HOOFDSTUK 1
Zenith stuurde de bedrijfsjeep het laatste stukje van de helling op. In de bocht op de top haalde ze haar voet van het gaspedaal om te remmen. Met veel geknars en gepiep kwam ze tot stilstand bij het magazijn van de handelsonderneming. Ze klauterde weinig elegant uit de jeep, gunde zich geen tijd om het portier te gebruiken, en holde naar het magazijn met de haast van een brandweerman die op weg is naar een brand.
‘Hallo, Bluey,’ riep ze met de lage stem waarmee de natuur haar had begiftigd. ‘Waar heb je je champignons verstopt? Geen gewone paddestoelen, Bluey, maar champignons, van die mooite witte knopjes. Pierre heeft ze nodig en als die heetgebakerde Franse kok ze niet krijgt, neemt hij de benen. Hij heeft me gewaarschuwd en hij doet het ook. Tenslotte...’ Ze tuurde langs een piramide van blikjes... ‘Kun je het hem niet eens kwalijk nemen. Hij heeft de Koksschool in Parijs afgelopen, hij is geen gewone keukenprins. En hij heeft duidelijk laten merken dat hij niet van onze ongeciviliseerde manieren houdt.’ Zenith begon aan een volgende piramide blikjes.
‘Geen wonder dat hij daar niet van houdt,’ zei een koele stem. ‘Als jouw manier van doen daar tenminste een voorbeeld van is. Ga in de rij staan, zoals ieder behoorlijk mens. Ik ben het eerst aan de beurt. De baas is naar buiten gegaan om een doos voor me open te maken. Wacht tot je aan de beurt bent, knaap.’
Zenith, inmiddels toe aan haar derde piramide, draaide zich om. Nu haar ogen gewend waren aan het aardeduister van het magazijn, zag ze een lange man van een jaar of dertig in een overall met een veiligheidshelm op zijn hoofd. Dat zei niets, want zij zelf en ieder ander droegen beschermende overalls en gele veiligheidshelmen, een van de weinige eisen die de baas, Zeniths vader, stelde. Zenith zag ook, na een snelle onderzoekende blik op de grote, door het werk gegroefde handen, dat deze man thuishoorde in de Categorie Handarbeiders en niet in de Categorie Werktuigkundigen. Zeker niet in de Categorie Administratief Personeel, om maar niet te spreken van Staffunktionarissen.
‘Ik heb haast,’ zei ze heel beleefd, want ze gaf verreweg de voorkeur aan de Gespierde Jongens zoals zij ze noemde boven de Witte Boorden, ‘dus ‘Dus niets,’ antwoordde hij onaangedaan. ‘Ik was hier eerder dan jij.’ ‘Maar dit is belangrijk.’
‘Dat zijn mijn boodschappen ook.’
Zenith antwoordde niet. Ze had eindelijk een blik champignons gevonden en ze kwam overeind uit haar gehurkte houding om de winkel uit te lopen. ‘Zeg maar tegen Bluey dat hij het voor me opschrijft,’ riep ze. Toen drong het tot haar door dat ze deze man nog niet eerder had gezien en dat hij haar dus waarschijnlijk ook niet kende. ‘Voor Smith,’ voegde ze eraan toe.
‘Dat is een goeie!’
‘Het is waar!’
‘Ik ben trouwens niet van plan om iets voor je door te geven. Wacht maar rustig tot je aan de beurt bent, vlegel.’
Ze had geen tijd om te blijven bekvechten. Ze deed een pas naar achteren en zei: ‘Ik moet dit dadelijk naar Pierre brengen.’ ‘Helemaal niet. Je moet hier blijven en wachten tot je wordt geholpen. Dat meen ik. Wie is in vredesnaam je ploegbaas? Leert hij je niets? Als je in mijn ploeg zat, zou ik -’
‘Jouw ploeg!’ Verontwaardiging maakte zich van Zenith meester. ‘Laat me niet lachen! Jij hebt helemaal geen eigen ploeg, dat zie ik zo aan je handen.’
‘Wat mankeert er aan mijn handen?’
‘Niks, alleen zijn het de handen van een -’
‘Ja?’ vroeg hij.
‘Van een werkman.’ Dat had ze niet willen zeggen, maar hij had erom gevraagd.
‘Dat probeer ik ook te zijn, knul. Ik doe er mijn best voor. En wat ben jij dan wel? Iemand die “ploeteren” als een smerig woord beschouwt, iemand voor wie de woorden “werken met je handen” taboe zijn? Misschien ben je wel de verbindingsman van het bedrijf! Of de biochemicus? De analist? Bevoorradingschef? Dan heb je me wel aardig voor de gek gehouden met die overall en die helm.’
‘We dragen allemaal ‘Een vuile overall en een vette helm?’
‘Ze zijn niet vuil en vet,’ snauwde ze.
‘Spreek me niet tegen!’
Nu was Zenith werkelijk kwaad, maar de champignons voor Pierre waren belangrijker. ‘Ik spreek je wel tegen,’ raasde ze, ‘maar dan een andere keer, want nu heb ik wat anders te doen.’ Weer wilde ze weglopen.
Maar ze kwam niet ver. ‘Zet dat blik neer,’ riep hij. ‘Blijf waar je bent en wacht op je beurt.’
‘Nee!’
‘Dan verdwijn je maar zonder dat blik en als ik erachter kom bij welke ploeg je thuishoort, zal ik -’ De rest van de waarschuwing was onverstaanbaar want de man, die de uitdrukking op Zeniths gezicht herkende, had een stap in haar richting gedaan en had haar aan de kraag van haar overall opgetild. Ze hing een centimeter of twintig boven de grond te spartelen en ze was te kwaad om een woord uit te brengen... ze stikte trouwens bijna...
Maar ze was niet te kwaad om te schoppen. Ze schopte en ze krabbelde, om de man die haar vasthield zijn verdiende loon te geven. Hij deed niets van dien aard terug, maar hij zwiepte haar zonder veel omhaal naar buiten. Daarbij gebeurde het onvermijdelijke... tenminste, dacht Zenith ongelukkig, het was onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk als je een vrouw was. De grote handen van de man kwamen in aanraking met dat deel onder haar overall dat niet gespierd en mannelijk was, maar dat -’
Hij vloekte. Hij liet haar los alsof hij zich had gebrand.
‘Een griet!’ bulderde hij.
‘Ja!’ riep Zenith hijgend, want toen hij haar losliet had ze haar evenwicht verloren.
‘Ik wist niet dat er hier ook vrouwspersonen werkten, net zoals wij, arme sloebers.’
‘Niemand is hier arm,’ zei Zenith trots. ‘Want “Savage” betaalt veel meer dan het gemiddelde loon.’
‘Dat kan ik niet weten. Ik ben hier nog niet zo lang.’
‘Dat blijkt,’ zei ze ijzig.
‘Bedoel je mijn schone overall?’ Hij keek vol afkeer naar Zeniths verfomfaaide stoffige uitrusting.
‘Het is hier smerig,’ zei ze. ‘Ijzererts is wel wat anders dan een rozentuin. En je had van tevoren kunnen weten dat er hier ook vrouwen zijn. Zelfs de kleinste onderneming wordt draaiende gehouden door een Reddende Engel in de persoon van'een sekretaresse.’
‘Maar niet door een vrouwelijke kracht voor het zware werk.’ Hij keek haar veelbetekenend aan en Zenith bloosde.
‘Dat doe ik ook niet!’ Ze wachtte even. ‘Helen is onze sekretaresse - maar dat zul je heus wel weten, al zeg je dat je er niet op voorbereid was.’
‘Helen?’ vroeg hij dadelijk.
‘Ja.’
‘Geen veel voorkomende naam,’ merkte hij op.
‘Ook geen bijzondere naam,’ zei Zenith.
‘Het zal wel. Hoe zou ik die Helen moeten kennen?’
‘Omdat Helen iedereen aanneemt.’
‘Dan heeft ze mij nog niet aangenomen.’
‘Dat komt nog wel,’ verzekerde ze hem.
‘Aha. En wie zijn er nog meer als vertegenwoordigsters van het zwakke geslacht?’ Dat ‘zwakke’ had een honende klank, hoorde Zenith tot haar ergernis.
Ze stak haar kin naar voren. ‘Daar kom je nog wel achter, al zijn het je zaken niet.’
‘De zaken van een gewone werkman, bedoel je zeker.’
‘Dat maak jij ervan.’ Ze schokschouderde.
Hij keek haar achterdochtig aan. ‘Het bevalt me niet.’
‘Wat? Dat ik je onderbreng in de categorie arbeiders?’
‘Nee, dat niet, dat ik nog meer vrouwen tegen het lijf kan lopen. Ik heb genoeg van vrouwen... behalve -’
‘Behalve?’
‘Ik heb er gewoon genoeg van,’ zei hij weer.
‘Best,’ glimlachte Zenith, ‘dat komt goed uit, want behalve Helen en ik zijn alle vrouwen getrouwd en hun mannen zouden het niet op prijs stellen als je er achteraan ging.’
‘Met mijn dodelyke charme?’
‘Daar heb ik nog niets van gemerkt.’
‘Dat komt nog wel. Maar hoe zit het met jou? Ik zie geen ring. Dit soort ondernemingen staat bekend om de huwelijkskansen. Heb je geen succes gehad of hoop je nog steeds?’
‘Ik ben hier omdat mijn vader hier is,’ zei Zenith luchtig.
‘ Je bedoelt dat vaders hun dochters kunnen meebrengen, net zoals mannen hun vrouwen? Misschien ooms hun nichtjes? Vrienden hun vriendinnen?’
‘Nee, nee, en nog eens nee! Met mij is het wat anders, omdat mijn vader -’
‘Zeg het maar niet, hij is een Smith. Dat heb je al gezegd. Maar jij kunt niet de zoon zijn van Derek Smith, de Derek Smith.’
‘Zijn dóchter,’ bracht ze hem in herinnering. ‘Ja, dat ben ik. Ik ben de dochter van de baas.’
‘En dat geeft je het recht om voor te dringen?’
‘Nee. Ja.’ Zenith sloeg nu geen acht meer op hem, maar ze luisterde naar een onmiskenbaar geluid, het geluid van een vertrekkende bestelwagen. ‘Pierre -’ riep ze met een afschuwelijke zekerheid en ze holde weg om te kijken. Haar vermoeden was juist. Achter het stuur van de kleine bus zat hun voormalige Franse kok en hoewel Zenith riep, wenkte, op en neer sprong, gilde, schold, smeekte, vleide, keek hij geen ogenblik haar kant op.
‘Hij is weg,’ snikte ze toen de bus wegreed.
‘Zo te zien wel.’ De man was haar achterna gekomen.
‘Het is jouw schuld!’ raasde ze.
‘Dat spijt me dan. Als je ineens had gezegd -’
‘Dat heb ik gedaan.’
‘Je had het over champignons en hoewel ik maar een eenvoudige arbeider ben wist ik dat dat paddestoelen waren. Maar paddestoelen kunnen toch niet zo belangrijk zijn!’
‘Ze waren verschrikkelijk belangrijk. Pierre had me gewaarschuwd dat hij zou vertrekken als ik niet binnen vijf minuten terugkwam met champignons en jij - jij -’
‘Nee, dochter van de baas, jij. Je wilt dan wel de grote dame uithangen, maar je bent kennelijk niet eens in staat je eigen huishoudelijke personeel in de hand te houden.’
‘Dat personeel bestaat maar uit een persoon. Een kok. Mijn vader zegt altijd dat een leger marcheert op zijn maag, dat een goede kok belangrijker is dan de hoogste funktionaris. Dus had hij Pierre voor ons in dienst genomen.’
‘Voor ons?’ vroeg hij.
‘Voor pa en mij.’
‘En nu zijn jullie hem kwijt,’ peinsde hij.
‘Ja. Door jouw schuld. Het zou nog niet zo erg zijn, als zij niet zou komen, maar ze komt wel en wat moet ik nu doen?’
‘Zij?’
‘Ze komt met het toestel waarmee Pierre vertrekt.’
‘Dan kunnen we hem misschien nog wel oppikken.’
‘Nee, daar is het te laat voor en ik wil trouwens niet dat zij me zo ziet.’ ‘Dat kan ik me voorstellen.’ Hij keek Zenith oplettend aan en zijn blik ging naar de slecht passende, slobberige overall die nog langer en wijder leek sinds haar gespartel. ‘Ik denk dat als ze je wel zo zag, ze met hetzelfde vliegtuig zou teruggaan.’ Hij grijnsde scheef. ‘Ik krijg de indruk dat je die Pierre echt nodig had zo lang zij hier zou zijn?’
‘Ja.’
‘Dan moet je nu zeker zelf koken?’
‘Dat kan ik niet,’ zuchtte ze. ‘Ik bedoel, niet zo.’
‘Wat bedoel je?’
‘Voor speciale gelegenheden, zoals een eerste kennismaking. Ik bedoel.. . dat het echt belangrijk is... belangrijk voor pa.’
‘En de kantine?’
‘Ik denk dat het persoonlijker moet zijn.’
‘Dan zal het toch op jou neerkomen, hè?’ Hij deed een ogenblik alsof hij erg met haar begaan was, verdween toen als een pijl uit de boog naar het magazijn en bleef er een minuutje rommelen. Na een poosje kwam hij terug met een blikopener.
‘Alsjeblieft, dochter van de baas,’ riep hij. ‘Je hoeft niet met me af te rekenen, ik heb tegen Bluey gezegd dat hij het op je rekening moet zetten. Het is voor Smith, hè?’
Even wist Zenith niet wat ze moest zeggen, toen draaide ze zich om en liep naar de jeep. Ze klom erin en startte de motor. Terwijl ze het deed hoorde ze het bedrijfsvliegtuigje aankomen. Dus Carol was onderweg! En Pierre was vertrokken. Wat kon ze doen. Wat móest ze beginnen met een blikopener en een blik champignons?
Zenith bleef vijf minuten achter het stuur van de stationair draaiende jeep zitten. Ze kon zich geen vijf minuten veroorloven, maar ze bleef zitten en ze probeerde te denken. Vanuit haar ooghoeken zag ze die snertvent weggaan. Hij liep met lange passen en een ogenblik later was hij uit het gezicht verdwenen. Hij had hier toch niets te zoeken, bedacht ze, tenminste niet op dit uur van de dag. Wat zou hij eigenlijk doen? Hij had gezegd: ‘Als je in mijn ploeg thuishoorde, zou ik Welke ploeg? En wat zou hij gedaan hebben?
Voorlopig had hij genoeg gedaan, meer dan genoeg. Pierre, altijd al prikkelbaar, allesbehalve enthousiast vanaf zijn eerste dag in Savage - een betrekking, had hij dikwijls snuivend gezegd, die hij had aangenomen als tussendoortje - had dit beschouwd als de druppel die de emmer deed overlopen.
‘Ik heb hier geen inspiratie,’ had hij zich meermalen beklaagd en een uur geleden nog: ‘Geen joie de vivre. Ik ga weg.’
‘Ja, lieve Pierre,’ had Zenith gesmeekt, ‘maar wacht dan tenminste tot Carol er is. Carol is belangrijk.’
‘Niemand is belangrijk voor mij als ik niet de goede ingrediënten heb. Ik ben teleurgesteld. Ik ben verdrietig.’
‘Oui, cher Pierre, maar blijf tot Carol komt. Alsjeblieft.’
‘Goed, maar niet langer. Ik maak “Steak Superbe”.’
‘O, dank je, Pierre,’ had ze geglimlachend gezegd.
‘Maar alleen als ik die goede ingrediënten krijg. Biefstuk.’
‘Best.’ Er lag genoeg biefstuk in de diepvriezer.
‘En champignons.’
‘Er zijn champignons,’ had Zenith geantwoord. ‘Maar alleen in blik.’ ‘Jammer,’ had Pierre gezegd, ‘maar ik neem ze, als ze klein zijn. En als u ze niet op tijd brengt, voor de marinade, ga ik weg, mademoiselle.’ ‘Je bent een schat, Pierre, dat vindt papa ook en dat zal Carol ook vinden,’ had Zenith hem verzekerd.
Maar Carol zou hem geen schat vinden, want ze zou hem nooit te zien krijgen. De noodzakelijke champignons waren te laat gekomen, door de schuld van die snertvent en Pierre had Zenith geen tweede kans gegeven. Waarschijnlijk had hij op zo’n gelegenheid gewacht, vanaf de eerste dag dat hij hier was. Hij had het geen ogenblik naar zijn zin gehad. Hij was vertrokken met zijn elegante Franse koffer waarvan Zenith veronderstelde dat hij hem nooit had uitgepakt en zij bleef achter met een blikopener, een blik en een vader die erop rekende dat zij een goede indruk zou maken.
Wat moest ze doen? Wat?
Zoals gewoonlijk, zoals ze had gedaan vanaf de eerste dag dat ze pa’s sekretaresse had ontmoet, ging Zenith op zoek naar Helen.
Achter het magazijn bevond zich een groepje gebouwen. De gebouwen huisvestten het witteboordengedeelte van ‘Savage Mijnbouw’. Er waren kantoren met de namen die die snertvent haar naar haar hoofd had geslingerd... verbindingsman, biochemicus, analist, bevoorradings-chef. Er was er ook een met boekhouder en toen ze probeerde langs die deur te sluipen kwam Brent Davis naar buiten.
Zenith wilde Brent niet zien. Afgezien van het feit dat ze geen tijd voor hem had, was hij niet haar favoriet. Dat was oneerlijk tegenover hem, dat wist ze, maar zoals dat ging in een onderneming buiten de bewoonde wereld, hadden ze haar aan Brent gekoppeld omdat er geen andere man was die ervoor in aanmerking kwam en dat beviel haar niet.
‘Ha, Brent,’ riep ze snel. ‘Ik heb haast.’ Ze snelde naar het volgende kantoor met het bordje ‘Sekretaresse’. Ze klopte, deed de deur open, ging naar binnen en riep klaaglijk: ‘O, Helen!’
Derek Smiths sekretaresse Helen zat aan haar bureau; ze zette haar bril af en keek Zenith glimlachend aan.
‘Ik geloof dat ik die wanhoopskreet al eens eerder had gehoord,’ suste ze. ‘Moeilijkheden?’
‘Verschrikkelijk,’ verzuchtte Zenith. ‘Pierre is ervandoor. Hij is echt weggegaan.’
‘Ach, arme lieverd toch!’
Dat was het aardige van Helen, ze leefde altijd met je mee. Ze had kunnen zeggen: ‘Je wist dat dat er dik in zat,’ maar Helen wilde alleen maar helpen. Zo was ze.
Ze was een mooie vrouw, tenminste zo beschouwde Zenith haar. Ze was van middelbare leeftijd, oud genoeg om Zeniths moeder te kunnen zijn en ze had een glimlach die doordrong tot in haar ogen, die zachte ogen, die nu weer zo vriendelijk keken vanachter de bril die ze had opgezet. Verder had ze dik middelblond haar met een paar zilver glanzende lokken erin en ze kon heel goed luisteren. Ik zou haar graag als moeder hebben gehad, had Zenith dikwijls gedacht.
‘Wat moet ik doen, Helen?’ vroeg ze. ‘Pa is al weg om haar te halen.’ ‘Wie, Carol?’
‘Ja.’
‘Geen paniek, Zenith. Derek zei dat hij Miss Quinn een rondleiding door het bedrijf zou geven voordat hij naar huis kwam. Dat duurt wel een tijdje.’
‘Wat kunnen we in de tussentijd doen?’ klaagde Zenith.
‘Een heleboel.’
‘Zoals?’
‘Wat wil je?’
‘Steak Superbe?’ probeerde Zenith.
‘Dat misschien niet, ik zou niet weten hoe trouwens, maar we kunnen wel iets uit de kantine laten komen en een beetje mooi aankleden.’ ‘Je bedoelt ‘Ja, dat bedoel ik. Wat heb je in voorraad om het er wat mooier te laten uitzien, Zenith? Pimento’s? Olijven? Kappertjes? Spaanse peper? Zoiets?’
‘Ja, maar -’
‘Een mooi schoon tafelkleed? Kaarsen?’
‘Ja.’
‘Dan ben je gered,’ verkondigde Helen.
‘Ja? Ik heb net zo weinig verstand van het opdienen van een maaltijd als van het optutten van mezelf na dit jaar by “Savage”.’
‘Dat is waar ook - jy moet er ook leuk uitzien. Je moet er in ieder geval uitzien als een meisje.’
‘Niet als een vlegel?’
‘Een vlegel? Dat ben je niet?’
‘Nee?’ Hoewel ze Helen eerst had willen vertellen dat iemand haar kortgeleden nog zo had genoemd, bedacht Zenith zich. Er waren belangrijker zaken aan de orde.
‘Meen je het? Helen? Wil je helpen?’
‘Je vader zal niet teleurgesteld worden, dat beloof ik je,’ antwoordde Helen. ‘Jij gaat nu naar huis om je te verkleden...je verkleedt je en je dekt de tafel... en ik ga naar Jake.’ Jake beheerde de kantine voor “Savage”. ‘Daarna breng ik de spullen mee en dan gaan we samen aan de slag.’
‘Helen, je bent fantastisch,’ lachte Zenith opgelucht.
‘Welnee,’ wimpelde Helen het af. ‘Als het voor - als het voor de baas is...’
‘En voor de toekomstige bazin?’ zei Zenith met onmiskenbare afkeer.
Helen gaf geen antwoord. Ze had plotseling iets te zoeken in haar bureau.
‘O, Helen, waarom?’ vroeg Zenith. ‘Waarom? Waarom? Waarom?’
Voor Helens doen scherp, want Helen was nooit scherp, zei de oudere vrouw vermanend: ‘Zo is het wel genoeg!’
‘Wat is genoeg?’
‘Dat weet je heel goed, Zenith.’
‘Maar -’ begon Zenith.
‘Ik ga naar Jake toe, neem wat mee en breng het naar je toe. Ik neem Brent Davis ook mee...’ een blik op Zenith... ‘of ik zal hem eraan herinneren.’
‘O, Helen!’ zei Zenith wanhopig.
‘Sorry, Zenith, maar dat wil je vader nu eenmaal. Hij heeft mij ook gevraagd.’
‘Natuurlijk.’
‘En nog iemand, om er een even aantal van te maken. Ik weet niet hoe hij heet, maar hij weet er zelf kennlijk alles van.’
‘Heeft pa dat gevraagd?’
‘Ja, liefje. Misschien vond hij het niet juist om de eerste maal met zijn drieën -’
‘Als hij me had verteld dat hij een onderonsje wilde, was ik wel in de kantine gaan eten,’ zei Zenith kwaad.
‘Je moet niet zo op je teentjes getrapt zijn, liefje. Probeer je in te denken in de positie van je vader.’
‘Hoe ik me zou voelen als ik een bruid die jaren jonger is dan ikzelf mee naar het kamp zou brengen, bedoel je?’
‘Zenith!’
‘O, sorry. Het spijt me echt, Helen. Ik heb niks tegen die Carol en tegen haar leeftijd - vader heeft me verscheidene malen verteld dat ze maar een paar jaar ouder is dan ik - maar -’
‘Ja, Zenith?’
‘O, ik weet het niet. Het komt gewoon doordat ik mijn moeder nooit heb gekend. Ze is zo vroeg gestorven. Maar als ik een moeder had... als ik nu een moeder had... Helen, wat doe je?’
‘Ik zet je de deur uit. Je vader brengt zijn verloofde mee, Zenith, en daar kunnen we niets aan veranderen met ons geklets. We moeten een maaltijd voor zes personen klaarmaken - Mr. Smith, de verloofde van Mr. Smith, de dochter van Mr. Smith, de boekhouder van Mr. Smith, de sekretaresse en een zesde om het aantal even te maken.’
‘Maar Helen -’
‘Het vliegtuig is binnen. Miss Carol Quinn is er. Je vader laat haar de doorgravingen zien. Hij vertelt wat er gebeurt nadat het erts is gewonnen. Hij stelt haar voor aan de chefs, de ploegbazen en, omdat hij Derek Smith is, aan de arbeiders.’
En aan een lange slungel wiens handen veel te los zitten, die me bij de kraag van mijn overall heeft gepakt, dacht Zenith, die me een vlegel heeft genoemd, die me liet vallen toen hij erachter kwam wie ik was...
‘En we staan onze tijd maar te verdoen,’ vervolgde Helen. ‘Vooruit, Zenith. Dan kan ik ook aan de slag.’
Zonder dat ze Zenith de kans gaf er iets tegenin te brengen liep Helen langs haar heen en verdween in de richting van de kantine. Zenith volgde haar... en ja, Brent stond nog steeds bij zijn deur. ‘Tot straks,’ riep hij. Dus hjj was het niet vergeten.
‘Ja, Brent,’ antwoordde Zenith.
Ze liep naar de jeep.
Carol, haar vader, Helen, Brent, zij zelf... wie nog meer? Er waren maar een paar vrijgezellen in Savage en het zou een vrijgezel moeten zijn, want een getrouwd man zou zijn vrouw hebben meegenomen en dan zouden ze niet met zijn zessen zijn, maar met zijn zevenen. Dus wie nog meer?
Zenith sprong in de jeep en zette hem van de handrem.