HOOFDSTUK III
Bram wordt verdacht
Veel hoop had Liesboom niet toen hij bij Pietje aanbelde en vroeg of deze thuis was.
'Waar is dat voor?' vroeg Pietjes moeder wantrouwig.
'Niets bijzonders . . . ik ben van de politie . . . ik wil van Pietje alleen maar de naam van een andere jongen weten,' zei Liesboom.
'Hebben ze iets gedaan?' vroeg de moeder van Pietje verschrikt.
'Nee hoor, er is niets aan de hand. . . is Pietje thuis?'
'Piet! Pietje! Kom ’s even . . . er is iemand voor je!' riep moeder naar boven, waarop Pietje in het trapgat verscheen en argwanend naar Liesboom keek.
'Zeg die mijnheer ’s gedag . . . die is van de politie,' wees moeder terecht.
'Dag mijnheer,' zei Pietje gehoorzaam en stak aarzelend zijn hand uit.
Liesboom gaf hem een hand en zei: 'Misschien kun jij de politie wel helpen . . . je ziet er nogal pienter uit.'
Pietje knikte dat hij het daar mee eens was en wachtte af wat er zou komen.
'Jij speelt nogal eens badminton op het Pleintje hier?' begon Liesboom.
Pietje knikte van ,ja’ en moeder vroeg: 'Mag dat dan niet?'
'Ja, dat is in orde, maar gisteravond heb je daar ook gespeeld met een paar andere jongens . . . weet jij hoe die jongens heten?'
'Hebben ze wat gedaan?' vroeg Pietje, die in geen geval zijn vriendjes wilde verraden.
Liesboom grinnikte en zei: 'Ik stel de vragen en jij moet antwoorden.'
'Kom, vooruit,' zei moeder en gaf hem een duwtje in de rug.
Pietje keek nog eens met een bedenkelijk gezicht naar Liesboom en mompelde met tegenzin: 'Bram de Winter, Eddy van Nus en Keessie Verboom.'
'Het gaat om die zwarte . . . wie is dat?'
'Dat zal Bram wel zijn,' dacht Pietje.
'Is die Bram gisteravond ijs wezen eten aan de overkant?' vroeg Liesboom verder.
'Nou en of,' zei Pietje afgunstig, 'allebei een dikke van een kwartje met slagroom.'
'Heeft die Bram dan zoveel geld?' wilde Liesboom weten.
Pietje grinnikte en zei: 'Hij had eerst helemaal geen centen . . . dat zeiden ze tenminste en toen hadden ze plotseling elk een ijssie.'
'Hoe kwamen ze aan dat geld?'
'Ze zallen het wel liegen, maar ze hadden een briefje van tien van een vent gehad om ijs te kopen, beweerden ze.'
'Een heel briefje van tien?' vroeg Liesboom ongelovig. 'Ja, eerst kregen ze een briefje van tien om sigaretten bij de automaat op de Singel te halen en toen een tientje om ijs te kopen, maar ik geloof er geen biet van.'
'Waarom geloof je dat niet?' vroeg Liesboom gespannen en pakte Pietje bij de arm vast.
'Wie wisselt er nu achter elkaar twee tientjes als hij nog los geld in zijn zak heeft?' vond Pietje.
Liesboom keek hem peinzend aan en vroeg: 'Waar woont die Bram de Winter?'
Pietje moest even nadenken en zei toen: 'Ik weet het huis wel te vinden, maar het nummer weet ik niet. Het is vooraan in de Nootstraat . . . de naam staat op de deur.'
'Is het rechts of aan de linkerkant?' vroeg Liesboom. 'Hiervandaan rechts,' zei Pietje en stak zijn rechterarm omhoog.
'Prachtig, ik zal het wel vinden. Bedankt voor de inlichtingen,' zei Liesboom en nam zijn hoed af voor de moeder van Pietje.
Maar die was daar niet mee tevreden. Ze duwde Pietje met een vaart de trap op, boog zich naar Liesboom over en fluisterde: 'Het zit zeker niet goed met die tientjes?'
'Hoe bedoelt u dat?' vroeg Liesboom, die wel degelijk wist wat ze bedoelde.
'Nou, met die briefjes . . . die Bram heeft ze zeker gepikt . . . Pietje moet maar niet meer met die jongen omgaan . . . ik zal het hem wel verbieden.'
'Daar zou ik voorlopig maar even mee wachten. Van diefstal is helemaal geen sprake en de rest moet ik nog uitzoeken. U kunt beter niet meer met Piet over deze zaak spreken, anders denkt hij heel wat en er is niets aan de hand.'
'Nou, niets aan de hand . . . U loopt toch niet voor niks langs de deuren te vragen of ze die Bram soms kennen,' zei de moeder van Pietje nijdig en deed met een vaart de deur dicht.
Liesboom draaide zich op zijn hielen om en reed naar de Singel. Voor de sigarenwinkel stopte hij en keek eerst eens naar de gevel of er haken waren aangebracht om automaten op te hangen. Ja, die zaten er genoeg. Hat klopte dus, dacht Liesboom en stapte de winkel binnen.
'Wat zal het zijn?' vroeg de winkelier.
'Ik wilde u spreken . . . hebt u misschien even tijd voor mij?' vroeg Liesboom.
'Waar gaat het over?'
'Ik ben van de politie, het gaat over een belangrijke zaak,' zei Liesboom.
'O, dan zal ik mijn vrouw roepen om op de winkel te passen,' zei de winkelier en verdween achter een gordijn.
Liesboom hoorde een man en een vrouw achter het gordijn fluisteren en toen kwam mevrouw te voorschijn, die nieuwsgierig naar Liesboom keek. De winkelier hield uitnodigend het gordijn opzij en zei: 'Komt u maar mee.'
Liesboom stapte een klein kamertje binnen dat als opslagplaats en kantoor dienst deed.
'Zegt u het maar,' zei de winkelier, terwijl hij een stoel voor zijn bezoeker aanschoof.
'Hebt u na sluitingstijd automaten buiten hangen?'
'Ja, dat heb ik . . . is daar weer wat mee?'
'Met die automaten niet. Daar gaat het niet om. Ik wil alleen weten of er ook gelegenheid is om geld te wisselen.'
'Als ik thuis ben hangt er een bordje dat ze moeten bellen voor geld wisselen en als ik weg ben staat er een mannetje met een geldtas voor de deur.'
'Bent u gisteravond weggeweest?'
'Ja, naar de bioscoop,' zei de winkelier.
'Dan heeft dus het mannetje met de geldtas buiten gestaan. Waar is dat geld nu?'
'Waarom wilt u dat weten?' vroeg de winkelier. 'Ik wil alleen dat geld maar even zien,' zei Liesboom. 'Dat kan, want het is nog niet nageteld. Dat doe ik altijd als het mannetje erbij is, snapt u? Als het te laat wordt, doet hij de tas in de brievenbus en dan tellen wij de volgende dag pas.'
'Hebt u die geldtas dus hier?' vroeg Liesboom.
'Ja, hier is-ie,' zei de winkelier en haalde een zwarte geldtas uit de kast.
'Mag ik er eens inkijken?' vroeg Liesboom.
'Voor mij wel, maar neem me niet kwalijk, voordat wij verder gaan zou ik toch we!. . .
Liesboom begreep hem direct, haalde zijn portefeuille te voorschijn en liet de winkelier zijn legitimatiekaart van de politie zien.
De winkelier bekeek de foto en de naam eronder en mompelde toen: 'Dat is in orde, zie ik . . . U begrijpt zeker wel . . .'
'Natuurlijk, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Laten wij nu het geld in die tas eens bekijken.'
Gehoorzaam deed de winkelier de tas open en schudde de inhoud op tafel uit. Er waren twee briefjes van vijfentwintig en drie briefjes van tien bij. Liesboom haalde de tientjes naar zich toe en zei: 'Doe de rest er maar weer in, daar stel ik geen belang in.'
Weer gehoorzaamde de winkelier, maar terwijl hij het geld in de tas deed, lette hij scherp op Liesboom, die de briefjes van tien langzaam door zijn vingers liet glijden.
'Doe die er ook maar bij,' zei Liesboom en gaf twee briefjes van tien aan de winkelier.
Het derde briefje liet hij op tafel liggen en haalde het vergrootglas uit zijn tas. Slechts even keek hij erdoor en zei toen: 'Het spijt me voor u, maar dit is een vals briefje van tien.'
De winkelier keek hem verbluft aan en hakkelde: 'Een vals briefje van tien en u wist al dat ik dit had?'
'Ik weet vermoedelijk ook van wie het afkomstig is, maar dat moet ik nog onderzoeken,' zei Liesboom en deed het valse briefje van tien in zijn portefeuille.
'Maar dat gaat toch zo maar niet,' zei de winkelier, 'dat tientje is van mij.'
'Het is helemaal geen briefje van tien. . . het is een waardeloos stuk papier.'
'Maar mijn wisselaar heeft er sigaretten en geld voor gegeven, dus is het wel degelijk mijn tientje,' vond de winkelier.
'Zo bekijkt u het, maar het is vals en daarom waardeloos.'
'Krijg ik dan een ander briefje van tien terug?' vroeg de winkelier.
Liesboom spreidde de handen uit en zuchtte: 'Was dat maar waar, dan werkten wij een heel stuk gemakkelijker. Nu kijkt u mij kwaad aan en ik doe toch niets anders dan een waardeloos stukje papier in beslag nemen, maar in uw ogen is het tien gulden waard en daardoor ontstaan er weleens conflicten. Kregen wij nu maar een zak geld mee, dan was er niets aan de hand, want wij konden dan de mensen schadeloos stellen.
'Dat zou tenminste billijk zijn,' vond de winkelier.
'De Nederlandse Bank denkt daar anders over. Zij heeft die valse briefjes niet gemaakt en in circulatie gebracht, dus geeft ze er geen cent voor en daarmee is de zaak af. Wel krijgt u van de politie een bewijs dat het in beslag genomen is.'
'En als ik nu eens weiger om dat briefje af te staan?' vroeg de winkelier en keek Liesboom strijdlustig aan.
Deze lachte en zei: 'Dan maakt u het nog erger. Het Wetboek van Strafrecht zegt, dat het een misdrijf is om vals geld in voorraad te hebben en het is nog een erger misdrijf om vals geld uit te geven. Zo iets kost u bij elkaar een jaartje of vijf gevangenisstraf.'
'Vijf jaar gevangenisstraf,' hakkelde de winkelier, 'neemt u het dan maar mee. Die andere biljetten zijn toch goed, daar bent u zeker van?'
'Anders nam ik die ook wel mee,' zei Liesboom en stond op om te vertrekken.
'U schijnt al te weten van wie dat valse tientje afkomstig is, moet deze persoon mij dan niet schadeloos stellen?' vroeg de winkelier.
'Dat wordt een ingewikkelde kwestie, want deze persoon weet vermoedelijk ook niet dat het vals is. Als hij dit hoort, probeert hij natuurlijk uit te zoeken van wie hij dat briefje heeft ontvangen en dat gaat zo maar door tot het spoor dood loopt of totdat wij . . . enfin, zover zijn we nog lang niet. Als ik de kans krijg, zal ik zorgen dat u schadevergoeding krijgt, maar blijkt het dat die persoon ook te goeder trouw is, dan ben ik bang dat u het lijdend voorwerp is.'
'Nou, het is wat moois . . . mijn dag is alweer goed,' bromde de winkelier en stond op om Liesboom naar de deur te brengen.
'Als het nodig is, kom ik nog wel terug om die wisselaar van u een verhoor af te nemen,' zei Liesboom voordat hij in de auto stapte.
'Nu naar Bram in de Nootstraat, misschien dat ik toch nog verder kom vandaag,' mompelde Liesboom en stopte vlak om de hoek.
Hij stapte uit en wandelde langzaam langs de huizen aan de rechterkant van de Nootstraat. Onopvallend las hij de naambordjes, totdat hij A. de Winter zag staan. Hij belde aan en de moeder van Bram deed open.
'Is Bram thuis?' vroeg Liesboom.
'Ja, daarnet wel, maar nu zie ik hem niet meer. Waar is het eigenlijk voor?' wilde Brams moeder weten.
'Ik moet hem even spreken . . . het is niets bijzonders,' zei Liesboom.
'Heeft hij soms iets op school gedaan? Bent u misschien een van de onderwijzers?' vroeg de moeder van Bram verder.
'Nee, dat ben ik niet, maakt u zich voorlopig maar niet ongerust, ik moet eerst Bram zelf hebben.'
'Nou, dat kan gebeuren . . . daar komt hij net aan,' zei moeder en wees naar Bram, die juist de hoek van de straat om kwam. ,
'O, dank u,' mompelde Liesboom en liep met grote stappen Bram tegemoet. Ter hoogte van de volkswagen hield hij hem staande en zei zachtjes:
'Politie . . . ben jij Bram de Winter?'
'Ja, hallo . . . dat ben ik,' zei Bram opgewekt.
Liesboom keek hem een beetje verbaasd aan, meestal deden jongens niet zo uitbundig tegen de politie. Hij vertrouwde het niet erg. Daarom pakte hij Bram bij de arm vast en zei: 'Laten wij maar even in mijn wagen gaan zitten, ik heb je wat te vragen.'
'Als het maar geen geld is, want dat heb ik niet,' lachte Bram.
Met een schok bleef Liesboom staan, keek Bram doordringend aan en vroeg: 'Waarom denk je dat het over geld gaat?'
'Dat denk ik helemaal niet. U wil mij wat vragen en ik zeg, als het maar geen geld is . . . dat is een lolletje, een grapje,' mompelde Bram, die het niet leuk vond dat Liesboom hem min of meer ruw in de auto trok.
'Zo, vertel maar eens,' begon Liesboom, toen ze naast elkaar op de voorbank zaten.
'Wat moet ik vertellen?' vroeg Bram stug.
'Of jij gisteravond aan de geldwisselaar, die bij de sigarettenautomaat staat, een briefje van tien hebt gegeven?'
'Dat heb ik niet gegeven. Ik heb er een pakje sigaretten voor gehad en negen gulden terug,' zei Bram.
'Dus dat is juist en wat heb je betaald in de ijszaak op het Plein?'
'Twee van een kwartje met slagroom,' zei Bram.
'Had je gepast geld of heb je met een gulden of een rijksdaalder betaald?' vroeg Liesboom .
'Met een briefje van tien,' riep Bram en maakte met zijn handen een onverschillig gebaar alsof hij iedere minuut van de dag een tientje wisselde.
'Hoe oud ben je eigenlijk?' vroeg Liesboom.
'Veertien,' zei Bram.
'Vind je dat niet een beetje raar dat een jongen van veertien jaar twee keer vlak achter elkaar met een briefje van tien betaalt?'
'Denken ze soms dat ik ze gepikt heb?' vroeg Bram grinnikend.
'Nee, dat denken ze niet, maar ik wil toch wel weten hoe je eraan gekomen bent.'
'Ik kreeg ze van een mijnheer. Eerst om sigaretten te halen en toen ik dat gedaan had, kreeg ik weer een briefje van tien om ijs te kopen.'
'Kende jij die mijnheer dan of was het een vreemde?'
'Ik ken hem helemaal niet, maar toen Eddy en ik de straat wilde oversteken, reed hij vlak langs ons en toen hij een eind verder stopte, wenkte hij ons en vroeg of er een sigarettenautomaat in de buurt was waar ze geld konden wisselen en toen haalde hij gelijk een briefje van tien uit zijn portefeuille en toen haalden Eddy en ik bij de automaat een pakje sigaretten en kregen negen gulden terug,' vertelde Bram in één ruk door en haalde toen diep adem.
'En dat tientje van de ijszaak, hoe zit het daarmee?' vroeg Liesboom.
'Nou, ik gaf hem de sigaretten en de negen gulden en toen vroeg hij of we een ijsje wilden hebben en dat wilden we wel en toen haalde hij nog een briefje van tien uit zijn zak en daarvan kochten wij die ijsjes.'
'En het wisselgeld gaven jullie weer aan hem terug?'
'Ja natuurlijk . . . negen gulden en twee kwartjes.'
'Stond die mijnheer dan voor de deur te wachten?' vroeg Liesboom.
'Welnee, die zat lekker in zijn auto en liet ons draven, want hij reed telkens een heel eind verder.'
'Reed hij telkens een eind verder?' vroeg Liesboom verbaasd, 'waarom deed hij dat?'
'Dat weet ik ook niet, maar hij deed het,' bromde Bram.
'Vond je dat niet een beetje raar?' vroeg Liesboom verder.
'Ja, eigenlijk wel,' aarzelde Bram.
'Ik vind het hele verhaal een beetje raar,' zei Liesboom streng.
Bram keek hem aan en hakkelde: 'Gelooft u het soms niet?'
'Zou jij het geloven als ik het vertelde?' vroeg Liesboom.
'Dat zei Pietje gisteravond ook al,' grinnikte Bram. 'Die dacht er dus net zo over als ik. Weet je wat er met die briefjes van tien aan de hand is, Bram?'
'Had die man ze soms gestolen?' vroeg Bram. 'Nee, het is nog erger . . . ze waren vals,' zei Liesboom hard.
Een ogenbik heerste er stilte in de wagen, want dit moest Bram eerst eens verwerken. Toen mompelde hij: 'Waren ze vals?'
'Ja, dat waren ze en het ergste is dat Bram de Winter op één avond twee valse briefjes van tien heeft gewisseld, waarover hij een verhaaltje vertelt dat niemand gelooft. Weet je wat daar het gevolg van is?'
'Ze denken toch niet dat ik die valse dingen gemaakt heb?' vroeg Bram verschrikt.
'Dat zou je niet eens kunnen, maar je kan ze wel uitgeven en dat is net zo erg. Heb je nog meer van die briefjes thuis?'
'Ik? . . . nog meer van die briefjes thuis,' lachte Bram, 'was het maar waar.'
'Dat is niet te hopen, want dan ziet het er slecht voor je uit,' vond Liesboom. 'Heb je een eigen kamertje?'
'Ja, waarvoor vraagt u dat?'
'Omdat wij daar samen eens gaan kijken,' bromde Liesboom en stapte uit de auto.
Vlug liep hij om de wagen en hielp Bram bij het uitstappen, maar die had wel in de gaten dat Liesboom hem gelijk bij de arm vasthield. Zo kwamen ze samen voor het huis van Bram aan, waar Liesboom voor de tweede maal aanbelde. Nogmaals deed moeder open en zag toen die mijnheer met Bram staan. Ze bemerkte direct aan Bram dat er iets bijzonders aan de hand was en vroeg: 'Wat is er gebeurd?'
'Nog niets,' zei Liesboom en schoof Bram langs moeder heen naar binnen, waarna hij de deur achter zich dichtdeed.
'De buren hebben er niets mee te maken,' bromde Liesboom.
'Waar hebben de buren niets mee te maken?' vroeg moeder,
'Dit is een mijnheer van de politie en hij denkt dat ik valse briefjes van tien uitgeef,' zei Bram haastig.
'Valse briefjes van tien?' riep moeder en sloeg van verbazing haar handen in elkaar.
'Ik denk niet dat hij ze uitgeeft . . . hij heeft ze uitgegeven,' zei Liesboom.
Daar begreep moeder helemaal niets van. Hoe kon Bram nu valse briefjes van tien uitgeven, maar ze kreeg geen tijd om dat te vragen, want Liesboom zei zakelijk: 'Eerst wil ik zekerheid hebben en dan kunnen wij praten. Mag ik even in het kamertje van Bram kijken?'
'Hij denkt dat ik er nog meer heb,' zei Bram. Moeder wist niet wat ze zeggen moest en Liesboom wachtte niet op toestemming, maar liep achter Bram aan de trap op naar het kamertje. Groot was dat niet, maar het was toch nog een heel werk voordat de rechercheur klaar was met het zoeken naar de valse tientjes. Tot grote verbazing van moeder, die in de deuropening stond, kwam er een hoop rommel uit de kast van Bram te voorschijn, waar ze het bestaan niet eens van wist. Eindelijk was Liesboom klaar. Hij had niets van valse briefjes van tien gevonden en probeerde zo goed mogelijk de rommel weer in de kast te krijgen.
'Laat maar,' zei moeder, 'het is er nu toch uit. Ik zal het straks wel uitzoeken en gelijk de meeste rommel wegdoen. Eerst wil ik wel eens weten wat Bram met die valse briefjes van tien te maken heeft.'
'Ik zal het dadelijk vertellen . . . eerst nog even . . .' mompelde Liesboom en haalde tegelijk op vakkundige wijze de zakken van Bram leeg, maar ook daar zaten geen valse tientjes in.
Daarna vertelde hij het verhaal en Bram vulde zo nu en dan iets aan. Toen ze bij de onbekende autobestuurder waren gekomen, die tot tweemaal toe een tientje aan Bram had gegeven, schudde ze haar hoofd en mompelde: 'Dat jong heeft ook altijd wat.'
'Misschien kan hij er wel niets aan doen,' vond Liesboom, die, nu er niets gevonden was, een beetje minder wantrouwig tegenover Bram stond.
'Ach mijnheer, het lijkt wel of hij het opzoekt . . . altijd is er wat. Commissaris Achterberg kan u er wel meer van vertellen,' zuchtte moeder.
'Kent u die dan?' vroeg Liesboom belangstellend. 'Ja, maar Bram kent hem nog veel beter.'
'Dat zou ik ook denken,' riep Bram, 'Eddy en ik hebben hem al heel wat keertjes geholpen.'
'Had dat maar ineens gezegd,' vond Liesboom, 'dan had ik misschien dat verhaal wel geloofd en was dit allemaal niet gebeurd, maar daarstraks was je in mijn ogen 'een verdachte'.'
'Dat is weer eens wat nieuws,' grinnikte Bram, 'moet ik mee naar het hoofdbureau?'
'Als het nodig is, kom ik je wel halen, maar je kan mij misschien een signalement van de bestuurder en de auto opgeven.'
Bram wist nu zo langzamerhand wel wat een signalement was en vertelde dat het een donkere man was van zowat 35 jaar, die in een groene auto reed. Toen Liesboom vroeg of hij soms de letters en nummers van de auto wist, kon Bram zich wel stompen, want daar had hij niet op gelet.
'Dan ben je ook nog geen volleerd politieman,' vond Liesboom, wat Bram moest toegeven.
Toen hij later met Liesboom bij Eddy kwam om nog het een en ander te vragen, wist deze het ook niet.
'Dat is ook stom,' zei Bram, waar Liesboom om moest lachen.
Zo scheidden ze als de beste vrienden en de jongens beloofden aan Liesboom om naar de man met de valse tientjes uit te kijken. Als ze hem zagen zouden ze het nummer van de auto opnemen en direct bellen.
'Maar laat het hem niet merken, want dan is de zaak stuk,' waarschuwde Liesboom nog.
'Dat kunt u rustig aan ons overlaten,' vond Bram en de volgende dagen waren ze bijna doorlopend op straat op zoek naar de bestuurder van de groene auto die een portefeuille vol valse tientjes had.
Hierdoor veranderde Bram van 'verdachte' in de voornaamste getuige en met Eddy samen in toekomstige medewerkers van de politie.