2. Sneeuw en vuurwerk
‘Asociaal’, vindt moeder.
‘Het vervelende is dat die jongens niet in de gaten hebben hoe gevaarlijk dat spul is’, zegt vader en hij kijkt Edwin aan. ‘Men heeft al jochies jonger dan jij die rommel zien afsteken.’
Edwin zegt niets. Het is nu zeker niet het moment om te vragen of hij vlak voor de jaarwisseling ook wat vuurwerk mag kopen. Die nitraatbommen hoef ik in ieder geval al niet te vragen, denkt hij. Is ook niet zo erg. Er is genoeg ander vuurwerk. Prachtige vuurpijlen en duizendklappers, maar die mega harde knallen zijn natuurlijk wel stoer … Hij heeft de folder die pas in de brievenbus zat goed bestudeerd. Moeder had hem al snel bij het oud papier gedaan, maar hij heeft hem er weer uitgevist en op zijn kamer onder wat boeken in de boekenkast verborgen. Het adres van de verkoper stond er ook op. Edwin weet wel waar dat is. Niet zo moeilijk. Alleen nog toestemming van vader en moeder. Maar daar moet hij wel het juiste moment voor uitkiezen. Eigenlijk is het helemaal niet zo handig dat er nu al geknald wordt. Daardoor worden de kansen dat hij zelf vuurwerk mag kopen steeds kleiner ...
Vaders stem haalt hem uit zijn gedachten. ‘Weet jij soms welke jongens nu al in de weer zijn met die zware knallen?’
‘Eh … nee, eigenlijk niet.’
Edwin weet het ook niet precies. Ik hoef er dus ook niet om te liegen, denkt hij opgelucht. Hij heeft wel een vermoeden, maar dat zegt hij niet. ‘Ik ga maar naar bed, want ik moet morgen weer naar school’, zegt hij snel.
‘Je hebt gelijk, jongen’, glimlacht vader en kijkt op de keukenklok. ‘Het is alweer laat geworden vanavond. Kwart voor elf. Maar vooruit, voor één keer is dat niet erg.’
‘Kom je nog even welterusten zeggen als je klaar bent in de badkamer?’ zegt moeder.
‘Joe.’
Vader geeft moeder een knipoog als Edwin de keuken uitloopt. ‘Ben ik niet van ’m gewend dat-ie uit zichzelf zo vlotjes naar bed wil.’
Als Edwin naar de badkamer loopt, kijkt Tor vanuit zijn mand even op. Tim gaat rechtop staan, maar Edwin heeft geen aandacht voor hen.
Tor legt zijn kop weer op zijn poten en zucht een keer diep. Ook Tim legt zich weer neer.
‘Rrrrrrrr …’
Edwin ligt op zijn buik, opent één oog.
Naar ding, denkt hij.
Zijn hand gaat tastend over het nachtkastje om het geluid te stoppen.
Ah, daar is-ie.
Zijn hand stoot tegen de wekker. Vervolgens duikelt het apparaat met veel kabaal van het nachtkastje. Op de grond gaat het ding vrolijk verder.
Edwin trekt het kussen onder zijn hoofd weg om het daarna over zijn hoofd te drukken.
De wekker is nog steeds niet gestopt.
Nijdig stapt hij uit bed en raapt het apparaat op, om het meteen uit te zetten. Met een klap zet hij het daarna op het nachtkastje. Dan loopt hij naar het raam en schuift het gordijn open.
Het is nog donker buiten, maar toch anders dan anders. Hij kijkt nog eens goed en ziet dan wat er aan de hand is.
‘Hé, sneeuw!’ roept hij.
Hij kijkt nog eens van links naar rechts. Er is een aardig pak gevallen. Wel een centimeter of tien, schat hij.
Snel kleedt hij zich aan en loopt naar beneden.
Vera is ook al wakker en verwelkomt hem enthousiast: ‘Ha broer, heb je al naar buiten gekeken?’
‘Natuurlijk! Flink pak!’
Moeder komt ook de keuken in gelopen in haar ochtendjas. ‘Goeiemorgen. Al helemaal wakker zie ik wel. Ik zou maar een beetje opschieten en op tijd weggaan. Als het met de sneeuw wat tegenzit, ben je niet op tijd op school.’
‘O, maakt u zich maar niet ongerust. We zijn niet bang voor zo’n laagje sneeuw’, reageert Edwin. En tegen Vera: ‘Maar Veer, we kunnen wel vroeg gaan, dan kunnen we nog even sneeuwballen gooien op school.’
Vera huivert. ‘Als ik maar niets in m’n nek krijg.’
‘Je brengt me op een idee’, lacht Edwin.
‘Je laat het, zeg ik je nu alvast’, zegt Vera streng.
Een halfuur later lopen ze even door de dierenartspraktijk van vader om gedag te zeggen. Van daar gaan ze meteen naar buiten.
Dan worden de tassen op de fietsen gebonden en de fietsen uit de schuur gehaald. Voor het huis op de dijk is nog niet gestrooid.
‘’t Is wel glad’, vindt Vera.
‘Dan doe je toch gewoon wat langzamer?’ adviseert Edwin. Zelf geeft hij een stevige trap op zijn pedaal. Het achterwiel slipt en de fiets schuift een beetje weg.
‘Pas toch op!’ zegt Vera, ‘ik zei toch al dat het glad is?’
Edwin grijnst.
Net buiten het dorp wachten ze op een aantal anderen die ook mee fietsen.
Het is nog een hele tocht naar school, zo’n twaalf kilometer, maar dat vinden ze niet erg. Zeker nu niet. Een pak sneeuw betekent natuurlijk dolle pret.
Daar komen de anderen al aan.
Als de groep vlakbij is, stappen Edwin en Vera op, zodat de anderen niet hoeven te stoppen. Vervolgens rijden ze de dijk langs de rivier op. Hier is al wel gestrooid en dat vinden ze eigenlijk best jammer.
Halverwege de dijk tussen hun dorp en de brug over de rivier klinkt er ineens een daverende knal.
De meiden geven bijna allemaal een gil.
Edwin is zich ook een hoedje geschrokken en kijkt achterom.
Daar ziet hij achteraan het grijnzende gezicht van Bert.
Meteen laat hij zich terug zakken in de groep en fietst weldra naast Bert.
‘Dat was een vette!’
‘Hoezo?’ vraagt Bert met een onschuldig gezicht. ‘Ik weet van niks.’
‘Nee, dat zal niet. Dat was jij wel. Hoe kom je daaraan?’
‘Hoezo? Wil je ook wat kopen?’
Edwin denkt even na. Kopen zou hij maar al te graag willen doen, maar diep in zijn hart weet hij eigenlijk wel dat vader en moeder er zwaar op tegen zijn. En als ze erachter komen …?
‘Oh, dat weet ik nog niet. Het is nog geen oud en nieuw.’
‘Het hoeft toch geen oud en nieuw te zijn om iets af te steken’, vindt Bert.
‘Maar je kunt toch pas op de laatste dagen voor 31 december kopen?’
Bert kijkt Edwin even grijnzend aan.
‘In de normale winkels wel …’
‘Waar heb jij dan gekocht?’ vraagt Edwin.
‘Als jij ook echt van plan bent om te kopen zal ik het zeggen. Anders niet.’
‘Ik zie nog wel’, mompelt Edwin en fietst weer naar voren.