EEN
Zestig kilometer ten westen van Florence, in een vruchtbaar dal niet ver van de Middellandse Zee, ligt het serene, zonovergoten stadje Lucca. Hoewel bekend in de regio vanwege de handel in olijfolie, meel en wijn, is het moderne Lucca weinig meer dan een provinciaal marktcentrum. Toch getuigen de prachtige piazza's, de romaanse kerken en middeleeuwse torens van een roemrijk verleden. Achthonderd jaar geleden was Lucca een stad met een geduchte reputatie dankzij de glanzende, in edel-steenkleuren geverfde Lucchese zijde die als een van de wonderen van de dertiende eeuw werd beschouwd. Hoewel velen in Europa de stof probeerden na te maken, lukte dat nooit. Alleen de exclusiefste handelshuizen verkochten Lucchese zijde in de vorm van kunstig geweven damast, gladde tafzijde of rijk brokaat, versierd met Franse lelies, griffioenen, draken, pauwen en zelfs hele jachtscènes. Het waren stoffen voor koningen en edelen.
Lucca was gunstig gelegen op een doorgangsroute tussen Rome en Noord-Europa, en kende lang een welvarend en vredig bestaan. Maar net als de meeste Toscaanse steden werd Lucca geplaagd door langdurige familieveten. Een daarvan ontaardde in 1300 in een oorlog, die tevens te maken had met een groter conflict dat in Toscane speelde en waarvoor veel mensen, onder wie Dante, op de vlucht sloegen. Als rijke stad in een roerig gebied had Lucca regelmatig te lijden onder aanvallen van binnenuit en van buitenaf. Het geweld bereikte een hoogtepunt in 1314 toen een groep Lucchese bannelingen zich bij een Pisaans leger aansloot om de stad te plunderen en zijn vijanden te beroven, te verkrachten en te vermoorden.
Veel stoffenververs en zijdewevers vluchtten naar het neutrale Venetië, honderdvijftig kilometer van Lucca vandaan. De Venetiaanse Grote Raad verschafte de vluchtelingen genereuze leningen, maar daar waren uiteraard voorwaarden aan verbonden, want de Venetianen hadden vanuit hun moerassige archipel geen wereldrijk opgebouwd door hun geld over de balk te smijten. Ze waren uit op het geheim van de Lucchese zijde, en daarom moesten de vluchtelingen hun leningen niet in geld, maar in Lucchese goederen en gereedschappen terugbetalen.
Hoewel de berooide vluchtelingen deze voorwaarden vaak accepteerden, pleegden ze daarmee verraad aan hun stad en riskeerden ze de dood. De rest van hun leven stond er een prijs op hun hoofd, want de Lucchese gilden eisten de dood van inwoners die zich buiten de stad met de zijdehandel bezighielden: mannen werden gewurgd en vrouwen verbrand.
De draconische gildenregels waren een teken des tijds, want in het Europa van de Renaissance waren stoffen een zaak van leven en dood. De textielbranche had ongeveer dezelfde status als de computerindustrie of biotechnologie tegenwoordig. Het was een kapitaalintensieve, zeer concurrerende bedrijfstak met zo veel invloed dat de maatschappij erdoor veranderde. Deze veranderingen begonnen in de Middeleeuwen en kwamen na 1350 in een stroomversnelling. Edelen die de pestepidemie hadden overleefd, beschikten dankzij erfenissen over veel geld, en kleedden zich steeds vaker volgens de laatste mode. Pas rijk geworden kooplieden en rechtsgeleerden volgden graag hun voorbeeld. Ze wilden niet voor elkaar onderdoen in de pracht en uitgebreidheid van hun garderobe, die rijker was dan die van hun grootouders, en hun huizen waren eveneens extrava-ganter ingericht. Ook mensen van lagere afkomst kochten steeds meer stoffen op markten en in winkels, en droegen zo hun steentje bij aan de opkomst van Europa.
Dankzij de textielindustrie ontstonden er nieuwe markten en handelsnetwerken, zoals ook in de specerijenhandel gebeurde, maar daarnaast deden er zich nog andere belangrijke ontwikkelingen voor. Specerijen werden gewoonlijk in het Verre Oosten verbouwd en verwerkt, terwijl stoffen door de Europeanen zelf konden worden geproduceerd. Daarom had de textielindustrie een grotere impact op Europa. Er werden uitvindingen gedaan, zoals nieuwe spinmachines en nieuwe bleekmethoden. De arbeidsmarkt als geheel kreeg een ander aanzien door de textiel. In de vijftiende eeuw verdienden honderdduizenden Europeanen, van nederige schaapherders tot machtige kooplieden, hun brood in deze branche, en waren veel edelen afhankelijk van de rijkdom die erdoor ontstond.
Iedere stap van de textielvervaardiging werd door aparte vaklieden uitgevoerd, zodat er soms een dozijn verschillende mensen aan de productie van één stuk stof werkte. Het leger gespecialiseerde zij de werkers uit Lucca bestond bijvoorbeeld uit haspelaars om de cocons af te winden, twijners om de draad te draaien, ontbasters om de zijde te ontbasten of af te koken, ververs om die te kleuren, en wevers en scheerders om er stof van te weven.
Voor wol - in Europa de meestvoorkomende vezel - waren nog meer specialisten nodig. Nadat de schapen door schaapherders waren grootgebracht en door scheerders waren geschoren, werd de ruwe wol door wassers gereinigd en werden de vezels door kaarders met kaardenplankjes uit elkaar gekamd. De vezels werden door spinners met behulp van spinklos en spin-stok tot draad gesponnen, dat naar de wevers ging, die er stof van maakten. De wollen stoffen moest ten slotte worden gefinisht, een proces waarbij volders de stof behandelden in baden met water en vollers- of bleekaarde, een mineraal dat het absorptievermogen verhoogt. (Vaak werd het mengsel met blote voeten in de stof gestampt, maar welvarende volders hielden hun laarzen aan en gebruikten hamers en een molenrad.) De doornatte stof werd vervolgens op een houten geraamte gehangen, het zogenoemde spanraam, waarop hij met spanhaken werd vastgezet en tijdens het drogen werd opgerekt tot de juiste afmetingen. De nog vochtige stof werd verschillende keren geborsteld en geschoren voor een fijnere, zachtere vleug. De stof ging vervolgens naar de ververs. Hoewel die gewoonlijk met geweven stoffen werkten, verfden ze soms ook ongesponnen wol, wat kostbaarder was, maar de felste en duurzaamste kleuren opleverde. Hieraan hebben we de uitdrukking 'door de wol geverfd' overgehouden.
In de stoffenindustrie was altijd veel geschoolde arbeid nodig, welke vezel er ook werd bewerkt. In veel streken was textiel dan ook het voornaamste middel van bestaan. Een bloeiende textielindustrie betekende werk, en werk betekende geld in de beurs en eten op tafel. Maar als een bedrijf kwakkelde of failliet ging, werden de mensen hun huis uit gezet en moesten ze honger lijden. In Europa stierven mensen ten tijde van de Renaissance van de honger, een lot dat toen zeker niet denkbeeldig was. Tijdens de grote hongersnood van 1315 tot 1317, toen de oogst twee jaar achter elkaar mislukte, kwamen duizenden mensen om. Ook in de rest van die gruwelijke eeuw en nog vele generaties later leidden velen een karig bestaan, wat de inspiratie vormde voor schokkende volksverhalen over mensen die van de honger hun hond, hun schoenen en zelfs hun kinderen opaten.
Wevers, ververs en andere textielwerkers leefden in voortdurende angst voor een dergelijk einde, want de bedrijfstak was zeer concurrerend. De vaklieden die stoffen van mindere kwaliteit maakten, hadden de meeste last van concurrenten, verdienden weinig en verloren snel hun baan als de zaken slecht gingen, zoals bij vlagen het geval was. Wie de geheimen kende om stoffen van goede kwaliteit te maken, verging het een stuk beter. Deze vaklieden hadden minder concurrenten en verkochten vooral aan de rijke elite, die zich ook in moeilijke tijden luxeartikelen kon veroorloven.
Met landen ging het net als met de mensen die er werkten. Engeland, dat vooral ruwe wol en ongeverfde stoffen exporteerde, werd aan het eind van de Middeleeuwen als een achterlijke natie beschouwd. De Engelse leiders hoopten het succes van de textielindustrie aan de overkant van de Noordzee te kunnen evenaren, want Holland was beroemd om zijn linnen en Vlaanderen om zijn wol. Deze landen waren op hun beurt jaloers op Italië, waar steden als Lucca en Venetië prachtig satijn, brokaat en fluweel in een rijk kleurenpalet produceerden. Vermogende Europeanen betaalden astronomische prijzen voor deze oogverblindende Italiaanse stoffen, die alleen al werden gedragen vanwege de status die de kleur verleende.
Wie tegenwoordig door middel van kleding wil laten zien dat hij succesvol is, draagt een grijs of zwart pak, een beige overhemd of een zwarte krijtstreep. Onopvallende kleuren hebben status. Maar tijdens de Renaissance waren grijs en beige de kleuren van de armoede, die alleen werden gedragen door de armsten der armen (en door nederige priesters, monniken en nonnen). Welvarender boeren, handwerkslieden en anderen uit de middenklasse droegen fletse kleding die met goedkope, lokaal geproduceerde verfstof was gekleurd. Hoewel sommige verstoffen een krachtig blauw, geel, oranje of groen opleverden, verbleekten die kleuren snel, vooral als de drager in de openlucht werkte.1 De briljantste, duurzaamste, meest intense kleuren kwamen van geïmporteerde verfstoffen, die alleen de rijken zich konden veroorloven. Felgekleurde kleding was daarom een statussymbool, waaraan zelfs analfabeten met één oogopslag konden aflezen dat de drager tot de machtigen behoorde.
Kleur werd des te meer met status geassocieerd vanwege de zogenoemde 'weeldewetten', die voorschreven wat de verschillende standen mocht eten, drinken en dragen. Deze wetten werden door middeleeuwse vorsten uitgevaardigd om ijdelheid en extravagantie tegen te gaan (wat volledig door de Kerk werd onderschreven) en te zorgen dat niemand zich belangrijker kon voordoen dan de monarch. In Neurenberg mochten gewone burgers bijvoorbeeld geen goud, fluweel, parels, hermelijn- of wezelbont dragen. Verder naar het zuiden, in Siena, was het dragen van sluiers, slepen en plateauzolen aan strenge regels gebonden. En in Engeland waren zijde, ringen, juwelen en knopen verboden voor burgers en handwerkslieden (knopen waren toen nieuw in Europa en een echt modeartikel). Kattenbont mocht wel.
De weeldewetten schreven ook vaak voor welke kleuren men mocht dragen, en felgekleurde kleding was voorbehouden aan edelen en rijken. Een van de eerste van dergelijke voorschriften dateert uit de achtste eeuw, toen Karei de Grote beval dat boeren zich in het zwart en grijs dienden te kleden, een kledingvoorschrift dat lijkt op de regel die bestond in het vijftien-de-eeuwse Florence, waar vrouwelijke lijfeigenen zich slechts in ruwe wollen stoffen mochten hullen en niet gezien mochten worden in 'jassen, jurken of mouwen in felle kleuren'. In het middeleeuwse Europa mocht rode (en ook wel paarse) kleding vaak uitsluitend door de hoogste standen worden gedragen. Maar over het algemeen werd de kleur het efficiëntst geregeld door de weeldewetten, die een strenge grens stelden aan wat de onder- en middenklasse aan kleding mochten uitgeven. Deze budgetten waren zo beperkt dat er geen sprake kon zijn van kleding die voor veel geld was geverfd.
Naarmate de eeuwen verstreken, kwamen er steeds meer felgekleurde stoffen op de markt en werd het moeilijker te voorkomen dat mensen zich boven hun stand kleedden. In 1583 mopperde een chagrijnige Elizabethaanse schrijver: 'Er bestaat tegenwoordig zo'n wirwar aan nieuwe kleding en andere modesnufjes [...] dat je niet goed meer kunt zien wie van adel is, wie het hoogste respect verdient, wie een gentleman is, en wie niet.' Het lijkt echter waarschijnlijk dat de verwarring vooral beperkt bleef tot de welvarende middelste en hoogste stand, want kleine boeren konden zich de beste en kleurigste stoffen eenvoudigweg niet veroorloven. Volgens een andere Elizabethaanse schrijver kleedden de boeren zich in een kleurloze tweedsoort die medley werd genoemd en die 'grijs en roodbruin' was, 'nooit geverfd'.
De adel hulde zich daarentegen in felle kleuren, vooral in de vijftiende en zestiende eeuw. Hoewel sommige edelen tegen die gewoonte in zwart droegen (fijn, diepzwart was een dramatische en dure kleur), was kakelbont de regel. Opzichtige gouden stoffen, gemaakt van gevlochten gouddraad, waren voorbehouden aan mensen van koninklijken bloede, maar alle edelen waren dol op rijkgekleurde damasten en zijden kleding. In heel Europa droegen hovelingen felgekleurde stoffen versierd met lovertjes, linten en kralen. In Italië hulden de zonen van de adel zich in een veelkleurige broek met een wambuis en cape in contrasterende kleuren, een trend die zich over het hele continent verspreidde. Zeer in de mode waren opengesneden mouwen en kniebroeken in allerlei felle kleuren, evenals weelderige fluwelen stoffen met veelkleurige strepen. Ook vorsten deden met de mode mee. Hendrik vin was trots op zijn spectaculaire garderobe, die onder andere een groenfluwelen toga, een paars-met-gouden mantel en een aantal felrood-met-blauwe wambuizen omvatte.
Zij die de zucht naar kleur konden bevredigen, hadden handenvol werk en verdienden een goede boterham. Maar felgekleurde stoffen maken was geen eenvoudige manier om rijk te worden. Stoffen verven was een moeilijke, gevaarlijke kunst, waarvoor je stevig in je schoenen moest staan.
Tijdens de Renaissance gingen aspirant-ververs jarenlang in de leer bij een meester om het vak onder de knie te krijgen. Ze maakten lange dagen, vaak van zonsop- tot zonsondergang, en het werk zelf was veeleisend en uitputtend.
'De verver [...] ploetert in hitte en rook/ om de wispelturige mens te plezieren', aldus een zestiende-eeuws gedicht. Er staat een illustratie bij van een gespierde stoffenverver die met opgerolde hemdsmouwen een natte lap uit een ingemetselde ketel haalt. De afgebeelde ruimte staat vol rook en stoom, wat aangeeft hoe gevaarlijk het werk was. De stoffenververs en hun leerjongens werkten dagelijks met hete ovens, kokend water, bijtende zuren, giftige zouten en stomende vaten (zie afbeelding i). Er gebeurden dan ook veel ongelukken.
Te midden van deze gevaren probeerden de leerjongens zich de talrijke geheimen van het vak eigen te maken. Voordat er halverwege de negentiende eeuw synthetische kleurstoffen werden uitgevonden, was de meeste kleurstof afkomstig van planten. De kleuren die ze opleverden, leken volstrekt willekeurig: groene wede leverde bijvoorbeeld een blauwe kleur op, en paarse kattenstaart een bruine. Van rode bloesem kon een stof geel of oranje worden - als hij al een duurzame kleur opleverde. Om de zaken nog ingewikkelder te maken zat de kleurstof bij sommige planten in de bloemen en bij andere in de bladeren of wortels. Ook op de hoeveelheid kleurstof was geen peil te trekken; die was afhankelijk van de plek waar de planten groeiden, de tijd waarin ze geoogst werden en de snelheid waarmee ze daarna werden gebruikt.
Maar er waren nog meer geheimen. Leerling-ververs leerden al snel dat weinig kleurstoffen van nature zo duurzaam waren dat ze najaren van slijten en wassen hun kleur behielden. Voor de meeste was een chemisch bindmiddel nodig, zoals azijn, krimmetart, aluin, ijzer of chroom. Dit werd een 'bijtmiddel' genoemd omdat het de kleuren in de stof hielp 'bijten'. Het was moeilijk om met bijtmiddelen om te gaan, vooral omdat ze bij dezelfde kleurstof tot verschillende kleuren leidden.
De temperatuur van het verfbad (het mengsel van water, kleurstof en andere ingrediënten) en de tijd die de stof erin doorbracht, waren heel belangrijk voor de kleur. Ook het bad zelf was van belang, want de metalen wand reageerde soms met de kleurstof.
De stoffenververs, de hightech-specialisten van hun tijd, beschikten naast de baden over een duizelingwekkende hoeveelheid gereedschap. Toen in 1394 bij twee Toscaanse ververs wegens schulden de inventaris van hun bedrijf werd opgemaakt, werden er bijna honderd voorwerpen op de lijst gezet, waaronder vaten, wasborden, haspels, weegschalen, tobbes, spaden en 'een kleine zeef om de wol uit de kookpotten te vissen'. Hun gereedschap was bij elkaar vierhonderd gouden florijnen waard, waar nog eens tweehonderd florijnen aan kleurstof en bijtmiddel bij werden opgeteld. Dit was een aanzienlijke som in een tijd waarin je voor twintig florijnen een kleine boerderij kon kopen. Dat er zo veel geïnvesteerd moest worden, verklaart de schulden van de ververs, maar alleen door een dergelijke investering kon men tot de top van deze gecompliceerde branche behoren.
De beste ververs waren tevens kunstenaar en geleerde, in een tijd waarin kunst en wetenschap nog geen gescheiden disciplines waren. Ze voerden net als moderne wetenschappers methodische experimenten uit en hechtten veel belang aan de herhaalbaarheid van resultaten. Ze ontwikkelden accurate tests om de kwaliteit van de ingrediënten te controleren en fraude bij het verven van stoffen op te sporen. Toch was hun wetenschap nog weinig nauwkeurig. Omdat ze geen thermometer of stopwatch hadden, was 'zieden' of 'koken' een maatstafvoor de temperatuur en 'de tijd waarin je drie paternosters kunt bidden' een maatstaf voor de tijdsduur. Om een stof perfect te verven vertrouwden de ververs minder op exacte formules dan op training, ervaring en een scherp kunstzinnig instinct.
Hoewel de beste ververs kleuren van zo'n zeldzame schoonheid maakten dat mensen er goudgeld voor overhadden, stonden ze laag op de maatschappelijke ladder. Vanaf de Oudheid werden ze met achterdocht bekeken. 'De vinger van de stoffenverver ruikt naar rotte vis,' schamperde de auteur van een oude Egyptische papyrus. 'Zijn ogen zijn rood van vermoeidheid.' In India werden stoffenververs als onrein beschouwd.
Omdat ververs de uiterlijke verschijning van voorwerpen veranderden, beschouwden de Grieken hen als gewiekste figuren die goed in de gaten moesten worden gehouden (het Griekse woord dolon, 'verven', had als tweede betekenis 'bedriegen'). De onbuigzame Spartanen vonden hen zulke oplichters dat ze niet binnen de stad mochten verblijven.
Onder de Romeinen ging het beter met de stoffenververs. Ze waren goed georganiseerd en politiek actief, en men geloofde dat ze werden beschermd door Minerva, de godin van de wijsheid. Toch wilden maar weinig mensen naast hen wonen, omdat ze werkten met stinkende stoffen als urine, dat als bleekmiddel werd gebruikt en een belangrijk ingrediënt van de kleur blauw was. Om in een stad de wijk van de stoffenververs te vinden hoefde je dus je neus maar achterna te lopen.
Na de val van Rome verloren de ververs in Europa geleidelijk hun vakkennis en status, en in de Middeleeuwen stierf de kunst bijna helemaal uit. Het was aan een paar toegewijde beoefenaars en opdrachtgevers te danken dat dit niet gebeurde. Ook belangrijk waren de monniken en nonnen die verhandelingen over kleurstoffen schreven. Zij legden de geheimen van het kleurmaken vast omdat ze de verfrecepten voor hun verluchte codices en missalen voor het nageslacht wilden behouden.
De belangstelling voor het verven van textiel nam met de kruistochten weer toe. De kruisvaarders verbaasden zich over de kleurenrijkdom en zachtheid van de stoffen in het MiddenOosten, en velen namen ze als souvenir, geschenk of handelsartikel mee naar huis. In Spanje en op Sicilië werden Arabische verfhandleidingen in het Latijn vertaald en moedigde de koning het maken van stoffen van goede kwaliteit aan. Tijdens deze periode werd ook Lucca belangrijk. In de elfde eeuw kwamen joodse textielwerkers via Sicilië en Zuid-Italië naar deze stad. Zij brachten de geheimen van het verven van zijde mee, een kunst die in hun thuisland in het oosten veel verder was ontwikkeld dan in Europa.
Al kregen de Europeanen in de elfde eeuw weer respect voor de kunst van de stoffenververs, de beroepsgroep werd nog steeds geminacht. De Kerk, die toch al weinig sympathie had voor mensen die van handel leefden, vond stoffenververs des te onguurder omdat ze met zulke smerige substanties werkten. Verfijnde dames keken op hen neer vanwege hun vuile vingernagels, en volgens de dertiende-eeuwse grammaticus John Garland zouden vrouwen alleen voor het geld met een verver willen trouwen. Ze waren algemeen gehaat omdat hun werkplaatsen zo stonken en ze hun onwelriekende verfbaden in de rivier loosden. In het twaalfde-eeuwse Engeland werd het beroep zo afschuwelijk gevonden dat iemand van wie in een vereniging van kooplieden werd ontdekt dat hij zich met stoffen verven bezighield, meteen als lid werd uitgesloten.
De mening over stoffenververs begon in de dertiende eeuw te veranderen. De Europese textielmarkt groeide en er was vraag naar vakbekwame textielwerkers. Er werd gewedijverd om de beste ververs omdat het werk gecompliceerd was en de kleur zo veel waarde aan de stof toevoegde. Edward m deed zijn best om Vlaamse stoffenververs naar Engeland te lokken en Italiaanse steden als Volterra en Siena steunden buitenlandse meesterververs die binnen hun muren een ververij begonnen. Zoals bleek uit de ervaringen van de Lucchezen in Venetië, probeerden steden ververs van elders aan te trekken om de eigen textielbranche succesvol te maken. Wanneer een centrum van de stoffenverfindustrie door een ramp werd getroffen, profiteerden andere steden van het ongeluk van de rivaal door de vertrekkende vaklieden over te nemen.
De stoffenververs maakten van hun gestegen status gebruik door zich net als andere middeleeuwse handwerkslieden in gilden of handelsgenootschappen te verenigen. De gilden stelden regels om de vakkundigste leden te beschermen. Het voornaamste doel was te voorkomen dat prijs en kwaliteit te veel onder druk kwamen te staan door de rivaliteit. Ze legden vast hoe lang, waar en waarmee er gewerkt mocht worden en hoeveel loon er werd betaald. Deze regels verschilden per stad. Om concurrentie te weren werd er ook een leerlingensysteem opgezet, zodat niet iedereen zomaar het beroep kon uitoefenen.
In sommige streken lukte het de stoffenververs niet een eigen gilde op te richten en werden ze de mindere leden van een machtig gilde van wolkooplieden of -wevers, die vaak met ijzeren vuist regeerden. Een van de beruchtste van deze gilden, de Arte di Calimala in Florence, liet stof die niet volgens de standaard was geverfd verbranden en legde de verver een boete op. Als de stoffenverver de boete niet kon betalen (de opbrengsten waren mager), liet de Arte di Calimala hem een hand afhakken.
Het behoeft geen betoog dat stoffenververs dus het liefst hun eigen gilden oprichtten. In Venetië, Lucca en veel andere middeleeuwse steden bestonden dergelijke gilden, die goed liepen en bijdroegen aan de statusverhoging van de leden. In Londen mocht het gilde zelfs zwanen houden op de Theems, een voorrecht dat ooit alleen aan koningen was voorbehouden.
In de loop van de tijd gingen gilden zich steeds meer specialiseren, en produceerden ze slechts enkele stofsoorten of enkele kleuren (of zelfs maar één soort stof of kleur). Blauw, zwart en groen waren een gebruikelijke combinatie voor gilden, evenals rood, violet en geel. Als een stoffenverver werd betrapt op het gebruik van kleuren waarin hij niet gespecialiseerd was, werd hij beboet en uit het gilde gegooid.
Afhankelijk van de verfstof die ze gebruikten, werden stoffenververs ook onderverdeeld in zij die 'gewone' en zij die 'luxe' stoffen verfden (plain en high dyers). Veruit de meeste waren gewone ververs, die in Duitsland Schwarzförber werden genoemd, in Frankrijk teinturiers en petit peint en in Italië arte minore. Ze gebruikten relatief goedkope kleurstoffen en eenvoudige recepten. Dit was inderdaad niet meer dan relatief, want in sommige steden waren aspirant-ververs driejaar in de leer en werkten ze daarna nog minstens vijfjaar als gezel in de werkplaats van een meester. Het aantal meesters was door de gilden aan een maximum gebonden en om die status te bereiken moest de gezel een aantal strenge proeven afleggen. Hij moest bijvoorbeeld een 'meesterstuk' maken van 44 meter blauw geverfd linnen en enige kilo's blauw en groen geverfde wollen draad.
Ververs van luxe stoffen - Schönfarber in Duitsland, teinturiers en bon peint in Frankrijk en arte maggiore in Italië - waren gespecialiseerd in fijne stoffen en zeldzame, dure verfsoorten. Ze waren veel minder talrijk dan gewone ververs, mede doordat ze vaak twee keer zo lang in de leer waren, en vestigden zich als onafhankelijke meesters. Ze waren niet altijd verenigd in gilden, maar kenden elkaar wel persoonlijk. Als ze samenwerkten, waren ze vaak in één kleur gespecialiseerd. In Venetië, Genua, Marseille en enkele andere steden vormden ververs van scharlakenrood bijvoorbeeld een eigen gilde.
Wat hun specialiteit ook was, de stofTenverversgilden waren een soort geheime genootschappen die de geheimen van het vak bewaakten en voor buitenstaanders verborgen hielden. Leden die de regel van geheimhouding overtraden, werden bestraft, uit het gilde gezet en bij een ernstig vergrijp uit de stad verbannen. Gilden stelden standaards voor de leden, ontmoedigden gemakkelijke oplossingen en verboden het om dure ingrediënten door goedkopere te vervangen. Hierin waren de verversgilden soms net zo meedogenloos als de Arte di Calima-la: in 1255 bepaalden de statuten van het verversgilde van Luc-ca bijvoorbeeld dat leden die goedkope rode verfstoffen gebruikten en zo de reputatie voor kwaliteitszijde van de stad op het spel zetten, een boete werd opgelegd van honderd lire of de rechterhand werd afgehakt.
Het is geen toeval dat ze juist in verband met rode kleurstof zo streng waren. Hoewel Lucca niet de enige Europese stad was waar stoffen rood werden geverfd, was de stad beroemd om haar scharlaken zijde. De techniek voor de productie van deze stof was een van de waardevolste geheimen van de Lucchezen, zoals de sluwe Venetianen heel wel beseften toen ze de vluchtelingen uit Lucca hun voorwaarden stelden.
Ook anderen wilden die geheimen ontraadselen, want rood was de begeerlijkste kleur van Europa en wie het geheim ervan doorgrondde, kon een fortuin verdienen. De Lucchese stoffenververs werden ook in Milaan, Florence, Bologna, Pisa en steden ten noorden van de Alpen verwelkomd en ook daar leerden ze het geheim van het scharlakenrood. Maar de zoektocht naar het volmaakte rood ging verder. Iedere stad hoopte het al-lerbegeerlijkste rood te maken en probeerde zowel de Lucchese methode als de eigen vakgeheimen te verbeteren. Daardoor ontstond een felle rivaliteit, van ververs tegen ververs, steden tegen steden en landen tegen landen, en een strijd die uiteindelijk over de hele wereld werd uitgevochten.