3
'Ze zijn hier geweest,' zei Kresh toen hij zijn vrouw kuste. Het was geen vraag, en Fredda wist dat ze niet moest doen of ze nergens van wist.
'Ja,' zei ze behoedzaam. 'Ze zijn net weg.'
'Mooi,' zei Kresh, terwijl hij zich in zijn lievelingsstoel liet zakken. 'Ik houd er niet van als ze er zijn.'
'Ik ook niet, doctor Leving,' zei Donald m. 'Het gevaar dat dreigt door de aanwezigheid van die twee pseudo-robots, is veel groter dan u denkt.'
'Donald, ik ben de bouwer van die twee pseudo-robots, zoals jij ze steeds blijft noemen,' zei Fredda, die zich zowel geamuseerd als geërgerd voelde. 'Ik weet heel goed waartoe ze in staat zijn.'
'Daar ben ik niet zo zeker van, doctor Leving,' zei Donald. 'Maar als u erop staat ze te ontmoeten wanneer ik er niet ben, kan ik daar niets tegen doen. Toch wil ik erop aandringen uiterst voorzichtig te zijn wanneer u bij hen bent.'
'Dat zal ik doen, Donald, dat zal ik doen,' zei Fredda Leving met een enigszins vermoeide stem. Ze had Donald natuurlijk ook gebouwd, en ze wist net zo goed als iedereen dat de Eerst Wet Donald ertoe dwong bij elke gelegenheid over het mogelijke gevaar te beginnen. Maar toch was het heel vervelend om steeds opnieuw dezelfde waarschuwing aan te horen. Donald, en de meeste andere driewetrobots, noemden Caliban en Prospero - en alle andere nieuwwetrobots - pseudo-robots, omdat ze niet over de Drie Wetten beschikten. Prospero was uitgerust met de nieuwe wetten en Caliban had helemaal geen wetten. Ze zagen er dan misschien wel uit als robots en gedroegen zich in sommige opzichten ook zo, maar het waren geen robots. En Donald vertrouwde hen niet. Natuurlijk zat er meer aan vast. Hij vond hen pervers, onnatuurlijk, iets wat geen plaats in het heelal verdiende. Hoewel, misschien zou hij het niet op die manier uitdrukken, maar Fredda wist dat ze er niet ver naast zat.
'Waarom komen ze hier eigenlijk?' vroeg Alvar, achterovergeleund op zijn stoel. 'Ze hebben passen waarmee ze vrij kunnen gaan en staan in de stad.'
'Doe maar niet te lui,' waarschuwde Fredda hem. 'Over een paar minuten is het eten klaar.'
'Goed zo,' zei Kresh, die weer rechtop ging zitten. 'Je zegt het maar. Als je mijn vraag maar beantwoordt.'
Fredda lachte, leunde naar voren en kuste Alvar op zijn voorhoofd. 'Eens een politieagent, altijd een politieagent,' zei ze.
Op dat moment kwam de robot Oberon binnen. 'Het eten is klaar,' zei hij.
'Nog een politieman,' zei Alvar tegen zijn vrouw. 'Denk maar niet dat je ooit nog van ons af zult komen.'
Hij stond op en samen liepen ze naar de eetkamer, achter Oberon aan, gevolgd door Donald. Donald nam plaats in zijn vaste muurnis en Oberon begon het eten op te dienen.
Fredda besloot dat het allemaal een stuk soepeler zou gaan als ze haar man niet dwong haar opnieuw om een antwoord te vragen. Oberon zette een bord voor haar neer, waarna ze haar vork pakte. 'Ze komen hier omdat dit een plek is waar we met elkaar kunnen praten,' zei ze. 'Dat is de belangrijkste reden. Er zijn op Hades niet veel plaatsen waar ze geen gevaar lopen om door de een of andere rammersbende te worden aangevallen. Passen of geen passen.' In het verleden waren er benden robotrammers van Blijvers geweest, waarvan de meeste al weer waren verdwenen. Maar sommige Ruimters hadden het rammen van de Blijvers geleerd. Er bestonden nog steeds radicalen, extremisten waarbij vergeleken de IJzerkoppen niets voorstelden, die stonden te popelen om een nieuwwetrobot in elkaar te slaan zodra ze de kans kregen. 'Nieuwwetrobots zijn in deze stad niet veilig. Dat heb ik je eerder verteld. Zelfs al geloof je me niet helemaal.'
'De reden waarom ik het niet geloof, is dat ze zich volgens mij aan de andere kant van de planeet, in Utopia, prettiger voelen. In die ondergrondse stad van hen. Daar zouden ze veilig moeten zijn,' voegde hij eraan toe, alsof hij er niet helemaal zeker van was.
Een van de eerste daden van Alvar Kresh als gouverneur, was het uitvaardigen van een verordening die de nieuwwetrobots uit de bewoonde delen van de stad verbande. Fredda kon haar echtgenoot dat besluit niet echt kwalijk nemen. Hij had moeten kiezen tussen verbanning en een algehele vernietiging van de nieuwwetrobots. 'In Walhalla zijn ze veilig, al geloof ik niet dat ze het echt een stad noemen,' zei ze. 'Het lijkt ook meer op een enorm bunkercomplex.'
'Ik zal je op je woord moeten geloven,' zei Alvar. 'Jij bent er geweest, ik niet.'
'Ze zijn er dan misschien wel veilig,' vervolgde Fredda, 'maar ze hebben er niet alles wat ze nodig hebben. Ze moeten hierheen komen om te handelen.'
'Wat heeft zo'n stelletje robots nou nodig?'
Fredda wilde een zucht slaken, maar ze dwong zich in te houden. Ze hadden hierover al te vaak geruzied. Ze kenden hun rollen nu zo langzamerhand perfect uit het hoofd. Maar dat maakte geen eind aan het geruzie. Ze hadden een goed, degelijk huwelijk, maar over het twistpunt, de nieuwwetrobots, zouden ze het waarschijnlijk niet snel eens worden. 'Reserveonderdelen, bijvoorbeeld,' zei Fredda. 'Ze moeten zichzelf kunnen onderhouden. Voorraden en apparatuur hebben om Walhalla te onderhouden en uit te breiden. Allerlei soorten informatie. Andere dingen. Nu waren ze hier voor biologisch spul.'
'Dat is nieuw,' zei Alvar. 'Wat willen ze met bio-spul?'
'Terravormingsprojecten uitvoeren, denk ik,' zei Fredda. 'Ze zijn een heel eind gekomen in het herstel van het klimaat in hun deel van de wereld.'
'En ze hebben tegelijkertijd geleerd zich duur te verkopen. Probeer maar geen heiligen van ze te maken,' zei Kresh.
De nieuwwetters mochten onder bepaalde voorwaarden uit het reservaat in Utopia komen. Meestal om werk te doen waarvoor bepaalde kennis was vereist. Elk terravormingsproject op de planeet had een gebrek aan arbeidskrachten, en veel projectleiders waren bereid - zij het met tegenzin - om nieuwwetrobots voor het werk in te huren. De nieuwwetters rekenden hoge tarieven voor hun werk, maar ze leverden waar voor hun geld. 'Wat is er verkeerd aan het werk dat ze doen?' vroeg Fredda. 'En wat is er verkeerd aan dat ze ervoor worden betaald? Als een privé-bedrijf tijdelijke robotarbeid nodig heeft, huren ze robots in en betalen ze de robotverhuurder, de eigenaar van de robots, voor het gebruik van zijn eigendommen. Hetzelfde geldt hier. Alleen zijn deze robots eigendom van zichzelf.'
'Daar is niets mis mee,' zei Alvar, terwijl hij humeurig zijn vork in zijn groente stak. 'Maar er is ook niets grootmoedigs aan. En jij probeert hen altijd als helden af te schilderen.'
'Niet alles wat ze doen, doen ze om geld te verdienen of er beter van te worden,' zei Fredda. 'Niemand betaalt hun voor het terravormingswerk dat ze in het Utopiareservaat uitvoeren. Dat doen ze omdat ze het zelf willen.'
'Waarom zou dat zijn, denk je?' vroeg Alvar. 'Waarom willen ze dat? Ik weet dat je het je hebt afgevraagd. Heb je al een antwoord op die vraag gevonden?'
Fredda keek haar man verrast aan. Het moment waarop ze iets lovends zei over de nieuwwetters, was meestal het punt in hun goed gerepeteerde ruzie waarop haar man haar aankeek en opperde dat ze van die verdomde nieuwwetters maar engelen met geklinknagelde vleugels op hun rug moest maken, of iets dergelijks. Maar vanavond niet. Fredda zag dat Alvar vanavond anders reageerde. Hij had het over nieuwwetrobots, maar meestal werd hij gewoon kwaad. Nu reageerde hij bedachtzamer. Bijna, al was dat zo goed als onmogelijk, alsof hij zich zorgen om hen maakte. 'Wil je dat echt weten?' vroeg ze met een onzeker klinkende stem.
'Natuurlijk,' antwoordde hij vriendelijk. 'Waarom zou ik het anders vragen? Ik ben altijd in je werk geïnteresseerd.'
'Nou,' zei ze, 'kort gezegd: ik weet het niet. Er bestaat geen twijfel over dat ze een drang hebben tot... schoonheid. Ik zou niet weten hoe ik het anders zou moeten benoemen. Waar die precies vandaan komt, kan ik niet zeggen. Maar toch is het niet zo verbazend. Als je iets maakt wat zo gecompliceerd is als een robotbrein en er een nieuw programma in aanbrengt, zoals de nieuwe wetten, is het logisch dat er onverwachte dingen gebeuren. Een reden waarom ik zo in Prospero ben geïnteresseerd, is dat de programmering van zijn gravitonische brein nog half experimenteel was. Hij is op sommige onverwachte manieren anders dan de andere nieuwwetters. Zijn persoonlijkheid is veel minder uitgebalanceerd dan die van Caliban, bijvoorbeeld.'
'Laat hem er nu even buiten,' zei Alvar. 'Hoe zit het met die scheppingsdrang van hen?'
'Daarmee begeef je je op gevaarlijk terrein,' zei Fredda. 'Ik zou ze niet echt creatief willen noemen. En daar is Donald het vast mee eens.'
'Dat zeker,' zei Donald vanuit zijn muurnis, waarmee hij Fredda even verraste. Het was gebruikelijk dat robots alleen spraken als het hun werd gevraagd. Vooral tijdens de maaltijd. Maar Donald wist die regel altijd zeer vrij te interpreteren. 'Robots zijn niet echt creatief, en kunnen dat niet zijn,' vervolgde hij. 'We zijn in staat om te imiteren, een bestaand model te reproduceren en er zelfs in beperkte mate verbeteringen in aan te brengen. Maar alleen mensen zijn in staat tot echte creativiteit.'
'Goed, Donald, laten we het daar maar niet over hebben,' zei Kresh. 'Of het nou scheppingsdrang is, reparatiedrang of een drang tot imiteren, de nieuwwetters hebben enorme dingen in het Utopiareservaat gedaan. Dingen waar zij zelf niet veel aan schijnen te hebben. Groene planten, zoetwater en een uitgebalanceerde lokale ecologie zijn zaken waar zij zelf weinig mee zullen opschieten. Waarom houden ze er zich mee bezig?'
'Vraag het hun en ze zullen je zeggen dat ze het doen omdat ze het willen. En veel succes als je een meer gedetailleerd antwoord wilt hebben.' Fredda glimlachte. 'Mij is het niet gelukt, en ik heb het vaak genoeg geprobeerd. Waarom? Ik weet niet of het door hun Vierde Wet komt, of vanwege het feit dat ze zijn ontworpen om terravormingswerk te doen, of door een combinatie van beide factoren. Of misschien omdat Gubber Anshaw in hun gravitonische brein een onderliggende topografische structuur heeft aangelegd die meer op de menselijke hersenpatronen lijkt dan die van elk ander robotbrein.'
Alvar glimlachte. 'Met andere woorden: je weet het niet,' zei hij.
Fredda lachte terug en pakte over de tafel heen zijn hand vast. 'Met andere woorden: ik weet het niet,' beaamde ze. Het was fijn om hierover en over andere dingen met hem te kunnen praten zonder kwaad te worden. Ze wist dat hij nooit helemaal achter zijn eigen besluit over de nieuwwetters had gestaan. En diep in haar hart moest ze toegeven dat het misschien toch waar was dat ze veel beter af waren geweest, als ze ze nooit had gebouwd. 'Maar al weet ik niet waarom ze die aandrang hebben, ik weet wel dàt ze hem hebben.'
'Daar zal ik het dus mee moeten doen,' zei hij. 'Soms denk ik erover na. Het is nieuw en anders dat robots zonder ertoe opdracht te hebben gekregen en zonder leiding ergens aan werken. En hoewel Donald het tegenovergestelde van mening is, ben ik er niet absoluut van overtuigd dat het voor een kunstmatig brein onmogelijk is om creatief te zijn. Ik hou niet van nieuwwetrobots. Ik vind ze gevaarlijk en onbetrouwbaar. Maar ik kan mezelf er niet van overtuigen dat zij, en hun werk, van het oppervlak van de planeet zouden moeten worden gevaagd.'
Fredda trok haar hand terug en keek haar man geschrokken aan. 'Alvar, waar heb je het over? Jaren geleden heb je besloten dat ze mochten blijven bestaan. Je zou uit je woorden kunnen opmaken dat er nieuwe redenen zijn waarom je...' Haar stem ebde weg, maar haar man begreep haar.
'Die zijn er,' zei Kresh. 'Redenen waarom ze misschien zouden moeten verdwijnen. Ik moet misschien ooit kiezen tussen hen te vernietigen en de planeet te redden. Ik hoef je niet te zeggen wat mijn keus dan zou zijn.'
'Alvar, waar heb je het in duivelsnaam over?'
Alvar Kresh gaf niet direct antwoord. Hij keek haar heel ongemakkelijk aan en slaakte een diepe, gelaten zucht. 'Ik had deze baan nooit moeten aannemen,' zei hij ten slotte. 'Ik had het Simcor Beddle moeten laten doen en hem met deze nachtmerries moeten opzadelen.' Hij zweeg enige tijd, pakte zijn vork weer en probeerde een paar happen te nemen. Maar de plotselinge stilte in de kamer en de uitdrukking op Fredda's gezicht waren te veel voor hem. Hij liet de vork kletterend op het bord vallen en leunde vermoeid achterover in zijn stoel. 'Ik wil dat je morgenochtend met me meegaat,' zei hij. 'Ik wil je aan iemand voorstellen en je mening horen over wat hij te zeggen heeft.'
'Wie... wie dan?' vroeg ze .
'Je kent hem niet,' zei Kresh. 'Een jonge knaap. Hij heet Davlo Lentrall.'
Tonya Welton maakte zich ongerust. Daar had ze alle reden toe. Er broeide iets, en ze wist niet wat. En ze zou het pas te horen krijgen wanneer de Blijver Beveiligings Dienst het haar zou vertellen. De BBD had haar laten weten dat een informant die Ardosa heette, zijn dekmantel in de waagschaal had gesteld door Blijverstad binnen te gaan, en dat hij had gezegd dat hij belangwekkende informatie had verzameld betreffende iemand die Davlo Lentrall heette. Ze zouden pas meer inlichtingen voor haar hebben nadat zijn rapport was opgetekend en gecontroleerd.
In de stem van de BBD-officier die haar het nieuws had verteld, had iets geklonken wat haar duidelijk maakte dat het nieuws zo belangrijk was, dat ze niet het risico wilden nemen dat het zou uitlekken voordat ze zeker wisten dat de informatie waar was. Ze zouden moeten proberen in Lentralls computerbestanden in te breken. De universiteit gebruikte een Blijvercomputer, wat in hun voordeel was. Maar toch zou het niet eenvoudig zijn. Ze kon niets anders doen dan afwachten.
Tonya had een voorgevoel dat ze zouden ontdekken dat Ardosa's inlichtingen verdomd waar zouden zijn. Ze kwam in de verleiding te bellen en te eisen dat ze haar de ruwe informatie meteen zouden doorspelen. Maar ze wist wel beter. Wanneer de beroeps voorzichtig werden, was daar meestal wel een goede reden voor. Laat hen maar begaan. Ze zou het tijdig te horen krijgen.
Terwijl ze zo zat te piekeren, kwam Gubber Anshaw de kamer binnen. Hij bukte om haar voorhoofd te kussen, waarna ze hem een klopje op zijn arm gaf, vóór hij de kamer doorliep en zich met een tevreden zucht in zijn eigen stoel liet zakken.
Tonya keek toe hoe hij een technisch tijdschrift pakte en begon te lezen. Ze hield innig van hem, en hij had haar in het verleden enorm geholpen, maar dat zat er nu waarschijnlijk niet in.
Gubber was briljant als het op robots aankwam. Maar wat er ook aan de hand mocht zijn, het ging beslist niet om robots. Gubber zat nu te lezen in voorbereiding op zijn lang geleden geplande reis naar Walhalla. Als uitvinder van het gravitonische brein had Gubber het nooit echt op prijs gesteld dat Fredda Leving zijn werk had gebruikt om de nieuwwetrobots te bouwen. Maar mettertijd had hij de situatie leren accepteren, en daarna was de volgende stap - van de gelegenheid gebruikmaken - niet erg groot geweest. De nieuwwetters waren nog steeds de enige robots met een gravitonisch brein die er werden gebouwd. Het was gewoon een zaak van gezond verstand dat Gubber van de gelegenheid gebruikmaakte om ze nader te bestuderen. Gubber zou de volgende dag de suborbitale ochtendvlucht naar Depot nemen, waar hij een nieuwwetrobot met de naam Lacon 03 zou ontmoeten, met wie hij verder naar de verborgen stad Walhalla zou reizen.
Normaal gesproken zou Tonya de hoop hebben gekoesterd dat Gubber misschien geruchten zou hebben opgevangen. Maar als Gubber in zijn werk verzonken was, was er iets nodig in de orde van een plofferschot op het boek dat hij zat te lezen om zijn aandacht op iets anders te richten. Het leek haar onwaarschijnlijk dat hij onlangs nog met zijn vrienden over het doen en laten van een obscure astrofysicus had gesproken.
Verdomme, waar was die Lentrall op uit? Waarom was hij plotseling zo belangrijk? Het had met terravorming te maken, dat was wel zeker. Daarom was het een zaak voor de Blijvers op Inferno. En omdat zij de leidster van de Blijvers op Inferno was, zou ze er hoogstwaarschijnlijk mee te maken krijgen.
Het contingent aan Blijvers op Inferno was daar uitdrukkelijk alleen om de planeet te her-terravormen. Slechts weinig Blijvers die met het project waren meegestuurd, waren enthousiast geweest over de opdracht. Ze waren verplicht op een Ruimterwereld te wonen en dagelijks met Ruimters om te gaan.
Maar er viel heel wat te zeggen voor het Ruimterleven, dat veel van de Blijvers die zich min of meer permanent op Inferno hadden gevestigd, waren gaan leiden. Ze hadden ontdekt dat er andere manieren van leven waren dan in de enorme, ondergrondse doolhoven waaruit de Blijversteden bestonden. Ze hadden echtgenoten en echtgenotes gevonden en hadden gezinnen gesticht. Ze hadden grond gekocht en huizen gebouwd. Sommigen hadden zelfs robotbedienden genomen. En velen wilden eigenlijk niet meer terug naar huis. Omdat het terravormen van een planeet een zaak was die minstens tientallen jaren vergde, had de gedachte dat ze zo lang konden blijven als ze wilden, misschien wel hun hele leven, een heleboel mensen, onder wie Tonya zelf, wel aangestaan.
Daarom was alles wat het terravormingsproject van de Blijvers bedreigde, of er zelfs maar betrekking op had, van het grootste belang. En Tonya had duidelijk de indruk dat deze Lentrall-kwestie het terravormingsproject flink kon ophouden.
Hun man op de universiteit van Hades, Ardosa, had de Blijver Beveiligings Dienst gewaarschuwd dat Lentrall iets had ontdekt wat de hele terravormingsfaculteit in rep en roer had gebracht. Ardosa had daarbij eveneens gemeld dat ook in de hoogste gelederen van de universiteitsleiding opwinding was ontstaan. Er hadden een paar uiterst stormachtige vergaderingen plaatsgevonden.
Meer wist Ardosa niet. Er was iets aan de hand, en het was urgent, en Lentrall had gesprekken gevoerd met de top van de terravormingsexperts. Of in elk geval met wat daar doorging voor terravormingsexperts. Tonya vertrouwde erop dat haar eigen mensen de reactie van de Infernalen voor zouden kunnen zijn. Daar had zij in elk geval tot nu toe op vertrouwd.
Toen de Blijver Beveiligings Dienst eenmaal was gealarmeerd, hadden ze Lentrall het kantorencomplex van gouverneur Kresh zien in- en uitgaan. De BBD was er ook in geslaagd een blik op de dagelijkse afsprakenlijst van de gouverneur te werpen. Alle andere gesprekken waren routine geweest, maar de opmerking DAVLO LENTRALL - HER-TERRAVORMINGSPROJECT was Tonya opgevallen.
Wie was die Lentrall en wat was hij van plan? Haar mensen wisten vrijwel niets over hem. Al wat ze wist, was dat hij heel jong was, zelfs naar Blijvermaatstaven, en dat hij een of andere geleerde aan de astrofysische faculteit van de universiteit was. Hij leek op informeel niveau in contact te staan met een obscuur onderzoekscentrum dat vaag verbonden was aan de Infernale tak van het terravormingsproject. Meer wist ze niet. Dat, en het feit dat hij in korte tijd een hele reeks afspraken had gemaakt met hoge Infernale regeringsbeambten, en tenslotte met de gouverneur zelf.
De vraag lag voor de hand: wat kon er zo belangrijk en dringend zijn dat een onbekende astrofysicus binnen zo'n korte tijd de gouverneur te spreken kreeg?
Tonya voelde zich gefrustreerd. Er was een tijd geweest dat haar mensen binnen een oogwenk een compleet dossier over een knaap als Lentrall konden samenstellen. In die oude tijd, toen ze lijnrecht tegenover elkaar stonden, had er een vreemd soort vrijheid voor haar spionnen en informanten bestaan. Toen waren de betrekkingen tussen de Blijvers en de Ruimters zo slecht geweest, dat het er weinig toe deed of ze nog verder zouden verslechteren. Het was zelfs onvoorstelbaar geweest dat ze nog verder konden verslechteren. Cinta Melloy, het hoofd van de BBD, had erheen kunnen gaan en allerlei smerige trucs kunnen toepassen: gesprekken afluisteren, databanken aftappen, omkopingen plegen, de hele mikmak. Alles om maar aan informatie te komen.
Maar nu moest iedereen ontzag voor elkaar hebben en beleefd zijn. Aan beide kanten. De afgelopen paar jaar was er tussen de BBD en de Combinatie van Infernale Politie-eenheden van Justen Devray een nauwe samenwerking ontstaan. Ze wisselden informatie uit en hielpen elkaar bij het politiewerk. Het zou onzin zijn om dat allemaal op het spel te zetten door op een amateuristische manier te gaan rondsnuffelen. In sommige opzichten was haar werk in vredestijd een stuk ingewikkelder dan tijdens een openlijke confrontatie.
Tonya keek Gubber aan. Over relaties gesproken. Die van hen, van Tonya en Gubber, had heel wat stof doen opwaaien, toen het geheim was uitgelekt. De keiharde leider van de Blijvers op Inferno, die letterlijk het bed inkroop met de kalme, teruggetrokken, zachte Ruimterroboticus. Het was een enorm schandaal geweest.
Tonya besefte dat ze meer wilde weten. Zelfs al was het onwaarschijnlijk dat Gubber iets zou hebben gehoord, het kon geen kwaad ernaar te vragen. De meeste geleerden kenden elkaar trouwens. Misschien wist Gubber iets bruikbaars over Lentralls achtergrond, ook al was hij niet van de laatste geruchten op de hoogte.
'Gubber?' vroeg ze op nonchalante toon.
'Hmmm?' Hij keek met een vage glimlach op zijn gezicht op van zijn tijdschrift. 'Wat is er?'
'Ken je toevallig ene Davlo Lentrall?'
Gubber dacht even na. 'Ik heb van hem gehoord. Vaag, althans,' zei hij. 'Ik kwam hem ooit op een of ander seminar tegen. Een heel jonge knaap. Hij is assistent-onderzoeker op de astrofysische faculteit van de universiteit of zoiets. Ik let niet zo op die afgezonderde ruimtewetenschappers. Ik weet niet veel over hem.'
Tonya knikte peinzend. Op Ruimterwerelden was de drang tot ruimte-onderzoek niet groot, zodat er weinig op dat gebied werd gedaan. 'Hoe vond je hem?' vroeg ze. 'Wat voor indruk maakte hij?'
'O, ik geloof niet dat we verder zijn gekomen dan "hallo" en "aangenaam kennis te maken". Ik heb me dus nauwelijks een mening over hem kunnen vormen. Hij was wel aardig, geloof ik, maar erg gehaast en kortaf. Je kent dat soort mensen wel. Alles heeft bij hen altijd de hoogste prioriteit. Waarom vraagje dat?'
'Gewoon, zomaar,' zei ze. 'Ik zal je iets vertellen wat ik je eigenlijk niet zou moeten vertellen. Onze mensen hebben gezien dat hij het kantoor van de gouverneur binnenging, en we vroegen ons af wat hij daar te zoeken had.'
Gubber fronste zijn voorhoofd. 'Ik zou het niet weten,' zei hij. 'Maar hij lijkt me nogal jong voor een onderhoud met de planetaire gouverneur.'
'Dat ben ik helemaal met je eens,' zei Tonya.
'Ach, over een paar dagen zul je er wel een uiterst saaie verklaring voor vinden,' zei Gubber, waarna hij weer verder las.
'Misschien,' zei Tonya. 'Misschien.' Waarschijnlijk had Gubber gelijk. Maar ze kon het niet van zich afzetten. Wat had een jonge astrofysicus in vredesnaam met terravorming te maken? Tonya had een onplezierig sterk voorgevoel dat het antwoord haar niet zou bevallen.
Simcor Beddle, leider van de partij van de IJzerkoppen, leunde naar voren en sloeg met zijn vuist op zijn lessenaar. 'Afgelopen!' riep hij naar zijn publiek. 'We pikken het niet langer!' riep hij, om zich boven het wilde gejuich en het applaus van zijn publiek verstaanbaar te maken. Of was het juister om de massa woestkijkende volgelingen als een meute te omschrijven? Het deed er niet toe. Ze waren van hem. Ze leefden van hem en hij leefde van hen.
Hij veegde met een maagdelijk witte zakdoek het zweet van zijn voorhoofd en jutte zijn publiek nog verder op, waarop het nog harder begon te schreeuwen. Zijn stem klonk met elke eis harder en kwader. 'Geen dag langer mogen onze robots nog in handen blijven van de regering, die ze op onwettige wijze in beslag heeft genomen! Het moet afgelopen zijn met de privileges voor die zogenaamde nieuwwetrobots, die de stabiliteit van onze samenleving bedreigen! We willen niet met nog meer Blijvers worden opgescheept!' Het kabaal van de menigte was nu zo oorverdovend, dat het zinloos was te proberen erbovenuit te komen. Maar hij schreeuwde uit alle macht, niet zozeer om zich verstaanbaar te maken, als wel om zijn volgelingen van zijn lippen te laten lezen: 'Afgelopen!' riep hij. 'Afgelopen!'
'Afgelopen!' riep de menigte terug, gevolgd door een gescandeerd: 'Afgelopen! Afgelopen! Afgelopen!'
Simcor Beddle grijnsde breeduit en spreidde zijn armen. Hij wuifde zijn gehoor toe en genoot van het gejuich, het geroep en de woede. Ze waren nog steeds van hem. De zee van gezichten die hem toebrulde was misschien niet meer zo groot als vroeger, maar hij was er nog steeds, en hij had het roer in handen. Het was een genot en een opluchting dat te beseffen. De IJzerkoppen hielden deze bijeenkomsten om het enthousiasme van hun volgelingen warm te houden, Beddle zelf genoot er met volle teugen van.
Hij hief zijn armen iets verder op, zijn grijns werd nog breder. Daarop begon de menigte nog harder te schreeuwen en te juichen. Hij knikte hen toe, zwaaide naar hen en verdween aan de rechterkant van het toneel.
Jadelo Gildern stond daar op hem te wachten. Beddle knikte hem toe, toen een robotbediende Beddle een groot glas vruchtensap gaf om zijn dorst te lessen en zijn keel te smeren. 'Hoe groot was de menigte?' vroeg Beddle terwijl hij gulzig zijn glas leegdronk. Van het opstoken van het gepeupel kreeg je dorst!
'Vijfduizendtweehonderdendrieëndertig,' antwoorddeGildern. 'Het blijven er meer dan ik had verwacht. Maar vroeg of laat zullen we toch iets moeten doen.' Hij knikte naar de menigte in de zaal, die nog stond te juichen. 'Dat stelletje daar verwacht actie. Als je die hun niet gauw geeft, gaan ze het ergens anders zoeken.'
'We mogen blij zijn dat ze nergens anders heen kunnen,' zei Beddle, en hij gaf het lege glas terug aan de robot en pakte een grote handdoek om zijn gezicht mee af te vegen. Hij roste zijn gezicht en schedel stevig af. Het toonde misschien minder theatraal dan een zakdoek, maar het droogde het zweet op een meer effectieve wijze.
'We brengen je eerst naar huis, om je op te frissen,' zei Gildern. 'We moeten iets bespreken.'
'Die informant die vandaag langskwam?'
'Inderdaad,' zei Gildern. 'Je hebt ons opgedragen ermee door te gaan, en dat hebben we gedaan. We weten nog niet veel, maar je wilde op de hoogte blijven.'
'Laten we dan gaan,' zei Beddle. Hij volgde Gildern het auditorium uit, de nog steeds juichende menigte achterlatend.
Drie kwartier later zat Simcor Beddle achter zijn bureau een verslag te lezen dat door Gildern was gemaakt. Voor het eerst nam hij kennis van de naam Davlo Lentrall.
Hij bestudeerde het verslag zorgvuldig. Zodra Gilderns agenten door Ardosa waren getipt, waren ze meteen aan het werk gegaan. Ze hadden een samenvatting opgesteld van Lentralls loopbaan tot op heden, maar veel stond daar niet in. Hij was geboren, was naar school gegaan en had astronomie gestudeerd. Geen schokkende onthullingen, allemaal. Wat was er dan zo belangrijk aan Lentrall? Speelde hun informant een spelletje met hen?
'Hier worden we weinig wijzer van,' zei Beddle tegen Jadelo, die in een van de stoelen voor zijn bureau zat. 'Denk je nog steeds dat dit belangrijk is?'
'Jazeker. Ik heb enige tijd met die informant samengewerkt. Hij was een onbelangrijke, maar betrouwbare kracht. Zijn inlichtingen waren altijd juist. En voor zover ik weet, gedraagt hij zich precies zoals een onbelangrijke informant zich zou gedragen wanneer hij iets groots in de schoot geworpen krijgt. Anders is hij een van de beste toneelspelers die ik ken.'
'Hm.' Beddle keek strak naar het verslag, alsof hij er zo meer informatie uit kon persen. 'Lentrall heeft iets, of weet iets, wat een hoop opwinding veroorzaakt. Ik vind het intrigerend, maar we moeten meer zien te ontdekken. Misschien is het gewoon een of ander geheim academisch twistpunt.'
'Dat betwijfel ik. Wat het ook is, hierdoor heeft hij een hele reeks regeringsbeambten te spreken gekregen. En zelfs gouverneur Kresh persoonlijk,' benadrukte Gildern. 'Maar meer zijn we niet te weten gekomen.'
'Bedoel je dat we niet verder kunnen? Ik houd er niet van als ik niet verder kan.' Simcor Beddle was een man van actie, een man van directe actie, iemand die niet kon wachten.
'We komen er nog wel achter,' zei Gildern. 'Maar als het zover is, zullen we snel moeten handelen.'
'Dat ben ik met je eens. De regering schijnt er ongebruikelijke haast achter te zetten. Kennelijk dringt de tijd.' Beddle wees naar het verslag op zijn bureau. 'Haal weg,' zei hij, waarna de robot die naast hem stond, vooroverboog, het verslag dichtsloeg en meenam. Beddle stond op en een tweede robot kwam van achteren dichterbij om zijn stoel achteruit te trekken. Beddle liep om zijn bureau heen en liet het aan de twee robots over om te zorgen dat ze niet in de weg liepen. Zo gedroegen IJzerkoppen zich. Ze eisten absolute, perfecte gedienstigheid van hun robots, en negeerden ze volkomen. Ze gingen ervan uit dat robots deden wat ervan ze werd verwacht, meer niet. De Infernalen hadden de Ruimtergewoonten om robots te negeren overgenomen. Maar IJzerkoppen pasten die gebruiken tot het uiterste toe.
Een IJzerkop werd gedurende de dag gewekt, gewassen, aangekleed, gevoed en bediend door een heel peleton van robots, maar hij negeerde hun bestaan volkomen, en hij zag ze zelfs niet bewust. Iemand had de ideale manier van leven van IJzerkoppen beschreven als op je wenken bediend te worden door een leger van geesten, en dat zat er niet ver naast.
Beddle liep naar een van de twee grote, comfortabele leunstoelen die voor gasten waren gereserveerd en liet zijn zware lichaam er met verrassende soepelheid in zakken. 'Wat denk jij ervan?' vroeg hij aan de man op de andere stoel.
Jadelo Gildern glimlachte en toonde een rij scherpe tanden. Beddle had Gildern onlangs bevorderd tot tweede man in de partij van de IJzerkoppen, waarbij hij hem had opgedragen zijn zo eufemistisch als 'hoofd van Onderzoek en Informatie' benoemde post - een beleefde manier om het hoofd van het spionagenetwerk van de IJzerkoppen aan te duiden - aan te houden.
Gildern was een kleine magere man met een ziekelijk bleek gezicht. Zijn dunne, vaalblonde haar was heel kort geknipt en zijn gezicht was lang en smal. Vandaag droeg hij heel gewone, loshangende kleren, bestaande uit een grijze broek en een grijze tunica. Zijn kleren leken altijd een maat te groot. 'Ik denk dat het belangrijk is, maar ik weet niet wat er aan de hand is,' zei hij. 'We hebben nog maar een paar uur de tijd gehad om de toestand te onderzoeken.' Gilderns stem was zacht en klonk bijna melodieus. Beddle was ervan overtuigd dat Gildern zijn carrière voor een groot deel aan die stem te danken had. 'Het zou natuurlijk vrij eenvoudig zijn om Lentralls kantoor te infiltreren en daar eens rond te kijken, zodat we meer te weten kunnen komen over zijn werkzaamheden. Maar de kans dat onze mensen worden gesnapt, is vrij groot, en de kans dat Lentrall of de universiteit de indringer snapt, is zeer wel aanwezig. De universiteit beschikt over een verbazend efficiënt bewakingssysteem. Het zou nog moeilijker zijn om Lentralls computerbestanden te kraken. We hebben nog weinig succes gehad bij het kraken van Blijvercomputers. En zelfs als het ons zou lukken, de kans klein is dat het onopgemerkt blijft.'
'Thee,' zei Beddle, kennelijk tegen de open lucht. Een van de robotbedienden reageerde opvallend snel: het kostte hem tien seconden om een dampend hete kop thee te produceren, precies op de manier zoals Beddle thee lekker vond. Beddle pakte kop en schotel van de robot aan, maar sloeg verder geen acht op hem. 'Mag ik daaruit afleiden dat je het risico dat we worden gesnapt niet vindt afwegen tegen de waarde van de informatie die we zouden kunnen vergaren?'
'Inderdaad. En ik denk dat we over een paar dagen meer zullen weten, zonder dat we al die moeite hoeven te doen. Lentrall lijkt me niet iemand die geheimen goed voor zich kan houden. Maar zou ik mogen vragen waarom u zo in Lentrall bent geïnteresseerd?'
'Ik ben om twee redenen in Lentrall geïnteresseerd,' zei hij, pauzerend om een slok thee te nemen. 'Eén is, dat anderen in hem geïnteresseerd schijnen te zijn, en ik wil weten waarom. Ten tweede... nou, je zei het bijna zelf al op de bijeenkomst. We hebben een crisis nodig, en ik ben altijd op zoek naar situaties die op een crisis zouden kunnen uitlopen. De IJzerkoppen doen het niet zo goed wanneer de mensen zich veilig voelen. We doen het beter in roerige tijden. Onze talenten liggen in het gebruiken van situaties, crisissituaties - zelfs als die door onze tegenstanders worden veroorzaakt - tégen onze tegenstanders. De laatste tijd hebben we weinig activiteit kunnen ontplooien, maar zo nu en dan duikt er plotseling iets of iemand uit het niets op, zoals onze vriend Lentrall. De Davlo Lentralls van de wereld vormen het basismateriaal voor onze activiteiten. En we hebben nu hard nieuw baisismateriaal nodig.'
'U vindt dat het de laatste tijd niet zo goed met ons gaat,' zei Gildern. Het was geen vraag.
'Nee, zeker niet,' zei Beddle, en hij nam een laatste slok van zijn thee, waarna hij het halflege kopje in de lucht hield en losliet. De robot die naast hem stond, plukte kop en schotel uit de lucht voordat ze ook maar een millimeter hadden kunnen vallen. 'Beter gezegd: we hebben niets te doen gekregen. En we hebben hard werk nodig, als we willen overleven. De opkomst bij de bijeenkomsten loopt terug.' Hij leunde achterover in zijn stoel en dacht even na. 'Weet je, Gildern, ik werk er hard aan om er als een echte leider uit te zien. Vind je dat het me lukt?'
Simcor Beddle was klein en dik, maar die beschrijving, hoe juist ook, deed hem geen recht. Hij was allesbehalve klein, zacht of slap. Vaak leek het of zijn wilskracht alleen hem al tien centimeter langer maakte. Zijn gezicht was bleek en rond, maar de huid spande strak om zijn kaken. De juiste kleur van zijn ogen was moeilijk te bepalen, maar zijn blik was keihard en stralend helder. Zijn haar was gitzwart, en hij droeg het achterovergekamd. Hij ging gekleed in een afgezwakte versie van zijn gebruikelijke, militair aandoende uniform. Tijdens dit late privé-gesprek droeg hij, anders dan tijdens de bijeenkomst, geen decoraties, geen epauletten, tressen en onderscheidingen. Gewoon een saaie, zwarte tunica en een saaie, zwarte broek van militaire snit. Maar dat mensen hem afgaand op zijn uiterlijk onderschatten, dat kwam hem vaak maar wat goed uit.
'Ja, meneer. Dat zeker,' antwoordde Gildern.
'Dat hoor ik graag,' zei Beddle. De filosofie van de IJzerkoppen was de eenvoud zelve: de oplossing voor elk probleem was meer en betere robots. Het basisprodukt van robotarbeid was menselijke vrijheid. Hoe meer robots er waren, en hoe meer ze werkten, hoe vrijer de mensen waren om andere dingen te doen. Simcor Beddle geloofde - daar had hij zichzelf en heel wat andere mensen althans van overtuigd - dat de hele terravormingscrisis oplichterij was, of in elk geval niets meer dan een handig excuus om robots van burgers af te pakken en daarmee hun vrijheid te beperken.
Chanto Griegs inbeslagname van privé-robots om in het terravormingsproject te gebruiken, was verreweg het belangrijkste rekruteringsmiddel in de geschiedenis van de IJzerkoppen geweest. De mensen waren toegestroomd. De inbeslagname leek de vervulling van Simcor Beddles stoutste dromen te zijn. Het was het begin van het einde, de markering van de ineenstorting van de Ruimterbeschaving op Inferno, de volgende stap in de Blijversamenzwering om de planeet over te nemen.
Maar toen die rampen uitbleven, hadden veel van de nieuwe rekruten en veel van de oude getrouwen de organisatie de rug toegekeerd. De afgelopen vijf jaar had Alvar Kresh Griegs programma beter tot ontwikkeling gebracht dan Grieg zelf had gedaan. Kresh had vijf jaar lang een goede, solide regering gevormd; een tijd van meetbare en zinvolle vooruitgang in het her-terravormingsproject.
En, wat het ergste was, de mensen hadden ontdekt dat ze het met minder robots aankonden. De IJzerkoppen konden zo veel statistieken produceren als ze wilden, waarmee ze lieten zien hoe de levensstandaard was gedaald, hoe de inkomsten omlaaggingen, hoe de hygiëne terugliep en hoe de ongelukken toenamen. Maar op de een of andere manier leek niemand het te interesseren. Er waren beslist nog talloze mensen die op de situatie mopperden, maar zonder veel vuur. Sommigen waren geërgerd of gefrustreerd, maar ze waren niet kwaad. En de IJzerkoppen konden niet lang overleven zonder kwade mensen. 'De dingen moeten weer fout gaan,' zei Beddle, maar hij besefte meteen dat hij zich niet correct uitdrukte. Hij moest beter opletten. Zulke blunders konden grote gevolgen hebben, wanneer hij ze in het openbaar maakte. 'Nee, beter gezegd: de mensen moeten opnieuw inzien dat de dingen nu fout gaan. We hebben een beeld nodig, een symbool, een idee om de massa weer op te ruien.'
'En u denkt dat Davlo Lentrall zo'n symbool kan zijn?' vroeg Gildern. 'Of dat hij ons in elk geval zo'n symbool kan aanleveren?'
'Ik heb geen flauw idee,' zei Simcor Beddle. 'Maar hij is een mogelijkheid, en die kans moeten we grijpen.'
'Zoals u zegt, meneer. We zullen onze nieuwe vriend discreet schaduwen.'
'Mooi,' zei Beddle. 'Laten we nu verdergaan. Wat kun je me vertellen over... eh... het andere project waaraan je werkt?'
Gildern glimlachte en toonde al zijn scherpe tanden. 'Dat is natuurlijk een project op de lange termijn. Maar we vorderen gestaag met ons onderzoek, ondanks de obstakels die ons in de weg worden gelegd. Eens komt de dag waarop we kunnen toeslaan.'
Beddle glimlachte blij. 'Uitstekend,' zei hij. 'Uitstekend. Als het zover is, hoop en verwacht ik, broeder Gildern, dat onze vrienden niet zullen weten wat hen overkwam..'
'Met een beetje geluk, meneer, zullen de nieuwwetrobots niet eens lang genoeg leven om te beseffen dat hen iets overkwam.'
Beddle lachte hard, een schel, doordringend geluid waarbij Gildern zich duidelijk ongemakkelijk voelde. Maar dat was onbelangrijk. Het was goed te weten dat de IJzerkoppen andere manieren hadden om gebeurtenissen naar hun hand te zetten, ook al bezorgde Lentrall hun een heleboel hoofdpijn.
Tonya Welton voelde zich naar toen ze de samenvatting van de BBD had gelezen. Ze legde het datablad neer en keek naar het raam. De hemel werd lichter. Terwijl ze las, was de nacht in de dag overgegaan. Ze hadden zijn computerbestanden gehackt en hadden een tijdelijke analyse van hun bevindingen gemaakt. Het zou heel wat meer tijd kosten om te bewijzen dat Lentralls ideeën zouden kunnen werken, of zelfs maar redelijk gefundeerd waren. Maar Tonya was bereid het te geloven. Lentrall bracht zijn plan met dodelijke ernst, en ze twijfelde er niet aan dat 'dodelijk' een opvallend juiste benaming was voor wat Lentrall van plan was. De Ruimters in Utopia hadden geen ervaring met deze zaken. Ze konden onmogelijk begrijpen welke gevaren eraan kleefden. Eén misstap en het was met de planeet gedaan.
Ze zou iets moeten doen. Als de Ruimters werkelijk zoiets waanzinnigs van plan waren, zou ze, voordat ze eraan begonnen, iets moeten doen om het tegen te houden. Maar dat kon ze pas wanneer ze meer wist. Ze had meer informatie nodig, voordat ze in actie zou kunnen komen. Maar als deze inlichtingen klopten, zou het, tegen de tijd dat zij klaar waren, misschien al veel te laat zijn om nog iets te doen.
Ze zouden nu klaar moeten staan om in actie te komen, niet later. Ze zou bij voorbaat plannen moeten maken, en daarbij hopen dat ze nooit zouden worden uitgevoerd.
Ze reikte naar de telefoon.
Cinta Melloy, hoofd van de bbd, ging rechtop in bed zitten en gaf een klap op de audio-antwoordplaat. 'Met Melloy,' zei ze.
'Met Welton,' zei een stem midden uit de lucht.
Cinta knipperde fronsend met haar ogen. Waarom belde ze haar in godsnaam om deze tijd? 'Wat kan ik voor u doen, mevrouw?' vroeg ze.
'Schakel de codering in,' zei Welton. Er klonk een klik, gevolgd door statische ruis.
Cinta tikte haar eigen beveiligingscode in op de antwoordplaat, waarna de ruis verdween. 'Ingeschakeld,' zei ze. 'Wat is er aan de hand?'
'Ik heb zojuist het voorlopige verslag over de computerbestanden van Lentrall gelezen. Ik vind dat we alvast voorbereidingen moeten treffen, voor het geval we mochten beslissen Lentrall voor onszelf te houden.'
Cinta dacht dat ze het niet goed had verstaan, of het in elk geval verkeerd had begrepen. Welton kon toch niet echt een ontvoering in de zin hebben. 'Zeg dat nog eens?' vroeg ze.
'Ik zei dat we Lentrall misschien zelf willen hebben. Beter gezegd: misschien willen we hem, en zijn werk, bij de Infernalen vandaan houden, al is het misschien maar voor korte tijd.'
'Mevrouw Welton, dat zou waanzin zijn, volkomen waanzin. Als hij zo belangrijk is als u zegt...'
'Misschien is hij inderdaad zo belangrijk,' antwoordde Welton. 'Zoals de pest, of de ontploffing van de ster van je eigen zonnestelsel belangrijk kan zijn. Hij is een ramp die op uitbreken staat. En als er iets waanzinnig is, zijn dat zijn plannen wel. Ik wil dat u Lentrall vierentwintig uur per dag schaduwt en voorbereidingen treft om hem te ontvoeren en vast te houden. Houd u rekening met een opdracht daartoe binnen de komende paar dagen, en blijf paraat. Ik wil een plan dat we kunnen aanpassen aan zo veel mogelijk situaties. En een plan dat we binnen een uur kunnen uitvoeren.' Het bleef even stil en een ogenblik lang dacht Cinta dat Tonya Welton was uitgesproken. Maar toen ging ze verder: 'En als u dan toch bezig bent, bid dan dat we niet te laat zijn.'