HOOFDSTUK 6
‘Water!’
Zenith zei het ademloos, ongelovig. Er was geen water in Savage, zelfs niet onderin de groeven. Maar hier... en ze voelde voor de tweede maal... kwam het water uit de grond, nog maar met kleine beetjes tegelijk, maar het was een aanhoudende stroom. ‘Dat kan niet,’ fluisterde ze.
‘Het is er toch en het is gekomen zoals ik zei dat het zou komen - via een onderaardse rivier. In oude gebieden als dit is dat niet ongewoon. Soms kan zo’n onderaardse rivier buiten zijn oevers treden. Dat heeft deze gedaan. De stuwing komt voort uit de terugtrekkende overstroming rond Big Billy. Het extra water dat moet worden afgevoerd was net te veel van het goede en toen is er dit gebeurd.’ Hij knikte naar de nieuwe bron.
Het was ook te veel voor Zenith. Ze bleef op haar knieën zitten en smeekte: ‘Wil je me alsjeblieft meer vertellen, Steve?’
Ze zag zijn gezicht in het gele maanlicht en het was een ernstig gezicht. Hij voelde nog eens aan het water en zei: ‘Ik heb dit onderwerp op de universiteit bestudeerd.’
‘Onderwerp?’ vroeg ze.
‘Hydrologie, dat wil zeggen, kennis van het vloeibare water in de aarde. Ik was er vrij goed in - zo goed dat toen je vader de overheid om iemand vroeg die verstand van zaken had en de overheid mij aanbeval, ik niet zo veel valse bescheidenheid had dat ik de baan aannam.’
‘Heeft pa daarom gevraagd?’
‘Derek Smith heeft verstand van erts. Hij wist dat er in dit terrein dingen aan het veranderen waren - wat nattigheid hier, wat vocht daar, minder droogte dan de voorgaande jaren. Dus bood hij mij de baan aan en ik ben gekomen.’
‘Brent Davis gaf een andere reden,’ zei Zenith. ‘Hij zei dat de reden voor jouw komst was - cherchez la femme.’
‘Ja, echt iets voor Brent om dat te zeggen... en hij wist niet dat hij bijna bij de waarheid was.’
‘Bijna bij de waarheid?’
‘De baan was een uitdaging... maar er was iets anders ook.’
‘Ik denk dat je bedoelt iemand anders.’
‘Je hebt me gevraagd hierover te praten.’ Hij wees naar de bron. ‘Ja. Sorry. Ga verder.’
‘Die dag op de Wreck Mountain was ik op zoek naar water, niet naar jou. Ik was al tot de konklusie gekomen dat er drie plaatsen waren waar de onderaardse rivier buiten zijn oevers zou kunnen treden, daar, hier en -’
‘En?’
‘Later. Ik had gelijk wat de Wreck Mountain betrof - dat weet je nu omdat ik daar je gezicht heb gewassen. Nu heb ik bewezen dat ik hier ook gelijk had.’
Het bleef even stil.
‘Wat gaat er gebeuren?’ vroeg Zenith ten slotte.
‘Afgaande op het gevonden bewijsmateriaal wordt het niet meer dan een onschuldige overstroming. Maar de derde plek baart me zorgen.’ ‘Je bedoelt dat je de derde plek al hebt gevonden?’
‘ Ja. Klein, maar sterker. Tot ik zeker weet hoe het zich gaat ontwikkelen, moet alles onder ons blijven. Een wilde vlucht uit Savage is wel het laatste waaraan we behoefte hebben.’
Ze keek hem aan in het gele maanlicht. ‘Je meent het echt, hè?’ ‘Ja.’
‘Dan spijt het me, maar ik kan je, om je de waarheid te zeggen, niet geloven.’
‘Geloof je je vader ook niet?’
‘Ik weet zeker dat vader niet zo ongerust is.’
‘Dan zou ik nog maar eens goed nadenken, Miss Smith... maar blijf niet te lang nadenken.’
‘Heb ik nog tijd om thuis te komen voordat ik moet zwemmen?’ vroeg ze.
‘Je weet dat ik zoiets niet bedoel, je weet dat ik het erover heb dat, als het gebeurt, Savage systematisch moet worden geëvacueerd.’
‘Dat zijn grote woorden voor een waterman!’ spotte ze. ‘Trouwens, daar zorgt Brent Davis voor. ’
‘Tot nu toe alleen nog op papier. Zenith, luister naar me: er moet een begin worden gemaakt.’
‘Maar je had het over een onschuldige overstroming.’
‘Uitgaande van die twee plekken. Maar ik maak me zorgen over de derde. Er moet iets worden gedaan, maar zonder paniek. Paniek is het laatste dat we ons kunnen veroorloven. Hoe kan ik je ervan overtuigen dat we moeten opschieten, maar dat we het geleidelijk moeten doen?’
‘Dat kan je niet,’ antwoordde ze, ‘en nu ik weet dat het nog veilig kan, ga ik naar huis.’
Het bleef stil, alleen het regelmatige druppen van het water vestoorde de stilte.
‘Veilig wat dat betreft,’ was Steve het met haar eens, ‘maar wat dit aangaat?’
Zijn plotselinge snelle sprong verraste Zenith volkomen. Het ene ogenblik zat ze naast hem geknield, het volgende was ze hulpeloos in sterke armen geklemd en de greep werd steviger, hij hield haar volkomen gevangen, zodat ze haar evenwicht verloor en op de grond tuimelde. Ze voelde meer dan ze zag dat hij met haar mee naar beneden ging.
Nu hadden zijn armen haar losgelaten en hij pakte haar gezicht tussen zijn handen en kuste haar. Zenith had weg kunnen gaan want hij hield haar niet langer gevangen en zijn liefkozing was slechts een streling van zijn lippen, maar ze bewoog zich niet, ze kon het niet. Ze voelde dat hij zijn vingers door haar haren haalde, en verder gleden naar haar oogleden, oren, nek, hals. Vlakbij hoorde ze het water zachtjes borrelen, ze voelde de koude nattigheid van de aarde onder zich.
‘Het is een andere wereld.’ Ze hoorde het alsof hij heel ver weg was. ‘Het is de wereld die ik de afgelopen paar weken heb onderzocht, een wereld zo oud als de schepping zelf. Het is een primitieve wereld, een droomwereld, het is niet het heden, en ook niet gisteren, het is miljoenen jaren geleden en jij, vrouw, maakt een oermens van me.’
Zijn lippen kwamen neer op de hare en het was ditmaal geen liefkozing, geen streling, het was een kus. Plotseling, net zo instinktmatig als hij kuste Zenith hem terug. Enkele sekonden lang, die een eeuwigheid leken, bleven ze liggen in eikaars armen, toen, met een kreetje, maakte Zenith zich los.
‘Ben jij hypnotiseur of zoiets?’ vroeg ze verward.
‘Zoiets.’ Hij was overeind geklauterd en stak zijn hand uit die ze negeerde.
‘Mijn verontschuldigingen.’ Zijn stem klonk droog. ‘Kun je terugzwemmen?’
Ze gaf geen antwoord, ze holde de heuvel op om aan hem te ontsnappen en pas toen ze bij het huis van de baas was aangekomen, merkte ze dat hij haar niet was gevolgd. Ze bleef even op de veranda staan. In het donker hoorde ze stappen komen uit de richting van de gemeenschapszaal en ze wist dat het haar vader en Carol waren.
Ze holde de hal door en had haar licht al weer uitgedaan eer ze binnenkwamen.
‘Zennie zal wel moe geweest zijn,’ hoorde ze haar vader meelevend zeggen.
‘Dat verbaast me niet. ’
Dadelijk gingen hun lichten ook uit. Zo ging het altijd. Het was niet goed, zelfs lente en herfst geliefden.
In de diepe schaduwen van de kamer brandden Zeniths wangen. Ze dacht aan een primitieve man en een primitieve vrouw. Wat zal hij wel van me denken? Ze voelde aan haar brandende wangen.
Maar het bleek dat hij ook aan zichzelf dacht, ’s Morgens overhandigde haar vader Zenith een envelop.
‘Brief onder de deur voor jou, Zennie.’ Hij was niet geïnteresseerd, maar Carol, die in een oogverblindend négligée naar buiten was gekomen, keek nieuwsgierig naar de brief.
Zich bewust van haar nieuwsgierigheid nam Zenith de brief mee naar binnen en maakte hem open.
‘Na gisteravond moeten we er nog eens wat dieper op ingaan. Vrouw, ik zie je na afloop van mijn werk.’
Hij zette er geen handtekening onder, zelfs geen initialen. Echt iets voor hem, dacht Zenith.
Ze ging er niet op in natuurlijk... wat hij er ook mee bedoelde.
Ze had dat voornemen nog steeds, toen Steve Forbucks jeep voor de deur stopte. Ze was het nog steeds van plan toen ze gehoor gaf aan zijn korte stoot op de claxon en naar buiten liep.
Ze zei het bij zichzelf toen hij de wagen van de rem zette en een pad opreed dat ze nooit eerder had gezien, eigenlijk niet veel meer dan twee smalle sporen die net zo goed veroorzaakt konden zijn door de wind, maar dat waren ze kennelijk niet want Steve Forbuck wist waar hij heen ging.
‘Je bent hier al eerder geweest,’ zei Zenith een tikkeltje buiten adem, buiten adem van de hobbels, want het was geen echt pad. Het liep hobbeldebobbel over wortels, uitstekende stukken rots, omgevallen stammen.
‘Ja, ik heb hier al eens een kijkje genomen,’ zei hij.
‘Om te zien of er water was?’
‘Dat heb ik gevonden. Het is het derde bewijsstuk waarover ik je vertelde. Maar ik heb ook mensen gevonden - een stam. Antropologie was ook een van mijn onderwerpen, een van mijn liefdes.’
‘Je hebt nogal wat liefdes,’ merkte ze op.
‘Op het ogenblik toch maar een.’ Hij keek Zenith even aan. ‘Die andere noem ik ook liefdes, maar er is meer één echte.’
‘Degene voor wie je hier naartoe bent gekomen.’
‘Nee.’
Ze zuchtte. ‘Ik begrijp je niet.’
‘Dat doet er niet toe, we zijn hier niet gekomen om elkaar te begrijpen, ditmaal niet. We zijn gekomen om verder te gaan.’
‘Dat stond in je briefje, maar wat -’
‘Gisteravond waren we primitieven, dus kunnen we vandaaruit verder gaan.’
‘O, nee.’
‘Je begrijpt me verkeerd,’ verbeterde hij haar. ‘We gaan verder door kennis te maken met onze kollega-primitieven. Kortom, ik doe onderzoek naar een stam hier in de buurt. Ken je ze?’
‘Ik heb erover gehoord,’ zei Zenith, ‘en pa heeft er kennis mee gemaakt. Dat was toen ik nog op school zat. Pa heeft geprobeerd ze om hun eigen bestwil in Savage te houden, betere voeding en zo, en sommigen zijn een poosje gebleven, maar toen zijn ze toch weggegaan.’ ‘Ja, zo zijn ze.’
‘Hij heeft ze erg goed behandeld,’ verzekerde ze hem.
‘Dat wil ik graag geloven.’ Steve hield zijn aandacht bij het stuur want hij manoeuvreerde tussen twee reusachtige termietenheuvels door.
‘Het kamp waar ik je heen breng is helemaal “myall”,’ zei hij. ‘Weet je wat dat betekent?’
‘Volkomen inheems,’ knikte ze. ‘Niet vermengd.’
‘Zoals ze oorspronkelijk waren,’ beaamde hij. ‘Het is mogelijk,’ vervolgde hij, ‘dat we er niet een zien op dit uur van de dag... Yicki,’ riep hij plotseling en hij legde uit: ‘Je had ‘Yicki’ moeten roepen toen ik bijna tegen die grote steen aan reed.’
‘Yicki?’ vroeg ze.
‘Pas op. Kijk uit.’
‘Ken je al wat van hun taal?’
‘Er zijn een heleboel algemene woorden die alle stammen gebruiken. Ik heb ook wat woorden opgepikt toen ik hier kwam om naar water te zoeken. Niet veel, maar het helpt.’
‘Het water,’ bracht ze hem in herinnering.
‘Ik ga het je nu laten zien. Maar eerst -’
‘Ja?’
Hij had de jeep tot stilstand gebracht en hij keek haar onderzoekend aan. Voordat ze het weer verkeerd kon begrijpen vroeg hij: ‘Geloof je in volksverhalen?’
‘Verhalen van de aboriginals?’
‘Ja.’
‘Daar heb ik eigenlijk nooit over nagedacht, maar ik denk van wel. Hoezo?’
‘Er is een verhaal dat me werd verteld door de Pouri Pouriman van de stam. Jij zou Tovenaar zeggen en de myalls geloven er nog steeds in.’
‘Ga verder.’
‘De meeste geneesmiddelen van de Pouri Pouri bestaan uit was van wilde bijen die wekenlang begraven wordt in een termietenheuvel of het nest van een slang. Maar in dat soort verhalen was ik eigenlijk niet zo geïnteresseerd, ik had veel meer belangstelling voor het Pouri Pouri-verhaal over het water.
‘ Jaren geleden was er hier heel veel water, zei my n vriend.’
‘Wees nu eens serieus!’ zei ze.
‘Geloof me, dat ben ik.’ Hij bleef haar een tijdje aankijken. ‘Naast het water woonde een grote slang en de slang zocht verkoeling in het water als hij last had van de hitte. Toen kwam er een grote vogel... alles hier is groot, zoals je zult merken... die een duik nam naar de slang, maar de wijze slang verdween onder de grond en nam het water mee.’
‘Te oordelen naar dat sprookje is er dus een andere verklaring voor het komende water,’ zei Zenith lachend.
‘Tja, het is een oud vreemd land, dus wie zal het zeggen?’
Hij klom uit de jeep en gebaarde naar Zentith dat ze hem moest volgen. Ze wist dat hy op het punt stond haar zyn derde bewijsstuk te laten zien en ze liep skeptisch achter hem aan tot Ze zagen het samen onder een paar koolpalmen: een diepe... heel diepe beek.
‘Dat kan niet,’ protesteerde Zenith. Ze liep heen en weer langs de oever. ‘Was die hier altijd al?’
‘Hij was er helemaal niet. Ik bedoel eigenlijk dat hij hier bij mijn eerste bezoek niet was.’
‘Dus?’
‘Maar er was een zekere vochtigheid van de grond die me waarschuwde, maakte dat ik terugging om nog eens te kijken.’
‘Ja?’
‘Ik vond een stroompje. De volgende keer vond ik een beek. Nu is het dit. Zenith, het ding is in een paar dagen aanzienlijk groter geworden.’
Ze staarden naar het bezige water, keken toen naar elkaar.
‘Dus,’ gaf Zenith zich over, ‘het is geen verbeelding.’
‘Nee.’
‘Dus,’ vervolgde ze, ‘moeten we beginnen.’
‘Ja,’ beaamde hij. ‘We beginnen. Maar eerst wil ik met de mannen praten. Als het water zich gaat verspreiden moet er het een of andere systeem zijn. De vrouwen, de kindertjes en de oude mannen moeten allemaal worden geëvacueerd.’
‘Naar Savage?’
‘Waar anders heen? Ik wil dat jij hier blijft, Zenith. Vergeet de dingen die ik heb gezegd over verder gaan waar we gisteravond -’
‘Dat was ik gisteravond al vergeten,’ verzekerde ze hem.
‘En was stil.’ Hij reageerde niet op haar onderbreking. ‘Ga niet rondlopen. Daar houden ze wellicht niet van.’
‘Ze?’ vroeg ze.
‘Onze collega-primitieven.’ Hij grijnsde. Maar dadelijk daarna was hij weer ernstig. ‘Blijf hier,’ zei hij.
‘Zouden ze het merken als ik het niet deed?’
‘Beslist. Ik kan je niet meenemen omdat ze je nog niet zouden accepteren.’
Zenith knikte. Die wet kende ze, iedereen hier wist het. Eerst moest de man zich voorstellen en dan, als ze het goedvonden, kon hij met een vrouw komen. Ze zag hoe Steve zich een weg baande door het kreupelhout, onder de koolpalmen verdween. Toen draaide ze zich weer om naar het water. Ze bleef er een hele tijd naar kijken, gooide er een paar blaadjes in, volgde ze met haar ogen, besloot toen terug te gaan naar de jeep.
Ze ging in de jeep zitten wachten in het besef dat er iemand naar haar keek, maar ze kon niet zien wie. Ze vroeg zich af hoe de vrouwen zouden reageren als Steve ze voorstelde weg te gaan. Ze kon zich hen niet voorstellen in Savage. Pa had haar verteld dat ze het vroeger al te groot hadden gevonden en waren weggegaan, dus wat zouden ze er ditmaal van vinden? Ze kon zich ook niet voorstellen dat Carol daar met hen zou zijn... Carol zeker niet.
Steve kwam uit de struiken te voorschijn en wierp haar een spijtige blik toe.
‘Grote moeilijkheden,’ zei hij.
Hij startte de jeep en toen ze terugreden vertelde hij het haar.
‘Er is een stamoorlog geweest, een ernstige.’
‘Iemand gewond?’
‘Alleen een krijger van een naburige aanvallende stam. Die Bildies... zo heetten ze... hebben onze krijgers hier aangevallen en er is een schermutseling geweest waarbij een dode is gevallen.’
‘O, hemeltje,’ zei Zenith.
‘Dat is niet zo erg, die dood was gerechtvaardigd en door iedereen geaccepteerd, in liefde en oorlog is alles geoorloofd. Nee, Zenith, het ernstige was dat Avua de regels met voeten heeft getreden.’
‘Avua?’ vroeg ze.
‘Een van onze krijgers.’
‘De regels?’
‘Een staakt het vuren aan beide zijden om de dode te bewenen. Dat wordt altijd gedaan, maar Avua ’
‘Heeft Avua zich er niet aan gehouden?’
‘Nee. Avua is onder dekking van de klagers en de rouwenden verdwenen. De tegenstanders zijn geschokt, maar hun schok is nog niets vergeleken bij de diepe vernedering van de stam hier.’
‘Wie heeft je dat allemaal verteld?’ vroeg Zenith.
‘De oude mannen. De jongeren zijn Avua achterna gegaan, ze zijn ver weg geweest, zeggen de oudsten, want Avua loopt snel. Maar’ ... Steve schokschouderde... ‘nu we hebben gezien dat onze beek een rivier is geworden betwijfel ik of we Avua of zijn achtervolgers binnenkort te zien zullen krijgen.’
‘Worden ze afgesneden?’
‘Dat zeker. En zonder dat hun mannen zeggen wat ze moeten doen zullen de lubra’s niet weggaan. En de vrouwen gehoorzamen hun mannen, in tegenstelling tot de onze.’
‘Ik denk dat je je vergist,’ zei Zenith koeltjes. ‘Ik denk dat deze vrouwen net zo nuchter en zelfstandig zijn als wij. Als het moment is gekomen ‘Als het zo ver is zullen ze blijven wachten tot hun mannen terugkomen om te zeggen dat ze mogen gaan. Je hoeft er trouwens niet aan te twijfelen of er zit een vrouw achter Avua’s verdwijning.
‘Daar twijfel ik wel aan. Misschien had Avua wel geen zin meer in dat geweeklaag.’
‘Misschien verlangde hij naar de armen van zijn Ludy.’
‘Ludy?’ vroeg ze.
‘Die nu wordt bewaakt door een aantal vrouwen, voor het geval zij er ook vandoor wil gaan.’
‘Avua achterna?’
‘Ja.’
‘Als ik bewaakster was,’ zei Zenith, ‘zou ik haar laten gaan.’
‘Ik had nooit gedacht dat jij zo romantisch zou zijn,’ merkte Steve op, ‘wel dat je primitief - Hé, laat dat eens!’ Want Zenith had haar hand woedend naar hem opgeheven.
‘Je bent onuitstaanbaar,’ raasde ze.
‘Maar ik heb gelijk?’
‘Dat was maar heel even, gisteravond.’
‘Je bedoelt dat het kwam door de maan?’
‘Breng me alsjeblieft naar huis,’ zei ze kwaad.
Dat deed hij in stilte, toen zei hij: ‘We konden Ludy niet laten gaan, weet je. Ze moet blijven. Er is een baby op komst en een baby krijgen tijdens een overstroming ’
‘Een baby.’
‘Dat gebeurt nu eenmaal als je jong en verliefd bent. Waarom lach je nu?’
‘Zomaar. Hoewel - ik dacht eigenlijk aan Carol.’
‘Aan Carol?’ vroeg hij.
‘Wat zou Carol zeggen als de rekreatiezaal in een verloskamer werd veranderd?’ Zenith giechelde bij het idee.
Hij bleef doorrijden maar toen ze Savage binnen hobbelden zag Zenith dat hij ook grijnsde.
Zenith was blij dat er, in de sombere tijden die voor hen lagen, tenminste een moment was voor vrolijkheid.