6. Twee versies van de hel
Je bent Jasenovac
Dit is wat ik zag.
Naakte mannen met starre gezichten op een wagen, die over een ringvormig spoor wordt voortgeduwd in een eindeloze carrousel.
Een vrouw die een ogenblik stilhangt in de lucht, nadat ze door zingende soldaten op een deken is gejonast.
Een jodin die ritueel door bajonetten wordt doorstoken, terwijl uit haar open mond een bruiloftslied klinkt.
Een man in een maatpak die aan een kruis wordt genageld.
Een zwerver, vergroeid met een enorme rugzak, die met zwarte doeken wordt ingepakt.
Een jonge vrouw met een vlekkerige huid, die bloedend aan een schandpaal hangt.
Een massa mensen die met nietsziende ogen voortsjokken door een leeg landschap naast ossenkarren met al hun wereldse bezittingen.
Een gebroken stem die zingt: ‘Als je je haar laat hangen, o schoonheid, zal dat de bloesem van de roos verschroeien.’
Een andere stem die huilt: ‘Het sneeuwwitte kleed dat jullie bij het doopsel is gegeven, is nu zo smerig als de lap waarmee de latrine wordt schoongemaakt.’
Een derde stem die schreeuwt: ‘Stank is de heraut van de dood.’
Dit is wat ik zag: het perpetuum mobile van de lijdende mensheid. Een van de meest ambitieuze delen van Het onderbewustzijn van de beschaving, dat ik bestudeerde op foto's en cassettes, die bedekt waren met het goudstof van de tijd.
Mijn gedeukte Volkswagentje zette koers naar het oosten. Op de snelweg door het vlakke land langs de Sava dacht ik aan de glorieuze momenten van de poppenspeler, aan de tijd dat de kranten vonden dat hij erin slaagde bitterzoet en tragisch met elkaar te verzoenen. Zijn beelden van de lijdende mensheid hadden de internationale aandacht getrokken. Omdat hij de bron van het kwaad niet benoemde, werd zijn beeldentaal merkwaardig genoeg soms gebruikt door tegengestelde politieke gezindten. Maar om wat voor kwaad ging het eigenlijk? Wat had hem geïnspireerd tot deze wrede voorstelling? Mijn tocht van Zagreb naar het oosten moest hieromtrent uitsluitsel geven.
Het eerste doel was Jasenovac.
Jasenovac is zo onooglijk dat het op sommige kaarten niet eens voorkomt. Het ligt langs de in de Joegoslavische tijd aangelegde snelweg van Ljubljana naar Belgrado, vlak voor je Slavonië binnenkomt, pal op de grens met Bosnië-Hercegovina, op de oever van de Sava. Vanaf hier verlaat de Sava het Kroatische binnenland en vormt zij de grens met Bosnië-Hercegovina. Er wonen ongeveer tweeduizend mensen.
Die ochtend sloeg de regen zo genadeloos neer dat hij nooit meer leek te zullen ophouden. Het was ijskoud en de akkers stonden blank. Zover ik kon kijken, strekte de donkergroene vlakte zich uit. Nergens viel een levende ziel te bekennen. De paarlemoeren wolken hingen zo laag dat ik ze kon aanraken. Opeens doemde een bordje op: ‘Jasenovac’. Een eind verderop lag het land van de rivier de Bosna, Bosnië, maar de grens was hier hermetisch dicht.
Jasenovac was niet meer dan een handvol woningen rond een gebedshuis. In alle gevels zaten kogelgaten. Hier en daar gaapten de zwarte ogen van uitgebrande woningen. Soms een u op een muur, of NDH.xxi In een bocht een verroeste tank, een kruisbeeld, een grafheuvel met foto's van jonge mannen. Onder de kerktoren was de kruidenier, die op een bord verse paprika's aanprees. Ernaast zat de kapper rokend te wachten op iemand die zijn haar te lang vond. De regen had een terras weggespoeld. Een kind reed op een fiets met een ossenkopstuur. Een ander kind reed op rolschaatsen achter een tractor aan. Ik voelde dat ik werd nagestaard toen ik mijn raam opendraaide om de kogelinslagen in de witte kerkmuur te fotograferen. Hoe lang was de oorlog afgelopen? Drie weken? Drie maanden? Men was aan de ruïnes gewend geraakt na meer dan anderhalf decennium.
Ik sloeg een hobbelige weg in langs de Sava naar een enorme weide. Bij een spoor waarop een locomotief en enkele roestbruine veewagens stonden met het opschrift ‘Ljubljana-Jasenovac’, besloot ik te voet verder te gaan. De regen striemde me in het gelaat. Ik was vaker op dergelijke plaatsen geweest en wist: er bestaat geen immuniteit voor de desolaatheid, waarin de late echo klinkt van hels rumoer. De regen arceerde mijn beeld, alsof hij alles wilde wegwissen.
De weide was bezaaid met heuvels en kuilen. In het midden prijkte een reusachtige bronzen bloem. Naast de sculptuur stond welgeteld één appelboompje, dat de verlatenheid van de weide nog meer accentueerde.
Van het treinstel naar de bloem kronkelde een vlonder. Ik volgde het pad en verschanste me onder de ijzeren bladen van de bloem. Op de binnenkant van de bloem stond een gedicht van Ivan Kovačić (wiens ogen waren uitgestoken):
Waar is dat kleine geluk, het schijnsel van het raam,
het zwaluwnest, de zoete tuin?
Waar is de slaperige deken van de wieg,
of bij de drempel de zon aan mijn voeten?
Hier bevond zich van augustus 1941 tot april 1945 een concentratiekamp dat onder supervisie stond van het Departement III van de zogenaamde ‘Ustaša Narodna Služba’. De commandant heette Vjekoslav Luburić, bijgenaamd ‘Maks’, en zijn zwager Dinko Šakić was de directeur. Het kamp, dat officieel een werk- en opvoedingskamp heette te zijn, bestond uit vijf grote en drie kleinere afdelingen, die zich uitstrekten over 240 vierkante kilometer. Een van de andere afdelingen was het vrouwenkamp van Stara Gradiška. Het was het grootste kamp in Kroatië en een van de wreedste van de hele Tweede Wereldoorlog. Waar nu heuvels en kuilen waren, stonden ooit de gevangenenbarakken.
Ik heb met talloze mensen over dit kamp gepraat en heb er heel wat lectuur op nageslagen. Kennelijk is er nog steeds geen eensgezindheid over de ware toedracht en het aantal slachtoffers. Sommigen noemden enkele tienduizenden, anderen bijna een miljoen. De cijfers werden ook gebruikt voor politieke machinaties. Het kampencomplex had een capaciteit van zevenduizend gevangenen. Gemiddeld, heb ik berekend, zouden er zo'n half miljoen mensen zijn omgekomen, dat wil zeggen uitgeroeid of ‘opgeruimd’ in de terminologie van de oorlog.
Voor de onduidelijkheid over de aantallen waren diverse redenen. De meest voor de hand liggende reden was dat de ustaša's alles hadden opgeblazen, vaak nog met de gevangenen in de gebouwen, in de loop van de oorlog, en vooral vlak voor de bevrijding op 2 mei 1945.
Een andere verklaring was dat de Kroatische directie van het kamp niet steeds alle details had genoteerd. De zeldzame teruggevonden documenten vermeldden bijvoorbeeld wel hoeveel wagons er waren binnengereden, maar niet hoeveel mensen daarin zaten.
Nadat de asmogendheden Joegoslavië op 6 april 1941 waren binnengevallen, werd met Hitlers fiat de onafhankelijke arische staat Kroatië oftewel NDH uitgeroepen door maarschalk Slavko Kvaternik. Dit kan verbazing wekken, want de Kroaten zijn Slaven, en Slaven vielen volgens de nazistische rassentheorie niet onder de ariërs. Kennelijk had de nieuwe definitie van het woord ‘Kroaat’ toch Hitlers zegen gekregen. Belangrijk is het woord ‘onafhankelijk’ in NDH, want de Kroatische fascisten rekenden op Hitlers steun in hun onafhankelijkheidsstrijd tegen de Serviërs. In werkelijkheid was het Hitler allerminst daarom te doen en vormde Kroatië niet meer dan een marionettenstaat.
De ustaša's stonden onder het bevel van Ante Pavelič. Twee van zijn medewerkers zouden de geschiedenis ingaan als de wreedsten onder de nazi's. De eerste was de minister van Cultuur, Godsdienst en Opvoeding, Mile Budak, die zei: ‘Voor minderheden als Serviërs, Joden en zigeuners hebben wij drie miljoen kogels. We zullen een deel van de Serviërs doden. De anderen worden het land uitgezet en de rest zullen wij dwingen de rooms-katholieke religie aan te nemen.’ De tweede was de minister van Buitenlandse Zaken, Andrija Artuković, bijgenaamd de Himmler van de Balkan, die verklaarde: ‘Wie geen Serviërs of Joden kan afmaken, is een staatsvijand.’ Vaak werd de fascistische uitroeiingspolitiek ondersteund door uitspraken van geestelijken als Ivo Guberina, die in het tijdschrift Hrvatska Smotra schreef dat ‘het noodzakelijk en nuttig was de Serviërs uit te roeien en om te dopen’.
De slachtoffers waren overwegend Oost-Europeanen, talloze Roma en Sinti, massa's kinderen, vrouwen met baby's, jonge en oude mannen, homoseksuelen en opvallend veel Serviërs. De gezondsten werden ingezet in de steenbakkerijen en de smederijen, in de buurt waar ik me nu bevond. Een onbekend aantal werd meteen bij aankomst geëxecuteerd. De lijken werden in crematoria verbrand. Gaskamers als in Auschwitz waren er niet, wel folterkamers. De bewakers gebruikten de primitiefste wapens: messen, bijlen, knuppels, hamers en vleeshaken. Slachtoffers werden opgehangen, levend verbrand, levend begraven, verdronken in de Sava of gekookt in ketels. Vinger- en teennagels werden uitgerukt. Ogen werden uitgestoken met naalden. Mensen werden gevild. Oren, neuzen, tongen, borsten en genitaliën werden afgesneden. Dochters werden verkracht voor de ogen van hun moeder. Er werd gewed om zoveel mogelijk slachtoffers in zo'n kort mogelijke tijd. Sommige bewakers hadden een leren band om hun pols, waaraan een kromme dolk was bevestigd van het merk Gräwiso (op het internet nog steeds geprezen als ‘Quality made in Solingen, der berühmten Stadt der scharfen Klingen’). Het mes had als bijnaam ‘Servendoder’.
‘De ongelukkigen stierven in de vreselijkste pijnen’, vertelde Dušan Malinović, een Serviër die had kunnen ontsnappen, aan de Franse auteur Hervé Laurière, die het optekende in Assassins au nom de Dieu (Moordenaars in Gods naam).
Dezelfde ontzetting die ik in Auschwitz, Buchenwald en andere concentratiekampen had gevoeld, bekroop me, dezelfde verbazing over het feit dat de natuur zich niets herinnerde. Er groeiden bomen op de oever van de Sava. Ik ademde de kalmerende geur van pijnbomen in.
Het feit dat Kroatië tijdens de Tweede Wereldoorlog een vazalstaat van nazi-Duitsland was, betekende niet dat de Duitsers voor alles hun fiat hadden gegeven. Generaal Edmund Glaise von Horstenau, Hitlers vertegenwoordiger in Zagreb, schreef in 1942 in zijn dagboek dat hij het kamp van Jasenovac ‘gruwelijk’ vond. Arthur Hefner, die verantwoordelijk was voor het transport, schreef op 11 november van hetzelfde jaar: ‘Dit is een van de gruwelijkste kampen en kan enkel worden vergeleken met Dantes “Inferno”.’ Ik vond het onvoorstelbaar dat de bouwheren van Auschwitz verbaasd konden staan van nog iets wreders.
Overigens was het zelfs voor Duitsers niet makkelijk om het kamp te bezoeken. Jasenovac komt niet voor in de lijst van Duitse concentratiekampen, omdat het in het toenmalige bezette Europa het enige was dat niet onder leiding stond van Heinrich Himmlers SS.
Een belangrijk bezoek, waarbij de pauselijke gezant monseigneur G. Massuci aanwezig was, vond plaats op 6 februari 1942. De kampdirectie had alles gedaan om het kamp zo voorbeeldig mogelijk in te richten. De barakken waren in een mum van tijd schoongemaakt. De gevangenen kregen zelfs behoorlijk te eten. Op alle andere dagen voerde men de gevangenen zo slecht dat velen omkwamen van de honger, door voedselvergiftiging of door infecties.
De houding van de kerk was dubbelzinnig. Enerzijds onderhielden het Vaticaan en de politieke en religieuze leiders contact met elkaar en werden er alarmerende berichten uitgestuurd over het lot van de niet-Kroaten in Kroatië. Anderzijds pleegden talloze geestelijken schuldig verzuim. Alojzije Stepinac, de aartsbisschop van Zagreb, had vanaf zijn aanstelling het ustaša-regime gesteund. Hij had in de kathedraal van Zagreb het Te Deum laten zingen ter ere van de ‘Poglavnik’ (een variant van ‘Führer’ en ‘Duce’) Ante Pavelić. Hij had hem kort na de machtsgreep ook persoonlijk gesproken en gezegend. Pavelić werd zelfs ontvangen op het Vaticaan (volgens een Zagrebse krant verliep dit ‘hartelijk’) en gezegend door de paus. Diezelfde dag, 18 mei 1941, ontmoette Pavelić ook Mussolini. In 1942 werd Stepinac door het Vaticaan benoemd tot vicaris-generaal van het Kroatische leger. In 1943 ontkende hij de beschuldiging dat Kroaten misdaden zouden hebben begaan (behalve ‘onverantwoorde personen’). Korte tijd later werd hij ontvangen door de paus. Tegelijk verkondigde de bisschop van Sarajevo, Ivan Šarić, dat de Joden moesten worden ‘uitgesloten van onze liefde’ en dat ‘het bevrijden van de wereld [van de Joden] een vernieuwing van de menselijke waardigheid betekende’.
De pauselijke curie stond niet onverdeeld negatief tegenover het schrikbewind in Kroatië. De jonge Joegoslavische koning, Peter ii Karađorđević, wees de paus op ‘de systematische uitroeiing’, ‘een van de brutaalste en verfoeilijkste wetten, die tegen de Joden’, die ook werd ‘toegepast op de Servische bevolking’. Tweeëntwintig dagen na zijn bezoek aan de paus werd Pavelić ontvangen door Hitler op de Obersalzberg in Berchtesgaden, waar ze samen baden voor het succes van de ustaša-beweging.
‘Pavelić was de enige die als staatshoofd tijdens de Tweede Wereldoorlog officieel werd ontvangen door zowel Hitler als de paus’, schreef Dirk Verhofstadt. In 1943 werd zelfs een speciale afdeling van de ustašapolitie ontvangen door het Vaticaan. Uit diverse hoeken werd geprotesteerd tegen de massale deportaties en monsterlijke praktijken. De bisschop van Mostar schreef in een brief aan Stepinac over Servische moeders en kinderen die in Hercegovina levend van bergtoppen werden afgeduwd. Stepinac veroordeelde herhaaldelijk de agressieve daden van de ustaša's (onder andere in een uitzending van Radio Vaticana in juli 1943), maar nooit de regering. Hij zou de priesters die zich bezighielden met de gedwongen bekeringen, hebben ingefluisterd dat als de tijd van waanzin was afgelopen, iedereen die uit overtuiging katholiek was geworden in de kerk kon blijven, en dat iedereen die dat wilde naar zijn eigen kerk kon terugkeren. Mijn duivelin vertelde me ooit dat de ustaša's hem een lastpak vond en desnoods met geweld van hem af wilde.
Ik bleef lang onder de stenen bladen van de bloem staan. De regen kletterde op de vlonder.
Merkwaardig was de houding van de communisten tegenover het kamp. Tito bedekte de gruwelen liever met de mantel van broederlijkheid en eenheid. Grotere aandacht voor de oorlogsmisdaden zou de haat tussen de Serviërs en de Kroaten hebben aangewakkerd. Wellicht speelde Tito's Kroatische bloed daarin een rol. Het opkroppen van de wraak heeft ongetwijfeld de frustratie gevoed die tot de burgeroorlog van de jaren negentig leidde.
Stepinac werd veroordeeld tot zestien jaar opsluiting wegens collaboratie met de nazi's, schuldig verzuim, en smaad aan het nieuwe regime, dat hij verdacht van de moord op honderden priesters. Hij klaagde dat zijn zaak niets anders dan een politiek showproces was, en hij kreeg bijval van journalisten van The New York Times, woordvoerders van het Amerikaans Joods Comité en Winston Churchill. Tijdens zijn gevangenschap werd hij geïnterviewd door de journalist van The New York Times Cyrus L. Sulzberger, die daarvoor de Pullitzerprijs kreeg. Stepinac zei dat hij vreesde niet lang genoeg te zullen leven om het bankroet van het communisme te zien, maar dat dit zou gebeuren, leed volgens hem geen twijfel. Hij stierf in 1960 op zijn eenenzestigste. Zijn aanhangers beweerden dat hij was vermoord, omdat hij als zieke man met huisarrest geen toegang had tot degelijke zorgverstrekking. Sommigen geloofden dat hij langzaam was vergiftigd.xxii Achtendertig jaar later, op 3 oktober 1998, werd hij zalig verklaard door Johannes Paulus II. Hij kreeg een praalgraf in de kathedraal van Zagreb. De Holocaust Martyrs' and Heroes' Remembrance Authority, kortweg Yad Vashem, in Jeruzalem, de grootste organisatie voor de herdenking van de slachtoffers van de Holocaust, gaf evenwel nog steeds geen toestemming om Stepinac op te nemen in de lijst van ‘rechtvaardigen onder de volkeren’, ondanks herhaaldelijke verzoeken.
Stepinac, zo bedacht ik onder de stenen bloem van Jasenovac, was in de loop van de jaren een van de felst omstreden symbolen van Kroatië geworden, beladen met een dubbel taboe: zowel zijn aanhangers als zijn tegenstanders duldden geen enkele tegenspraak.
In 1965 richtte men in Jasenovac alsnog een monument op. Tito's favoriete architect Bogdan Bogdanović, hoogleraar in de urbanologie aan de universiteit van Belgrado, ontwierp de stenen bloem waaronder ik nu stond. Overigens werd Bogdanović later, van 1982 tot 1987, burgemeester van Belgrado. Toen Milošević aan het roer kwam, verliet hij zijn land, en toen de oorlog uitbrak, vestigde hij zich in Wenen.
In de burgeroorlog raakten de Serviërs en de Kroaten in Jasenovac opnieuw slaags. De sporen waren nog altijd te zien. In 1991 werd het museum door Serviërs kort en klein geslagen. Toen het gebied vier jaar later weer in Kroatische handen kwam, zette Franjo Tuđman kwaad bloed door het aantal slachtoffers van Jasenovac te relativeren en door voor te stellen om van Jasenovac een gedenkplaats te maken voor alle Kroatische oorlogsslachtoffers. Hij werd hard aangevallen door Milan Bulajić, de directeur van het genocidemuseum van Belgrado. Bulajić genoot bij de Kroaten een kwalijke reputatie omdat hij ontkende dat de Serviërs zich in de burgeroorlog schuldig hadden gemaakt aan volkenmoord. Dat Tuđman zich niet bereid verklaarde tot een harde aanpak van oud-leden van de ustaša-beweging en enkelen zelfs een hand boven het hoofd hield, maakte de discussie alleen maar vinniger.
Later verdiepte ik me in wat er na de oorlog met de kopstukken van de ustaša-beweging was gebeurd.
Vjekoslav ‘Maks’ Luburić kon aan elke vorm van vervolging ontsnappen, maar werd in 1969 op achtenvijftigjarige leeftijd door zijn eigen petekind Ilija Stanić,xxiii een agent bij de Joegoslavische geheime politie, doodgeschoten in Spanje. Maks' zwager Dinko Šakić vluchtte naar Argentinië, waar hij pas in 1998 werd opgespoord door de Amerikaanse nazi-jager Efraim Zuroff. Argentinië leverde hem uit aan Kroatië, waar hij werd veroordeeld tot twintig jaar cel. Hij onthaalde zijn vonnis op applaus en hield vol dat hij ‘sliep als een baby’. Hij overleed terwijl ik in Dalmatië rondreisde, op 21 juli 2008, op zevenentachtigjarige leeftijd. Zijn begrafenis op het Mirogojkerkhof in Zagreb werd door driehonderd mensen bijgewoond. Op eigen verzoek werd hij begraven in zijn ustaša-kostuum. De dominicaner priester Vjekoslav Lasić zei in zijn lijkrede dat Šakić een man was ‘op wie de Kroaten trots moesten zijn’. De reacties bleven niet uit. Shmuel Meirom, de Israëlische ambassadeur in Kroatië, zei dat hij wilde geloven dat ‘de meerderheid van de Kroaten geschokt was door de manier waarop de commandant van Jasenovac was begraven, maar dat hij tegelijk ‘de ongepaste woorden van de priester streng veroordeelde’. Ook Slavenka Drakulić en Dubravka Ugrešić spraken hun afschuw uit in de Süddeutsche Zeitung en de Neue Zürcher Zeitung.
Ten slotte: hoe was het de Führer van de ustaša's vergaan?
Pavelić wist aan de partizanen te ontkomen en vluchtte naar Italië, waar hij zich met de steun van het Vaticaan in het San Girolamoklooster schuilhield. Met het bloedgeld dat de Kroatische holocaust hem had opgebracht, financierde hij drie jaar lang aanslagen op Joegoslavië. Zijn aanhangers werden ‘de Kruisvaarders’ genoemd. In 1948 dook hij op, net zoals enkele jaren later Adolf Eichmann en Klaus Barbie, in Latijns-Amerika, waar hij een Kroatische regering in ballingschap oprichtte. In 1956 werden de grondbeginselen van de zogenaamde Kroatische Bevrijdingsbeweging gepubliceerd, met de handtekeningen van twaalf voormalige ustašaministers.
Pavelić werd tot veiligheidsadviseur van de Argentijnse president Juan Perón geparachuteerd. In 1957 overleefde hij een aanslag en zocht hij een nieuw heenkomen bij Francisco Franco. Daar bevond zich ook al zijn vloekverwant Maks. Twee jaar later overleed hij op zeventigjarige leeftijd in Madrid.
Na zijn dood bleven zijn aanhangers aanslagen plegen: in 1962 op het Joegoslavische consulaat in Duitsland, in 1968 op een bioscoop in Belgrado, in 1971 op de Joegoslavische ambassadeur in Zweden, in 1972 op een Zweeds en later ook een Joegoslavisch vliegtuig, in 1975 op de New Yorkse luchthaven La-Guardia, in 1978 op Kroatische burgers in de VS en in 1980 op het Vrijheidsbeeld in New York. Bij nagenoeg al die aanslagen vielen slachtoffers.
Of je bent Bleiburg
Ik verliet de verdrietige laagvlakte van Jasenovac en begaf me op weg naar Slavonië. Jasenovac, bedacht ik, ontbrak niet alleen op veel kaarten, maar ook in de geschiedenisboeken van Europa.
Er was evenwel nog een andere stad, die bij niemand in West-Europa een belletje deed rinkelen, hoewel de tragedie daar een horribel vervolg had gekend. Mijn duivelin, tussen twee vluchten even neergestreken in Slavonië, drukte me met mijn neus op de feiten.
‘Weet je wat er gebeurd is’, vroeg ze, ‘met de lagere echelons van de ustaša-beweging en al wie er willens nillens mee werd geassocieerd?’
Het antwoord bestond uit één woord: Bleiburg.
‘Je zou zelfs’, zei de duivelin, ‘alle opinies over de Tweede Wereldoorlog in Kroatië kunnen samenvatten met dit duivelse dilemma: je bent Jasenovac of je bent Bleiburg.’
Weer leidde ze me door een mijnenveld, zoals die middag in de Krajina, maar nu een mijnenveld van ideeën. We kochten koffie in een ruim, maar leeg wegrestaurant en installeerden ons bij een radiator.
‘Vanaf 6 mei 1945, zes dagen na Hitlers zelfmoord,’ vertelde ze, ‘ruimden de ustaša's het krijt. Tito, die streefde naar een herenigd Joegoslavië onder communistische vlag, veroverde het land. Dat er bij het hakken spaanders vielen, is een spreekwoordelijke waarheid. Tito trad genadeloos op tegen alle categorieën collaborateurs, ware, vermeende, criminele, halfzachte, zij die het tegen beter weten in waren en zij die het zelf niet eens doorhadden. Velen hadden geen enkele band gehad met de ustaša's of waren zelfs anti-ustaša geweest, maar maakten de fout niet in het communisme te geloven. Men vertelde dat de partizanen ziekenhuizen binnendrongen en de gewonden doodschoten. Uit angst sloeg iedereen op de vlucht. Onder hen bevonden zich zowel ustaša's als soldaten van de Hrvatsko Domobranstvo, kortweg de Domobrani, de reguliere strijdkrachten. Er sloten zich četniks aan, die onder leiding van Dragoljub Mihajlović vochten voor een Groot-Servië, en ook Sloveense Belogardejci. Ieder volk had wel ergens vertegenwoordigers die ideologisch of uit opportunisme achter Hitler aan liepen. Niemand weet precies hoeveel, maar het moet een enorme menigte zijn geweest, die in de tweede week van mei 1945 Kroatië verliet in noordelijke richting en via het huidige Slovenië naar Oostenrijk, dat toen Duitsland was, trok. Eindeloze colonnes vrachtwagens, boerenwagens, soldaten, studenten, kooplieden, arbeiders, intellectuelen, moeders met kinderen… Volgens sommigen meer dan een half miljoen.’
‘Ze hoopten’, zei ik, ‘dat ze daar aan de blinde wraak van de communisten zouden ontsnappen.’
‘Ze waren zo naïef – zo zeiden de overlevenden – dat ze geloofden dat de geallieerden hen zouden redden’, zei de duivelin. ‘In Bleiburg, aan de Sloveens-Oostenrijkse grens, een van de oudste stadjes van Oostenrijks Karintië, hield de achtendertigste infanteriebrigade van de Britten hen tegen. Ze kregen het bevel de wapens neer te leggen. De meesten gehoorzaamden. Wat er toen gebeurde, is een van de meest controversiële feiten van de twintigste eeuw. Artikel 20 van de Haagse Conventie over oorlogsrecht zegt dat bij de beëindiging van een oorlog de repatriëring van krijgsgevangenen zo snel mogelijk moet gebeuren. Was het dit artikel of waren het geheime afspraken tussen Tito en de geallieerden – wie schrikt er nou nog van geheime afspraken, als ten slotte de Tweede Wereldoorlog daarmee begonnen was? – die de Britse generaal Brian Hubert Robertson ertoe aanzette om de vluchtelingen niet door te laten, maar terug te sturen en over te dragen aan de Joegoslavische strijdkrachten?’
‘Ze zaten tussen twee vuren’, zei ik.
‘Ze hadden geen keuze,’ zei de duivelin, ‘ze moesten terug. De partizanen hielden hen in het vizier, en toen ze dicht genoeg waren, openden ze het vuur. Op andere plaatsen, zoals Villach, Lawamünd, Krumpendorf en Griffen, werden de vluchtelingen met treinen en legervoertuigen teruggebracht naar Joegoslavië, waar ze in gevangenissen verdwenen. Een deel van hen werd gedwongen om te voet terug te keren. Dat waren de zogenaamde dodenmarsen, honderden kilometers lang, soms wel achthonderd. Men noemde zo'n dodenmars križni put, een kruisweg. Onderweg stierven de mensen van uitputting of door de kogels van de bewakers, vooral in de buurt van Maribor, een stad in Slovenië. Naar het schijnt zouden ook velen in ravijnen zijn geduwd. Om munitie te sparen bonden de partizanen soms zes gevangenen aan elkaar vast en dwongen ze hen om op een plank over een ravijn te lopen. Zodra het zestal op de plank stond, werd de laatste man met een hamer doodgeslagen, zodat hij de andere vijf meesleurde in zijn val. Later zouden veel van die massagraven zijn opgeblazen om alle sporen uit te wissen.’
‘Genocide, wraak…’ mompelde ik.
‘Men zegt dat een tiende van de Kroaten daar werd vermoord: 400.000 op een totaal van 4 miljoen. Vanaf 1952 keerden de eerste Kroaten naar Bleiburg terug om de slachtoffers te herdenken. Hoewel het officieel verboden was, gingen steeds meer mensen erheen. Tegenwoordig geldt het als een bedevaartsoord, waar mensen op 15 mei, drie weken na de herdenkingsdag voor de slachtoffers van Jasenovac, massaal naartoe trekken. Men zegt dat deze massamoord groter was dan Srebrenica en de vergelijking met de killingfields van Pol Pots Rode Khmer in Cambodja best kan doorstaan. Omdat lang werd beweerd dat het om misdadigers ging, is er nauwelijks onderzoek gedaan naar de identiteit van de opgegraven beenderen. In 1999 maakte Jakov Sedlar over dit onderwerp de film Cetverored [In vier rijen], gebaseerd op een boek van een literaire politicus, Ivan Aralica. De prent maakte veel ophef omdat de partizanen erin worden afgeschilderd als psychiatrische gevallen.’
Later zou ik er ook over praten met Igor Štiks, die net internationaal was doorgebroken met De stoel van Elijah, een boek over de zoektocht naar identiteit en de betekenis van een opgelegde identiteit. Hij slaagde er op een zeldzame manier in om de gelaagdheid te schetsen van het gebied waar hij vandaan kwam. Hij waarschuwde me voor wat ik overal vermoedde: dat aantallen slachtoffers altijd worden gemanipuleerd.
‘Wanneer de Serviërs overdrijven,’ zei hij, ‘minimaliseren de Kroaten, en vice versa. Het is nationalistische propaganda aan beide kanten. Het feit dat een deel van de Kroaten de ustaša's steunde, terwijl een ander deel – het grootste – neutraal bleef of openlijk de partizanen steunde, zoals in Dalmatië en Istrië, werd aangegrepen om de Kroaten een genocidaire natuur toe te dichten. Je kunt je voorstellen dat dit niet bedoeld was als poging tot verzoening, integendeel. Iedere etnische groep probeert zijn aantallen slachtoffers te vergelijken en gebruikt de oorlogsmisdaden als rechtvaardiging voor nieuwe misdaden. Ook woorden werden gemanipuleerd. “Četnik” bijvoorbeeld. Sommigen noemden de četniks een verzetsgroep die Joegoslavië bevrijd heeft. Zij waren inderdaad begonnen als een verzetsorganisatie, die trouw zwoer aan de Joegoslavische regering in ballingschap, maar zij heeft zich nauwelijks verzet tegen de Duitse bezetter in Servië en werkte zelfs met hen samen, en ook met de Italianen, tegen de partizanen! Daarom hebben de geallieerden op een bepaald moment hun steun aan de četniks opgezegd en zich gewend tot de partizanen van Tito. Sommige četniks waren zelfs betrokken bij misdaden in Oost-Bosnië tegen de moslims en in Servië tegen de Joden.’
De ellendige verhalen maakten de leegte van het restaurant op weg naar Slavonië nog triester. Straks zouden onze wegen weer scheiden, maar ik wilde nog één ding weten: ‘Hoe denken de huidige bewindslieden over het duivelse dilemma Jasenovac-Bleiburg?’
‘Stjepan Mesić, de huidige president,’ zei de duivelin, ‘was aanvankelijk een medestander van Franjo Tuđman. Er zijn filmopnames opgedoken uit 1992, waarin Mesić zei dat Kroatië “geen enkele reden had om zich te verontschuldigen”, hoewel iedereen eiste dat “we op de knieën zouden gaan voor wat er gebeurd is in Jasenovac”. In dezelfde toespraak zei hij dat Kroatië “twee keer gewonnen had, en alle anderen maar één keer. Wij wonnen op 10 april 1941”, dat wil zeggen toen de nazigezinde, zogezegd onafhankelijke NDH werd opgericht, “en wij wonnen omdat we na de oorlog ook aan de overwinnaarstafel zaten”. Die woorden pasten in de Tuđmaniaanse nationalistische retoriek, die moest opbieden tegen de gezwollen toespraken van Milošević. Later distantieerde Mesić zich van Tuđmans nationalisme. Hij klonk opeens anders en zei zelfs dat “geen enkel slachtoffer uit Jasenovac schuldig was aan de slachtoffers van Bleiburg, maar veel slachtoffers van Bleiburg schuldig waren aan veel slachtoffers van Jasenovac”. Toen men hem bij een bezoek aan Jasenovac vroeg waarom hij niet naar Bleiburg ging, luidde zijn antwoord dat hij dat pas zou doen nadat de historici alles hadden opgehelderd en nadat alle slachtoffers bekend waren.’
Ik stelde haar een gewaagde slotvraag: ‘Wat ben jij eigenlijk: Jasenovac of Bleiburg?’
Ze grinnikte. ‘Mijn ene grootvader werd in Jasenovac opgehangen omdat hij een kwartjood was, mijn andere grootvader vluchtte naar Bleiburg omdat hij Tito een gek vond, en moest dat met jarenlange gevangenisstraf bekopen.’
‘Het spijt me’, zei ik.
‘Nee’, zei ze, ‘het is een hartstikke goede vraag. Maar ieder antwoord is verkeerd.’
Ik sprak het gedeukte Volkswagentje moed in, kocht proviand en zette de radio uit, want ik wilde kunnen nadenken onder het rijden.
Een zin uit een spektakel van de poppenspeler maalde door mijn hoofd: ‘Als je je haar laat hangen, o schoonheid, zal dat de bloesem van de roos verschroeien.’
Beelden paradeerden op mijn netvlies: de kromme Servendoder, de stuiptrekkingen van een kind dat levend wordt begraven, loopbruggetjes over foibe, de bloedhete rots van Goli Otok.
Een keer keek ik naar de staalgrijze hemel. Ergens daarboven vloog de duivelin. Ze zat misschien lauwe noedels te eten met een plastic vorkje en keek naar de zon, die daar altijd scheen.
Slavonië kroop langzaam onder een doek van mist en regen vandaan.