ACHT

Handelsgeheimen

Het is niet gemakkelijk om een wereldrijk te besturen. Dat moet de Spaanse Kroon tenminste hebben geconcludeerd bij zijn pogingen om greep te krijgen op de bezittingen in Amerika. Voor het bestuur over dit continent bestond een gigantisch apparaat van ambtenaren, rechters en raden; in andere Europese landen verbaasde men zich vaak over de omvang en reikwijdte van deze bureaucratie. Maar zelfs met dit machtige ambtenarenapparaat kon de regering het rijk niet altijd haar wil opleggen.

Cochenille was geen uitzondering op deze regel. Het kredietsysteem was een veel effectievere stimulans voor de cochenilleproductie gebleken dan de directieven die met geweld door de Kroon waren opgelegd. De cochenillehandel bleek ook in andere opzichten moeilijk te reguleren. Op aandringen van Filips ii en zijn opvolger, Filips m, probeerden overheidsfunctionarissen in Nieuw-Spanje regels voor de handel op te stellen, marktfraude te bestrijden en een koninklijk monopolie te vestigen, waarbij het steeds de bedoeling was om meer inkomsten voor de Spaanse schatkist te genereren. Maar steeds opnieuw merkten ze dat er alleen iets bereikt kon worden als de bevolking, in het bijzonder de machtige kooplieden van Nieuw-Spanje, eraan meewerkte.

Eind zestiende eeuw handelden duizenden mensen in Nieuw-Spanje in cochenille. Vaak waren het kleine handelaren - indianen, mestiezen, mulatten of negers - die van stad tot stad trokken om goedkoop cochenille in te kopen en deze tijdens de wekelijkse markten bij opbod te verkopen. Als niet-blanken hadden ze weinig invloed en de Kroon kon hard tegen hen optreden zonder vrees voor een reactie. En hard optreden deed men. In 1580 verbood onderkoning Enriquez negers en mulatten nog langer in cochenille te handelen. Alleen indianen in dienst van Spanjaarden hadden voortaan dat recht.

De grote Spaanse kooplieden waren een ander verhaal. Zij beschikten over genoeg kapitaal en moed om zich met de riskante, maar zeer lonende export van cochenille bezig te houden en gingen een rechtstreekse confrontatie met de Spaanse ambtenaren niet uit de weg als ze meenden onbillijk te worden behandeld. Blijkbaar waren ze het wel eens met het discriminerende verbod op cochenillehandel door niet-blanken dat Enriquez in 1580 uitvaardigde, waarschijnlijk omdat hun agenten daardoor minder concurrentie hadden. Het is ook mogelijk dat sommigen (ten onrechte) dachten dat de wet de voortdurende fraude kon bestrijden, die het grootste probleem in de cochenillehandel vormde.

Vanaf de tijd van de conquista en ook al daarvoor, onder de Azteken, was de handel het terrein van bedriegers en oplichters, omdat cochenille zoveel opbracht. Met kleine hoeveelheden kon al veel winst gemaakt worden, zodat ook kleinschalige fraude lonend was. Daarom werd er op alle niveaus van de handel en op alle markten gefraudeerd: indiaanse boeren bedrogen indiaanse handelaren, die Spaanse kooplieden bedrogen, die afnemers in Europa bedrogen, die consumenten in Europa bedrogen.

Er werden allerlei trucs gebruikt. Er waren verkopers die cochenille van slechte kwaliteit als eersteklas verfstof aanboden, wat vooral goed werkte bij onervaren klanten. Andere handelaren knoeiden met de weegschaal. Er waren ook bedriegers die iets met de cochenille zelf uithaalden. De eenvoudigste manier om dit te doen was om er zand, krijt of kleine steentjes doorheen te mengen, maar er werden ook geraffineerdere technieken toegepast, waarbij bijvoorbeeld echte schildluiskorrels van een dun laagje rode oker, meel, ongebluste kalk en as werden voorzien. Sommige verkopers probeerden ook het gewicht te vergroten door de schildluizen in heet water te doden en ze te verpakken voordat ze helemaal droog waren. Dergelijke cochenille begon tijdens de reis naar Europa te rotten en werd onbruikbaar voor stoffenververs.

In Europa werd er regelmatig geklaagd over dit soort oplichterij. In 1552 verklaarde een verver bijvoorbeeld voor de Venetiaanse senaat dat 'de nieuwe indiaanse kermes' vaak was versneden, waardoor 'de kleuren na korte tijd vervagen, slecht worden en afschuwelijk zijn om aan te zien'. Of er vaker met cochenille werd geknoeid dan met het oudere kermesrood, blijft een open vraag. Veel verfstoffen werden tenslotte door gilden en overheid gecontroleerd en daar waren ongetwijfeld goede redenen voor. Toch maakten indiaanse handelaren, Spaanse kooplieden en ambtenaren zich zorgen, want als de reputatie van cochenille als handelsproduct te zeer werd aangetast, viel er weinig meer aan te verdienen.

Al eerder had de Tlaxcalaanse raad van notabelen speciale functionarissen aangesteld om toezicht te houden op de cochenillehandel en te controleren of er bij het afwegen standaardgewichten werden gebruikt. Kort na de klacht in Venetië, in 1554, vroegen vier Spaanse kooplieden het stadsbestuur van Mexico-Stad om het versnijden van cochenille te onderzoeken en ertegen op te treden. Het jaar daarop adviseerde de hoofdonderzoeker, na veel getuigen over de malversaties te hebben gehoord, dat voortaan alle cochenille eerst door functionarissen van de Kroon zou worden geïnspecteerd en verzegeld. Kopers en verkopers van versneden cochenille zouden worden bestraft. Als de koper of verkoper toevallig ook nog mesties, zwart of indiaans was, adviseerde de onderzoeker voorts een straf van honderd zweepslagen in het openbaar.

De onderkoning van Mexico nam deze aanbevelingen over en verhief ze tot wet, maar deze wet werd nauwelijks gehandhaafd. Cochenille had geen hoge prioriteit voor de Kroon en er waren onvoldoende ambtenaren met de taak belast. De functionarissen konden fraude ook slecht herkennen, deels omdat er verschil van mening was over de beste methode om de schildluizen te doden en te drogen. De meesten vonden dat in de zon drogen het beste was. De volgens deze methode gemaakte verfstof werd vanwege zijn poederachtig zilveren glans plateada of blanca genoemd en gold als topkwaliteit. Maar omdat drogen in de zon, als het op de juiste manier gebeurde, weken kon duren, experimenteerden de boeren met goedkopere technieken. Voor jaspeada (gemarmerd) werd de cochenille geroosterd, voor negra (zwart) werden de luizen op een hete plaat gedood en bij denigrida ('van zwart ontdane') in dampende ketels gekookt. Andere soorten cochenille werden gedood met azijn, rook of zwaveldamp. Het was onduidelijk welke waarde de zo geproduceerde cochenillesoorten ten opzichte van elkaar hadden.

Toen cochenille belangrijker werd voor de koninklijke schatkist, begon de Kroon zich steeds meer met de productie te bemoeien. In 1572 verbood onderkoning Enriquez alle verwerkingsmethoden op drogen in de zon na. Een maand later riep hij een nieuwe functie bij de Kroon in het leven, die van juez de grana, 'beoordelaar van cochenille'. Deze beoordelaar kreeg de opdracht om een nieuw, strenger inspectiesysteem op te zetten. Hij zetelde in Puebla, in die tijd de belangrijkste cochenilleopslagplaats van Nieuw-Spanje. Onder het nieuwe regime moest alle cochenille op de openbare markten van Puebla in het bijzijn van de beoordelaar worden gecontroleerd alvorens naar Spanje geëxporteerd te mogen worden. Als een zak cochenille was goedgekeurd, werd deze in een houten kist verpakt, die vervolgens werd dichtgespijkerd, van een officieel stempel voorzien en in een openbaar pakhuis opgeslagen. In de officiële haven Veracruz mochten kapiteins alleen cochenille meenemen die in officiële, gestempelde kisten werd aangeboden, samen met inspectierapporten en ontvangstbewijzen die in Sevil-la door kooplieden en douanebeambten werden gecontroleerd.

Het was een prachtig, grondig systeem, dat moeilijk te omzeilen was door zwendelaars. Maar de meeste cochenillehandelaren waren erop tegen - niet omdat ze oneerlijk waren, maar omdat ze vonden dat de Kroon er te veel macht door kreeg. Ze waren het oneens met de eis dat hun cochenille na inspectie in een openbaar pakhuis werd opgeslagen. Ze wilden dat de beoordelaar de cochenille bij hen kwam inspecteren, waarna zij de verzegelde cochenille thuis in een afgesloten ruimte mochten bewaren.

Deze kooplieden waren zo machtig, sterk en goed verenigd dat onderkoning Enriquez na het aannemen van de oorspronkelijke wet al snel aan hun eisen moest toegeven. Vanaf december 1572 mochten kooplieden verzegelde cochenille maximaal vier dagen in hun eigen opslagplaats bewaren, waarna de kisten naar Veracruz moesten worden vervoerd. Deze verandering bood mogelijkheden voor allerlei vormen van fraude, zodat Enriquez de oorspronkelijke wet in 1580, tegen het einde van zijn bestuursperiode, opnieuw invoerde. Tegen die tijd had hij ook extra beoordelaars aangesteld voor andere cochenilleopslagplaatsen, wat de kwaliteit van de geëxporteerde cochenille ten goede kwam, ook al werd het humeur van de Spaanse kooplieden erdoor op de proef gesteld.

Kooplieden en overheidsbeambten bleven nog lang na Enriquez' bestuursperiode over de cochenilleregels ruziën. De functionarissen van de Kroon vonden de kooplieden sluwe oplichters die weigerden de koning te geven wat hem toekwam. En de kooplieden vonden de ambtenaren bemoeials die hen met arbitraire regels op kosten jaagden.

Wat de kooplieden de meeste zorgen baarde, waren de herhaalde pogingen van de Kroon om een koninklijk monopolie te verwerven op cochenille, waarmee zij geheel buitenspel gezet zouden worden. In Spanje en veel andere Europese landen eiste de Kroon vaak monopolierechten op handelsgoederen op, vooral bij schaarse en kostbare producten. Koninklijke functionarissen beheerden deze monopolies niet altijd zelf, maar verkochten ze door. De exclusieve rechten op de Spaanse handel in slaven werden bijvoorbeeld in 1595 aan een Portugese handelaar verkocht. In ieder geval kon een vorst goed geld verdienen aan een monopolie en het bezit ervan was dan ook erg aantrekkelijk voor de bankroete Spaanse Kroon.

Van 1560 tot het begin van de zeventiende eeuw probeerde de Kroon verschillende keren een monopolie te krijgen op cochenille, het enige landbouwproduct in Nieuw-Spanje dat daarvoor in aanmerking kwam. Maar deze plannen stuitten steeds weer op logistieke problemen en tegenstand van kooplieden. Pas in 1618 wist de Kroon een gedeeltelijk monopolie op de verfstof te verkrijgen. Volgens de nieuwe wet moesten de kooplieden van Nieuw-Spanje hun cochenille aan agenten van de koning verkopen. De Kroon eigende zich daarmee de volledige export vanuit Nieuw-Spanje toe en hoopte daar zo'n 100 000 peso per jaar aan te verdienen.

De kooplieden zagen hun broodwinning in gevaar komen en verborgen hun cochenille, logen tegen functionarissen van de Kroon over de werking van het beoordelingssysteem en dreven de prijzen torenhoog op. De functionarissen van de Kroon trokken de wet in 1622 weer in en moesten enigszins zuur toegeven dat 'de cochenillehandelaren veel sluwer zijn en er veel meer van af weten dan wij'. In de daaropvolgende jaren probeerde de Spaanse overheid af en toe het koninklijk monopolie op cochenille weer van stal te halen, maar de hoogste bestuursambtenaren in Nieuw-Spanje waren er steevast op tegen. Zij meenden dat met de strijd die tussen 1618 en 1622 had plaatsgevonden afdoende was bewezen dat het tijdverspilling was te proberen een monopolie in te stellen als de handelaren zich daar niet in schikten.

Maar hoewel het de Kroon niet lukte een koninklijk monopolie op cochenille te verkrijgen, had het Spaanse rijk als geheel wel een monopolie op de productie van de verfstof. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd er jaarlijks voor 500 000 peso aan cochenille in Spanje geïmporteerd. Om de lucratieve handel in Spaanse handen te houden moest de Kroon zien te voorkomen dat andere landen de verfstof zelf gingen maken.

Naar het voorbeeld van Venetië en andere grote handelscentra in verfstoffen was cochenille in Spanje een soort staatsgeheim. Er bestond geen twijfel over dat nieuwsgierigheid en indiscretie zouden worden bestraft. De Kroon vertrouwde deels op bestaande Spaanse wetten waarbij het buitenlanders werd gemaakt de plaatsen te bereiken waar cochenille werd geproduceerd. Er mocht bijvoorbeeld alleen met officiële toestemming naar Amerika worden gereisd, en die toestemming was voor niet-Spanjaarden onmogelijk te krijgen. Hoewel mensen soms wel een manier vonden om het systeem te omzeilen (door in Spanje of in een Spaanse kolonie te gaan wonen, met een Spanjaard te trouwen, voor een Spaans bedrijf te gaan werken of papieren te vervalsen), werden buitenlanders die te veel belangstelling voor cochenille toonden scherp in de gaten gehouden en zo nodig gedeporteerd.

Bovendien voerde Filips n een wet in die het buitenlanders uitdrukkelijk verbood in de verfstof te handelen. Zo werd buitenlandse kooplieden niet alleen een waardevol handelsartikel ontnomen, maar bovendien een redelijk excuus om de cochenillekwekerijen in Nieuw-Spanje te bezoeken. Aanvankelijk werden buitenlanders die de wet overtraden slechts bestraft met inbeslagname van hun goederen, maar vanaf 1614, toen Filips 111 een strenge wet tegen alle buitenlandse handel aannam, gold daarvoor de doodstraf.

De Spaanse Kroon vaardigde vaak draconische wetten uit die men niet kon handhaven, maar de wet ter bescherming van het wereldwijde monopolie op cochenille bleek wel degelijk effectief, vooral wat betreft levende schildluizen. Dit kwam deels doordat de functionarissen van de Kroon beseften welke belangen ermee gemoeid waren en daarom ijverig vervolgden. Maar het hielp ongetwijfeld ook dat de Kroon in deze strijd de volledige medewerking genoot van de Spaanse kooplieden in zowel Amerika als Spanje. De Spanjaarden streefden zonder uitzondering naar het behoud van het cochenillemonopolie voor hun land, want het bezit van de superieure verfstof was een zaak van nationale trots geworden.

Het is hoe dan ook verbazingwekkend dat het Spanje lukte zo'n klein diertje als de cochenilleschildluis zo goed te bewaken. Er werkte overigens nog een factor in het voordeel van Spanje: dat cochenille zo kwetsbaar was. Het was moeilijk om de Dacty-lopius coccus op reis in leven te houden, want hij kon niet tegen hitte, kou, regen of andere plotselinge veranderingen. Bovendien waren de technieken om botanische en zoölogische specimens te verzamelen nog primitief - en zouden ze dat tot de negentiende eeuw blijven. De meeste verzamelaars stuurden eenvoudigweg opgezette dieren of gedroogde planten terug naar huis, of ze deden hun best om levende collecties te vervoeren in kisten en kratten, waar een kwetsbaar insect als cochenille niet tegen kon. Als schildluizen op een dergelijke manier werden verstuurd, zouden ze niet eens de landsgrens halen.

Maar hoewel het buitenlanders door koninklijke edicten, Spaanse oplettendheid en de kwetsbaarheid van het product zo goed als onmogelijk werd gemaakt om cochenille in Mexico te stelen, bood het vervoer van de verwerkte verfstof over de Atlantische Oceaan naar Sevilla wel kansen voor roof. Zelfs de meest ervaren Spaanse kapitein was bang voor deze reis, want de vijand kon ieder moment toeslaan. De dichter-avonturier John Donne schreef:

Pirats, which doe know

Thai there come weak shipsJraught with Cutchannel,

The men board them.

[Piraten die weten

dat er zwakke schepen komen, geladen met cochenille, de mannen gaan aan boord.]

Deze piraten waren moedig, sluw en vast van plan om het Spaanse monopolie te breken en de cochenillehandel overzee voor zichzelf op te eisen.

Het Volmaakte Rood
titlepage.xhtml
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_000.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_001.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_002.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_003.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_004.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_005.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_006.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_007.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_008.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_009.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_010.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_011.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_012.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_013.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_014.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_015.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_016.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_017.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_018.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_019.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_020.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_021.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_022.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_023.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_024.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_025.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_026.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_027.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_028.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_029.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_030.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_031.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_032.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_033.htm