ZESTIEN
De Nederlanders bezaten sinds de zeventiende eeuw een enorm koloniaal rijk, maar hadden nooit veel belangstelling voor de cochenilleteelt gehad. Als ze nieuwe landen verkenden, keken ze wel altijd of er cochenille te heden viel, en ze veroverden graag Spaanse schepen met de verfstof aan boord, maar ze maakten waarschijnlijk nooit uitgebreide plannen om levende cochenille naar hun koloniën te smokkelen voor eigen teelt. Ze vonden de handel in gedroogde cochenille het voordeligst en het meest in overeenstemming met hun handelsgeest. Vooral in de zeventiende eeuw verdienden Hollandse kooplieden er goed aan.
Aan het eind van de achttiende eeuw begonnen de Nederlanders te twijfelen aan hun koloniale beleid. De Fransen en Britten, die in hun koloniën zowel plantages exploiteerden als handel dreven, waren de machtigste spelers in het koloniale veld en lagen ver voor op de Nederlanden. In een poging om hun succes te evenaren stichtten de Nederlanders botanische tuinen in hun verafgelegen koloniën, met het doel om waardevolle inheemse planten te kweken die in de verschillende gebiedsdelen gecultiveerd konden worden. Pas in de negentiende eeuw zetten de Nederlanders hun zinnen echt op cochenille -en toen ze dat eenmaal gedaan hadden, stelden ze ook alles in het werk om er een succes van te maken.
De Nederlanders wilden cochenille gaan telen op Java, een eiland van weelderige regenwouden en verfijnde tempels dat al twee eeuwen lang de basis van de Hollandse macht in Oost-In-dië vormde. In de zeventiende en achttiende eeuw was de kolonie vooral een handelspost van de Oost-Indische Compagnie. In plaats van zelf plantages op te zetten liet de compagnie Javaanse vorsten rijst, koffie, peper en andere handelsartikelen leveren die ze wereldwijd exporteerde. Maar toen de Oost-Indi-sche Compagnie in 1799 failliet ging, viel het bestuur van Java rechtstreeks toe aan de Nederlandse regering, die de koloniale overheden aanmoedigde om economische hervormingen door te voeren, zoals de aanplant van nieuwe gewassen op het eiland. In die tijd produceerden Javaanse boeren al een aantal van de belangrijkste exportartikelen ter wereld, waaronder rijst, indigo, suiker, peper, tabak, geelwortel en katoen. Om de tegenvallende opbrengsten uit de koloniën op te vijzelen besloten de Nederlanders op Java naast de andere nieuwe gewassen ook cochenille te gaan cultiveren.
Het plan dat de Nederlanders maakten om cochenilleschildluizen te bemachtigen, behelsde een wereldwijde intrige waarvan sommige details in raadselen zijn gehuld. Het plan werd waarschijnlijk halverwege de jaren twintig van de negentiende eeuw bedacht. De Nederlandse overheid stuurde een spion naar de Spaanse havenstad Cadiz. Deze vond er na verloop van tijd werk als los arbeider in een nopalkwekerij, waar hij zo veel mogelijk leerde over de cochenillecultuur. Hij woonde in totaal twee jaar in Cadiz.
In december 1827 stuurde Nederland als volgende fase van het plan het oorlogsschip Leije naar Cadiz. Terwijl het schip op een donkere nacht in de kalme haven lag, werden er door de spion en andere Nederlanders tweeënzeventig met cochenille bedekte nopalcactussen en meer dan zeshonderd stekken aan boord gesmokkeld. De Leije vertrok de volgende morgen naar Java, met niet alleen de spion, maar ook de opzichter van de nopalkwekerij van Cadiz aan boord, want deze had in ruil voor een ruime beloning met de Nederlanders samengewerkt.
Tijdens de lange reis, de langste die ooit met cochenille werd gemaakt, moeten er heel wat insecten zijn omgekomen. Maar de Nederlanders hadden er in Spanje zoveel gestolen dat er toen de Leije in augustus 1828 in Java aankwam, nog een paar in leven waren. Deze werden naar een speciale tuin in Buitenzorg gebracht, een stadje in het heuvellandschap ten zuiden van de koloniale hoofdstad Batavia (nu Jakarta), waar de opzichter uit Cadiz ze verzorgde. In oktober 1829 toonde hij zijn eerste cochenilleoogst en ontving hij een gouden medaille van de regering.
Kort daarop besloot het koloniale bestuur de productie van cochenille uit te breiden in het kader van het cultuurstelsel, een onschuldige naam voor een hardvochtig arbeidssysteem dat in de jaren dertig van de negentiende eeuw door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch werd ingevoerd. Om de Javaanse export concurrerender te maken op de wereldmarkt werden Javaanse boeren gedwongen om voor een karig loon op nieuwe overheidsplantages te werken en werden particuliere ondernemers aangemoedigd om een gelijksoortig repressief ar-beidsbeleid te voeren op hun eigen nopalplantages.
In vergelijking met koffie, rijst en andere belangrijke producten vormde cochenille slechts een bescheiden onderdeel van het cultuurstelsel. Hoewel er weinig gegevens zijn over specifieke mishandeling van cochenillearbeiders, lijkt het waarschijnlijk dat ze het even zwaar te verduren kregen als de andere arbeiders onder het stelsel. Het systeem was vanaf het begin hardvochtig, maar werd in de jaren veertig van de negentiende eeuw echt meedogenloos. De Javaanse arbeiders ontvingen zo weinig loon dat ze hun gezinnen niet konden voeden en kregen geen tijd om de gewassen te verbouwen die hun vanouds tot voedsel dienden. Halverwege dat decennium stierven honderdduizenden Javanen aan honger en ziekte. De overgeblevenen leden continu ontberingen.
Toch was het cultuurstelsel volgens de meeste Nederlanders een groot succes. Hoewel sommige kolonisten, bezorgd over de enorm gestegen sterftecijfers onder Javanen eindjaren veertig, begin jaren vijftig van de negentiende eeuw, campagne voerden om het cultuurstelsel te hervormen, waren maar weinig planters en bestuursambtenaren bereid om iets te doen wat de nieuwe welvaart op Java in gevaar kon brengen. Ondertussen wisten de mensen in Nederland praktisch niets van wat er in hun naam werd misdaan. De misstanden onder het cultuurstelsel kwamen pas in 1860 aan licht, toen Eduard Douwes Dekker, een ontevreden bestuursambtenaar die schreef onder het pseudoniem Multatuli (Latijn voor 'ik heb veel geleden'), zijn roman Max Havelaar publiceerde.
De Max Havelaar is een onevenwichtig verhaal, vol vreemde wendingen in de taal en de plot, maar de corruptie op Java werd er met zoveel vuur in veroordeeld dat het boek in Nederland niet genegeerd kon worden. Alleen al de opdracht voor in het boek leidde tot veel opwinding, want daarin wendde Douwes Dekker zich rechtstreeks koning Willem m: 'Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig miljoen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?' Het publiek eiste een verklaring en de Nederlandse overheid liet daarop een reeks hervormingen doorvoeren die in 1882 uiteindelijk tot afschaffing van het cultuurstelsel leidden.
Vóór de publicatie van de Max Havelaar wisten weinig mensen in Nederland ook maar iets van de tragedie op Java, en hielden degenen die er wel iets van wisten vol dat het Javaanse sterftecijfer niets met het Nederlandse beleid te maken had. Zij wezen liever op het feit dat de kosten voor de agrarische productie aanzienlijk waren gedaald, zodat export en winst tot een ongeëvenaard niveau waren gestegen. 'De geniale [gouver-neur-generaal Van den Bosch], die deze bron van voorspoed en welvaart voor het moederland heeft geschapen, kan niet voldoende geprezen worden,' schreef een commentator halverwege de negentiende eeuw.
Geconfronteerd met vragen over het welzijn van de Javaanse arbeiders zeiden de Nederlandse koloniale ambtenaren en ondernemers dat de inlandse arbeiders geen andere middelen hadden om in hun bestaan te voorzien. Typerend waren de gedachten van H. van Blommestein, die op Java woonde en een doorslaggevende rol speelde in de uitbreiding van de cochenilleproductie op het eiland. 'Men zou veronderstellen dat [...] de Javaan door hogere lonen zou worden aangespoord,' schreef Blommestein, 'maar wie dat denkt, kent de Javaan niet. Hij laat zich alleen door bevelen tot werken aansporen.' Het Nederlandse handboek voor cochenillekwekers dat Monod de Froide-ville rond die tijd schreef, is doordrongen van een soortgelijke filosofie. 'De Javaan is [...] dociel en onderdanig,' schreef hij in 1847, 'maar verward en afkerig van werk dat hij niet kent of waarvoor inspanning is vereist.' Hij verzekerde zijn lezers meteen dat de Javaan met 'nauwlettend opzichterschap' het werk kon verrichten dat nodig was om een cochenilleplantage winstgevend te exploiteren.
Monod de Froideville meende dat de Javaanse cochenille een prachtige toekomst had. Hij negeerde het hoge sterftecijfer onder de arbeiders die voor het cultuurstelsel werkten en richtte zijn aandacht op opwekkender statistieken. Na een aantal onzekere beginjaren leverde cochenille in de jaren veertig van de negentiende eeuw winst op voor de ondernemers en de Nederlandse overheid. 'De prijs stijgt en stijgt,' schreef Monod de Froideville met plezier. Hij voorzag dat Java een grotere cochenilleproducent zou worden dan Mexico.
Twee jaar na de publicatie van Monod de Froidevilles handleiding was het aantal Javaanse arbeiders dat gedwongen in de cochenilleteelt werkte flink gestegen en werd er jaarlijks ruim 36 ton geoogst, waarvan het meeste naar China en Nederland werd geëxporteerd. Maar tot frustratie van veel Nederlandse ondernemers en koloniale ambtenaren werd tegelijk duidelijk dat cochenille nooit een van de grote Javaanse exportproducten zou worden.
Zoals de Spanjaarden al eeuwen eerder hadden ontdekt, gedijde het Mexicaanse insect zelden als het met behulp van dwangarbeid op grote plantages werd gecultiveerd. Voor co-chenillekweek was geduld en aandacht nodig, en die houding viel bijna uitsluitend te verwachten van exploitanten van kleinschalige kwekerijen, die er zelfbelang bij hadden om de verfstof te produceren. Dit gold voor Mexico, maar des te meer voor Java, waar het regenachtige klimaat nog grotere inspanningen vergde. Om de cochenille tegen de zware moessonregens te beschermen moesten de luizen onder een afdak worden geteeld. Monod de Froideville adviseerde een gecompliceerd bamboedak met verstelbare louvres, maar boeren gebruikten ook wel eenvoudige strooien afdaken. Geen van deze methoden bleek helemaal te voldoen: ze kostten meer tijd, arbeid en materiaal, en maakten de Javaanse cochenilleproductie dus duurder.
Het natte klimaat was ook in andere opzichten nadelig voor cochenilleproducenten. De nopalcactussen kwijnden weg in de vochtige lucht en de schildluizen bleven onvolgroeid. De Javaanse cochenille gold net als de Spaanse als van mindere kwaliteit dan de Mexicaanse. De korrels waren kleiner en brachten minder op.
Maar wat de Nederlanders de meeste zorgen baarde, was dat de cochenilleprijs jaar na jaar verder daalde omdat er steeds meer concurrenten op de markt verschenen.
Terwijl de Nederlanders op Java een cochenillecultuur probeerden op te zetten, nam de wereldproductie spectaculair toe. In Mexico werd in de jaren meteen na de onafhankelijkheid weinig cochenille geëxporteerd, maar in de jaren dertig van de negentiende eeuw produceerden de Oaxacaanse boeren meer dan ze in lange tijd hadden gedaan. In het topjaar 1839 oogsten ze ruim 400 ton, de grootste opbrengst in meer dan een halve eeuw.
Dit totaal werd echter snel overtroffen door wat er in Guatemala werd binnengehaald. In de jaren twintig van de negentiende eeuw stimuleerde de Guatemalteekse overheid de cochenilleproductie met belastingvoordelen, maar pas onder de charismatische maar meedogenloze dictator Rafael Carrera - zelf ooit cochenillearbeider - begon de werkelijke opmars van de Guatemalteekse cochenille. In de jaren na zijn aantreden in 1838 hernieuwde de overheid haar inspanningen ten behoeve van de schildluizen, want cochenille was het belangrijkste product van het land geworden. Dit ingrijpen had spectaculaire resultaten: tussen 1830 en 1845 vertwintigvoudigde de cochenilleexport tot meer dan 450 ton per jaar. De meeste cochenille werd door kleine boeren en kleinschalige gemeenschappen geproduceerd.
De kwaliteit van de Guatemalteekse cochenille was gelijk aan de Mexicaanse en er werd net zo veel voor betaald. Het merendeel werd aan Groot-Brittannië verkocht, dat lagere importtarieven rekende voor dit kleine land. Van deze regeling profiteerden beide partijen: de Britse fabrieken kregen een betrouwbaar aanbod van de verfstof en de Guatemalteekse boeren een gegarandeerde afzetmarkt voor hun oogsten. Tegen 1850 was Guatemala goed voor driekwart van de Britse cochenille-import. Een jaar later werden alle records gebroken toen het land 900 ton van de verfstof exporteerde, meer dan twee keer het Mexicaanse totaal. Binnen één korte generatie was Guatemala de grootste en machtigste leverancier van cochenille geworden.
Toch moest ook Guatemala oppassen. Aan de overkant van de Adantische Oceaan won Spanje terrein in de cochenillerace. Hoewel de productie op het Spaanse vasteland mager bleef, bleken de Spaanse Canarische Eilanden met hun rijke vulkanische grond en milde, zonnige klimaat ideaal voor het insect.15
De eilanden, die voor de kust van het tegenwoordige Marokko liggen, zijn al sinds de Oudheid bekend in Europa. In de negentiende eeuw werd er vooral de wereldberoemde 'kanariewijn' geproduceerd, maar halverwege de jaren twintig van de negentiende eeuw introduceerden de ondernemende amateurwetenschappers van de Sociedad Económica er cochenille. Ze stuurden een pakket met levende cochenille aan Sabin Berthe-lot, de directeur van de botanische tuin op het grootste eiland, Tenerife. Berthelot kweekte snel meer insecten en stuurde monsters naar de andere eilanden. Ondertussen besloot de Spaanse overheid, die begon in te zien dat de Canarische Eilanden misschien het verlies van Oaxaca konden goedmaken, elders op Tenerife nog een kweekstation op te zetten om een en ander te bespoedigen. Vanwege deze inspanningen, en die van Berthelot, kon er aan het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw ruimschoots cochenille worden ingekocht op Tenerife, Gran Canaria, Fuerteventura, Lanzarote en Hierro.
Op dat punt stuitte het project op dezelfde moeilijkheden als veel andere pogingen om cochenille te kweken. De bewoners van de Canarische Eilanden waren vanwege het droge klimaat gesteld op de sappige vruchten van de nopal en stelden hun cactussen dus ongaarne ter beschikking van de verwoestende cochenilleschildluis. De meeste eilanders lieten zich zelfs niet overhalen door de geboden belastingvoordelen en de prijssteun van de Spaanse overheid, en bleven in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw druiven verbouwen voor de zoete kanariewijn. Daarom bleef de cochenilleproductie flink achter bij die van het regenachtige Java. Het omslagpunt kwam in 1853, toen de wijngaarden werden verwoest door de schimmel Uncinula necator (meeldauw). Omdat ze geen wijn meer konden maken, schakelden de eilanders op cochenille over om te overleven. In 1855 produceerden de Canarische Eilanden al meer dan 450 ton per jaar.
Het aanbod van cochenille was nog nooit zo groot geweest. De totale productie van de verfstof verviervoudigde tussen 1830 en 1850, bereikte bijna 1000 ton per jaar en bleef verder stijgen.
Voor consumenten was dit prachtig nieuws, maar voor producenten was het verontrustend.
Cochenille, een luxeproduct met variabele oogsten, was sinds de zestiende eeuw berucht om zijn wispelturige markt. Cochenilleboeren hadden al vaker perioden van zwakke prijzen moeten doormaken, dus sloegen de meesten zich zelfs toen de cochenilleprijzen in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw een historisch dieptepunt bereikten dapper door de moeilijke tijd heen. Ze meenden dat de prijzen net als in het verleden snel weer zouden aantrekken.
Helaas voor de cochenilleboeren speelden er nieuwe overwegingen, die niet alleen de aanbodzijde, maar ook de vraagzijde betroffen. Scharlaken en karmijn begonnen hun aantrekkingskracht te verliezen. Na de Franse Revolutie waren rode zijden en fluwelen stoffen uit de mode geraakt. In Europa en Amerika leken mannen zich er niet meer aan te willen wagen, behalve voor archaïsche of geritualiseerde kleding, zoals een legeruniform of de toga van een rechter of een lid van het Hogerhuis. Mogelijk was de daling van de cochenilleprijzen in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw deels te wijten aan de afnemende populariteit. Maar mannen waren ook in de eerste decennia van de negentiende eeuw, toen cochenille schaars en duur was, al steeds minder geneigd om rood te dragen. Belangrijker was misschien de uitbundigheid van de kleur zelf. Hij werd geassocieerd met aristocratische overdaad en was daarom minder geschikt voor een tijdperk waarin burgerlijke waarden steeds belangrijker werden.
Een tijdlang werd de vraag naar rood vooral door vrouwen bepaald, die aan het eind van het napoleontische tijdperk weer felle kleuren droegen. Maar eind jaren 1830 raakte de kleur rood ook bij vrouwen uit de gratie. Het werd een kleur waarbij men de wenkbrauwen optrok, want naarmate de associatie met mannelijke kracht verdween trad de eeuwenoude verbinding met passie en seksualiteit weer naar de voorgrond.
Voor de vroege Victorianen waren alle kleuren rood verdacht, maar het vlammende rood van het soort dat Drebbel uitvond, vonden ze het allerergst. Scharlaken deed hen denken aan zonde, vooral in seksuele zin - een oude associatie die in die periode met kracht nieuw leven werd ingeblazen. In 1843 waarschuwde een Londens Ladies' Handbook dat alleen 'neutrale, gedekte kleuren' acceptabel waren, zelfs voor haar- en hoedlinten. 'Vlammende, opzichtige kleuren' dienden 'speciaal vermeden te worden'. Dames die geen zin hadden om voor de scharlaken vrouw uit de Apocalyps door te gaan, hielden zich aan dat advies.
Wat 'opzichtigheid' precies inhield, was natuurlijk subjectief, zoals ook wordt gesuggereerd in Villette van Charlotte Brontë, een roman gebaseerd op de eigen ervaring van de schrijfster in het Brussel van begin jaren veertig van de negentiende eeuw. Als Paul Emanuel in het boek Lucy Snow verwijt dat ze 'een keer in een scharlaken mantel uitging', verbetert ze hem verontwaardigd: 'Hij was niet scharlaken, maar roze, bleekroze zelfs, en ingetogener dankzij de zwarte kant.' Maar voor de verhitte zintuigen van monsieur Paul gaat het niet om de exacte kleur van de jurk. Een kleur die ook maar zweemt naar scharlaken is 'uitdagend en frivool' en volledig ongeschikt voor een respectabele vrouw uit de betere kringen.
De verbinding tussen scharlaken en zonde werd verder vereeuwigd door de publicatie van The Scarlet Letter in 1850 (in het Nederlands vertaald als De rode letter), geschreven door Natha-niel Hawthorne. Het boek speelt in het zeventiende-eeuwse New England en maakt gebruik van puriteinse opvattingen over kleurensymboliek, maar geeft er een Victoriaanse draai aan. De puriteinen bestraften gemeenschapsgenoten die regels overtraden inderdaad door hen een letter te laten dragen (een A voor adultery, overspeligheid, een B voor blasfemie, een D voor dronkenschap), maar deze werden gewoonlijk van effen rode of soms ook een andersgekleurde stof gemaakt. De letter die Hester Prynne draagt, van rijk scharlaken gemaakt en 'prachtig geborduurd en versierd', was met zijn felle kleuren en vergulde rijkdom een door en door Victoriaanse vinding. In Hawthornes vaardige handen wordt Hester Prynnes scharlaken letter (en Dimmesdales bloederige equivalent) een vast onderdeel van de bij rood behorende iconografie, waardoor scharlaken voor altijd verbonden werd met overspel.
Hoewel Victorianen scharlaken kleding dus meden, hadden cochenilleproducenten nog steeds voldoende reden om op een comeback van hun rood te hopen. Asceten en puriteinen hadden tenslotte eerder geprobeerd de kleur te verbieden, en het was steeds gebleken dat de menselijke voorkeur voor rood niet viel tegen te houden.
De mode werd na 1850 inderdaad wat kleuriger, vooral voor vrouwen, maar bepaalde tinten rood bleven nog verboden. Hoewel de poëzie van Emily Dickinson schitterde van een rush of cochineal (werveling van cochenille), was de verfstof a tint too red (een tint te rood) voor de meeste van haar buren in New Eng-land. Volgens Londense modevoorschriften was felrood 'vulgair en niet gepast' en hoorde 'een dame die ook maar enige aanspraak op goede smaak wilde maken, geen karmijn- of scharlakenrode japon te dragen, of een felle Schotse ruit'. Maar de modebladen die scharlaken- en karmijnrood afkeurden, hadden wel waardering voor minder schokkende rode tinten. Ze meenden dat dames, vooral getrouwde, wel gepaste donkerrode, steenrode of kastanjerode kleuren konden dragen, en die mening werd door velen in Europa en Amerika gedeeld. In combinatie met de opkomst van de crinolinerok, waarvoor meters stof nodig waren, droeg deze voorkeur voor donkerrode tinten beginjaren 1850 bij aan de herleving van de cochenilleindustrie.
Niet alleen vrouwen, maar ook mannen droegen weer co-chenillerood, zij het voor minder zichtbare kleding. Eminente figuren als Jefferson Davis, president van de Geconfedereerde Staten tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog, hadden een voorkeur voor cochenillekleurige nachthemden. Andere mannen droegen roodwollen ondergoed. Vrouwen die in het openbaar nooit iets opvallenders dan een flets kastanjebruine jurk zouden dragen, droegen daar soms een felrode wollen onderrok onder.
De vraag naar cochenille werd ook opgevijzeld door de Victoriaanse voorliefde voor de neogotische stijl die rijke kleuren en een weelderige inrichting van het huis vereiste. Negentien-de-eeuwse woonkamers vertoonden een overdaad aan zware leunstoelen, Turkse bankstellen en divans, bekleed met pluchen, vaak met cochenille geverfde stoffen, waar voorheen vooral kale houten stoelen hadden gestaan. Ook erg in de mode waren rijke rode draperieën, tafelkleden, 'valletjes', kussens en schoorsteenmantelkleedjes, waarvan er meer werden gemaakt naarmate de Industriële Revolutie vorderde. Door deze extra toepassingen bleef de cochenille winstgevend, ondanks de enorme stijging van het aanbod.
Aan het begin van de jaren vijftig van de negentiende eeuw bedroeg de prijs van cochenille nog maar een kwart van wat er in 1820 voor betaald werd, maar nog steeds werden sommige mensen er rijk aan. Terwijl Oaxacanen zich terecht beklaagden over het verdwijnen van hun lucratieve monopolie, genoten planters elders van de winsten die ze maakten op het nieuwe product. Vooral op de Canarische Eilanden brak er dankzij de cochenilleteelt een nieuwe periode van welvaart aan. Een ne-gentiende-eeuwse schrijver merkte op: 'Extravagante overdaad was in de mode; men zette enorme, vaak nutteloze gebouwen neer [...] en de eilanders stortten zich in een orgie van verkwisting dankzij de fortuinen die ze te verwachten hadden.' Ook in Guatemala leefden veel cochenilletelers er goed van. Een bezoeker die zich verbaasde over de welvaart in Amatitlan, een belangrijk cochenillegebied, schreef dat de stad was omringd door 'uitgestrekte cactusvelden, die zilver glinsterden onder een kostbare laag cochenille'.
Overal ter wereld was de vraag naar rood zo groot dat veel cochenilleboeren er prima van leefden, hoewel er wereldwijd vier keer zoveel cochenille werd geproduceerd als voorheen. De meeste producenten moeten hebben gedacht dat hun handel altijd zou blijven bestaan. Als het aanbod op een of andere manier beheerst kon worden of er nieuwe markten voor de verfstof werden aangeboord, bestond zelfs de hoop dat de prijzen op een dag nog flink zouden stijgen. Niemand kon bevroeden dat de cochenille-industrie door toedoen van een Engelse onderzoeker van amper twintig jaar een klap zou oplopen die ze nooit meer te boven zou komen.