Bijnamen in de sport
Maarten Spanjer
De historie van het vaderlandse voetbal kent illustere bijnamen. Ik noem een paar van de mooiste: De Goddelijke Kale, De Leeuw van Deventer, Rinus de Rots, Theo de Tank, Het Kanon, De Knoest, De Kromme, El Salvador, en niet te vergeten De Generaal. Zo’n naam moest je verdienen. Meestal school achter deze bijnamen een markante persoonlijkheid die uitblonk in zijn sport of in elk geval tot de verbeelding sprak van de massa. De mooiste bijnaam vond ik De Zwarte Panter voor keeper Frans de Munck. Maar dat kwam omdat ik hem als achtjarige na afloop van de wedstrijd Ajax- dos de hand heb mogen drukken. Al dagen voor de wedstrijd spraken de mensen over de wedstrijd van Ajax tegen De Zwarte Panter. Niet Ajax- dos , maar Ajax versus De Zwarte Panter. Het verhaal ging dat hij na elke spectaculaire redding een kammetje uit zijn voetbalbroek tevoorschijn haalde om zijn zwarte bos haar weer in model te brengen. Ik stond aan de hand van mijn broer op de jongenstribune en kon tussen de regenjassen door slechts af en toe een glimp van de legendarische doelman opvangen. Maar de langgerekte kreet van teleurstelling die door het stadion ging als hij met succes naar de bal dook, bezorgde mij kippenvel.
Mijnheer De Munck was in werkelijkheid nog imposanter dan ik mij had voorgesteld. Hij was gekleed in een dikke winterjas met zwartwit visgraatmotief, waardoor hij meer van een zebra dan van een zwarte panter weg had. Toch kon mijn dag niet meer stuk. Een poot van De Zwarte Panter, wie kon dat navertellen.
Bijnamen om je vingers bij af te likken zie ik niet zo gauw meer verschijnen. Ruud Gullit werd nog wel De Zwarte Tulp genoemd en Roy Makaay Het Fantoom, maar De Filosoof voor Clarence Seedorf en Lex Goudsmit voor Winston Bogarde tel ik niet eens meer mee. Op 31 januari 2009 konden we een klinkende bijnaam in de boeken bijschrijven. Deze naam werd op de beste voetballer na Cruijff geplakt. Drie keer werd hij verkozen tot Europees voetballer van het jaar en eenmaal tot ’s werelds beste. AC Milaan schonk hem de eretitel San Marco.
Inmiddels was de stervoetballer trainer van Ajax geworden.
Na de thuisnederlaag tegen Heerenveen verlaat hij het veld en spoedt zich de trappen af naar de kleedkamers. Boven zijn hoofd op de tribune maakt zich een uitzinnige Ajax-supporter uit de menigte los. Marco voelt onheil, maar weet nog niet uit welke richting. De persoon draagt rugnummer dertien op zijn Ajax-shirt. De doorgaans stoïcijnse trainer grijpt naar zijn neus en veegt een denkbeeldige druppel weg.
‘Hé, Marco, bedankt hè’, schreeuwt de jongeman. In zijn afdaling naar de catacomben steekt Marco onverschillig zijn linkerhand in de lucht. Dan rolt het drielettergrepige woord spontaan over de tribune.
‘Pannenkoek!’
Had Van Basten een chique cameljas gedragen, dan was de schade misschien beperkt gebleven, maar de pannenkoek boorde zich als een giftige pijl dwars door zijn gesponsorde regenjack heen.
Als de man ‘vuile tyfuslijer’ had geroepen of ‘kankerlul’ dan was Marco gewoon doorgelopen. Schelden doet geen pijn, wat je zegt ben je zelf – dat werk.
De nuchtere Utrechtenaar in hem moet nu bliksemsnel een balans opmaken. Toch wel aardig gevonden: ‘pannenkoek’. Beter dan ‘snijboon’ of ‘gehaktbal’, al weet hij ook niet zo snel waarom. Op zich is pannenkoek een mooi oud-Hollands woord – niet echt kwetsend – want wie is er niet met pannenkoeken grootgebracht. Wel jammer van die modieuze ‘n’ in het midden, maar die hoor je toch niet. Aan de andere kant is hij, de ongrijpbare, de ondoorgrondelijke, door de eerste de beste doorgedraaide idioot gedevalueerd tot een onschuldige pannenkoek. Met of zonder suiker of stroop. Hij besluit tot een reactie en draait zijn hoofd om. Betrouwbare bronnen vertelden mij dat hij zou hebben teruggeroepen dat hij zelf wel bepaalde wat hij thuis eet. Niet heel sterk, maar hij is per slot geen Freek de Jonge.
Het noodlot was niet meer af te wenden. Een wedstrijd later al werden er pannenkoeken op het veld gegooid en lag er zelfs een op de Ajax-dug-out.
Je kon geen krant meer openslaan of er werd ergens in den lande gewag gemaakt van een of ander pannenkoeken-evenement. In het Amstelhotel werd onlangs nog voor kinderen een speciale Marco van Basten-dag georganiseerd, waarvan de opbrengst naar Jantje Beton zou gaan. Kinderen kregen een rondleiding door het hotel, waarop een etiquette-les volgde en pannenkoeken werden gebakken. Hordes huisvrouwen staan in de toekomst, als Ajax speelt, voor manlief in de keuken pannenkoeken te bakken. ‘Schat, hoeveel heb je er vandaag nodig. Denk je dat je het redt met een stuk of tien?’ Suppoosten worden geïnstrueerd om niet alleen op slag- of stootwapens te controleren, maar vooral ook op pannenkoeken.
Als geen ander weet ik wat een pannenkoek met een mens kan doen. De ambitieuze Van Basten zal nog maanden, zo niet jaren met dit woord op zijn lippen wakker schieten. Het was begin jaren tachtig. Ik had net een van de hoofdrollen in de film Spetters gespeeld, van de opbrengst een eigen huis gekocht en de wereld lag aan mijn voeten. In een discotheek werd ik door een donkerharige schone versierd. Het meisje had de quasi-intelligente blik van iemand die weet dat ze door het mannelijk geslacht uitsluitend op haar uiterlijk wordt getaxeerd. In haar auto op weg naar mijn nieuwe woning nam ik mij voor om niet meteen, dezelfde avond al, toe te slaan. Ze kon goed rijden, niet zo benauwd, en af en toe gluurde ik omlaag om me te verlekkeren aan de spier tussen haar rechterkuit- en scheenbeen, die zich telkens aanspande wanneer ze het gas- of rempedaal beroerde. En wat keek ze majestueus met die volle lippen tussen ingezogen wangen over het stuur de wereld in. Dit meisje was meer dan een avontuurtje waard. Deze jongen zou weleens laten zien dat hij zich kon beheersen. Nee, al ging ze op haar prachtige hoofdje staan.
Mijn geslachtsdeel klopte driftig tegen de knopen van mijn gulp aan. Voor mijn huis begon ze onverwacht met lange, lenige vingers in mijn nek te kriebelen. Nu kon ik me niet meer inhouden en drukte mijn mond op die van haar. Wat had ik nou met mezelf afgesproken? Niet alle mannen waren maar op een ding uit. Voorzichtig duwde ik haar van mij af.
‘Ik bel je nog wel’, zei ik nonchalant en stapte als een ongenaakbare generaal uit haar auto. Een eenzame nachtbraker stond in de lege straat over zijn fiets geleund. Het portier van haar auto stond nog open.
‘Dat wordt weer trekken vannacht, pannenkoek’, zei hij en keek mij onbewogen aan.
Met het meisje en mij is het nooit meer wat geworden. Valse start. En met Ajax en Van Basten is het nu ook slecht afgelopen. Ik wist het al na die wedstrijd tegen Heeren-veen.