TWAALF

Een vreemde weddenschap

Gokken is zo oud als de mensheid, maar zelden was de cultuur er zo van doortrokken als tijdens de Verlichting. Terwijl filosofen het idee verbreidden van een rationeel en ordelijk universum dat door vlijtig en zorgvuldig onderzoek kon worden doorgrond, werd in de maatschappij als geheel de chaotische wereld van het gokken en wedden om hoge bedragen een manier van leven. In de zeventiende eeuw openden de eerste grote Europese gokhuizen hun deuren en tegen de achttiende eeuw waren er in zo'n beetje elke plaats gokgelegenheden te vinden. Mensen uit alle maatschappelijke lagen - handwerkslieden, soldaten, edelen en vorsten - verspeelden hun geld met dobbelen, trik-trak en kaarten.

In Frankrijk, waar Versailles zelf bekendstond als ce tripot, 'die goktent', zetten adellijke vrouwen iedere avond aan de kaarttafel miljoenen in. 'In de modieuze Londense Brooks's Club', schreef Horace Walpole, 'worden bij iedere worp duizenden weiden en korenvelden ingezet en gaan er evenveel dorpen verloren als bij de aardbevingen die Herculaneum en Pompeji verwoestten'. Ook in kleinere gokgelegenheden verloren mensen hele erfenissen tijdens een potje kaart, een feit dat een Franse vader er in 1769 toe bewoog zijn stadsbestuur te vragen 'een einde te maken het gokspel dat al zo lang in onze stad bestaat. Mijn kinderen brengen me aan de bedelstaf.'

Er waren nog andere manieren om te gokken dan het spel.

In de achttiende eeuw zetten mensen enorme bedragen in bij de meest onbenullige weddenschappen. In 1735 wedde graaf de Buckeburg bijvoorbeeld om een grote som geld dat hij achterstevoren te paard van Londen naar Edinburgh kon rijden (het is onbekend of hij in dit dubieuze streven slaagde). De graaf van Artois wedde met Marie Antoinette dat het hem zou lukken in twee maanden een paleis te bouwen (hij huurde negenhonderd arbeiders in, die hij 24 uur per etmaal liet doorwerken, en wist zo in 64 dagen het huis Bagatelle te realiseren). 'Er is niets, hoe triviaal of belachelijk ook, waarom niet gewed kan worden,' verklaarde een Londense krant in 1754. En dat gebeurde dan ook: om een hardloopwedstrijd, het weer van komende dinsdag, een duel. Sommigen sloten zelfs een weddenschap af over de herkomst van cochenille. Dit deed bijvoorbeeld Melchior de Ruusscher in 1725.

Zoals het een gokker betaamt, is Melchior de Ruusscher een schimmige figuur in de geschiedenis van de cochenille. De enige informatie die we over hem hebben, komt uit een boek dat hij in 1729 publiceerde, de Natuerlyke historie van de couchenille, waarin hij zijn weddenschap en de uitkomst ervan beschrijft. Uit de inleiding blijkt dat De Ruusscher een Hollander was en waarschijnlijk in Amsterdam woonde; in een eerdere fase van zijn leven had hij 'vele jaren in Spanje gewoond'. Ook staat vast dat hij een vermogend man was. Helaas vermeldt het boek verder nauwelijks details over De Ruusschers leven. Het is niet duidelijk of hij, zoals veel Europeanen, als koopman naar Spanje was gegaan of er het leven van een heer leidde of anderszins.

Maar hoe weinig feiten er ook in de Natuerlyke historie staan, het is een karaktervol werk. Door de manier waarop De Ruusscher zijn verhaal vertelt, en door het feit dat hij de moeite nam om het op te schrijven, weten we dat hij een groot lezer en schrijver was, die een prachtige bibliotheek bezat of daar ten minste gebruik van kon maken. Het is ook duidelijk dat hij gepassioneerd en vrijgevig was, en veel goede vrienden had. Maar uit zijn boek blijkt vooral dat hij een man van zijn tijd was. Als typische vertegenwoordiger van de Verlichting geloofde hij in de nieuwe wetenschappelijke idealen van vrije informatie-uit-wisseling en samenwerking. Hij was vast van plan om als onderzoeker en als gokker tegen elke prijs de grenzen der kennis te verleggen.

Tijdens zijn verblijf in Spanje was De Ruusscher tot de overtuiging gekomen dat cochenille van dierlijke oorsprong was. Hij had verschillende 'grote navigators' over de verfstof ondervraagd, die hem allen hadden verzekerd dat cochenille van levende beestjes werd gemaakt. Terug in Amsterdam merkte hij dat daar 'veel mensen de tegenovergestelde mening zijn toegedaan; zij denken dat het een vrucht of het zaad van een plant is'. Om aan de verwarring een einde te maken bracht De Ruusscher de kwestie ter sprake bij vrienden die net als hij in de wetenschap geïnteresseerd waren. De vriendelijke discussie draaide al snel uit op een verhit debat tussen De Ruusscher en een van de vrienden, dat op een gegeven moment zelfs in een handgemeen dreigde te ontaarden. Om de zaak te sussen kwamen de twee mannen tenslotte overeen het geschil op een fatsoenlijke manier te beslechten: ze besloten naar de zeden van hun tijd een weddenschap aan te gaan. Ze benoemden vier onafhankelijke scheidsrechters om de feiten te beoordelen. Om te winnen moest De Ruusscher met onweerlegbare bewijzen komen dat cochenille van dierlijke oorsprong was. De som waarom werd gewed was gigantisch en bedroeg het hele vermogen van De Ruusschers vriend.

De Ruusscher had Hartsoekers Essai de dioptrique gelezen en bezat een microscoop waarmee hij cochenille had onderzocht. Maar hij begreep meteen dat hij met de microscoop nooit de overwinning zou behalen. Bewijzen die alleen met behulp van een microscoop waren verkregen, waren te controversieel en subjectief. Als De Ruusscher door het instrument keek, zag hij een insect, maar als zijn tegenstander het deed, zag hij een zaadje. Om de weddenschap te winnen moest De Ruusscher een andere strategie volgen.

De Ruusscher riep de hulp in van een Spaanse vriend: don Pedro Gristóbal de Reynoso, een ridder van de gerespecteerde en invloedrijke Orde van Santiago. Don Pedro kende veel belangrijke mensen in Oaxaca, in die tijd de voornaamste cochenille-exporterende regio van Nieuw-Spanje. Hij had ook een zoon, Martin, die op het punt stond om af te reizen naar Nieuw-Spanje. De Ruusscher schreef don Pedro en vroeg hem of zijn zoon 'zo goed zou willen zijn om bij aankomst de nodige getuigenverklaringen af te nemen teneinde vast te stellen of cochenille een klein levend beestje is'. Als hij zijn stelling niet wetenschappelijk kon bewijzen, lukte het misschien wel met rechtsgeldige getuigenverklaringen.

Don Pedro en zijn zoon beloofden De Ruusscher te helpen, en toen de jonge don Martin in Mexico aankwam, schreef hij zijn vaders vrienden in Oaxaca met het verzoek om een getuigenverklaring over cochenille af te leggen. Hij was eerlijk over zijn bedoelingen: hun verklaringen waren bestemd voor buitenlanders die meenden dat cochenille van een plant afkomstig was. De hoogste vertegenwoordiger van de Kroon in de regio, corregidor of magistraat don Juan Bautista Fortuno, kreeg ook een brief, en hij zegde toe te getuigen. Dit deden ook een tiental andere inwoners van Oaxaca, onder wie verschillende lagere functionarissen van de Kroon en een indiaanse cacique, of opperhoofd, die afkomstig was uit een dorp in de buurt waar cochenille werd geteeld.

Als De Ruusscher om wat levende cochenilleluizen had gevraagd, zou geen van deze mannen, zelfs niet zijn goede vriend don Pedro, ook maar een vinger hebben uitgestoken om hem te helpen. Ze wisten als Spanjaarden maar al te goed dat de export van levende cochenille verboden was en bovendien het landsbelang ernstig kon schaden. Het verzamelen van getuigenverklaringen leek hun echter onschuldig, misschien omdat zij evenzeer als De Ruusscher waren beïnvloed door het nieuwe wetenschappelijke ideaal van belangeloze kennisuitwisseling over natuurfenomenen. Ontwikkelde achttiende-eeuwers vonden geheimhouding iets middeleeuws, iets achterlijks zelfs. Openheid was het kenmerk van de werkelijk moderne gentle-man.

Don Pedro's vrienden dachten zonder veel risico details over de oorsprong van cochenille te kunnen verstrekken. Hoewel de Spaanse Kroon de onderdanen zeker niet aanmoedigde om informatie over de verfstof door te geven aan buitenlanders, was dit niet met zoveel woorden verboden. Censuur was onnodig, zo verklaarde de corregidor don Juan Baptista in zijn getuigenis, omdat het cochenillemonopolie werd gegarandeerd door de teerheid van de insecten zelf. Als een buitenlander probeerde een doos met levende insecten Mexico uit te smokkelen, zouden ze binnen een paar dagen sterven - dat meende de corregidor althans. Gezien deze natuurlijke bescherming zagen de Oaxacanen er geen kwaad in om te vertellen waarvan cochenille werd gemaakt, vooral niet als een vriend van een vriend daarmee een discussie kon winnen.

Hoewel het veel werk was om officiële getuigenverklaringen te laten opstellen, waren de corregidor en andere hoge functionarissen niettemin bereid om hun vriend don Pedro in deze erezaak bij te staan. Vanaf 13 oktober 1725 verzamelden ze verklaringen van anderen en legden ze zelfverklaringen onder ede af.

De getuigen hadden allen uitgebreid met cochenille te maken gehad, als handelaar, boer of ambtenaar. Een paar Spanjaarden handelden al twintig jaar in cochenille en de indiaanse boer kweekte de luizen al zijn hele leven - ook zijn voorouders hadden altijd in de cochenilleteelt gewerkt. In aanwezigheid van een ambtenaar van de Oaxacaanse overheid en verschillende notarissen somden de mannen de belangrijkste punten in hun eigen woorden op: cochenille was van levende beestjes gemaakt, 'ze hebben ogen, een mond, pootjes en klauwtjes', ze baarden levende nakomelingen. De getuigen beschreven verder in detail hoe cochenille werd gekweekt en geoogst, en in welke opzichten wilde cochenille verschilde van de gedomesticeerde soort. Het leed geen twijfel, zeiden ze, dat beide soorten cochenille van diertjes waren gemaakt. 'Denken dat cochenille niet uit levende beestjes bestaat,' getuigde de corregidor, 'is zoiets als twijfelen aan het bestaan van de zon.'

Eind oktober deden ze acht getuigenverklaringen en zes ondersteunende geschriften toekomen aan don Martin, die deze doorstuurde naar zijn vader in Spanje. Don Pedro zond de documenten vervolgens weer aan De Ruusscher, die ze in de herfst van 1726 ontving. Kort daarop vergaderde De Ruusscher met zijn vriend en de vier onafhankelijke scheidsrechters om hun geschil formeel te beslechten. De Ruusscher en zijn vriend zetten hun argumenten uiteen, de scheidsrechters onderzochten de bewijzen die door de opponenten waren aangedragen.

De Ruusschers vriend was met een microscopisch bewijsstuk gekomen: 'het vruchtje of zaadje' waarvan cochenille was gemaakt, compleet met 'wollig omhulsel'. Ook De Ruusscher had een microscopisch bewijsstuk, om aan te tonen dat cochenille een insect was.

Het lijkt erop dat de scheidsrechters De Ruusschers bewijsstuk overtuigender vonden, maar de getuigenissen uit Oaxaca gaven de doorslag. Dat De Ruusscher over zo'n groot aantal schriftelijke bewijzen beschikte, werkte zeker in zijn voordeel. Bij Europese gerechtshoven waren slechts twee ooggetuigenverklaringen nodig om de waarheid vast te stellen. Daarom was er des te meer reden om 'van de zekerheid van een zaak overtuigd te zijn als deze wordt bevestigd door een plechtige eed van acht mensen en herbevestigd door zes anderen [...] Hoe kan iemand met gezond verstand denken dat al die verschillende mensen gedwongen werden om een valse verklaring af te leggen?'

Om ook de laatste twijfel omtrent de betrouwbaarheid van zijn getuigen weg te nemen legde De Ruusscher uit welke vriendschapsbanden er bestonden tussen zijn eigen vriend, don Pedro, en de acht Oaxacanen. Hij benadrukte het feit dat de getuigen mannen van stand waren in Oaxaca. 'Denkt u dat deze mensen uit de hoogste kringen dergelijke getuigenverklaringen zouden opschrijven, ondertekenen en bevestigen met een valse eed?'

In een wereld waarin heren nog op hun woord te vertrouwen waren, legde dit argument veel gewicht in de schaal. De scheidsrechters besloten unaniem dat De Ruusschers argumenten de doorslag gaven en verklaarden op schrift dat de coche-nillekorrels oorspronkelijk 'kleine levende diertjes' waren geweest. Maar met de weddenschap wilden ze niets te maken hebben. 'Om de vriendschap tussen de partijen te bevorderen en elke reden tot een breuk te voorkomen,' schreven ze, gaven ze De Ruusscher en zijn opponent het advies om een clausule aan de verklaring toe te voegen waarin hun weddenschap nietig werd verklaard. Nu De Ruusscher gelijk had gekregen, was hij bereid af te zien van alle aanspraken op het fortuin van zijn vriend - ongetwijfeld tot diens grote opluchting.

Op aandringen van anderen beschreef De Ruusscher de zaak in zijn Natuerlyke historie. Hij deed niet alleen verslag van het geschil, compleet met de namen van de scheidsrechters en getuigen, maar voegde ook kopieën toe van alle documenten die hij uit Oaxaca had laten overkomen. Om een zo breed mogelijk publiek te bereiken werd het geheel uitgegeven in een drietalige editie: van alle bewijsstukken was niet alleen in de oorspronkelijke Spaanse versie, maar ook een Franse en een Nederlandse opgenomen. De Ruusscher hoopte dat zijn boek voldoening zou schenken aan 'minnaars van de waarheid en liefhebbers van buitenissig onderzoek'. Hij wilde hen overtuigen van de waarheid, zoals hij eerder de scheidsrechters had willen overtuigen.

In de Natuerlyke historie bleven veel vragen over cochenille natuurlijk nog onbeantwoord. De voornaamste betrof de voortplanting van de cochenilleschildluis, een kwestie die zeer in de belangstelling stond in Europa. De enige Oaxacaanse getuige die zich hierover uitsprak was de corregidor, die verklaarde: 'Als [de cochenilleschildluis] groeit, strijkt er keer op keer een kleine vlinder op neer.' Volgens de indianen, zo verklaarde hij verder, waren dergelijke vlinders verantwoordelijk voor de bevruchting. Zowel hij als De Ruusscher was sceptisch over deze theorie. Voor hen leek het natuurlijk dat soortgenoten met soortgenoten paarden. Hoe kon een vlinder dan een cochenilleinsect bevruchten?

Maar het woord 'vlinder' was waarschijnlijk niet meer dan een foute Spaanse vertaling. Een document uit 1777 vermeldt dat de Mixteken de mannelijke cochenilleschildluis dahuayitz noemden, wat letterlijk 'vliegende echtgenoot' betekent. Blijkbaar wisten de indiaanse boeren heel goed hoe het zat: de mannelijke cochenilleschildluis was een insect dat van cactus naar cactus vloog om vrouwtjes te bevruchten.

Maar in Europa vormde het feit dat het cochenillemannetje zo verschilde van het vrouwtje een belangrijk struikelblok. Heel wat gezaghebbende geleerden meenden dat het mannelijke cochenille-insect niet bestond. Volgens een Oaxacaanse onderzoeker, Juan Manuel Mariscal, werden de vrouwelijk cochenille-insecten bevrucht door de inbreng van een 'goddelijke substantie'. Hij schreef zelfs een gedicht waarin hij de eeuwige maagdelijkheid van de cochenille-insecten prees. Soortgelijke theorieën werden door Europese microscopisten gepropageerd, zoals Van Leeuwenhoek. Nadat hij terecht had vastgesteld dat de geëxporteerde cochenille geheel uit vrouwelijke insecten bestond, concludeerde hij dat de vrouwelijke cochenille zich zonder hulp van mannetjes voortplantte. Op welke manier dat gebeurde kon hij niet zeggen. 'Deze opvatting,' zo schreef hij, 'mag misschien vreemd lijken en wellicht geen geloof vinden bij hen die volhouden dat er geen dieren kunnen worden verwekt zonder copulatie tussen een mannetje en een vrouwtje.'

De details van de voorplanting van het cochenille-insect bleven tot de negentiende eeuw voor de meeste Europeanen een raadsel, evenals trouwens de vraag hoe het cochenille-insect zich tot de rest van het dierenrijk verhield. In de negentiende eeuw bleef een aantal natuuronderzoekers volhouden dat cochenille eigenlijk 'hetzelfde is als het diertje dat wij het lieveheersbeestje noemen'. Er werd ook verhit gedebatteerd over de precieze relatie tussen gedomesticeerde cochenille en wilde varianten. Pas in 1903 kreeg de gedomesticeerde soort de wetenschappelijke naam die ze tegenwoordig heeft: Dactylopius coccus.

Hoewel met de publicatie van de Natuerlyke historie de controverse rond cochenille niet in alle opzichten was opgelost, leverde De Ruusscher een indrukwekkende prestatie: met zijn boek verdween de misvatting dat cochenille plantaardig van oorsprong zou zijn definitief van het toneel. De voor het gerechtshof afgelegde getuigenissen uit Oaxaca, plus de uitleg van De Ruusscher, maakten eens en voor altijd duidelijk dat cochenille van dierlijke herkomst was. Na de Natuerlyke historie betoogden geleerden in Europa niet langer dat cochenille uit zaadjes bestond.

'Het is misschien de eerste keer,' schreef de grote Franse geleerde Réaumur in 1738, 'dat een besluit over een biologische kwestie wordt geveld door een rechtbank.'

Het Volmaakte Rood
titlepage.xhtml
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_000.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_001.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_002.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_003.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_004.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_005.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_006.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_007.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_008.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_009.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_010.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_011.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_012.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_013.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_014.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_015.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_016.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_017.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_018.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_019.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_020.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_021.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_022.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_023.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_024.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_025.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_026.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_027.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_028.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_029.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_030.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_031.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_032.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_033.htm