DERTIEN

Spion in Oaxaca

Door de weddenschap van De Ruusscher begreep heel Europa nu waar cochenille vandaan kwam, maar het cochenille-insect zelf bleef een raadsel. Meer dan eeuw lang hadden ontdekkingsreizigers uit Frankrijk, Groot-Brittannië en de Nederlanden de wereld vergeefs naar de verfstof afgezocht. De 'ongetwijfeld goede hoop' dat er in Virginia cochenille zou worden gevonden, bleek een illusie, en ook in Nieuw-Nederland en Nieuw-Frankrijk werd zonder succes gezocht. In 1714 concludeerde een Engelsman somber: 'Cochenille is alleen in Mexico te vinden.'

Er werden evenmin echte vervangers voor cochenille gevonden, ondanks enthousiaste berichten van het tegendeel. Sir Walter Raleigh was een van de eersten die grote verwachtingen wekten. Hij beweerde in de jaren negentig van de zestiende eeuw in tropisch Guyana 'verschillende bessen die prachtig roodbruin en karmijn kleuren' te hebben gevonden. Meer dan een eeuw later kwamen er nog steeds van dergelijke berichten binnen. In de jaren vijftig van de achttiende eeuw verkondigde de Zweedse consul in Tripoli bijvoorbeeld dat hij in Noord-Afrika een kever had ontdekt die 'uitstekende inkt afgeeft in water, nauwelijks minder dan de beste cochenille'. Maar dergelijke verhalen leverden nooit iets reëels op, zeker niet iets wat leek op echt cochenillerood.

Ontmoedigd door dit gebrek aan succes ondernam men in de achttiende eeuw een aantal pogingen om cochenille van de Spanjaarden te stelen met het doel het insect in eigen land te gaan kweken. Sommigen stelden zelfs voor de hele cochenilleteelt naar Europa te verhuizen. Volgens een Italiaanse schrijver was het klimaat in Sicilië geknipt voor cochenille. Maar het ging Venetië en andere Italiaanse steden in economisch opzicht minder goed. Hoewel er nog steeds superieure kleurstoffen werden gemaakt, ontbrak het er aan de wil en de middelen om een dergelijk plan ten uitvoer te brengen. Alleen de Fransen en Britten hadden voldoende macht om met enig succes tegen Spanje te kunnen samenspannen, en voor hen was cochenille uitsluitend een koloniaal product. 'Het zou erg de moeite waard zijn om het op de Amerikaanse eilanden te gaan kweken,' schreef Diderot in 1753 in zijn Encyclopédie. Hij merkte tevens op dat het klimaat op Saint-Domingue, Martinique en andere Franse bezittingen in het Caribisch gebied heel geschikt was voor de kweek van cochenille. De Britten koesterden soortgelijke ideeën wat betreft hun eigen tropische en subtropische koloniën.

Voor deze koloniale mogendheden was cochenille onderdeel van een groter streven naar ontwikkeling van de eigen koloniën. Volgens het conventionele mercantilistische denken dienden de koloniën nuttig en winstgevend gemaakt te worden door er grondstoffen voor het moederland te produceren. Soms waren die inheems in de kolonie; de pijnbomen van New Eng-land leverden bijvoorbeeld uitstekende masten op voor Britse marineschepen. Maar planters en kooplieden hielpen de natuur een handje door lucratieve nieuwe gewassen in de koloniën in te voeren. Een aantal zeventiende-eeuwse Engelse avonturiers was bijvoorbeeld van plan om allerlei gewassen uit Europa en het Midden-Oosten in Virginia te planten, waaronder 'sinaasappels, citroenen, amandelen, anijszaad, rijst, komijn, katoen, karwijzaad, gember [en] grote hoeveelheden suikerriet, waarvoor het klimaat en de bodem ten zeerste geschikt zijn'.

Het klimaat van Virginia was er helemaal niet zo geschikt voor, maar koloniën op warmere plekken boden de koloniale dromers wel voldoende gelegenheid om hun grootse plannen in praktijk te brengen. Tegen de achttiende eeuw waren Jamaica en Barbados de krenten in de Britse pap. De eilanden leverden jaarlijks enorme hoeveelheden suiker op en daarnaast nog indigo, gember en katoen. De grootste triomf viel echter de Fransen te beurt: hun koloniën in het Caribisch gebied produceerden naast uitstekende indigo, cacao en koffie ook gigantische hoeveelheden van de goedkoopste suiker ter wereld. Omdat dit hun niet voldoende was, verschaften ze zich in het geheim ook kaneel, peper en andere kruidenplanten uit het Verre Oosten, die ze overal ter wereld in Franse koloniën invoerden.

Voor de Engelse en Franse kolonisten leken de mogelijkheden onbegrensd. Ze veranderden de natuur en de wereld naar eigen inzicht. Maar zelfs de meest optimistische kolonist voorzag grote problemen als het ging om de overplanting van cochenille naar een ander gebied. Hoewel de meeste Europese landen tegen 1600 het favoriete voedsel van het insect hadden weten te bemachtigen (opuntia's waren te bezichtigen in botanische tuinen in Italië, Duitsland, de Nederlanden en Engeland, en groeiden in Spanje in het wild), was het cochenille-insect zelf veel lastiger over te plaatsen.

Zelfs de bekendste botanist ter wereld, Carolus Linnaeus, slaagde er niet in levende cochenilleschildluizen te pakken te krijgen. Linnaeus, befaamd om zijn binominale classificatie naar geslacht en soort, die we tegenwoordig nog steeds gebruiken, was tevens een fervent voorstander van onafhankelijkheid van zijn geboorteland, Zweden. Het stoorde hem erg dat zijn landgenoten hun met moeite verdiende zilvergeld uitgaven aan cochenille, thee, tabak en andere buitenlandse producten. Hij vond dat ze kleurstof moesten maken van inheemse planten, Zweedse berendruif moesten roken in plaats van tabak, en thee moesten drinken van de Linnea borealis, een altijdgroen gewas dat Linnaeus in het noorden had ontdekt. Maar de Zweden zagen weinig in deze vervangers (zelfs Linnaeus' eigen zoon gaf toe dat hij de Zweedse groene thee 'behoorlijk walgelijk' vond). Volgens Linnaeus was er dus maar één alternatief: de Zweden moesten in eigen tuin en kas tropische gewassen gaan verbouwen. Hij stuurde zijn studenten de wereld in met instructies om botanische schatten als cochenille voor hun land op te sporen.

Maar hoewel Linnaeus heel wat leerlingen had, slaagde slechts één van hen erin cochenille te vinden. In 1755 ontdekte Daniël Rolander een waarschijnlijk wilde variant van het insect in de Nederlandse kolonie Suriname. Hij maakte een soort terrarium in een glazen stolp, waar hij een cactus vol schildluizen in bewaarde, en dankzij de uitzonderlijke zorg die hij aan de insecten besteedde, overleefden de meeste de reis terug naar het Zweden. Hij stuurde de cactus naar Linnaeus' kas, maar de grote botanist was zelf niet aanwezig. Een van de tuinmannen van Linnaeus ontfermde zich erover, maar in de mening dat het een smerig, van ongedierte vergeven exemplaar was besloot hij het meteen goed schoon te maken.

Toen de tuinman zorgvuldig ieder schildluisje van de cactus had verwijderd en gedood, verscheen Linnaeus. Hij besefte de ramp meteen en was wanhopig. Volgens eigen zeggen kreeg hij 'een verschrikkelijke migraineaanval' toen hij zo alle hoop vervlogen zag. 'Ik wil nooit meer een woord over "coccionella" zeggen, er nooit meer aan denken of aan herinnerd worden,' schreef hij later aan een collega. Daniël Rolander verging het nog slechter; de reis naar Suriname kostte hem zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid. Hij raaskalde tegen iedereen dat hij 'aan een Surinaamse struik parels had ontdekt die levenselixer bevatten'. Hij werd nooit meer de oude en stierflater als bedelaar.

Was het mogelijk om cochenille in het land van herkomst te bemachtigen en levend met de buit terug te keren? Het lot van Rolander leek op het tegendeel te wijzen en er bestond dan ook weinig animo om in zijn voetsporen te treden. Hoe gefascineerd de Europeanen ook waren door cochenille, slechts weinigen waren desperaat genoeg om hun leven ervoor te wagen.

Behalve Rolander lijken alleen de Fransen serieus geprobeerd te hebben tijdens deze periode de hand te leggen op cochenille. Hun expeditie vond een generatie eerder plaats dan Rolanders reis, en werd waarschijnlijk op touw gezet op initiatief van Réaumur, die de koning aan het begin van de achttiende eeuw had voorgesteld een geheime expeditie te organiseren om het cochenille-insect in Mexico te bemachtigen. Volgens De Ruusschers informanten in Oaxaca slaagden Franse spionnen erin de juiste soort cochenille te bemachtigen, maar tot frustratie van de Fransen en opluchting van de Oaxacanen stierven de insecten voordat ze Martinique bereikten. Na deze ramp maakte de Franse Kroon geen plannen meer om cochenille te bemachtigen en richtte men zich liever op minder gevaarlijke en kansrijker ondernemingen.

Pas in de jaren zeventig van de achttiende eeuw werd de oude cochenilledroom in Frankrijk weer nieuw leven ingeblazen door Nicolas-Joseph Thiery de Menonville, die in 1739 werd geboren in een Lotharingse familie van advocaten en rechters. Hij werd gedwongen om volgens de familietraditie rechten te studeren, maar vluchtte na zijn afstuderen naar Parijs om zich aan zijn grote passie te wijden: de natuurlijke historie. Onder leiding van een van de gebroeders Jussieu, de eminente Franse botanisten van zijn tijd, bestudeerde hij de natuur. Hij bleek talent voor botanie te hebben en oogstte veel lof van zijn leraren.

Maar lof was voor Thiery niet genoeg. Hij was gepassioneerd, vaderlandslievend, niet weinig ijdel, en hoopte voor Frankrijk - en voor zichzelf - grote daden te verrichten. Zijn ambitie werd ongetwijfeld aangewakkerd door het besef dat het Franse koloniale streven zich op een dieptepunt bevond. Frankrijk werd vernederd door Groot-Brittannië tijdens de Zevenjarige Oorlog (door Brits-Amerikaanse kolonisten de 'Franse en Indiaanse Oorlog' genoemd) en verloor veel koloniale bezittingen. Met het vredesverdrag dat in 1763 werd getekend, raakte het een groot deel van zijn bezittingen in Noord-Amerika en India kwijt. Sindsdien waren de Fransen doordrongen van de noodzaak om het onderste uit de kan te halen in de paar koloniën die hun nog restten.

In de jaren zestig en zeventig van de achttiende eeuw, toen Thiery in Parijs botanie studeerde, wijdden Franse geleerden en regeringsvertegenwoordigers zich met hernieuwde energie aan plannen voor de koloniën. De Franse marine voerde in naam van de koning een ongeëvenaard aantal reizen uit en kreeg opdracht om in het geheim naar zeldzame planten te zoeken die verbouwd konden worden in de verspreide Franse bezittingen in het Caribisch gebied, de Indische Oceaan en Afrika. De Franse avonturiers slaagden vaak met veel durf en flair in hun opdrachten, tot vreugde van Fransen overal ter wereld.

Hoewel Thiery vertrouwder was met de salons en boekenstalletjes van Parijs dan met zeereizen en internationale spionage, spraken de gedurfde expedities hem zeer aan. Als moedig man had hij al snel zijn zinnen op een eigen opdracht gezet. Aanvankelijk was het doel daarvan hem nog niet duidelijk, tot hij in een boek van de geleerde Abbé Raynal over cochenille las. 'De altijd dure cochenille,' schreef Raynal, 'zou belangstelling moeten wekken bij de naties die de Amerikaanse eilanden cultiveren.'

Geïntrigeerd deed Thiery verder onderzoek. Zelfs een leek moet het zijn opgevallen hoe belangrijk de verfstof was voor de Franse textielindustrie, laat staan iemand met zijn belangstelling. De garderobes van adellijke Parijzenaars, mannen en vrouwen, hingen vol kleding gemaakt van zijden en wollen stoffen die met cochenille waren geverfd (afb. 12). De tapijten van de Gobelins-fabriek, die in heel Europa de muren van aristocratische huizen sierden, waren beroemd om hun cocheniller-ood. Zelfs de kardinalen van Frankrijk getuigden in scharlaken pracht van het belang van de verfstof. Als het Thiery zou lukken de cochenille naar een Franse kolonie over te planten, zou hij Frankrijk niet alleen bevrijden van de vernederende afhankelijkheid van Spanje voor rode verfstoffen van topkwaliteit, maar zou dat ook een grote stimulans voor de Franse industrie en de Franse koloniën betekenen.

Het was Thiery duidelijk welke levenstaak hij voor zich had: hij moest cochenille zien te bemachtigen voor zijn geliefde vaderland. Hij liet zich niet ontmoedigen door de gedachte dat dit streven hem wel eens zijn leven of verstand zou kunnen kosten. Het lijkt Thiery, die een groot gevoel voor drama had, juist te hebben aangesproken dat hij zijn leven in de waagschaal stelde. Hij was doof voor familie en vrienden die probeerden hem de waanzinnige onderneming uit het hoofd te praten. Thiery was ijdel en soms arrogant, maar vooral erg koppig: als hij zich eenmaal voor een zaak inzette, ging hij door tot het bittere einde. Uiteindelijk gaven zijn familieleden het op en beloofden ze de reis mede te bekostigen.

Maar Thiery had meer geld nodig en klopte daarom bij de Franse overheid aan. Hij wierp al zijn charmes in de strijd, vertelde de Franse marine wat hij van plan was en vroeg officiële steun van de Kroon, inclusief een stipendium. Na enig delibereren besloot de marine Thiery's plannen heimelijk te steunen omdat de natie er veel voordeel uit kon trekken. Ze beloofden hem zesduizend livre onkostenvergoeding bij aankomst op Saint-Domingue, het Caribische eiland waar hij zijn expeditie zou beginnen, en de plek waar hij de eerste Franse cochenilleplantage zou stichten als hij slaagde.

De kolonie Saint-Domingue, die later Haïti genoemd zou worden, bestond uit het oostelijke derde deel van het veel geplaagde eiland Hispaniola, dat door de eerste conquistadores nog met het paradijs was vergeleken. Maar het eiland had enorm te lijden gehad van geweld, hebzucht en ziekten, en de conquistadores waren verder getrokken. Rond 1600 was Hispaniola een achtergebleven kolonie en Franse boekaniers ontmoetten weinig weerstand toen ze zich aan de geïsoleerde oostelijke kust vestigden. In 1697 droeg Spanje het bezette deel van het eiland officieel aan Frankrijk over. Saint-Domingue was toen nog weinig meer dan oerwoud, maar onder Frans bestuur werd de kolonie een schoolvoorbeeld van wat er met een ambitieuze overplantingscampagne te bereiken was. De Franse kolonisten plantten suiker, koffie, indigo, cacao en katoen in de rijke, donkere aarde, en importeerden duizenden Afrikaanse slaven om de nieuwe gewassen te verzorgen. In de herfst van 1776, toen Thiery zevenendertig jaar oud was, voer hij naar Saint-Domingue, op dat moment de rijkste kolonie van West-Indië. Natuurlijk was de rijkdom ongelijk verdeeld, want 90 procent van de half miljoen bewoners was slaaf.

De rijke blanke planters van Saint-Domingue leidden een bijzonder luxueus leven. Indolentie en genotzucht waren aan de orde van de dag. 'Het is in overeenstemming met de waardigheid van een rijk man,' schreef een bewoner, 'om vier keer zoveel slaven te bezitten als hij nodig heeft.' Maar hoe decadent Saint-Domingue ook was, bezoekers uit Europa vonden het een provinciaals gat. De steden werd regelmatig geteisterd door branden en aardbevingen, en hoewel er enkele imposante huizen boven het puin uitstaken, bestonden ze verder bijna geheel uit modderige, onverharde straten en krakkemikkige houten optrekjes van een verdieping hoog. Volgens Thiery, die net uit Parijs kwam, was Port-au-Prince, de hoofdstad van Saint-Domingue, 'niets meer dan een verzameling vissershutten'.

Hoe onprettig het er ook was, Thiery vond al snel een onderkomen waar hij kon uitrusten na de 'vervelende en vermoeiende zeereis' en kon nadenken over het volgende deel van zijn expeditie. Hoe kon hij tot Nieuw-Spanje doordringen? Dit was een probleem. Na 1700 was de door inteelt geplaagde Habs-burgse lijn uitgestorven en was de Spaanse kroon overgegaan op een mindere tak van de Franse Bourbons. Hoewel Frankrijk nu veel invloed had aan het Spaanse hof, was Spanje onafhankelijk gebleven en was het Spaanse beleid jegens buitenlanders in de Amerikaanse koloniën in feite onveranderd.12 Fransen als Thiery mochten alleen naar Nieuw-Spanje reizen met een officieel paspoort van de Spaanse autoriteiten en daar was heel moeilijk aan te komen. Maar ook met een paspoort mocht er maar beperkt worden gereisd en werd men voortdurend in de gaten gehouden.

Aanvankelijk hoopte Thiery stiekem de grens over te steken tussen Saint-Domingue en Hispaniola, de Spaanse kolonie waaruit de rest van het eiland bestond, om van daaruit te proberen naar Mexico over te steken. Het was geen fantastisch plan, vooral niet omdat Thiery nauwelijks Spaans sprak. Gelukkig deden zich al snel andere methoden voor om naar Nieuw-Spanje te reizen. 'Ik weifelde nog steeds over de verstandigste koers, toen er [...] aan alle twijfel een einde kwam,' schreef Thiery later in een verslag van zijn avonturen. 'Ik vernam dat een koopman uit Port-au-Prince op het punt stond een brigantijn naar Havana te sturen om een schip op te halen dat daar in de buurt schipbreuk had geleden.' De Spaanse autoriteiten maakten duidelijk dat de brigantijn alleen de haven binnen mocht om het beschadigde schip op te halen en dat de passagiers niet van boord konden. Hoewel Thiery er dus weinig mee zou opschieten, rook hij een kans. Hij nam meteen contact op met de Franse koloniale autoriteiten en vroeg het beloofde geld. Saint-Domingue had gebrek aan liquide middelen en kon hem slechts vierduizend livre geven in plaats van zesduizend, maar dit bedrag volstond.

De brigantijn Dauphin vertrok op 21 januari 1777 met Thiery aan boord naar Havana. In Thiery's bagage zaten 'een aantal fiolen, flesjes, dozen en kisten in alle soorten en maten' en een Frans paspoort waarin hij als arts en botanist werd omschreven. De betiteling 'arts' was overdreven. Hoewel Thiery een diploma in de geneeskunst had, was hij als dokter onervaren. Maar de vermelding in zijn papieren bleek cruciaal voor zijn plannen. Toen de Dauphin twee weken later voor de kust van Havana voor anker ging, werd Thiery plotseling ernstig ziek -dat beweerde hij althans. Hij schreef aan de gouverneur van Cuba dat hij als arts ook wist wat hem scheelde: hij had 'scheepskoorts', die alleen kon genezen als hij aan land werd gebracht. De gouverneur was onder de indruk van Thiery's optreden, zijn medische kennis en de schijnbare ernst van de kwaal, en gaf hem toestemming om de stad binnen te gaan.

De elite van Havana was al snel onder de indruk van de jonge Fransman, die zo zwak en zo rad van tong was en zo'n dramatische indruk maakte. Tegen de tijd dat Thiery helemaal was genezen, was hij de lieveling van de society van Havana. Hij dineerde bij aristocraten en ging naar de opera. En hij deed zijn best om Spaans te leren.

Een paar weken lang cultiveerde hij het contact met zijn nieuwe vrienden. Toen besloot hij dat het tijd werd om er discreet op te zinspelen dat hij Nieuw-Spanje wilde bezoeken. Om achterdocht te vermijden speelde hij de Fransman: 'Ik deed alsof ik vanwege mijn lange verblijf in Havana en de beperkte ruimte die mij als botanist werd toegekend, volledig in de put zat en alsof ik leed aan ennui, veroorzaakt door de onbetrouwbare en grillige aard van mijn karakter, zoals vaak, zonder veel recht, aan de Fransen wordt toegeschreven.' De strategie werkte perfect. Bezorgd om hun metgezel en wellicht geamuseerd door zijn vreemde gedrag bezorgden Thiery's vrienden hem een paspoort waarmee hij van Havana naar Veracruz mocht reizen.

Veracruz, de grootste haven van Nieuw-Spanje, was de gouden trechter waardoor de rijkdommen van Mexico naar Europa stroomden. Maar ondanks alle pakhuizen vol schitterende waren bleef de stad een koloniale buitenpost. Er was geen rijk cultureel leven, zoals in Havana, zo ontdekte Thiery al snel.

Hoewel hij er na aankomst, eind maart, door veel inwoners warm werd ontvangen, was de gouverneur van de stad, don Fernan Palacio, minder gastvrij. Volgens Thiery was hij onbeleefd en 'keek hij zuur'. Hoewel hij de Fransman toestemming gaf om in de stad te verblijven en planten uit de buurt te onderzoeken, nam hij zijn paspoort in en weigerde hij dit terug te geven. Vervolgens gaf hij zijn soldaten opdracht om hem goed in de gaten te houden.

Thiery was dus gestrand in Veracruz, zonder te weten waar of hoe hij cochenille moest bemachtigen - maar hij was wijs genoeg om daar zijn mond over te houden. Om don Fernan minder achterdochtig te maken veinsde hij volledig op te gaan in de plaatselijke flora. 'Of ik nu op het veld was of in de stad, ik had altijd plantjes in mijn hand,' schreef hij, 'en was ofwel bezig ze door een vergrootglas te bestuderen, ofwel ze met de grootste omzichtigheid te determineren.'

Hoewel de plantenstudie slechts een dekmantel was, kwam er een fortuinlijke ontdekking uit voort. De inwoners van Veracruz hadden jarenlang de wortel van de jalappeplant, die verwant is aan dagschone en een sterk purgerende werking heeft, tegen hoge kosten geïmporteerd uit de stad Jalapa, op tachtig kilometer van Veracruz. Thiery liet hun, tot opluchting van hun ingewanden en hun portemonnee, zien dat er ook plaatselijk jalappewortels te vinden waren. 'Door deze ontdekking werd ik een bekendheid in de stad,' schreef Thiery. 'Men beschouwde mij als een uitzonderlijk personage.'

Nog genietend van zijn lokale roem bezocht Thiery het huis van twee plaatselijke kooplieden, die hij verschillende soorten cochenille met elkaar hoorde vergelijken. Ze waren het erover eens dat de beste soort uit Oaxaca-Stad kwam, bijna driehonderd mijl ten zuidwesten van Veracruz. Thiery begon manieren te bedenken om ernaartoe te mogen reizen. Hoewel hij angstvallig vermeed Oaxaca als reisdoel te noemen, wekten zijn pogingen om een paspoort te krijgen om door het Mexicaanse binnenland te reizen de achterdocht van don Fernan. De don waarschuwde de onderkoning van Nieuw-Spanje, de hoogste vertegenwoordiger van de Kroon in de kolonie, die Thiery beval Mexico met het eerstvolgende schip te verlaten. Dit zou ongeveer drie weken later uit Veracruz vertrekken.

Thiery zorgde ervoor zich niet meer dan oppervlakkig verslagen te tonen toen hem het bevel van de onderkoning werd voorgelezen, maar naderhand in zijn onderkomen werd hij door wanhoop overmand. 'Je hebt gefaald in een onderneming die je bent aangegaan tegen het advies van je vader, vrienden en anderen in, een onderneming waarvoor je vier jaar lang niets dan paniek, chagrijn, zelfkastijding, harde arbeid en alle mogelijke gevaren hebt ondergaan,' verweet hij zichzelf. Hoe kon hij de Franse marine met lege handen onder ogen komen? En zijn eigen familie? Vol afschuw stelde hij zich zijn thuiskomst voor. 'Niets dan schande, vernederingen, hoon en minachting staan je te wachten,' zei hij tegen zichzelf. De tegenslag inspireerde hem tot nieuwe daden: in de drie weken die hem nog restten, zou hij proberen in het geheim naar Oaxaca te reizen, de cochenille te bemachtigen en ongemerkt terug te keren naar Veracruz.

Het was een waanzinnig plan, dat wist Thiery zelf ook. De belemmeringen waren zo goed als onoverkomelijk. Hij moest in minder dan drie weken zonder paspoort of landkaart zeshonderd mijl reizen. Bovendien sprak hij nog steeds slechts 'pover Spaans' en kende hij niet één woord van de inheemse talen uit de streek. Als hij gevangen werd genomen, zou hij als spion worden terechtgesteld.

Maar dit lot leek Thiery beter dan het alternatief. 'Zonder succes terugkeren,' schreef hij, 'was vreselijker dan de dood zelf.' Snel begon hij plannen te maken voor de reis. Om de Spanjaarden op een dwaalspoor te brengen zei hij dat hij zijn laatste drie weken zou doorbrengen bij dona de Boutilloz, een weduwe die in Medellin de Bravo woonde, een dorpje een paar kilometer ten zuiden van Veracruz. Omdat de dame in kwestie in aanzien stond en eerder blijk had gegeven van grote genegenheid jegens Thiery, werd er geen bezwaar gemaakt. In de hoop dat er geen nadere inlichtingen werden ingewonnen, klom Thiery 's nachts over de stadsmuur en begon hij, nog voor zonsopgang, aan de voettocht naar Oaxaca. Om niet te veel te hoeven dragen had hij slechts een paar bezittingen bij zich: geld, een tas en een rozenkrans. Als vermomming droeg hij het haarnet en de breedgerande hoed die in de mode waren onder Spaanse heren. Hij dacht onderweg wel voedsel en water te zullen vinden.

In de daaropvolgende dagen maakte Thiery zo veel mogelijk kilometers. Hij stak rivieren over, ploeterde door bossen en liep in de volle zon over verschroeide vlakten, 's Nachts sliep hij in herdershutten of een kleine herberg. Ter verklaring van zijn armzalige Spaans deed hij alsof hij een Catalaanse arts was, afkomstig uit de grensstreek met Frankrijk, een verklaring waarmee iedereen tevreden leek. Toen hij bij een klooster op zo'n vijftig mijl van Veracruz de weg vroeg, vertelde hij de onderprior dat hij een reizende arts was, op pelgrimsreis naar de kerk van Nuestra Senora de la Soledad in Oaxaca-Stad. Dit verhaal, in combinatie met de vrome indruk die Thiery maakte en de genereuze donatie van aalmoezen, werkte prima. De onderprior gaf Thiery bij het afscheid gedetailleerde inlichtingen - 'aanwijzingen die mijl voor mijl, dorp voor dorp, zo gedetailleerd waren,'juichte Thiery, 'dat een generaal met een leger op mars erop had kunnen vertrouwen.'

Thiery had al een Mexicaanse gids en een paard ingehuurd en vorderde nu snel in de richting van Oaxaca. Hij liet zich niet tegenhouden door het verschrikkelijke weer of de vampiervleermuizen die zijn paard aanvielen, maar bleek wel vatbaar voor het vooruitzicht van een liefdesavontuur. Terwijl hij op een morgen in een indiaanse woning eieren met brood zat te eten, trof hem 'de volkmaakte schoonheid van de meesteres des huizes', die 'niets anders aanhad dan een met stroken afgezette mousselinen onderrok met een roze koord en een hemd dat de schouders bloot liet'. Onder de indruk van haar charmes haalde Thiery een gouden munt te voorschijn om haar gunsten te kopen, maar bedacht toen in welke gevaarlijke situatie hij zich bevond: 'Jezelf zo verliezen in een vreemd land, zonder vrienden, zonder steun, omringd door talloze gevaren? Toegeven aan wellustige gevoelens? Scheer je weg, dwaas!' Zuchtend liet hij de verleiding achter zich en ging weer op pad.

Thiery werd beloond toen hij een paar dagen later het stadje Gallatidan bereikte, want hier trof hij voor het eerst cochenille aan. Hij zag een tuin met nopalcactussen, hield stil, deed alsof hij iets verstelde aan zijn stijgbeugel en knoopte een gesprek aan met de indiaanse eigenaar van de tuin. Toen de indiaan zei dat hij cochenille teelde, deed Thiery alsof hij verbaasd was, 'maar mijn verbazing was echt toen hij me er wat van liet zien, want in plaats van het rode insect dat ik had verwacht, kwam hij met een met wit poeder bedekt beestje aanzetten'. Thiery dacht dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan. Was dit poederige insectje werkelijk de grondstof voor de kleurstof die hij zo begeerde? Ten slotte kwam hij op het idee om het insect op een stukje papier stuk te knijpen. Toen hierop een purperrode vlek verscheen, was hij 'dronken van geluk en verbazing'. Hij was er nu zeker van dat hij zich op het juiste spoor bevond. Hij wierp de indiaan een paar munten toe, besteeg zijn paard en galoppeerde weg.

Kort daarop bereikte Thiery - weer alleen en te voet - de buitenwijken van Oaxaca-Stad, waar hij een kamer nam in een miserabele herberg. In de vuile, volle keuken zag hij honden, bedienden, kinderen, een lepralijder en 'acht katten die de borden aflikten'. Hij besloot ergens anders te gaan eten. Maar hoewel hij zijn onderkomen weinig bevredigend vond, was hij opgetogen over de ligging en het klimaat van Oaxaca. Het leek 'eeuwig lente' in deze stad. Nog verheugder was hij over de no-palplantages rondom Oaxaca, die rijk waren aan cochenille. Maar hoe kreeg hij een voorraad nopal en cochenille mee zonder achterdocht te wekken?

Onvervaard schafte Thierry zich bij plaatselijke ambachtslieden manden aan. Hij raakte bevriend met een aantal inwoners en ontdekte al snel een cochenillekwekerij, waar hij cactussen aantrof 'zo afgeladen met cochenille, dat er niet één schijf van de nopal verwijderd kon worden zonder duizenden insecten te verpletteren'. Na alles eerst goed te hebben voorbereid ging Thiery om drie uur 's morgens stiekem naar de cochenillekwekerij, vergezeld door twee inheemse bedienden uit de herberg. Hij zei de bedienden buiten voor de poort te wachten, liep de kwekerij binnen en wekte de bejaarde zwarte boer die er de eigenaar van was. Hij stelde zich voor als arts die bezig was een gecompliceerd geval van jicht te behandelen, zei dat hij no-palbladeren en cochenille nodig had om zijn patiënt te genezen en bood hem een goede prijs.

De boer zei dat hij mocht pakken wat hij nodig had. Thiery verzamelde 'de acht mooiste takken, van elk zestig centimeter lang, zeven of acht bladeren in lengte, maar zo vol cochenilleluizen dat ze er helemaal wit van zagen'. Nadat hij ze in zijn manden had gedaan, betaalde hij de boer een gulle som in goud. Hij sleepte de manden vervolgens naar buiten, naar de bedienden, en ze vertrokken 'als de bliksem'.

'Ik had het gevoel dat ik het Gulden Vlies had bemachtigd en dat de woedende draak die het bewaakte me dicht op de hielen zat,' schreef hij later. Hij was vastbesloten met zijn buit te ontsnappen. De bedienden kregen een flinke beloning, nadat hij hun op het hart had gedrukt de zaak geheim te houden. Vervolgens vulde hij de overige manden met andere planten, zette ze in acht grote houten kisten die hij eerder in Oaxaca had gekocht en ging op weg naar Veracruz.

Hoewel de terugreis vol gevaren was en hij bijna gesnapt werd door plaatselijke beambten, wist hij de havenstad heelhuids te bereiken. Hij slaagde er zelfs in nog meer nopalblade-ren vol cochenille te bemachtigen voor in zijn kisten. Hij pakte de nopal in handdoeken en zo overleefden de cochenilleluizen de reis. Na twintig lange dagen kwam Thiery aan op de plek waar hij zijn reis was begonnen, in zijn onderkomen in Veracruz.

Ongelofelijk genoeg verbaasden de inwoners van Veracruz zich niet over zijn verdwijning en plotselinge terugkomst met al zijn houten kisten. Het verhaal dat Thiery had verteld voordat hij vertrok, werd volledig geloofd. Vriend en vijand meende dat hij de hele tijd in Medellin de Bravo bij dona de Boutilloz was geweest, daar de baden had bezocht en planten had verzameld. Er wachtte echter nog één beproeving. Voordat Thiery aan boord van het schip kon gaan dat hem naar Havana en vervolgens naar Saint-Domingue zou brengen, moesten zijn kisten en manden door plaatselijke douanebeambten worden geïnspecteerd, wat hij 'met enige vrees' tegemoet zag.

Op de dag van vertrek verscheen Thiery bij zonsopgang in de haven. 'Ik had erop gerekend dat luiaards op dit uur nog lagen te slapen, dat de soldaten en officieren, moe van hun nachtdienst, in diepe rust in hun hangmat lagen,' schreef hij. Maar als Thiery gehoopt had ongemerkt te kunnen ontsnappen, had hij het mis. Zijn plantenverzameling was zo omvangrijk dat hij twintig dragers had moeten inhuren, en deze stoet was niet onopgemerkt gebleven. Een poosje nadat ze de haven hadden bereikt, 'kwamen er soldaten, zeelieden en handelaars aangelopen om de planten te bekijken die de Franse botanist meenam'.

Het spel leek uit, maar Thiery raakte niet in paniek. Hij bood de kisten onmiddellijk, op nonchalance wijze, ter inspectie aan, en deze houding redde hem. 'De officier van de wacht complimenteerde mij met mijn onderzoek en mijn verzameling kruiden. De beambten keken er met stomme verbazing naar, maar waren toch zo beleefd om geen van de kisten te onderzoeken,' schreef hij later. 'Het hoofd van het kantoor, tevreden over mijn bereidheid om de spullen te laten inspecteren, zei dat ik door mocht.'

Na zich op deze manier door de douane te hebben gebluft had Thiery alleen de thuisreis nog voor de boeg - en die was verschrikkelijk. Hij bracht bijna drie maanden op zee door en zijn schip leed verschillende keren bijna schipbreuk in stormen en zware zeegang. Ondanks zijn grote zorgzaamheid begonnen de cactussen en cochenilleluizen tijdens de ongebruikelijk lange reis te rotten in de vochtige zeelucht.

Tegen de tijd dat Thiery op 4 september 1777 Saint-Domin-gue bereikte, was een groot deel van de cochenilleluizen dood. Maar er waren er nog genoeg in leven om hem te verzekeren van een heldenontvangst door de bevolking van Port-au-Prince. 'De gouverneur verwelkomde mij allervriendelijkst en allerhoffelijkst,' schreef Thiery. 'Hij gaf opdracht om mij de verschuldigde tweeduizend livres te laten uitbetalen [...] en bezorgde mij een aanstelling in zijn bestuur, met een salaris van duizend kronen per jaar.'

Thiery werkte hard om dit salaris te verdienen. Nadat hij van zijn Mexicaanse odyssee was hersteld, zette hij een koninklijke tuin op bij het paleis van de gouverneur-generaal in Port-au-Prince. Daar vertroetelde hij de nopalcactussen en de cochenille die hij uit Mexico had meegebracht, in de hoop deze te vermenigvuldigen en te verdelen onder de planters van Saint-Domingue. Dit bleek lastiger dan Thiery had verwacht, want in de zware regens in Haïti spoelde de cochenille van de cactussen en rotten de cactussen zelf weg. Bovendien waren er heel wat dieren, zoals vraatzuchtige mieren, die het op de schildluisjes hadden voorzien. Nog erger was dat Thiery op een gegeven moment ontdekte dat er op Saint-Domingue al een wilde cochenillesoort bestond, die overigens net zomin als de andere wilde soorten commerciële waarde had. Alleen door continue waakzaamheid kon hij voorkomen dat de wilde soorten zich vermengden met de schildluizen uit Oaxaca die hij met zo veel moeite had bemachtigd.

Door dit saaie werk werd Thiery's karakter zwaar op de proef gesteld - zwaarder dan toen hij in levensgevaar was. Hoewel hij zeer was ingenomen met zijn titel botaniste du roi, wilde het met de cochenille slecht lukken. De voorraad schildluisjes nam ondanks al zijn moeite maar heel langzaam toe. 'Mijn verblijf in deze kolonie wordt met de dag kwellender,' schreef hij.

'Naast het harde werken doen zich telkens weer nieuwe problemen voor.'

Thiery's gezondheid en gemoed hadden te lijden onder de dagelijkse sleur. Hij werd in Port-au-Prince berucht om zijn lastige karakter en gewelddadige uitbarstingen. Vooral de suggestie dat hij de cochenille van Spanje had gestolen, wekte zijn woede. Hoewel Thiery ongetwijfeld een 'biopiraat' was, zoals we tegenwoordig misschien zouden zeggen, hield hij vol dat hij rechtvaardig had gehandeld tegenover de mensen in Mexico. Hij had niets gestolen, zei hij, want voor iedere cactustak en schildluis die hij had meegenomen, had hij de boeren in Oaxaca gul betaald. Hij reageerde daarom zeer verontwaardigd als Spanjaarden en andere vijanden hem een dief noemden.

Niet alleen de Spanjaarden, maar ook de zwarte slaven in Saint-Domingue waren het voorwerp van Thiery's bittere woede. Tegenover indianen was hij arrogant, maar over mensen van Afrikaanse afkomst sprak hij met venijn; hij noemde hen 'het meest perfide volk' dat er bestond. Het is niet bekend of hij in zijn cochenilletuin met zwarte slaven werkte, maar in dat geval zal hij hen zeker hebben belasterd en onderschat, want hij was er vast van overtuigd dat Afrikanen en hun afstammelingen van nature lui, vulgair en onwetend waren. Een dergelijke houding was gemeengoed onder de Franse bovenlaag op Saint-Domingue en vormde mede de aanleiding tot de opstand van de zwarte bevolking in 1791, een van de bloedigste slavenopstanden in de geschiedenis. Na dertien jaar strijd wonnen de zwarten en werden ze onafhankelijk van Frankrijk. Ze noemden hun nieuwe natie 'Haïti', een afloop die slaveneigenaren overal ter wereld de stuipen op het lijf joeg.

Tegen de tijd dat deze revolutie zich voltrok, was Thiery niet meer in leven. In 1780, voordat zijn geploeter in de koninklijke tuin van Saint-Domingue iets had kunnen opleveren, kreeg hij een 'maligne koorts' en stierf hij in Port-au-Prince. Zijn opvolgers probeerden zijn werk dapper voort te zetten, maar het ontbrak hun aan Thiery's kennis en inzet, en al snel gingen er steeds meer insecten dood. Binnen korte tijd veranderde Thiery's tuin in een woestenij en was er geen spoor meer te bekennen van de cochenille die hem meer waard was geweest dan zijn eigen leven.

Het Volmaakte Rood
titlepage.xhtml
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_000.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_001.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_002.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_003.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_004.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_005.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_006.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_007.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_008.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_009.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_010.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_011.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_012.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_013.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_014.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_015.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_016.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_017.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_018.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_019.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_020.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_021.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_022.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_023.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_024.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_025.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_026.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_027.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_028.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_029.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_030.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_031.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_032.htm
NEW_Amy_Butler_Greenfield_-_Het_volmaakte_rood_split_033.htm