wereld om haar heen te laten draaien en de woorden waren niet duidelijk. Maar natuurlijk had hij gezegd de rest van je leven, haar eigen leven.
De reaktie liet niet lang op zich wachten. Langzamerhand kwam alles weer op zijn plaats.
Hij hielp haar klimmen maar toen ze de top hadden bereikt bracht hij haar niet naar haar jeep... hij was kennelijk komen lopen, want ze zag geen andere wagen... maar naar een kleine rotsspleet.
‘Water,’ wees hij, ‘schoon water. Ik denk dat je je wel zou willen wassen voor dat je terugging.’
‘Ja, dank je.’ Ze volgde hem naar het kleine bekken.
Maar toen ze er aankwamen, bleek het water te hoog voor haar en Steve haalde een grote zakdoek te voorschijn, maakte hem nat en begon haar eigenhandig te reinigen.
‘Het spijt me dat ik je al die moeite heb bezorgd.’ Zenith had het gevoel dat dat toch wel het minste was dat ze moest zeggen.
Steve Forbuck gaf niet dadelijk antwoord en als Zenith hem had aangekeken, zou ze niet hebben geloofd wat ze zag: tederheid. Maar Zenith keek de andere kant op.
‘Ja,’ zei de man, ‘het was een heleboel werk.’ Hij hield even op met vegen. ‘Waarom?’
‘Waarom?’ vroeg ze.
‘Waarom liep je van me weg, Miss Smith, want daardoor viel je.’ ‘Ik - ik wilde je niet zien.’
‘Waarom, nogmaals?’
Zenith staarde sprakeloos voor zich uit, zich plotseling bewust van iets, waarvan ze zich niet bewust wilde zijn, maar - ze wist het. Ze was weggelopen omdat - omdat ‘Ik wacht,’ zei Steve Forbuck grimmig.
Maar Zenith gaf geen antwoord. Hoe kon ze antwoord geven? Hoe kon ze tegen deze man zeggen: ‘Ik wilde je niet zien omdat je hier tegelijk met Carol bent aangekomen en niets zal me ervan overtuigen dat dat niet de bedoeling was. Als het Carols bedoeling was, dan blijkt dat ze pa om de tuin leidt en hoewel ik dat niet erg zou vinden, want ik mag haar niet, wil ik niet dat pa verdriet wordt gedaan. Maar als jij Carol bent achterna gekomen -’
Dan doe je mij ook verdriet.
Zenith huiverde. Het was alsof iemand anders de woorden voor haar hadden gezegd en de betekenis ervan schokte haar. Net zoals ze geschokt was geweest toen Derek haar had gevraagd of er iemand was die haar in Savage zou laten blijven tijdens een overstroming.
‘Loopt er iemand over je graf?’ Steve zei het onverschillig. ‘Is het zo moeilijk om een eenvoudige vraag te beantwoorden?’
‘W-wat vroeg je me eigenlijk?’
‘Dat weet je verdraaid goed, kleine leugenaarster. Ik vroeg je waarom je me niet wilde zien.’
‘Ik denk omdat ik liever iemand anders wilde zien.’
‘Davis?’
‘Nee.’
‘Wie dan?’
‘Dat weet ik niet. Kunnen we nu teruggaan?’
‘Het is jouw wagen,’ schokschouderde hij.
‘Ben jij komen lopen?’
‘Ja.’
‘Kan ik je dan een lift geven?’
‘Nee.’
‘Wil jij mij dan terugrijden? Ik ben nog steeds een beetje bibberig.’ Steve Forbuck keek Zenith aan. ‘Zo’n erge val was het niet.’
‘De modder -’ begon ze.
‘Van modder is nog nooit iemand van streek geraakt. Nee, Zenith, ik geloof dat je al eerder uit je doen was.’
‘Uit mijn doen?’ echode ze.
‘Uit je doen voordat je bij de Wreck Mountain was. Je was niet jezelf, hoewel ik niet weet hoe je wel bent als je jezelf bent. Hoe dan ook, die valpartij was alleen maar het bewijs. Zijn er dingen die je uit je evenwicht brengen?’
‘Nee. Mensen.’
‘Jij bent ook een mens. Ik zou wel eens willen weten wat voor soort mens je vroeger was.’
‘Een gewoon mens.’ Ze schokschouderde.
‘Met zo’n bijzondere naam als Zenith? O, nee.’
‘Ik denk dat mijn ouders erg blij met me waren,’ verklaarde Zenith haar naam.
‘En nu is een van hen er niet meer,’ zei hij zacht.
‘Ik kan me haar niet meer herinneren,’ zei Zenith. ‘Maar ik ben altijd trots geweest op mijn naam en blij om pa’s geluk. Tenminste, pa’s geluk totdat -’
‘Totdat?’
Maar Zenith had haar lippen op elkaar geklemd.
‘Je kunt niet op je herinneringen blijven leven,’ zei Steve Forbuck en Zenith wist dat hij op haar vader doelde en wat hem na zo veel jaren was overkomen.
‘Dat verlang ik ook niet van pa,’ verdedigde ze zichzelf, ‘ik heb nooit gewild dat pa eenzaam was, maar ik wilde niet dat - en ik wil nog niet dat -’ Weer klemde ze haar lippen op elkaar.
‘Je wilde geen Carol?’
‘Nee.’
‘Was er iemand anders die je wel wilde?’ vroeg hij scherpzinnig. ‘Ja.’
‘Aha. Dan hebben we samen iets gemeen: een wens.’ Hij zei het onverwacht en Zenith draaide zich om en keek hem aan.
‘Een wens?’ vroeg ze.
‘Ja.’
‘Dus je bent Carol achterna gekomen?’
‘Nee.’
‘Je zei net -’
‘Ik zei dat we allebei een wens hadden. Trouwens’... ongeduldig... ‘je weet dat Carol na mij is gekomen.’
‘Maar je wist dat ze zou komen, dus zorgde jij dat je er al was.’
‘Nee. Verdraaid nog aan toe, daar hebben we het toch allemaal al over gehad?’
Maar Zenith luisterde niet naar hem.
‘Als pa Carol wil hebben,’ zei ze kwaad, ‘laat hem dan. O, ik geef toe dat ik haar niet mag, maar als pa -’ Maar terwijl ze het zei herinnerde ze zich haar vaders vriendelijke weigering om halsoverkop te trouwen.
‘Ik ga terug,’ zei ze ineens. ‘Als je mee wilt, kun je mee, zo niet ‘Ik loop wel,’ antwoordde Steve.
Zenith stapte in en reed weg.
Ze slaagde erin onopgemerkt het huis binnen te komen. Ze ging naar de badkamer en verwijderde de modder die niet door Steve was weggeveegd. Tegen de tijd dat ze klaar was en ze zich had verkleed was het tijd om naar de kantine te gaan, want het was nu een gewoonte geworden om buitenshuis te eten. Derek pakte de meisjes bij de arm en ze wandelden naar Jake.
Het was weer dansavond en intussen wist het orkest dat het niet te snel moest spelen voor de baas. Derek en Carol walsten langs, zo dicht tegen elkaar dat Zenith zich afvroeg of haar vader van gedachten was veranderd wat de trouwdatum betrof en of hij het zelfs al zou aankondigen als het nummer was afgelopen en ze allemaal waren gaan zitten. Ze bewoog zich onrustig in Brents armen en hij verstevigde zijn greep. Hij was weer de oude Brent, attent, bezitterig en toegewijd. Uiteindelijk, dacht Zenith wreed, was ze de dochter van de baas, dus een veiliger gok voor een eerzuchtig jongmens dan de aanstaande vrouw van de baas.
‘Zenith, ik hoop niet dat je denkt dat ik je de laatste tijd heb verwaarloosd,’ zei Brent in Zeniths oor.
‘Me verwaarloosd?’
‘Het komt door die vervloekte overstromingszaak. Het heeft moeilijkheden te weeg gebracht.’
‘Zoals jouw vertrek?’
‘O, hemeltje lief, nee, ik zou er niet over peinzen het zinkende schip te verlaten.’
‘Het zinkt niet,’ zei Zenith scherp.
‘Je weet wat ik bedoel en met die problemen bedoelde ik zakelijke problemen. Ik moet de zaken regelen voor degenen die van plan zijn weg te gaan.’
‘Zijn het er veel?’
‘Niet één,’ moest Brent toegeven. ‘Er is zelfs niet naar de mogelijkheid geïnformeerd. Maar de gezinnen gaan er natuurlijk over denken en aangezien Savage voor het grootste deel uit gezinnen bestaat -’ ‘Ik begrijp al dat mijn kleuterschool niet meer nodig is,’ zei Zenith spijtig.
‘Dat betekent toch niet dat jij van plan bent weg te gaan?’ vroeg Brent ongerust.
‘Nooit.’
‘Dan ga ik natuurlijk ook niet.’
‘Brent, waarom “natuurlijk”?’
Een tedere blik van Brent die volgens Zenith helemaal niet bij hem paste. ‘Dat zul jij toch wel weten?’
‘Nee, en zeker niet sinds de laatste tijd.’
‘Dan heb je dus toch gemerkt dat ik - niet zo attent was,’ merkte Brent op.
‘Nee, maar ik heb wel gemerkt dat je veel aandacht had voor Carol.’ ‘Dat kan ik uitleggen -’ begon hij.
‘Alsjeblieft niet, Brent, ik weet al wat je gaat zeggen. Nieuw meisje. Nieuw gezicht.’
‘Dat wilde ik niet zeggen,’ zei Brent stijfjes. ‘Ik vond natuurlijk dat ik, als vervanger van je vader -’
‘Dat is Helen,’ bracht ze hem in herinnering.
‘Dan als zijn rechterhand.’
‘Dat is Steve Forbuck.’ Zenith herhaalde wat Derek Smith had gezegd.
‘Ik dacht natuurlijk dat ik als boekhouder er juist aan deed eindigde Brent.
Zenith hoorde hem niet, ze was in gedachten verzonken. Plotseling vroeg ze: ‘Hoe belangrijk is een mooi gezichtje, Brent?’ Ze wilde ineens weten hoe mannen, afgezien van pa, Carol zagen.
Maar Brent was nu op zijn hoede.
‘Dat zou je onze nieuwe man moeten vragen, Mr. Forbuck. Vraag waarom hij hier is.’
‘Om te werken natuurlijk,’ antwoorde Carol voor Steve.
‘Terwijl we geen mensen meer aannemen? Ja, dat is waar. Zodra Mr. Smith merkte dat er mogelijk een watercrisis op komst was, zijn we gestopt met het aannemen van nieuwe mensen. Toch is Forbuck gekomen.’
‘Hij zou hier niet zijn als pa het niet wilde en hij zal de juiste papieren hebben.’
‘Ook de juiste bedoeling? Maar wat voor bedoeling? Zou het cherchez la femme zijn, denk je?’ Brent keek haar sluw aan.
‘Je spreekt het slecht uit, Brent,’ zei Zenith koud. Ze had er genoeg van. Ze had zelfs ook het gevoel dat Steve Forbuck Carol was achterna gekomen, maar ze deinsde terug voor Brents uitleg.
De muziek stopte en ze gingen zitten.
De rest van de avond... nee gelukkig, pa kondigde niets aan... bleef Zenith Brents cherchez la femme horen.
Kijkend naar het betreffende paar, naar Steve en Carol, moest Zenith er aan denken. Ze zaten naast elkaar aan de tafel voor zes personen en Steve Forbuck wierp Carol lange raadselachtige blikken toe, die volgens Zenith niet raadselachtig waren voor Carol. Ze drukte haar nagels in de palmen van haar hand en kreunde.
De ochtend van de Cooee Wedstrijd brak aan en het was net zo warm als anders. Regen kwam hier bijna niet voor, sommige kleine kinderen hadden zelfs nooit regen gezien en zouden waarschijnlijk verschrikt beginnen te huilen als het ging regenen. En toch, peinsde Zenith, werd Savage nu voorbereid, zoals pa en Steve zeiden, op een overstroming.
Toen Carol naar buiten kwam, was ze een plaatje in het wit. ‘Goed,’ zei ze kwaad, ‘omdat ik nu toevallig in de wildernis zit hoef ik er niet uit te zien als een wilde.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Maak dat zelf maar uit.’ Carol schokschouderde, maar haar blik op Zeniths spijkerbroek maakte haar eigen uitleg erg duidelijk.
‘Waarom ga je niet weg voordat het water komt?’ vroeg Zenith.
‘Komt het dan?’
‘Het is mogelijk, dus waarom -’
‘Waarom bemoei je je niet met je eigen zaken?’ snauwde Carol.
‘Neem me niet kwalijk, Carol, maar als je het hier zo erg vindt, waarom blijf je dan?’
‘Dat zal ik je laten weten,’ zei Carol liefjes, ‘in Sydney.’
‘Ik ga niet naar Sydney.’
‘Bang dat je vader iets zal doen zonder dat jij erbij bent om hem raad te geven?’
‘Ik geef pa nooit raad. De besluiten die hij neemt, neemt hij zelf. Wat dat betreft interesseert het je misschien dat ik hem zelfs heb aangeraden op te schieten.’ Stilte. ‘Met jou.’
‘Het interesseert me. Komt het door Brent of door Steve, dat je zo zenuwachtig bent?’
‘Ik wil alleen maar dat pa gelukkig wordt en als dat geluk betekent dat hij met jou -’
‘O, bespaar me dat romantische gekwezel. Gaan we nog naar dit boerenfestijn of niet?’
‘We gaan.’ Zenith slikte een scheldwoord in. ‘Je moet je helm opzetten. Alleen de deelnemers aan de wedstrijd buiten Savage hoeven ze niet op, de rest blijft in het gebied waar Ze hield op. Carol had haar gele helm waarschijnlijk al klaargelegd want ze zette hem uitdagend op. Zenith draaide zich om en liep naar de jeep met Carol in haar kielzog.
‘Pa is er al,’ zei ze toen ze wegreden. Ze was bijna in tranen.
Maar in de stad waren er geen tranen. Zoals dat gaat met mensen die weinig amusement hebben, wordt een evenement, hoe eenvoudig het ook is, belangrijk en erg leuk. Heel Savage was er en het laatste dat je voor deze mensen zou verwachten was het vooruitzicht van een overstroming.
Jeeps, volgeladen met deelnemers gingen op weg naar de Wreek Mountain vanwaar ze hun cooees zouden roepen, hun slaapliedjes voor het vee zouden zingen, hun vogelimitaties zouden doen. Tot haar schrik zag Zenith Steve Forbuck erbij. Zou hij -Ze liep erheen.
‘Mr. Forbuck begon ze.
Hij draaide zich met een ruk om en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Goeie hemel, hier zijn we, vijfhonderd kilometer van de bewoonde wereld en de dame spreekt me aan met Mr.!’
‘Steve,’ zei ze met moeite en hij grijnsde, ‘je doet toch niet mee met de wedstrijd, hè?’
‘Zeker wel. Ik ben voor deelname van iedereen, jij niet?’
‘Ja, maar -’
‘Waarom doe jij dan niet mee? Ik had gedacht dat jij toch wel had ingeschreven voor het zingen. Dat zou een goeie oefening zijn voor later.’ ‘Later?’
‘Als je zelf een gezin hebt en je de kinderen in slaap moet zingen.’ ‘Erg grappig,’ antwoordde Zenith stijfjes.
‘Als grappen je specialiteit zijn, doe dan tenminste mee met ezeltje rijden.’
Zenith beet op haar onderlip. ‘Ik wil je iets vragen,’ zei ze.
‘Vraag maar.’
‘Doe je mee met het eerste onderdeel?’
‘Ja.’
‘Met het cooee-roepen?’
‘Ja.’
‘En je - ik bedoel -’ aarzelde ze.
‘Miss, de wedstrijd is voor signaalroepen. Daar maak je je zorgen over, hè?’
‘Nou, ik zou het niet leuk vinden als ik mijn naam hoorde rondschallen,’ bekende ze.
‘Zelfs niet een naam als Zenith?’
‘Juist niet zo’n naam als de mijne. Als het nou Jean was of Joan, zou het ook iemand anders kunnen zijn, maar Zenith -’
‘Het hoogtepunt en jij maakt bezwaren!’
‘Alleen tegen “Zenith” dat vanaf de Wreek Mountain wordt geroepen.’
‘Dan heb je een verkeerde naam,’ verzuchtte hij.
‘Hoe dan ook, je moet niet -’
‘Ik ben deelnemer en ik zou direkt uitgeschakeld worden.’
‘Bedankt.’
‘Nee, bedank de regels van de wedstrijd - en bedank je gebrek aan fantasie.’
‘Dat zal ik doen.’ Zenith liep bjj hem vandaan.
Ze hoorde de cooee-wedstrijd niet, ze maakte zich nuttig bij de afdeling verfrissingen en sloot haar oren voor de kreten, wat niet moeilijk was temidden van het geroezemoes. Ze hoorde later dat een van de mijnwerkers had gewonnen. Het zingen was zo goed geweest dat heel wat moeders hadden verteld dat hun kinderen direkt in slaap waren gevallen.
Alleen het bierdrinken bleef over en omdat ze daar niet naar wilde kijken, sloop Zenith weg en begon ze terug te lopen naar het huis van de baas.
Plotseling hoorde ze stappen achter zich, stappen die haar inhaalden. Ze hoefde niet te turen in het maanlicht, ze kon duidelijk zien. Steve Forbuck was haar achterna gekomen.
‘Doe je niet mee aan het laatste onderdeel?’ vroeg ze koel.
‘Het ziet er niet naar uit, hè?’ antwoordde hij vrolijk.
‘Ik dacht dat je dat wel had willen winnen.’
‘O, ik heb niet verloren,’ verzekerde hij haar. ‘Verre van.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Als ik dacht dat je het kon begrijpen zou ik het je wel vertellen.’
‘Als je het over Carol hebt -’
‘Ik zei toch al dat je het niet zou begrijpen. Maar laat dat nu rusten en ga mee.’
‘Waarheen?’ vroeg ze.
‘Naar beneden. Wees maar niet bang, er overkomt je niets.’
Hij trok haar mee, maar voordat ze kon terugtrekken was hij blijven staan en hield haar ook staande. Hij knielde en dwong haar ook te knielen. Ze maakte een protesterend geluidje, probeerde zich los te rukken en hijgde toen zijn hand de hare pakte en hem in iets kouds en nats duwde.
Het was water...