Proloog
Tussen taboe en utopie
‘Welkom hier’, zei hij in zeven talen.
Hij was kind aan huis bij de Geschiedenis. Ik vond hem half kabouter, half koning, als een handpop uit mijn kindertijd. Ik schrok niet toen men me influisterde dat hij een marionettenspeler was die zijn eigen poppen vervaardigde.
Hij spreidde zijn armen en danste me tegemoet. Zijn vosrode krullen dansten op en neer. Hij rook naar tabak en amandel. Als hij nadacht, krabde hij aan zijn witte sik.
Ik kreeg nog meer ingefluisterd. Hij bleek ook auteur, acteur, wetenschapsmens en de laatste Joegoslaaf te zijn.
‘De laatste Joegoslaaf?’ vroeg ik.
We hadden rendez-vous in een krap restaurantje in Dubrovnik. De ober had enkele tafeltjes bij elkaar getrokken, zodat we meer plaats hadden voor de gerechten. De wand was versierd met matte jugendstilspiegels, waarin niemand terugkeek.
‘Alstublieft’, zei de poppenspeler in zeven talen en hij reikte me een flûte vol vloeibaar goud aan. ‘Het woord “champagne” is goddank in alle talen hetzelfde, niet?’
We wedden erom wie ‘proost’ in zoveel mogelijk talen kende. Hij won met vijftien tegen tien.
Hij was schonkig en kortademig, maar had kwieke ogen, die plots van uitdrukking konden veranderen, meestal van monter in smartelijk. Zijn leeftijd was een geheim. Toen ik hem er later naar vroeg, antwoordde hij dat hij als hij omkeek, in het ravijn van het verleden tuurde.
Dit was de eerste van een reeks ontmoetingen in Dalmatische restaurants. Hij wijdde me in in de mysteries van de lignja, de inktvis, en van wijnen die al door achttiende-eeuwse Venetiaanse avonturiers werden gedronken.
Tijdens onze gesprekken sprong de poppenspeler doodkalm van de ene taal op de andere over. Hij savoureerde woorden en vergeleek talen met smaken. Engels was vette wrongel, Frans peperwortel, en Italiaans rauwe biefstuk. Latijn noemde hij warm zout brood, Russisch zoete biet met munt. Hebreeuws, zijn jongste verovering, smaakte naar truffel. Arabisch wilde hij leren omdat het hem deed denken aan de dikke, hallucinogene rook uit een waterpijp.
Op een keer verzonk hij in melancholiek gepeins omdat hij inzag dat hij meer dan een leven nodig had om alle talen van de wereld te leren.
We proostten in het Kroatisch. ‘Op een tweede leven’, voegde ik eraan toe.
Hij fleurde helemaal op. ‘Als dat waar kon zijn’, zei hij.
Keer op keer sprak hij over zijn reizen door Joegoslavië in de jaren zestig en zeventig. In een gedeukte bestelauto, zijn ‘thespiswagen’, vernoemd naar de eerste acteur van de oudheid, bereisde hij samen met enkele assistenten zijn hele land, dat, zo zei hij, ‘op dat moment 24 miljoen inwoners telde en 255.000 vierkante kilometer groot was, dat is bijna vier keer België en Nederland samen’. Zijn ophemeling van die tijd had hem de bijnaam ‘de laatste Joegoslaaf’ opgeleverd.
Dat hij daarnaast ook een filosoof was, hoefde niemand me in te fluisteren. Elke situatie kruidde hij met citaten in het origineel. Het mooist klonk zijn Grieks. Hij zong: ‘Pollàà tàà deinàà – veel is geducht, maar het geduchtst is de mens.’ Grieks smaakte volgens hem naar zwaardvis.
Zijn grootste troef was dat hij de geschiedenis kende als zijn broekzak. Hij vertelde erover alsof hij al 1300 jaar leefde en alles zelf had beleefd. Bij nader inzien bleek dit het thema van zijn theaterwerk te zijn, ‘in de traditie van de anonieme kermisartiesten die ook Shakespeare, Goldoni en Goethe hebben geïnspireerd’, zei hij trots.
Ik had zijn vertoningen helaas nooit met mijn eigen ogen gezien, maar hij had me er zoveel over verteld en zoveel foto's laten zien dat ik er even goed bekend mee was geworden als al zijn toeschouwers.
Inmiddels trad hij niet meer op, naar eigen zeggen omdat zijn gezondheid het niet toeliet, maar ik vermoedde dat er een andere reden was.
Toen blies iemand me in dat de poppenspeler over één eigenschap beschikte die een schaduw op zijn indrukwekkende biografie wierp.
‘Laten we het eerder een ziekte dan een eigenschap noemen’, zei mijn malafide informant.
Ik had intussen zo'n grote liefde voor de poppenspeler opgevat dat ik hem tegen alle verdachtmakingen wilde beschermen.
‘Je poppenspeler is gek,’ zei mijn informant, ‘want hij gelooft in utopieën.’
Met één slag hield ik nog meer van hem.
‘Een bijzonder aandachtig gehoor’, had de docent me beloofd toen ik vroeg wie er zoal naar zijn college ging.
Hij had me geïnviteerd om in een avondles te komen praten over alles wat me bezighield. Dat die les zelf me daarna nog vaak zou bezighouden, kon ik niet bevroeden toen ik op een herfstavond op de Zagrebse universiteit op zoek ging naar de klas voor postacademische cursussen.
Het gehoor was inderdaad aandachtig, maar mijn aandacht werd vooral getrokken door een lange, zwartharige vrouw, die me aanhoudend bekeek alsof ze me wilde neerbliksemen. Intuïtief wist ik dat ze instructies had gekregen om haar mond te houden zolang het vragenkwartiertje niet was begonnen.
‘Inderdaad’, gaf de docent achteraf toe. ‘Zelfs als het over de genitief in het Duits gaat, begint ze over politiek. De eerste keer dat ik haar in de klas had, heb ik haar de deur gewezen.’
Omdat alle studenten eigenlijk al afgestudeerd waren en hier voor bijscholing kwamen, vroeg ik hem wat zij was.
‘Zij heeft voor duivelin gestudeerd’, zei hij.
Ik ben er nog steeds van overtuigd dat er net iemand hoestte toen hij dat zei, en dat ik hem gewoon verkeerd heb verstaan. ‘Waarvoor?’ vroeg ik.
‘Journaliste’, zei de docent, en ik weet niet waarom ik ontgoocheld was.
Later kwam ik erachter dat ze afkomstig was uit Sarajevo en als freelance verslaggeefster voor Kroatische en Duitse bladen werkte.
Ze had een donkere, vurige blik en sproeide woorden als een mitrailleur. Haar vertoog kon ze met bijpassend acteerwerk opluisteren. Er ging iets dwingends van haar uit. Ik kon maar twee dingen doen: ofwel haar de deur wijzen zodat ik me tenminste kon concentreren – maar dat sorteerde geen enkel effect omdat duivels en journalisten gemeen hebben dat ze door geen muur worden gestuit – ofwel de handschoen die ze me toewierp opnemen.
Ik nam de handschoen op.
Ze maakte brandhout van wat ik had gezegd en verwachtte van me dat ik niet zoals al die andere westerlingen zou schrijven over de overeenkomsten van de Balkanvolken, maar nu voorgoed met de waarheid voor de dag zou komen.
‘De waarheid’, kreunde ik.
Mijn eerste indruk was afschuw. We waren het over alles oneens. Als het over de kleur van een kanariegeel krijtje was gegaan, hadden we nog steeds geen overeenstemming bereikt. De opiniemeter van ons gesprek sloeg op tilt. Ik barstte van de koppijn in het bedompte leslokaal en verlangde naar de koude herfstlucht. Wellicht had ik haar toch maar beter de deur kunnen wijzen.
Plotseling snapte ik waar ze op aanstuurde. Ze wilde onze opiniemeter ijken, kijken hoever hij kon uitslaan. Het leek of ze een rondje advocaat van de duivel wilde spelen. Als jij zwart zegt, zeg ik wit. Sofistische praktijken, drogredenen en schijngronden inbegrepen, bevroed en goedgekeurd door de oude Grieken. Ik sloeg steil achterover van haar esprit, haar radicaliteit, haar schakersinzicht. Sindsdien noemde ik haar een duivelin. Zoals al wat duivels is, was ze aantrekkelijk, en in een mum van tijd sloeg mijn afkeer om in fascinatie, later zelfs in vriendschap.
Die herfstavond in Zagreb hadden de andere aanwezigen in de klas geen schijn van kans meer. In plaats van haar buiten de deur te zetten hadden wij met ons tweetjes alle anderen buitenspel gezet. Er zat maar één ding op: het gesprek voortzetten in de kroeg. Aan de overkant van de filologische faculteit lag een spiksplinternieuwe bar.
De duivelin zette zwaar geschut in. Door me telkens weer te confronteren met mijn eigen woorden en met de ontoereikendheid van de informatie die ik uit de media had gehaald, wilde ze me dwingen om nooit tevreden te zijn, altijd dieper te graven, nooit genoegen te nemen met een eendimensionaal verhaal.
‘Zoek de waarheid’, beval ze.
‘De waarheid,’ herhaalde ik uitentreuren, ‘wat bedoel je daarmee?’
‘De waarheid’, antwoordde ze, ‘is het grootste taboe van onze maatschappij.’
Omdat de bar al sloot toen we nog lang niet klaar waren met ons gesprek, spraken we af elkaar lastig te vallen met telefoontjes, zodra een van ons beiden daar behoefte aan had.
Hij die kind aan huis is bij de Geschiedenis, en zij die voor duivelin heeft gestudeerd, neem ik als gidsen voor mijn reis door Kroatië.
Ik zal veertien eeuwen doorkruisen en meer dan vijfduizend kilometer afleggen binnen de grenzen van het huidige Kroatië, per boot, met de bus of de auto en te voet. De wegen die ik zal bewandelen zijn bijwijlen glad, maar als ik uitglijd, reken ik erop dat een van mijn gidsen klaarstaat om me overeind te helpen – niet altijd letterlijk, maar met hun woorden die ik bij me draag. Zij zullen me op koers houden, zoals het trouwe gidsen betaamt. Ik vaar op hun kompas. Vaak zal de naald heen en weer wiebelen. Soms zal ze nu eens doorslaan naar één kant, dan weer naar de andere. Wat ik in Kroatië zal vinden, beweegt zich immers onophoudelijk tussen twee polen: de utopie en het taboe.
Omdat deze vorm van reizen en schrijven niet kan bestaan zonder schatgraven, zal ik dikwijls stilhouden en luisteren naar de schimmen van de geschiedenis. Zij zijn voor mij even belangrijk als de levende mensen die ik op mijn pad ontmoet. Aan een van hen is dit boek opgedragen.