HOOFDSTUK 11
Zenith was half verdronken tegen de tijd dat Steve Forbuck haar bereikte. Het water was niet zo diep, maar elke keer als er een zuigende kolk ontstond sloeg het water over haar heen. Ze viel voorover en kreeg grote hoeveelheden modderwater naar binnen. Toen ze bovenkwam, slikte ze en hapte ze naar adem.
Steve ving haar op en droeg haar de trap op. Maar hij bracht haar niet naar het slaapvertrek. In plaats daarvan deed hij de deur van een van de kantoren open en installeerde haar op een stoel.
Hjj bleef een ogenblik naar haar staan kijken, verdween en kwam pal daarop terug met een arm vol handdoeken. Hij knielde naast haar neer en begon haar drijfnatte pyjama los te knopen.
‘Nee,’ bracht Zenith zwakjes uit.
‘Ja,’ zei hij vastberaden en voordat ze had kunnen protesteren begon hij verwoed te wrijven om haar bloedsomloop weer op gang te brengen. Hij had ook een mannenpyjama meegebracht die hij haar aantrok en dichtknoopte. Hij was belachelijk groot, maar ze zeiden er geen van beiden iets over.
Nu droogde hij haar haren, wreef met de handdoek over de natte slierten. Toen hij tevreden was, kamde hij het en bond het uit haar gezicht met een elastiekje. Ten slotte bracht hij haar een kop thee, thee waarin niet alleen melk en suiker was gedaan.
Hij wachtte tot ze het had opgedronken en zei toen: ‘En?’
‘Het spijt me.’
‘Ik moet mijn leven voor je wagen en dan zeg je alleen maar: Het spijt me.’
‘Ja, het spijt me, Steve. Maar ik heb alleen maar mijn eigen leven op het spel gezet, het water kwam jou niet verder dan tot je knieën.’
‘Je hebt me doodsangsten laten uitstaan. Toen je riep en toen ik je zag, dacht ik dat het afgelopen was.’
‘Ik zie dat je wacht op een verklaring,’ zei Zenith. ‘Die heb ik helaas niet, ik was in het oude huis gaan slapen.’
‘Uit sentimentaliteit?’
‘Ja.’
‘Kleine leugenaarster, je bent erheen gegaan omdat je mij wilde uitdagen.’
‘Ik geloofde je niet,’ zei Zenith.
‘Je zei dat je me wel geloofde.’
‘Dat weet ik wel, maar eigenlijk geloofde ik je toch niet.’
‘Nu wel?’
‘O. ja. Toch begrijp ik nog niet dat het water zo’n kracht heeft. Jij zei dat het zou komen binnensijpelen. En nu dit!’ Zenith huiverde.
‘Als het water ergens heen gaat, moet het ergens vandaan worden gestuwd en dat was juist op de plek waar jij stond. De bron was het kleine lek dat ik je heb laten zien. Op die plaats heeft het onderaardse stelsel het begeven en daar is de gezwollen ondergrondse rivier naar boven gekomen.’
‘Dus het is niet de grote slang die met rivier en al naar boven komt?’ Hij grinnikte even, werd toen weer enstig.
‘Hoe komt het toch, Zenith,’ vroeg hij toen, ‘dat je je verzet tegen alles wat ik zeg?’
Ze gaf geen antwoord, ofschoon ze had kunnen zeggen: ‘Omdat ik in de verdediging ben, want ik wil niet gekwetst worden op de manier waarop pa waarschijnlijk gekwetst zal worden door Carol, op de manier waarop mensen die van iemand houden gekwetst worden..Maar ze hield toch niet van... ze kon toch niet... ze had een hekel aan deze man!
Hij liep naar het raam en deed het open. ‘Kom eens kijken!’
Zenith stond op, bond het koord van de pyjama stevig om haar middel en kwam naast hem staan. Het was nog wel donker, maar het begon snel lichter te worden.
‘O!’ Ze zuchtte ongelovig.
De aanblik van Savage was zo totaal anders geworden dat ze het gevoel had dat ze die nacht heimelijk naar een andere plek was overgebracht. Voor zover ze kon zien, was er water dat in het licht van de morgenzon snel veranderde in kleverige modder. Die zon was het meest verbazingwekkende, vond Zenith. Als het had geregend, zou het allemaal nog te begrijpen zijn geweest.
Ze draaide zich om en keek langs de heuvel naar beneden naar hun huis. Het water was gestegen tot de vensterbanken.
‘Je zou verdronken zijn, zie je wel,’ schokschouderde Steve.
‘Maar het kan toch niet overal zo diep zijn.’
‘Nee, alleen op de laagste gedeelten.’
‘En in de Groeve?’
‘Natuurlijk staat er water in alle groeven.’
‘Voor hoe lang?’
‘Dat zal de tijd ons leren. Genoeg gezien? Dan terug naar jouw kant en aankleden.’
Zenith liep op haar tenen naar het slaapgedeelte, zag dat de twee andere vrouwen nog sliepen en kleedde zich haastig aan.
Ze was net klaar toen Helen haar ogen opendeed, naar buiten keek en Zenith een verbaasde blik toewierp. Zenith knikte bevestigend.
Maar Carol was niet zo zwijgzaam toen ze wakker werd. Het kon niet... het kon gewoon niet...
‘Het is zo,’ zei Zenith nuchter. Ze wachtte op Carols reaktie.
Carol kleedde zich snel aan en ging op weg naar de kantine. Helen had al voor thee en geroosterd brood gezorgd en de drie mannen zaten aan tafel te praten. Carol keek eerst naar Derek, toen naar Brent. Ze keek geen enkele maal naar Steve.
Op dat moment keek Brent op. Zenith zag dat hij heel even knipperde met zijn wimpers. Het volgende ogenblik liep Carol naar Derek Smith toe en gaf hem een kus op zijn voorhoofd.
‘Goedemorgen, schat.’
‘Goedemorgen, liefje.’ Dereks stem klonk een tikkeltje verbaasd. ‘Je ziet eruit als een bloem.’
‘Dank je, Derek,’ glimlachte ze.
‘Ik hoef niet te vragen of je vannacht hebt geslapen... iets wat ik tussen twee haakjes niet aan mijn dochter hoef te vragen. Zenith, je ziet eruit alsof je door de mangel bent gehaald.’
‘Ja, het water moest eruit,’ zei Zenith wrang.
Voordat Derek iets had kunnen zeggen, viel Carol hem in de rede: ‘O, ja het water. Overal water. Hoe is het in de groeven, Derek?’
‘Dat kan ik je nog niet vertellen, kindje.’
‘Maar je vertelt het toch zodra je het weet, hè? Wat belangrijk voor jou is, is belangrijk voor mij.’
‘Jij bent het belangrijkste voor mij, Carol,’ zei Derek.
Zenith kon het niet meer verdragen. Ze liep weg.
Tijdens de lunch keek Steve Forbuck Zenith vanaf de andere kant van de tafel aan en zei: ‘Ik ga naar het kamp. Wil je mee?’
‘Kunnen we er wel komen?’ vroeg Zenith.
‘Dat zullen we moeten proberen, maar ik denk dat we in elk geval een heel eind kunnen komen. Het belangrijkste is of we terug kunnen.’ Tot op dat moment had Carol geen belangstelling getoond. Ze wist, zoals ze allemaal wisten, dat er ergens in de rimboe een stam woonde en dat Steve daarin geïnteresseerd was. Carol bemoeide zich niet met het gesprek tot Steve eraan toevoegde: ‘Met hen.’
Carol legde haar mes en vork met veel gekletter neer.
‘Met wie?’
‘Vier oude mannen, een stuk of acht lubra’s en twaalf kindertjes, is het niet, Zenith?’
‘Precies,’ zei Zenith. Ze legde ook haar bestek neer en begon er plezier in te krijgen.
‘Waar breng je ze naartoe?’
‘Hierheen, waar anders?’
‘Je kunt ze hier niet naartoe brengen, er is nergens plaats.’
‘De veranda,’ merkte Zenith op.
‘Het zijn mensen die gewend zijn in de rimboe te leven, ze gaan dood als ze daar niet blijven.’
‘Ze gaan dood als ze er wel blijven.’
Derek mengde zich in het gesprek.
‘Die mensen moeten hierheen komen, liefje. Ze zullen ons heus geen last bezorgen.’
Carols blik was op haar bord gericht. Ze had het moeilijk. Toen slikte ze en met een zwak lachje zei ze: ‘Als jij het zo wilt.’
Pas toen Zenith en Steve hobbelend in de jeep op weg waren naar het kamp permitteerden ze zich de luxe om in lachen uit te barsten.
Naarmate ze verder de rimboe in kwamen, werd het duidelijk dat het kamp niet langer kon liggen waar het tevoren had gelegen. Elke omwenteling van de wielen ging moeizamer en op een gegeven moment kwam het water bijna tot aan de wieldoppen.
‘We moeten proberen de rest te voet af te leggen,’ schokschouderde Steve. ‘Maar eerst zal ik de wagen draaien.’ Hij zocht een droger gedeelte en na een reeks moeilijke manoeuvres slaagde hij erin de jeep te keren.
Zenith stapte uit. De modder reikte tot aan haar kuiten. Het was niet gevaarlijk, maar vermoeiend. Geen van beiden verspilde energie door te praten, ze ploeterden moeizaam verder in de richting van het kamp. Onderweg wilde Zenith een paar maal vragen of Steve de weg kwijt was. Hij scheen te voelen wat ze wilde zeggen. ‘Het lijkt langer, omdat het ons meer moeite kost,’ zei hij. ‘Elke stap die we doen, staat gelijk aan zes passen op droge grond.’
‘Waar denk je dat ze zitten?’
‘Beslist niet in het kamp. Nee, ik denk dat we de arme sukkels tegen zullen komen, terwijl ze op de vlucht zijn.’
‘En ze zullen nog een eind moeten lopen, want we kunnen er niet veel meenemen in de jeep.’
‘Nee,’ was Steve het met haar eens. Hjj keek Zenith aan met een onverwachte glimlach.
‘Natuurlijk hebben de moeders met kinderen mijn plaats nodig,’ zei ze.
‘En een aanstaande moeder?’
‘Zeker, als de lijfwacht het toestaat.’
‘Dat denk ik wel,’ zei Steve.
‘Zouden ze ook een andere kant uitgegaan kunnen zijn?’ vroeg Zenith plotseling.
‘Alleen deze kant. Het is de enige weg die niet onder water staat, tenminste, niet zo erg, en ze zullen geen keus hebben gehad. Ik denk zelfs dat ze op weg naar ons zijn om hulp te vragen.’
Bij de volgende bocht werden Steves woorden bewaarheid. In een trieste optocht kwam de stam op hen toe lopen, de oude mannen voorop, gevolgd door de vrouwen, de kinderen achteraan. Ze holden niet op hun redders toe, ze glimlachten niet en ze riepen niet. Maar de oudste man hief zijn arm op in een groet die Zeniths hart verwarmde, net zoals Steve’s glimlach van zopas had gedaan.
Ze installeerden zo veel mogelijk mensen in de jeep en Steve reed weg met zijn lading.
Achter hem en bijna in hetzelfde tempo, want de weg was nu vrijwel onbegaanbaar voor een voertuig, kwamen de anderen - en Zenith. Zenith hand in hand met een naakt peutertje en toen het kleine ding zonder huilen voor de derde maal in de modder viel tilde ze het jongetje in haar armen en droeg hem verder.
Toen ze bij de barakken aankwamen, liepen Helen en Derek naar buiten om hen te begroeten.
Maar Carol en Brent waren binnen gebleven.