HOOFDSTUK VIII
Diefstal met braak
Zoals afgesproken reden ze de volgende dag naar Heukelaar toe en zagen dat Thijs Klompenmaker en zijn maat de avondportier aflosten, die even later op zijn fiets in het donker verdween. Ze wachtten nog een half uur en toen vond Jos dat het tijd werd.
'Zou die Thijs misschien aan de stem kunnen horen dat het Van Rijn niet is?' weifelde Nelis nog.
'Man, zanik niet. . . hij heeft waarschijnlijk die Van Rijn zijn stem nog nooit door de telefoon gehoord,' bromde Jos en startte de auto.
'Is die telefooncel hier ver vandaan?' vroeg Nelis zenuwachtig.
'Je moet niet zo bang zijn . . . je maakt ons ook aan de gang,' blafte Jos, die voor de zenuwen de ene sigaret na de andere rookte.
Nelis bromde nog wat en zweeg verder. Na vijf minuten rijden kwamen ze in een ander dorp en op het plein daar stond een telefooncel. Jos stapte uit de wagen, keek even om zich heen en verdween toen in de cel. In zijn opschrijfboekje had hij het nummer van de papierfabriek opgeschreven en nu draaide hij langzaam maar zeker de cijfers. Nelis en Sjef waren in de auto blijven zitten en keken gespannen naar Jos.
In het hokje van de portier waar Thijs Klompenmaker en zijn maat de krant zaten te lezen, ging de bel van de telefoon. Beiden schrokken op, want zo dikwijls ging de telefoon ’s nachts niet. Toen de bel voor de tweede keer overging, pakte Thijs de haak op en riep: 'Met de papierfabriek!'
'Spreek ik met Klompenmaker?' vroeg Jos met een lijzige stem.
'Ja, dat ben ik,' zei Thijs, 'met wie spreek ik?'
'Met je buurman Van Rijn. . . je vrouw weet geen raad en heeft gevraagd of ik je wil opbellen,' lijsde Jos.
'Ja, wat is er aan de hand?' vroeg Thijs haastig.
'Met haar niets. . . het zijn die vissies.'
'De vissen .. .wat is er met de vissen?' vroeg Thijs angstig.
'Er is een barst in het aquarium gekomen. Het water loopt eruit en nou denkt je vrouw dat ze doodgaan. ' Wat moeten we daaraan doen?'
Thijs dacht even na en riep toen: 'Er staat nog een oud aquarium in het schuurtje, daar moet je ze zolang maar in doen . . . of nee, wacht even. . . het water moet eerst op temperatuur zijn, anders gaan ze dood.'
'Moet dat kokend water zijn?' vroeg Jos.
Thijs kreunde en riep: 'Nee, geen kokend water natuurlijk . . . luister, Van Rijn . . . het moet op temperatuur zijn, zowat . . . laat maar . . . ik kom zelf . . . over een kwartier ben ik thuis,' riep Thijs en smeet de haak op het toestel.
'Wat is er aan de hand?' vroeg zijn maat.
'Mijn vissen staan droog . . . ik moet direct naar huis,' zei Thijs gejaagd.
'Zou je dat wel doen?' weifelde de maat.
'Er zit voor een paar honderd gulden waarde in,' zuchtte Thijs.
De maat bromde: 'Zal ik de chef opbellen?' en krabde zich eens onder de pet.
'Nee, nee, de chef niet bellen, die trekt zich van die vissen niets aan . . . ik ga zo wel even. Binnen het uur ben ik weer terug . . . ja, ik doe het . . . kan ik op jou rekenen?' vroeg Thijs en keek zijn maat aan.
'Dat weet je wel, maar als de chef soms komt, kan ik het natuurlijk niet verzwijgen.'
'Nee, die komt niet . . . vooruit, waar is mijn jas . . . maak jij de deur vast open!' riep Thijs en pakte zijn fiets.
Juist toen Jos en zijn vrienden de fabriek naderden, zagen ze de deur opengaan en Thijs Klompenmaker met de fiets aan de hand naar buiten komen. Hij sprong
op het rijwiel en reed met een vaart de weg op. De Belg, die nu achter het stuur zat, bleef eerst een paar honderd meter achter hem rijden. Toen raapte Jos een uniformpet van de vloer op en zette die op zijn hoofd.
'Maak de doek nat,' gelastte hij Nelis, die een scherp riekende vloeistof op de doek goot en hem opgerold aan Jos gaf.
Nu passeerden ze met de auto de hard rijdende Thijs en de Belg drukte hem langzaam naar de kant van de weg toe. Jos stak zijn hoofd met de uniformpet uit het raampje en riep: 'Politie . . . stoppen!'
Onmiddellijk begon Thijs te remmen en kwam naast de auto tot stilstand, Jos deed het portier open en stapte uit. Aan de andere zijde kwam Nelis uit de wagen en liep om de auto heen, waardoor hij achter Thijs kwam te staan.
'Wat is er aan de hand?' vroeg Thijs.
'Je achterlicht brandt niet,' bromde Jos, die half achter het geopende portier bleef staan.
'O,' zei Thijs en bukte zich naar het achterlicht van zijn fiets.
Onmiddellijk sprong Jos op hem toe en drukte de doek met het scherp riekende vocht tegen zijn neus, zo, dat hij niet eens schreeuwde. Hij liet de fiets vallen terwijl Nelis tegelijk zijn armen vastpakte. Thijs schrok en lag er even later zelf naast, want de verdovende vloeistof, die op de doek zat, had zijn plicht gedaan. Jos en Nelis pakten de arme Thijs vast en droegen hemnaar een paar bosjes, die een eind van de weg af stonden. De Belg volgde met de fiets, die hij zolang in een droge greppel neerzette. Vervolgens haalde hij uit de auto een flink eind touw en liep naar Jos en Nelis toe, die met de bewusteloze Thijs bezig waren. Samen trokken ze hem de overjas uit en namen zijn pet af. Daarna bonden ze hem aan handen en voeten en duwden hem een prop in de mond. Toen dat klaar was, droegen ze hemnog verder het bos in en schoven hemonder wat laag kreupelhout. De bewusteloze Thijs kreunde, maar verder zat er niet veel leven meer in. jos trok de overjas van Thijs aan en verwisselde de uniformpet voor de pet van Thijs. De Belg pakte de uniformpet van Jos en stapte met Nelis in de auto, die snel wegreed. Jos viste de fiets van Thijs uit de greppel en liep daarmee in de richting van de fabriek. Tegenover de ingang drong hij een eindje het bos in en ging daar naast de fiets op de grond zitten. Hij had ontzettende trek in een sigaret, maar durfde niet te roken omdat hij bang was dat iemand van de weg af het vuur van de sigaret zou kunnen zien. Op zijn horloge zag hij dat het pas elf uur was, zodat hij nog een half uur moest wachten. Hij ging met de rug tegen een boom aan zitten en terwijl hij de fabrieksdeur in de gaten hield, keek hij telkens op zijn horloge. Een paar keer hield hij het tegen zijn oor en luisterde of het soms stilstond, want de tijd scheen te kruipen. Eindelijk was het dan zover. Het horloge stond op half twaalf en bovendien hoorde hij een eind verder een auto stoppen. Voorzichtig liep hij met de fiets naar de weg terug en zag daar een donkere gedaante langs het bos sluipen. Toen die vlak bij hem was, siste Jos: 'Ppsstt. . . ben jij het, Nelis?'
Nelis schrok en fluisterde: 'Nooit geen namen noemen.'
'Oké,' bromde Jos en pakte de fiets steviger vast.
Met Nelis vlak achter zich stak hij de weg over en bleef vlak voor de deur van de fabriek staan. Nelis drukte zich vlak naast de ingang tegen de muur aan en wachtte af.
'Klaar?' vroeg Jos zachtjes.
'Ja, vooruit maar,' siste Nelis.
Toen bonsde Jos hard op de deur en toen er niet spoedig genoeg werd opengedaan, nog eens. Eindelijk ging het luikje open en de maat van Thijs keek naar buiten. Jos boog zich wat over de fiets heen, waardoor zijn gezicht in de schaduw bleef.
'Zo, ben je al terug?' zei de waker door het luikje heen.
'Ja,' bromde Jos, die de stem van Thijs Klompenmaker zoveel mogelijk nabootste.
Ze hoorden de bewaker een paar knippen wegschuiven en toen ging de deur langzaam open. Voordat Jos naar binnen ging, pakte hij de doek van Nelis aan, waar deze weer de verdovende vloeistof had op gedaan. Met gebogen hoofd duwde hij de fiets van Thijs de fabriek in en stapte er zelf achter aan. De waker deed een paar passen achteruit om Jos met de fiets te laten passeren. Deze liet de fiets tegen de waker aanvallen en schoot tegelijk op hem toe. Achter de deur hoorde Nelis gestommel en sprong eveneens door de nog openstaande deur naar binnen. Hij zag nog juist hoe de waker half door de knieën zakte en tevergeefs de doek wilde wegduwen, die Jos hem tegen de neus drukte. Nelis duwde de deur achter zich dicht en schoot Jos te hulp. Nodig was dit echter niet, want de waker lag al bedwelmd op de grond. Uit zijn zak haalde Nelis een ander touw en samen bonden ze de bewaker vast. Ook deden ze hem een prop in de mond, maar dat was overbodig, want het zou nog wel een paar uur duren voor de man weer bijkwam. Toen dat gebeurd was, keken ze elkaar eens aan en het eerste wat Jos zei, was: 'Geef me een sigaret.'
Nelis gaf hem er een en zei tegelijk: 'Opschieten . . . zoveel tijd hebben wij niet.'
'Tijd genoeg,' bromde Jos en deed de overjas van Thijs uit.
Nelis was intussen de gang ingelopen op zoek naar het magazijn, maar Jos begreep wel dat dit natuurlijk afgesloten was. Op een houten bord hingen een paar rijen sleutels en Jos zocht er een uit met het kaartje ,Grote Opslagruimte’ eraan.
'Die zullen we eerst eens proberen,' bromde hij en liep achter Nelis aan de gang in.
Aan het eind van de gang was de eigenlijke fabriek, maar daar moesten ze niet zijn. Vooraan in de gang was nog een deur en daar stak Jos de sleutel in het slot. Zonder enige moeite kreeg hij de deur open en kwamen ze in de grote opslagruimte, waar een grote hoeveelheid pakken met papier was opgeslagen.
'Ha,' juichte Jos en Nelis knielde al bij een stapel neer om het pakpapier stuk te scheuren.
Haastig trok hij er een vel papier uit om het te bekijken en eraan te voelen, maar hij schudde met het hoofd. Bij de volgende stapel ging dat precies eender. Jos slenterde werkeloos achter hem aan, want van papier had hij geen verstand. Aan het hoofdschudden van Nelis zag hij toch wel dat ze het juiste papier nog niet gevonden hadden. Zo was het ook. Hoe Nelis ook rondspeurde, het bankbiljettenpapier was er niet bij. Toen hij zo’n beetje rond was geweest, keek hij met een radeloze blik in zijn ogen naar Jos, die een nieuwe sigaret had opgestoken en spreidde zijn armen met een wanhopig gebaar wijd uit. Jos knikte en wees naar een houten deur, die tussen twee rekken in zichtbaar was. Ze liepen erheen en zagen dat daar ,Kleine Opslagruimte’ op geschilderd stond.
'Hier zal het zijn,' dacht Jos en duwde tegen de deur, maar deze zat stevig dicht.
'Is hier geen sleutel van?' vroeg Nelis fluisterend.
Jos haalde de schouders op en zei: 'Niets gezien. . . wij gaan zoeken,' waarop hij naar het portiershokje liep.
Nelis kwam er ook bij en samen bekeken ze iedere sleutel, maar die van de kleine opslagruimte was er niet bij. Jos liet zich op een stoel zakken om na te denken en Nelis liep zenuwachtig heen en weer. Hij schrok van de bewaker, die in de gang lag en zich bewoog.
'Gaan wij ervandoor?' vroeg hij aan Jos en wilde reeds naar de uitgang lopen.
'Je bent stapelgek . . . alles gaat toch goed . . . juist omdat er geen sleutel is, moet daar het papier zitten. . . wij breken de zaak gewoon open,' zei Jos en liep door de gang naar de fabriek toe.
Na enig zoeken vonden ze een stuk ijzer dat wel geschikt leek om de deur open te breken. Ook vond Jos nog een grote schroevendraaier. Hiermede gewapend gingen ze naar de grote opslagruimte terug, waar Jos het stuk ijzer tussen het paneel en de deur trachtte te wringen. Na een paar vergeefse pogingen moest hij het opgeven en probeerde het toen met de schroevendraaier. Die kon hij wel tussen de stijl en de deur inwringen, maar deze sprong niet open zoals Jos half en half had verwacht.
'Kom maar, dan gaan we,' fluisterde Nelis weer, die zijn zenuwen niet langer de baas kon blijven.
'Lafaard,' siste Jos, 'wou jij de zaak in de steek laten . . . kom mee.'
Weer gingen ze naar de fabriek terug en in een gereedschapskist vond Jos een boor en een puntzaag. Hij floot goedkeurend tussen de tanden door en haastte zich terug naar de opslagruimte. Naast het slot boorde hij een gat in de houten deur, en toen liet hij Nelis er vlak onder nog een boren. Daarna was Jos zelf weer aan de beurt en stak de punt van de zaag in de boorgaten. Die ging er maar een klein stukje in, maar toch ver genoeg om voorzichtig de zaag op en neer te bewegen. Dat deed hij ook en na enige tijd kon hij de zaag er dieper insteken en grotere streken maken, maar toen stond het zweet ook op zijn voorhoofd.
'Nou jij,' zei hij tegen Nelis, die al die tijd zwijgend naast hem had gestaan.
Nelis greep de zaag vast en na enige tijd zweette hij net zo hard als Jos. Zo wisselden ze elkaar af en schoten flink op. Ze maakte een halve cirkel om het slot heen en toen dat klaar was, stak Jos de schroevendraaier in de zaagsnee en probeerde het slot met het hout eruit te wippen. Eerst ging dat niet, maar toen Nelis er met het stuk ijzer bijkwam, schoot de deur open.
Met de zaklantaarns in de hand drongen ze de kleine opslagruimte binnen en daar vond Nelis het papier dat Sjef, die buiten in de auto zat te wachten, verlangde. Met bevende vingers pakte Nelis een vel beet en trachtte het door te scheuren. Pas na flink trekken lukte dat, waarop Jos zei: 'Hei kaffer. . . je moet het niet kapot scheuren.'
'Dat is het,' fluisterde Nelis met iets van ontzag in zijn stem, 'je kan het bijna niet scheuren . . . er zit linnen in en lange vezels.'
Hij hield een vel papier op armlengte van zich af en Jos moest er een brandende lantaarn achter houden. Nu kon je duidelijk het watermerk zien, dat er door de fabriek in was aangebracht.
'Is dat het goeie papier?' vroeg Jos zakelijk.
Nelis knikte en streek er liefkozend met de vinger over.
'Waar wachten we dan op?' siste Jos en wilde een pak papier opnemen. Het woog zwaarder dan hij verwacht had en hij vroeg: 'Hoeveel vellen zitten daar wel in?'
'Vijfhonderd,' fluisterde Nelis en keek Jos aan.
'Vijfhonderd maar?'
'Uit ieder vel gaan tien briefjes,' fluisterde Nelis weer.
'Dat zien we wel,' vond Jos, 'kunnen we tien pakken meenemen?'
Nelis kreunde en fluisterde eerbiedig: 'Dat is vijfhonderdduizend gulden.'
'Dan nemen we twintig pakken mee,' besliste Jos, die dacht dat Nelis het niet genoeg vond, 'schiet op . . . pak dat karretje.'
Nelis keek hem wezenloos aan, waarop Jos het karretje zelf maar ging halen en er rustig twintig pakken papier oplegde en het de gang induwde. Nelis sjokte achter het karretje aan en mompelde telkens: 'Een miljoen . . . een miljoen gulden.'
Hij was totaal overstuur en Jos begreep dat hij met een dergelijke helper niets kon uitrichten. Hij nam een paardenmiddel te baat en gaf Nelis een harde klap in liet gezicht. Deze deinsde achteruit en Jos sloeg hem nogmaals in het gezicht. Toen was Nelis over zijn zenuwen heen. Hij mompelde: 'Die krijg je terug,' en duwde het karretje verder de gang door.
Met zijn voet schoof Jos de nog steeds bewusteloze waker opzij en deed toen het luikje in de buitendeur een eindje open. Voorzichtig keek hij naar buiten, maar zag niets verdachts. Toen stak hij zijn hand met een zaklamp erin naar buiten en liet het licht tweemaal aan- en uitknippen.
Vlak daarop hoorden ze de motor van een auto starten en Jos schoof de knip van de deur weg. Enige seconden later stopte de auto voor de fabrieksdeur en keek Sjef naar binnen.
'Wij hebben het,' fluisterde Jos en gaf Sjef het eerste pak papier in de handen.
Die haastte zich om het pak achter in de wagen te leggen en geholpen door Jos en Nelis waren de twintig pakken in een ogenblik overgeladen. Na een laatste blik op de bewaker trok Jos de fabrieksdeur zachtjes achter zich dicht en sprong naast Sjef in de wagen. Nelis zat in elkaar gedoken naast de pakken papier op de achterbank en zei voorlopig geen woord.
'Ging het?' vroeg Sjef, toen ze al een heel eind van de fabriek vandaan waren.
'Moeilijk,' zei Jos en stak een sigaret op.
Via Utrecht reden ze met een flink vaartje naar Rotterdam terug en stopten tegen vijven in een zijstraat vlak bij de drukkerij van Nelis. Die stapte uit de wagen en verdween om de hoek van de straat.
'Wat heeft Nelis?' vroeg Sjef.
'Zenuwen,' bromde Jos en wuifde afwerend met de hand.
Sjef wilde nog meer vragen, maar Nelis was al weer terug met een grote koffer. Jos stapte uit en drentelde naar de hoek van de straat, waar hij naar links en naar rechts keek of er onraad was. Intussen deden Sjef en Nelis vijf pakken papier in de koffer, die Nelis er even later in de drukkerij weer uithaalde. Het was wel meer werk, maar in ieder geval heter dan met de wagen vlak voor de drukkerij te komen, want de buren konden dat wel eens vreemd vinden en met een koffer liep ie niet zo in de gaten. Bij de laatste rit wandelde Sjef met Nelis mee en toen ze achter de deur van de drukkerij verdwenen waren, reed Jos met de wagen weg. Achter de gesloten deuren van de drukkerij werkten Sjef en Nelis het bankbiljettenpapier achter een los paneel weg, want ze hadden afgesproken om voorlopig nog niet met het drukken te beginnen. Eerst moest de ergste storm voorbij zijn en dat die kwam hadden ze wel goed gezien.
Om zeven uur kwam de dagportier van de papierfabriek de nachtwakers aflossen, maar op zijn kloppen werd niet opengedaan. Als hij met zijn oor tegen de deur luisterde, hoorde hij kreunen. Haastig sprong hij op de fiets en bij de eerste de beste boerderij belde hij de chef op, die op zijn beurt de politie van Heukelaar waarschuwde. De chef en de politie verschenen tegelijk voor de fabrieksdeur en toen was het leed voor de waker gauw geleden. De agent sneed met zijn zakmes het touwtje door waarmee de prop zat vastgebonden en toen de waker een paar maal diep in- en uitgeademd had, stootte hij eruit: 'Thijs heeft het gedaan!'
'Wie is Thijs?' vroeg de agent.
'Dat is zijn maat. . . die heet Thijs Klompenmaker,' zei de chef en vroeg: 'Hebben jullie dan ruzie gehad?'
Voordat de man het hele verhaal kon vertellen, liep de agent verder de fabriek in, want hij vermoedde wel dat hier meer achter stak. De deur van de grote opslagruimte stond wagenwijd open en hij kon duidelijk zien dat er hier en daar pakken papier opengescheurd waren. Toen hij langs de rekken verder liep, bleef hij plotseling stokstijf staan. Terwijl hij naar de kapot gezaagde deur staarde, hield hij zijn adem in en liet (leze met een fluitend geluid uit zijn mond komen.
Zonder verder nog iets aan te raken, sloop hij op de tenen naar de gang terug. Daar had de chef intussen de bewaker losgesneden en steunde hem zoveel mogelijk omdat de man nog op zijn benen heen en weer waggelde.
'Wat zit er achter die houten deur daar tussen de rekken?' vroeg de agent gejaagd.
'Tussen de rekken daar?' vroeg de chef en wees in die richting.
'Ta, wat is daar opgeslagen?'
'Het papier waar ze de bankbiljetten op drukken . . . is er iets mee?'
'Dat zou ik wel denken . . . ze hebben de deur geforceerd en dat doen ze meestal niet voor niks.'
'De deur geforceerd . . . dat kan toch niet,' steunde de chef en wilde de opslagruimte inlopen.
'Halt!' commandeerde de politieman. 'Niemand mag hier voorlopig naar binnen. Waar kan ik opbellen?'
'In de portiersloge,' zei de chef en liep voor de agent uit naar het hok ie toe, waar de bewaker op een stoel zat te knikkebollen.
De agent rukte de telefoon naar zich toe en belde de inspecteur op.
'Overal afblijven!' riep de inspecteur, die zich juist stond te scheren, 'over een kwartier ben ik bij je.'
'Goed mijnheer,' zei de agent en vatte post voor de deur van de grote opslagruimte, waar hij de waker het eerste verhoor afnam.
De chef luisterde mee en zo kwamen ze te weten hoe het gegaan was, alleen betwijfelde de agent of Thijs wel Thijs geweest was en niet een ander, die net deed of hij Thijs was. Daar had de waker nog niet aan gedacht en hij moest toegeven dat Tijs zijn gezicht wel erg in de schaduw had gehouden toen hij voor het luikje stond en zijn fiets naar binnenduwde. Hij krabde zich nadenkend onder de pet en vroeg toen: 'Maar waar is Thijs dan?'
Daar wisten de agent en ook de chef geen antwoord op te geven, waarop de waker nog wel een keer of tien herhaalde: 'Waar is Thijs dan?'
Ze zouden het spoedig weten, want de eerste arbeiders van de fabriek zagen in de vroege morgen een vreemd verschijnsel. Uit de bosjes op de berm kwam een vormeloze massa naar de weg toerollen, die luid steunend zich telkens om en om wentelde. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze dat het een man was. Hij was aan handen en voeten gebonden en had ook nog een prop in de mond.
Nadat ze genoeg moed verzameld hadden, sneed de dapperste het touwtje van de prop door en toen zagen ze dat het verschijnsel Thijs de nachtwaker was. Daarna sneden ze ook de touwen van zijn armen en benen los en vertelde Thijs al stamelend zijn nachtelijke avonturen. Op de vraag waarom hij daar midden in de nacht op de weg reed, gaf hij geen antwoord.
In triomf brachten ze Thijs naar de fabriek, waar hij enige ogenblikken later oog in oog met zijn maat stond. Ook de chef en de agent wilden wel het een en ander weten. Eerst draaide hij er nog omheen, maar toen de inspecteur kwam en het verhoor overnam, ging Thijs door de knieën en vertelde het verhaal van zijn visjes, die nu vermoedelijk wel dood zouden zijn.
'Ik denk dat ze nog springlevend zijn,' bromde de inspecteur, 'jullie zijn er lelijk ingetippeld.'
'Denkt u dan. . . denkt u dan,' begon de chef, maar de inspecteur onderbrak hem en zei: 'Ja, ze hebben Thijs de fabriek uitgelokt en hem toen zijn jas en pet afgenomen. Een van hen trok die jas aan en zette de pet van Thijs op zijn hoofd. Toen hij klopte, keek zijn maat door het luikje en dacht dat Thijs voor de deur stond. Daarom deed hij onmiddellijk de deur open en voor de rest weet u het wel. Nu blijft alleen nog de vraag, wat is er weg? Hoe ze zijn binnengekomen is voor mij geen vraag meer en die binnendeur openbreken was een klein kunstje. Om zo’n slot uit te zagen, behoef je niet eens een volleerd inbreker te zijn. De directie had wel voor een ijzeren deur mogen zorgen en dan de sleutel mee naar huis nemen, zoals ze nu deden.'
'Als ze toch eenmaal binnen zijn, zetten ze er ook wel een snijbrander op en dan helpt een ijzeren deur ook niet,' mompelde de agent, hetgeen de inspecteur niet kon tegenspreken.
Met een vergrootglas zocht de inspecteur nog geruime tijd naar vingerafdrukken of voetsporen, maar er werd daar zoveel gelopen, dat deze in de massa verloren gingen en vingerafdrukken op papier is helemaal onbegonnen werk. Er was nog een klein kansje dat er vingerafdrukken op de binnendeur te vinden waren en daarom werd daar voorzichtig een groot vel papier over gehangen om deze te beschutten. Toen wilde de inspecteur eindelijk weleens weten wat er precies gestolen was, maar de chef kon hem niet helpen. Pas een uur later hadden ze met behulp van de voorraadstaat uitgezocht, dat er twintig pakken van vijfhonderd vellen papier weg waren, dat bestemd was om er bankbiljetten van tien gulden op te drukken.
De inmiddels gekomen directeur rekende uit dat dit voor een miljoen gulden was, als die lui tenminste van plan waren er briefjes van tien van te maken.
'Ze hangen ze in ieder geval niet op het toilet,' mompelde de inspecteur zachtjes, waar de agent om moest grinniken.
Toen de inspecteur alles wist, sprong hij in zijn auto en reed met een vaart naar het dorp. De agent bleef achter, want de politiefotograaf, die tegelijk eventuele vingerafdrukken zou afnemen, moest nog komen. Daar het hier een grote diefstal van bankbiljetten betrof, stelde de inspecteur zijn chef met het geval in kennis. Die belde ook zijn chef weer op en die vertelde het aan de minister van financiën.
Nog dezelfde morgen werd in Den Haag de zaak met de minister van justitie besproken en nam de rijksrecherche het onderzoek van de inspecteur over. Die deed net of hij het jammer vond, maar in zijn hart was hij ook een beetje opgelucht dat hij eraf was, want veel doorzicht zag hij er niet in.
De twee rijksrechercheurs, die nu met het onderzoek belast waren, gingen eerst ter plaatse een kijkje nemen en voelden toen Thijs aan de tand. Hij werd, wat ze in politiekringen noemen, doorgezaagd, maar de arme Thijs vertelde telkens opnieuw hetzelfde verhaal. Toen ze later van de vrouw van Thijs hoorden, dat er een mijnheer van de waterleiding bij haar thuis was geweest, die alles moest weten, was de zaak duidelijk. Ze informeerden nog even op het kantoor van de waterleiding, maar daar wisten ze nergens van en een jongeman met een snorretje was daar helemaal niet in betrekking.
'Maar hoe wisten ze nou dat ik die vissies had?' wilde Thijs weten.
'Dat heeft je vrouw verteld,' bromde een van de rechercheurs en keek schuin naar de vrouw van Thijs.
Die moest het toegeven en bovendien had ze de visjes laten zien en verteld dat haar man gekker op zijn visjes was dan op haar.
Thijs keek haar verwijtend aan en de rechercheur zei tegen zijn collega: 'Ik vroeg me ook al af, waarom ze hem met dat visverhaal weggelokt hadden en niet met het bericht van een ongeluk dat een van zijn huisgenoten overkomen was, zoals ze gewoonlijk doen.'
De andere knikte en nam het signalement van de jongeman met het snorretje op, dat de vrouw van Thijs zo goed mogelijk opgaf. Toen het klaar was mompelde Thijs: 'Dat lijkt die mijnheer van de vorige avond wel.'
De twee rechercheurs stonden gelijk naast Thijs en vroegen: 'Wat was daarmee . . . heb je die man weleens meer gezien?'
'Ja, als ik het zo eens naga, is dat dezelfde vent, alleen had hij geen snor. Gisteravond. . . o, nee. . . dat is al eergisteren, werd er op de deur van de fabriek geklopt en keken wij door het luikje wie er was. Toen stond die man voor de deur en vroeg of wij hem aan een emmer water konden helpen want de radiateur van zijn auto kookte. Je kan iemand toch niet midden in de nacht laten staan en bovendien zag hij er nogal netjes uit en daarom gaven wij hem een emmer met water.'
'Dus hij is niet in de fabriek geweest?' vroeg de rechercheur.
'Ja, dat is hij wel, want toen hij de lege emmer terugbracht, liet hij zijn vuile handen aan ons zien en vroeg of hij ze even mocht wassen.'
'En dat vonden jullie goed?'
'Ja, je kan iemand toch niet midden in de nacht met zo’n paar vuile handen laten staan, maar hij is niet verder dan het toilet in de gang geweest en weer gewoon weggegaan.'
'Heeft die collega toen soms je naam genoemd?' vroeg de rechercheur, 'of hing er een bord met de naam en het adres in de gang?'
'Misschien heeft hij wel een keer Thijs tegen me gezegd, maar in ieder geval geen Klompenmaker en hoe kan die man nu weten waar ik woon, want een bord hangt er niet?'
De twee rechercheurs en Thijs stonden met z’n drieën diep na te denken en toen vroeg vrouw Klompenmaker: 'Is dat soms de man van dat zakmes?'
Thijs gaf zichzelf een klap op het voorhoofd en riep: 'Dat is het!'
Terwijl een van de rechercheurs aantekeningen maakte, vertelde Thijs van de sigaren en het ene zakmes en dat hij ook zo’n mes zou krijgen, want het was van de reclame en daarom gaf hij zijn naam en adres op, dan kreeg hij het over een paar dagen wel thuis.
De rechercheurs knikten met het hoofd en een van hen zei lachend: 'Je moet maar iedere dag goed in de brievenbus kijken.'
Diezelfde avond nog brachten de twee rijksrechercheurs verslag uit bij de minister, die ernstig keek en met het hoofd schudde. In overleg met zijn collega van financiën kwam het niet in de krant, want dan konden er gekke dingen gebeuren. Het publiek zou geen vertrouwen meer in de briefjes van tien hebben, want ze hadden immers voor een miljoen gulden aan papier gestolen om die tientjes zelf te maken en als ze vals waren kreeg je er niets voor terug. Iedereen zou weigeren om deze bankbiljetten aan te nemen en dat kon niet. De bakker, de melkboer en de slager wilden dan natuurlijk geen briefjes van tien meer wisselen en de mensen namen er geen genoegen mee als er dergelijke briefjes bij hun loon waren.
Dat hadden die ministers goed bekeken en zo kwam het dat er van 'waardevol papier' gesproken werd. Alleen de grote politiebazen werden ingelicht en die vertelden het weer in het diepste geheim aan hun ondergeschikten van de afdeling Falsificaties.
Zo kwam ook Liesboom het te weten en die zag het zwaar in. Als dat diezelfde lui waren van dat mooie cliché, was er praktisch geen verschil meer te zien. De kassiers van de banken met hun fijngevoelige vingers konden dan wel op het dak gaan zitten.
'In ieder geval zal de Staat der Nederlanden van dat miljoen wel niet op de fles gaan, want zoveel is dat eigenlijk niet,' vond commissaris Achterberg.
'Toch gaan er dagen voorbij dat ik het niet in mijn zak heb,' bromde Liesboom. en ging verder aan het onderzoek naar de herkomst van de valse tientjes, waaraan je het nog voelen kon.
Ook Dikke Piet en Gerrit deden hun best. Gerrit had al een paar honderd kroegen afgewerkt en Piet was halverwege de drukkerijen gekomen. Tot nu toe had hij niet veel succes met zijn gele papier, want elke drukker kon aantonen dat ze het hier- of daarvoor gebruikt hadden. Ze hadden het trouwens bijna dagelijks nodig, zodat het haast onbegonnen werk was om het uit te zoeken.
Toch hield de Dikke vol. Hij had zich nu eenmaal in die zaak vastgebeten en wilde het niet opgeven. Als hij met dat papier niet verder kon komen, begon hij aan de letters, want daar waren ook verschillende types van en als dat ook niet lukte was Gerrit het mannetje misschien al op het spoor gekomen.