4 Kou
De hemel was weer helder.
De lucht leek wat warmer - Durine voelde het snot in zijn neus niet meer bevriezen - maar het was toch nog steeds veel te verrekte koud toen ze wegreden, onder begeleiding van de aflossingstroepen van zowel Morray als Mondegreen die in LaReu moesten dienen.
Misschien zette die 'dooi' dan eindelijk in. Dat zou mooi zijn.
Het was een veel groter gezelschap dan waarmee ze naar Mondegreen waren gekomen, en dat zou het ook zijn geweest zonder het contingent van Morray: nog eens half zo veel Mondegreense troepen werden er naar de hoofdstad van het graafschap gestuurd als er terug naar huis zouden komen, al wist Durine niet waarom.
En dat ging hem ook niets aan.
Wat hem aanging, was het bewaken van baron Morray en uitkijken dat alles niet in het honderd liep wanneer Kethol en Pirojil ook vrouwe Mondegreen wilden beschermen als er zich problemen voordeden.
Bij een wegsplitsing, op verscheidene uren afstand van Verheyens veste, liepen ze heer Verheyen zelf tegen het lijf, vergezeld door een compagnie van zijn eigen soldaten en een drietal Natalse Vrij schutters.
De Vrij schutters waren, als altijd, gekleed in hun traditionele donkergrijze tuniek, donkergrijze broek en net zo donkergrijze mantel. Durine had nooit goed kunnen begrijpen waarom deze legendarische woudlopers hun kleren - en in het bijzonder hun mantels - weigerden aan te passen aan hun omgeving. Al namen Pirojil, Kethol en hij noodzakelijkerwijs zo weinig mogelijk bagage mee, hij had altijd begrip gehad voor Kethols idee dat een mantel meer was dan slechts bescherming tegen de kou, meer dan iets om in te slapen en meer dan de basis voor een brancard om een gewonde kameraad te dragen, als je bereid was je die luxe te permitteren. Alle drie zorgden ze steevast voor mantels die bij het seizoen hoorden. Zelfs iemand van Durine's omvang was in bosrijk gebied praktisch onzichtbaar als hij roerloos bleef staan met de juiste mantel om.
Aan de andere kant, aangezien het vrijwel onmogelijk was om een Vrij schutter in het oog te krijgen als die dat niet wilde, wisten ze beslist meer dan Durine. Hij richtte zijn aandacht weer op de naderende edelman.
Luke Verheyen bracht zijn paard tot stilstand. 'Gegroet, Ernest, baron Morray,' zei hij formeel.
Verheyen was een uit de kluiten gewassen man, zijn haar en baard blond tegen het ongezond witte aan, in schril contrast met zijn door de zon gebruinde huid. Zijn lippen krulden zich tot een glimlach, en de rimpeltjes bij zijn mondhoeken en rond zijn ogen zinspeelden erop dat hij veel en vaak lachte. Zijn soldaten en hij hadden hun mantels teruggeslagen, en daaronder zag Durine bruine wapenkleden, door een rood kruis in vieren gedeeld. Het enige zichtbare wapen was een gouden valk in het linkerbovenveld, op het hart. Het zwaard aan Verheyens zij was goed onderhouden en veel gebruikt, en het gevest eerder praktisch dan voor de sier. Dat was in overeenstemming met zijn reputatie als een van de gevaarlijkste zwaardvechters van het Westen.
Morray knikte terug. 'Gegroet, Luke, baron Verheyen,' antwoordde hij. 'Een koude dag om op reis te gaan.'
'Dat is het.'
De vriendelijke manier waarop ze met elkaar praatten zou de indruk hebben kunnen wekken dat de twee mannen, zo niet vrienden, dan toch kennissen waren die het tamelijk goed met elkaar konden vinden. Maar als je goed op hun ogen lette zag je dat die een heel andere taal spraken. Durine keek heel goed naar hun ogen, tot de leider van de drie Vrijschutters naar voren reed en zijn aandacht trok. De Vrij schutter, een lange, slanke man, zag er bijna absurd uit op zijn kleine pony, die beslist robuuster was dan je zou denken, te oordelen naar het gemak waarmee het dier liep.
De Vrijschutter begroette de baron, en zijn blik, dwalend over de soldaten in Morrays, Mondegreens en LaReus livrei, bleef rusten op de drie mannen die geen uniform droegen.
'Gegroet, vreemdeling,' zei hij, zijn ogen op Kethol gevestigd. Zoals gewoonlijk wekte Kethol de indruk dat hij de leiding had. 'Ik ben Grodan, van Natal. Het livrei van de anderen ken ik, maar dat van u niet.' Met zijn blik gaf hij aan dat 'u' hen drieën omvatte.
Ondanks hun formele taalgebruik deden Natalse Vrij schutters, tijdens de enkele keren dat Durine ze tegenkwam, hem altijd denken aan stadswachters - die bezagen ook iedereen met sceptische blik en visten naar details die hen geen donder aangingen.
'Mijn naam is Kethol.' Hij sloeg zijn mantel terug en toonde zijn effen groene wapenkleed. 'Ik ben in dienst van de Graaf van LaReu, evenals mijn metgezellen, Pirojil en Durine.'
Grodan knikte. 'In vreemde tijden ontmoet men vreemde lieden.'
'Inderdaad,' kwam Morray tussenbeide. 'Wij begeleiden de vrouwe Mondegreen naar LaReu, voor dezelfde baronnenraad die baron Verheyen gaat bijwonen. Oorlog voeren is belangrijk, maar het graafschap kent zijn eigen noden, en het is aan ons -'
'Werkelijk?' Verheyens glimlach werd breder. 'Ik had misschien gedacht dat ik van meer nut kon zijn op de generale stafvergadering in Yabon, maar ... ' Schokschouderend liet hij zijn stem wegsterven.
'Wel, als u denkt dat u in Yabon welkom bent,' zei Morray op vlakke toon, 'dan kunt u beter in noordwestelijke richting trekken in plaats van zuidwaarts. Met deze Vrij schutters als gids bent u vast slechts een paar dagen te laat, als u flink doorrijdt.'
'Ik denk het niet.' Verheyen spreidde zijn handen. 'Wanneer mijn mening verschilt van de zijne, heb ik altijd gemerkt dat het verstandiger is om te doen wat de graaf verlangt.'
'Neem me niet kwalijk.' Grodan trok een wenkbrauw op en boog zich voorover. 'Klopt het dat ik u hoorde zeggen dat vrouwe Mondegreen in de koets zit? Niet de baron?'
Kethol schudde zijn hoofd. 'De baron -'
'De baron is onwel,' kwam Morray tussenbeide, Kethol met een snelle blik het zwijgen opleggend. 'Hij is momenteel niet in staat om te reizen, al is het me niet geheel duidelijk wat u dat aangaat, Vrij schutter.' Durine zag er het nut niet van in de verslechterende toestand van de baron geheim te houden. Over een paar weken zou de oude man toch dood zijn, zo niet over een paar dagen al. Maar hem werd niets gevraagd. 'Het was niet kwaad bedoeld,' zei Grodan. 'Zoals ik al zei: in vreemde tijden werkt men samen met vreemde lieden.'
De Vrijschutters namen de LaReuse soldaten met niet bepaald vriendelijke gezichten in ogenschouw, ondanks het feit dat ze bondgenoten waren. Toegegeven, het bondgenootschap was geboren uit noodzaak en niet uit broederliefde. Tenslotte was het de grootvader van de huidige Hertog van Schreiborg geweest die Walinor had geplunderd en een beleg rond Natal had geslagen, in zijn pogingen de toenmalige Keshische provincie Bosanië te veroveren. In de Vrijsteden zag men het hertogdom Schreiborg voornamelijk als in die oorlog verloren gebieden. Sommige dingen werden nu eenmaal niet licht vergeten, en wrokkige mensen maakten vaak geen onderscheid tussen de ene hertog en de andere of tussen de ene generatie en de andere. Een geschiedkundige vloek, besloot Durine. Soms was kennis alleen maar tot last.
Durine kon zien dat er niet zou worden gevochten, al dan niet met tegenzin, maar anders zou het interessant zijn geweest om te zien hoeveel soldaten er door de Vrij schutters werden uitgeschakeld voordat ze zelf werden overmand. Zoals de Vrij schutter echter al had opgemerkt: in vreemde tijden werkte men samen met vreemde lieden. Dit bondgenootschap zou misschien nog een goede twee, hooguit drie dagen duren nadat de laatste Tsurani waren geëlimineerd - als dat al ooit gebeurde. Of misschien toch nog een hele week; Dunne bekeek de dingen altijd van de zonnige zijde.
'Wel,' zei Grodan, 'dan denk ik dat we u maar moesten vergezellen tot in LaReu.'
Morray knikte. 'Uw gezelschap doet mij deugd, natuurlijk, en des te meer als u gedrieën de weg vooruit wilt verkennen. Op de heenweg naar Mondegreen hebben we wat last met Tsuranese achterblijvers gehad, en het zou mooi zijn om te worden gewaarschuwd als er nog meer rondzwerven.'
Fijn voor hem, dacht Durine.
Kethol had nog nooit zo veel soldaten in LaReu gezien. En ook nog nooit zo veel edellieden of gewone mensen, overigens. Waar hij ook kwam, er was een overvloed aan wapenkleden met de meest uiteenlopende baroniewapens, al wist hij dat er maar een stuk of twaalf baronnen onder de graaf van LaReu ressorteerden. En overal waar je ging, zag je wel een edelman of diens vrouw, met zijn of haar persoonlijke lijfwacht. Voor iedere landbaron bleken er een paar hofbaronnen te zijn, wat inhield dat er tientallen jonkers, hofjonkers en andere bedienden zich van de ene plek naar de andere repten, ieder met een naar zijn idee eerbiedwaardig insigne, dat echter terstond door iedereen werd genegeerd. Eén keer was hij getuige van een handgemeen tussen twee jongemannen die toch beter hadden moeten weten in plaats van te vechten over wie er als eerste door de deur van een herberg mocht. De LaReuse stadswacht kwam langs, eerder geamuseerd dan geërgerd, met duivels genoegen de twee jonge 'edellieden' tot de orde roepend.
Kethol zorgde ervoor bij hen uit de buurt te blijven. Hij was voor de rest van zijn leven al genoeg in aanraking met de adel en hun verwaten bedienden geweest, en dat allemaal in een enkele week.
Om de zaak nog ingewikkelder te maken, was het op tweedag markt in LaReu, en doordat de oorlogsinspanningen tijdelijk wat waren afgenomen, was het druk op de marktpleinen, ondanks de kou. In de benedenstad wemelde het van de kooplieden die alles verkochten wat Kethol zich maar kon voorstellen - behalve huurlingendiensten en verse waren. Voor de laatste moest je wachten op het voorjaar, en als er brave LaReuse burgers waren die de diensten van mensen als Kethol, Pirojil en Durine wensten te huren, dan konden ze maar beter niet op de stadsmarkten gaan zoeken.
Vlak bij het stalletje van een rondreizende hoefsmid stond een kippenboer zijn waren aan te prijzen. De dieren in hun tenen manden maakten klokkende geluiden van protest tegen de kou. Er hingen er ook geplukt en schoongemaakt aan haken, stijf bevroren, en een paar draaiden aan een spit boven een vuurtje. Met die laatste deed de hoefsmid uitstekende zaken, want de geuren van vlees en knoflook wrikten de beurzen even vlot open als een goede zakkenroller, en slechts een ijzeren zelfdiscipline en de zekerheid dat hem in de veste een warme maaltijd wachtte, weerhield Kethol ervan zelf van een paar koperstukken te scheiden.
Anderen lieten zich niet zo gemakkelijk beteugelen. Een lijvige soldaat, met zijn mantel teruggeslagen om het wapen van Verheyen op zijn wapenkleed te laten zien, werkte zich met de ellebogen een weg langs een paar mannen van Benton, en als de wacht niet zo voltallig was uitgerukt, zou het zeker zijn uitgelopen op een vechtpartij, ondanks de kou.
Maar de wacht liep alweer verder, zodat de Verheyense man uiteindelijk zijn weg vervolgde, knagend aan een kippenpoot je, terwijl de mannen van Benton de andere kant op gingen met twee gebraden borststukken en twee mandjes met eieren die erop wezen dat ze door iemand om een boodschap waren gestuurd.
Bij de poort van de veste werd Kethol herkend, en nadat de lijst was geraadpleegd - huurlingen gingen niet zomaar naar believen het LaReuse kasteel in en uit - werd hij toegelaten tot de hof rondom de veste, grotendeels bestaande uit het exercitieterrein, dat hij overstak om via het modderkamertje de hal van de westelijke vleugel te betreden.
Daar werd hem de weg versperd door de sergeant die aan het hoofd van de kasteelwacht stond. 'Ik heb op jou gewacht,' zei hij. 'Je bent laat.'
'Ja, weet ik,' zei Kethol terug. 'Ik kom de anderen aflossen, bij het verblijf van de penningmeester. Maar dat is iets tussen mij en Pirojil en Durine. Niet kwaad bedoeld, hoor, maar daar hebt u tenslotte geen last van.'
Net als de meeste baronnen onder de Graaf van LaReu had Morray een kleine residentie in de hoofdstad van het graafschap. Ook in vredestijd brachten de baronnen regelmatig een bezoek aan de stad voor hun bezigheden buiten het verzinnen van manieren om nog meer belastingen uit de pacht- en vrijboeren te wringen - wat hun volgens Kethol de meeste tijd en moeite kostte - hoewel dat misschien niet eerlijk was. Kethol probeerde eerlijk te zijn, in ieder geval binnen de beslotenheid van zijn gedachten. Er waren nog andere redenen om LaReu te bezoeken. Al vroeg in de oorlog waren twee van de drie speelhuizen in de stad gesloten, maar behalve de politieke hoofdstad was LaReu ook nog steeds de culturele hoofdstad van het graafschap, en het was best te begrijpen dat de adel verscheidene redenen had om hier tijd door te brengen.
Behalve zijn huis aan de Zwarte Zwaan straat had Morray ook een kleine suite in de veste van de graaf, waarschijnlijk vanwege zijn positie als penningmeester en omdat hij een van de weinige mensen was die het geheim van het slot op de kluisdeur kende. Goud en zilver waren gewilde artikelen, en als er een edelman zo gek was om zomaar iedereen toe te laten tot de kluis of de grootboeken, dan zou Kethol maar wat graag zijn naam vernemen. Dan was hij de eerste die zich opgaf om de hele nacht voor de kluisdeur op wacht te staan. Eén nacht lang.
De sergeant schudde zijn hoofd. 'Die andere twee mogen nog even op hun luie reet voor de deur blijven zitten terwijl baron Morray een dutje doet.' Het leek erop dat ze bij de kasteelwacht al even populair werden als ze in Mondegreen waren geweest. 'De zwaardmeester wil je spreken,' vervolgde de sergeant. 'Is je dat bij de poort niet verteld?'
Er deden zich in het leven veel prachtige gelegenheden voor waarbij je maar beter je mond kon houden. Als me dat bij de poort was verteld, stond ik nu niet hier, wel? zei hij dus maar niet. Je maakte zo al genoeg vijanden met dit beroep, en Kethol had geen zin om er daar nog meer aan toe te voegen. 'Nee, er is mij niets verteld,' antwoordde hij uiteindelijk.
De sergeant fronste zijn wenkbrauwen. 'Hart, breng jij de vrijbuiter even naar het Arendsnest,' zei hij tegen een slungelige soldaat met een stiekeme oogopslag. 'Hij schijnt de weg niet te weten.'
Kethol volgde de soldaat de gang door en de wenteltrap op naar het Arendsnest. Erg diep in de problemen konden ze met zijn drieën niet zijn, besloot hij, want dan zouden ze bij de hoofdpoort wel door een eenheid troepen zijn opgewacht.
De soldaat gaf een korte klop op de deur en deed hem toen zonder vragen open.
'Ah,' zei Steven Argent, opkijkend van de papieren op zijn schoot, 'daar is de laatkomer Kethol dan eindelijk.' Hij grijnsde. 'Ik vreesde al dat ik er een patrouille op uit zou moeten sturen om je te zoeken.'
Steven Argent wierp even een blik op Fantus. De vuurvaraan had zich uitgestrekt voor de haard, met zijn vleugels gespreid om zo veel mogelijk warmte op te vangen. Het kasteel was waarschijnlijk veel te tochtig naar zijn zin, maar hij had niettemin een gemakkelijk plekje gevonden, voor voorlopig tenminste, en een gemakkelijk plekje had Kethol ook best willen hebben terwijl hij daar stond, niet helemaal in de houding.
'Fantus hier,' vervolgde de zwaardmeester, 'is juist het tegenovergestelde van jou. Die is veel makkelijker te vinden, vlak voor mijn voeten, bij mijn haardvuur. Hij krijgt het nog steeds voor elkaar om naar beneden te komen van de valkerij zolder waar hij thuishoort, en het lukt me maar niet om hem buiten te sluiten. Als hij niet het huisdier was van hertog Borrics magiër, zat Fantus allang buiten in het woud, hoe koud het ook is.'
Het draakje bewoog even, alsof hij het dreigement begreep, richtte even een onheilspellend oog op Argent en deed het weer dicht, tevreden met zijn lot. Kethol wist nu zeker dat Fantus in een vorig leven de schootkat van een of andere rijke dame was geweest.
Argent veroorloofde zich een meewarig glimlachje. 'Of hoe gewend ik ook aan hem ben geraakt.' De zwaardmeester keek op. 'Zo makkelijk was jij niet te vinden.'
Kethol wist nog net te voorkomen dat hij zijn schouders ophaalde. 'Het spijt me dat ik de zwaardmeester tot last ben geweest.' Hij hoopte maar dat het de goede woorden waren en haalde opgelucht adem toen Steven Argent de kwestie wegwuifde.
'Nee hoor, helemaal niet. Geef me even een momentje.' Steven Argent wees Kethol naar de andere stoel bij de haard. 'Laat ik dit verslag eerst maar even afmaken nu het nog allemaal in mijn hoofd zit.' Hij boog zich weer over de papieren op zijn schoot. 'Het is triest dat een eerlijk zwaardmeester zich moet bekommeren om alle vervelende details die het besturen van een graafschap met zich meebrengt. Ik zal bijna net zo blij zijn wanneer de hertog en Kulgan terugkomen om Fantus op te halen als wanneer de graaf terug is zodat ik weer aan mijn normale taken toekom.'
Langzaam liet Kethol zich in de hem aangewezen stoel zakken, met een nerveus oog op Fantus gericht.
'Hij houdt ervan als je hem achter zijn oogranden krabt,' zei Steven Argent zonder op te kijken van zijn papieren. 'Je zou dan haast denken dat hij ging spinnen.'
'Als u het niet erg vindt,' verontschuldigde Kethol zich, 'dan hou ik mijn handen liever bij me.'
'Ik vind het niet erg,' reageerde Argent, nog steeds zonder op te kijken, 'maar Fantus kan daar andere ideeën over hebben.'
Alsof hij de zwaardmeester had gehoord en verstaan, kronkelde Fantus naar Kethol toe en bood hem zijn kop aan.
Zo dicht bij een vuurvaraan was Kethol nog nooit geweest. Jaren geleden had hij eens een zwerm jonkies gezien, tijdens een andere oorlog, niet zo koud, maar met veel meer modder, en hij had genoten van de heldere kleuren aan de hemel, die immers een vroege voorbode van de lente waren. Van draken, grote en kleine, werd Kethol altijd zenuwachtig, en hij was niet van plan er dichter dan een langboogschot bij in de buurt te komen. Hun ogen schenen te veel te zien: sommige lieden beweerden dat draken konden praten als mensen, maar Kethol voelde er niet veel voor om bij wijze van experiment een gesprek aan te gaan. En ook al konden ze niet praten, Kethol was er vast van overtuigd dat het intelligente beesten waren; deze was in ieder geval slim genoeg om zich tijdens een koude winter toegang te verschaffen tot de warme kamer van de zwaardmeester en de keuken van de graaf.
Fantus strekte zijn lange nek uit om Kethol even aan te kijken en spreidde toen zijn brede vleugels weer uit voor het laaiende haardvuur.
Met tot spleetjes toegeknepen ogen loerde Kethol naar het draakje. Toen stak hij aarzelend een hand uit en krabde op de plek die de zwaardmeester had genoemd. Het dier rekte zijn nek wat uit en ontspande zich, met een tevreden, bijna zalige uitdrukking die precies aansloot bij Kethols theorie over de gereïncarneerde kat.
Eindelijk legde Steven Argent zijn stapel papieren neer op het tafeltje rechts van hem - uit de buurt van zowel de vuurvaraan als het haardvuur - en leunde achterover in zijn stoel. 'Wel, ik heb gehoord dat je een brief voor me hebt, en eentje voor de graaf.'
Gehoord? Van wie- O.Vrouwe Mondegreen, natuurlijk. Hij probeerde niet al te nadrukkelijk de lucht op te snuiven van de haar zo kenmerkende patchoeli en mirre.
'Ja, dat klopt,' zei Kethol.
'Nou, voor de draad ermee, man.'
Kethol hield op met de vuurvaraan krabben, maakte zijn buidel open en overhandigde beide brieven. Dat de ene aan de graaf in plaats van aan de zwaardmeester was geadresseerd, was iets wat de zwaardmeester en de graaf zelf mochten uitvechten wanneer Kethol, Pirojil en Durine weg waren, dacht hij.
In verdacht weinig tijd had Steven Argent ze gelezen. Of hij kon erg snel lezen, of de inhoud van de brieven was hem reeds bekend - of, hoogstwaarschijnlijk, allebei.
Hij legde de brieven op zijn schoot, klopte erop en knikte. 'Naar het schijnt heeft baron Mondegreen sympathie voor jullie opgevat - en voor jou in het bijzonder.' Hij glimlachte even. 'Van de legerpenningmeester kan ik echter niet bepaald hetzelfde zeggen, hoewel deze brief van baron Mondegreen een ander licht laat schijnen op baron Morrays klachten dat jullie drieën hem in zijn slaap hebben gestoord.'
'Ik -'
'We laten die kwestie gewoon verder rusten.' Steven Argent glimlachte weer. 'Ik zal baron Morray hetzelfde zeggen als hij het opnieuw ter sprake brengt. Hij zal vast niet -'
Hij werd onderbroken door een klop op de deur. De zwaardmeester wachtte even, alsof hij verwachtte dat de deur openging, en zei: 'Nou, kom dan binnen, Ereven.'
De huisknecht had een dienblad vol met broodjes, een fles wijn en twee glazen op zijn ene hand en een sombere uitdrukking op zijn gezicht. 'Ik dacht dat u wellicht enige verfrissingen beliefde, heer.'
De zwaardmeester knikte. 'Liever werkte ik me in het zweet in het oefenlokaal, maar ik kan beter maar iets eten.' Hij gebaarde naar de lage tafel tussen de twee stoelen. 'En als Kethol hier het aanbod van goed voedsel en wijn afslaat, dan zou hij de eerste zijn.'
Ereven zette het dienblad neer en schonk wijn voor hen beiden in, terwijl Steven Argent, het gebruik van een bord versmadend, een stuk brood afscheurde en een hap nam alvorens een stuk kaas af te snijden en Kethol te beduiden hetzelfde te doen.
Dat deed Kethol, trekkend aan de nog warme, dikke korst. Het was alweer veel te lang geleden sinds hij had gegeten. Het verse brood dat aan zijn meerderen in het kasteel werd geserveerd, was van betere kwaliteit dan de eenvoudige, dikke bruine broden die onder de manschappen werden uitgedeeld, wist hij, maar dit was ronduit verrukkelijk en overtrof zijn verwachtingen. Zoals zijn vader vaak had gezegd: honger was verreweg de pikantste en smakelijkste aller sauzen.
De huisknecht bleef geduldig staan wachten, zijn handen voor zijn buik gevouwen.
'Ereven,' zei de zwaardmeester, 'eten lukt ons zelf wel, je hoeft hier niet te blijven hangen.'
De bediende glimlachte bijna. 'Zoals u wenst, zwaardmeester.' Hij maakte een buiging. 'Hebt u verder nog iets nodig voordat het avondmaal wordt opgediend?'
'Ik red me wel, denk ik,' zei Steven Argent. 'Doe alsjeblieft de groeten aan Becka, en ook aan je dochter.'
Hij wendde zich tot Kethol en schudde zijn hoofd toen de deur achter de bediende was gesloten. 'Zijn dochter, Emma, begint al dikker te worden,' zei Argent zachtjes, alsof de huisknecht het kon horen. 'De vader is vast iemand van de wacht, aangezien alle jongemannen in de huishoudstaf doodsbang zijn voor Ereven en een edelman zich al bekend zou hebben gemaakt om een regeling voor de bastaard te treffen. Dus wordt het mijn probleem als de soldaat bij naam wordt genoemd.' Hij zuchtte. 'Het meisje doet haar mond niet open, maar ik heb nu nog geen zin haar onder druk te zetten. De graaf kan dat veel beter dan ik. Als hij me vertelt wat hij wil dat er gebeurt, kom ik er wel achter wie die hersenloze pummel is en zorg ik dat hij doet wat de graaf verlangt.' Hij keek kwaad, nam nog een hap van zijn brood met kaas en leegde met één lange teug zijn wijnglas. 'Wel, dat smaakt na zo'n dag, hè?' Hij keek weer naar de deur, als iemand die ondanks zichzelf weer aan een insectenbeet krabt. 'Het gerucht gaat dat ik de vader ben.' Hij leunde weer achterover en slaakte een zucht.
Het kwam Kethol voor dat hij zich in de ongebruikelijke positie bevond van iemand aan wie dingen werden verteld die hij liever niet hoorde omdat hij voor de verteller van geen enkele betekenis was - dezelfde reden waarom soldaten praten tegen kroegbazen, barbiers en de vreemdeling die naast hen zit vlak voordat ze deserteren. Afhankelijk van plaats en omstandigheid zou Kethol gewoonlijk ofwel de spreker vertellen met zijn verhaal naar een ander te gaan ofwel net doen of hij beleefd luisterde terwijl hij de idioot volstrekt negeerde, maar gezien het gezelschap waarin hij zich momenteel bevond, besloot Kethol dat het geen kwaad kon om af en toe te knikken en zijn mond vol brood met kaas te houden zodat hij geen ongelegen opmerking kon maken.
'En dat ergert me in niet geringe mate,' vervolgde Argent. Je zou toch denken dat zelfs deze Westerlingen wel weten dat een Oosters heerschap zijn verantwoordelijkheden voor het meisje en de bastaard op zich zou nemen.' Hij schudde zijn hoofd.
Kethol zei niets. Adellijke verantwoordelijkheden waren de problemen van edellieden, niet van hem. Trouwens, zijn mond zat vol brood met een bijzonder pikant en verrukkelijk kaasje. Toen hij zag dat de zwaardmeester een soort respons van hem verwachtte, kauwde Kethol vlug en slikte de hap door. 'U had het over baron Mondegreen toen de huisknecht binnenkwam.'
'Dat klopt.' Toen hij merkte dat Kethol zijn mond met geweld had leeggeslikt opdat hij kon antwoorden, zei Argent zacht: 'Drink je wijn. Hij is niet zo goed als in Ravensburg of Rillanon, maar wel goed genoeg voor bij die kaas.'
Kethol dwong zichzelf een slokje te nemen in plaats van het glas in een keer achterover te slaan, zoals hij had gewild. De wijn was zeker het proeven waard, maar volgens Kethols manier van denken dronk je wijn op een koude dag om het van binnen warm te krijgen, en hoe eerder het spul binnen zat, des te eerder kon het zijn werk doen.
Steven Argent wachtte nog steeds op wat Kethol zou gaan zeggen.
'Ik. .. mocht baron Mondegreen wel,' zei Kethol tenslotte. 'Het leek me een aardige man.'
Steven Argent knikte. 'Ja, dat is hij ook.' Hij klopte weer op de brieven op zijn schoot. 'Dit zijn natuurlijk niet de enige brieven die mee terug uit Mondegreen zijn gekomen, zoals je ongetwijfeld hebt begrepen. Pater Kelly is van mening dat hij binnen een paar weken zal overlijden, ook al blijft hij in bed, en als hij zo gek was geweest om met dit weer op reis te gaan, zegt de pater, zou je alleen zijn lijk in LaReu hebben afgeleverd.' Hij wachtte niet op commentaar. 'Jullie hebben Morray in leven weten te houden, en dat was jullie opdracht.'
Kethol knikte.
'Heb je behalve de aanval van de Tsurani nog iets gezien van iemand die hem naar het leven stond?'
Kethol schudde zijn hoofd. 'Hoegenaamd niet. Hij en baron Verheyen leken bijna dikke maatjes, en -'
'Ze verachten elkaar. Als ze beiden azen op het graafschap, wil dat nog niet zeggen dat ze gek zijn.' Argent zweeg even en voegde er toen aan toe: 'Integendeel, zelfs.'
'Het graafschap, mijn heer?' vroeg Kethol. 'Is er iets gebeurd met de graaf?' Dat zou hij toch zeker hebben gehoord?
'Nee.' Steven Argent schudde zijn hoofd. 'Met graaf Vandros is alles goed. Maar het is een publiek geheim dat hij gaat trouwen met Felina, de dochter van de hertog - al zou ik het bij hem maar niet ter sprake brengen, hij reageert verrassend geprikkeld op dat onderwerp. Aangezien de Hertog van Yabon geen zoon en erfgenaam heeft, wordt Vandros de volgende Hertog van Yabon. De koning benoemt natuurlijk zijn opvolger hier, maar daar heeft Vandros een behoorlijk woordje in te zeggen. Morray is penningmeester, dat voordeel geniet hij, maar Verheyen heeft zich in de oorlog onderscheiden - een gevaarlijker zwaardvechter is er in het Westen niet - dus als militair leider heeft hij een streepje voor. Aldus wedijveren Morray en Verheyen als razenden om de gunst van de graaf. En met herrie schoppen kom je niet bepaald bij Vandros in de gunst.' Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Het verbaast me dat je dat nog niet wist.'
Met enige moeite voorkwam Kethol dat hij schokschouderde. 'Voor kazerneroddels heb ik me nooit zo geïnteresseerd.' Wat niet helemaal waar was; je kon een hoop te weten komen van geroddel in de kazerne, maar Kethol had altijd veel meer belang gesteld in alledaagse aangelegenheden zoals, om maar iets te noemen, hoe kwistig een bepaalde kapitein met zijn manschappen omsprong of welk dienstmeisje in het bijzonder vriendelijk was, dan in hoogstaander zaken als opvolgingskwesties.
Ja, iedereen kende de geruchten over het hof, over een vete tussen Gys van Bas- Tyra en hertog Borric, en er werd wel gefluisterd dat de koning knettergek zou zijn, en dat prins Erland op sterven lag of zelfs al dood was, door Gys' toedoen - maar dat deed er allemaal niet zo veel toe als je je druk maakte over de vraag of de Torren wel of niet aan de andere kant van de heuvelkam stonden om je aan mootjes te hakken. Het was genoeg om te weten dat de mensen die de beslissingen namen in Yabon vergaderden. Hoe verraderlijk de politiek hier in LaReu ook kon zijn, daar was het allemaal vast nog veel erger, en Kethol had altijd al gevonden dat het verschil tussen slecht en slechter veel duidelijker was - en hem veel eerder fataal kon worden - dan het verschil tussen goed en beter.
'En ik neem aan,' zei Steven Argent, 'dat jullie graag weer in dienst willen bij Tom Garnett?'
'Mijn heer?'
'Tom Garnett - ik neem aan dat jullie weer bij zijn compagnie willen?'
Naar Kethols idee hadden ze Tom Garnetts compagnie nooit echt verlaten; ze hadden alleen maar een bijzondere opdracht gekregen, net zoals toen Tom Garnett hen op verkenning had gestuurd tijdens een luwte in de gevechten tegen die door de goden vervloekte Torren. Nu hij erover nadacht, was dat waarschijnlijk het moment waarop Tom Garnett had besloten dat Kethol de leider van hen drieën was - en bij dat soort dingen was hij dat in feite ook, aangezien hij de zoon van een boswachter was.
'Eigenlijk, mijn heer,' begon Kethol, 'hebben we er met zijn drieën over gesproken, en we zijn tot de slotsom gekomen... wel, hebben besloten dat we graag nu betaald willen worden en naar Ylith gaan, om daar op de dooi te wachten.'
De zwaardmeester trok een wenkbrauw op. 'Met dit weer?' Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd. 'Het is bitter koud, en dat wordt vermoedelijk alleen maar erger. Ik heb Grodan gesproken en die zegt dat er weer storm op komst is - erger dan de vorige keer - en Vrijschutters hebben een nog beter gevoel voor dat soort dingen dan magiërs. Volgens mij wordt het niet zo erg als Grodan vermoedt, maar helemaal zeker ben ik daar ook weer niet van. Zeker niet genoeg om op reis te zijn als het noodweer toeslaat.'
'Maar-'
'Als Grodan gelijk krijgt, worden jullie halverwege Ylith overvallen door een sneeuwstorm en duurt het tot het voorjaar voordat het gaat dooien.'
Het verwonderde Kethol niet dat Steven Argent al wist dat ze naar het zuiden zouden gaan als ze waren betaald. Dat was de meest voor de hand liggende keus als je klaar was met vechten en op zoek ging naar warmer weer.
'Goud en zilver zijn mooie dingen,' vervolgde de zwaardmeester, 'maar je kunt ze niet verbranden om je eraan te warmen. Dan toch liever een warm bed en warme maaltijden veilig binnen de stadsmuren tot het voorjaar, niet?' Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Trouwens, ik maak me nog steeds zorgen over baron Morray, en ook als ik niet de uitdrukkelijke opdracht van graaf Vandros had om zijn veiligheid te garanderen, dan nog zou ik graag zien dat jullie op hem pasten.'
Ja, Pirojil en Durine hadden tot in de kleinste details uitgelegd waarom de zwaardmeester dat graag zag. Maar daar kon Kethol het nu maar beter niet over hebben, en waarschijnlijk was het verstandiger en veiliger om te doen alsof hij van niets wist.
'Nou,' zei hij, 'door iedere dag één op drie te doen, hebben we tot nog toe goed op de baron kunnen letten, dat geef ik toe, maar -'
'Jullie hebben kapitein Garnett gevraagd anderen aan te wijzen om zijn kamers te bewaken terwijl hij sliep.' De zwaardmeester knikte goedkeurend. 'En, was dat uit doortastendheid, of vertrouwen jullie gewoon niemand anders?'
Nu haalde Kethol toch zijn schouders op. 'U hebt ons gezegd de baron te beschermen, en dat hebben we gedaan.'
'En dat hebben jullie goed gedaan. De baron leeft nog steeds en zit met zijn neus in zijn grootboeken, zoals het hoort.' Argent knikte nogmaals ter goedkeuring. 'En daarom wil ik jullie op die post houden, in ieder geval totdat hij mijn stad uit is of totdat het naderende noodweer voorbij is, net wat het langst duurt.' Hij spreidde zijn handen. Jullie zijn vast niet zo gek om er met zulk weer op uit te trekken als je niet hoeft, en je hoeft niet. Trouwens, de graaf moet misschien nog meer huurlingen aantrekken voordat deze pokkenoorlog is afgelopen - en ik zou niet graag zien dat er werd rondgebazuind dat we drie man hebben uitbetaald en de kou in hebben gestuurd, wat hen noodlottig werd. Niet zo goed voor de werving.'
Kethol schudde zijn hoofd. Hij begreep best dat dat laatste een grap was. De dood van huurlingen was nauwelijks van invloed op de werving, tenzij die te wijten was aan stomme streken van de kant van de bevelvoerders. Het ging om het goud, altijd en eeuwig. Desondanks beantwoordde hij de grap alsof het iets serieus was. 'Wij zouden er niets over zeggen, heer. We zouden niet eens kunnen.'
Argent bleef glimlachen, maar zijn glimlach werd kil. 'Het wordt pas zorgelijk als uitlekt dat jullie per se wilden worden uitbetaald en LaReu verlieten met storm op komst. Dat zet de tongen in beweging en wekt argwaan. Dat zou een hele stormloop in beweging kunnen zetten - voordat je het weet, loopt het uit de hand.' Hij schudde zijn hoofd. 'Al met al lijkt het me beter voor alle betrokkenen, jullie inbegrepen, dat jullie blijven - in ieder geval tot zowel de storm als de raad achter de rug zijn.' Hij keek Kethol aan. 'Laat me hier nou niet op aandringen.'
'U wilt toch niet zeggen dat we ons geld niet kunnen krijgen, mijn heer?'
'Nee.' De zwaardmeester schudde zijn hoofd. 'En laat ik niet horen dat ik op iets dergelijks zou hebben gezinspeeld.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en hief een vinger op. 'Wat ik wil zeggen, is dat ik niet in de stemming ben om een zinloze opstand onder de huurlingen de kop in te drukken, en dat is precies wat er kan gebeuren als jullie drieën in een taveerne rond het haardvuur gingen zitten klagen dat de zwaardmeester je niet meteen wilde uitbetalen.'
'Mijn heer, ik -'
Met een opgeheven hand legde Argent hem het zwijgen op. 'Als jij met je vrienden bij baron Morray op de deur gaat kloppen om je betaling op te eisen, zal hij de grootboeken openslaan om te zien wat jullie toekomt en zal hij de kluis in de kerker openen om jullie drieën elke reaal en elk koperstuk te betalen die jullie te goed hebben. Ik zeg dus niet dat jullie niet betaald kunnen krijgen. Maar ik zeg wel dat dat op dit moment geen goed idee zou zijn.' De blik van de zwaardmeester was nog killer dan de wind die het Arendsnest binnendrong, ondanks zijn glimlach -of misschien wel dankzij.
'En wat de baron betreft,' vervolgde hij, 'ik zal kapitein Perlen opdracht geven wachten bij zijn kamers in het kasteel te zetten, zodat jullie wat tijd vrijaf krijgen, in ieder geval zolang de baron slaapt. In zijn bed zal hij geen gevaar lopen, maar de rest van de tijd wil ik dat jullie drieën hier zijn om hem tegen alle mogelijke incidenten te beschermen. In ieder geval totdat de raad is afgelopen en de storm is gaan liggen.'
Argent schonk voor hen beiden nog een glas wijn in en hief het zijne. 'Mochten we hier zonder kleerscheuren doorheen komen, dan zal de graaf uiteraard geen bezwaar hebben als ik zijn waardering toon met een aanzienlijke bonus boven op jullie afgesproken betaling. Net zoals ik ervan uitga dat jullie je trouw best willen tonen door dit hele gesprek tussen ons vieren te houden.' Zijn glimlach werd zowaar vals. 'Heb je daar een probleem mee, Kethol?'
'Wat heb je gezegd?' Pirojil deed zijn ogen dicht en schudde zijn hoofd. 'Ik heb ja gezegd, dat we zouden blijven, in ieder geval tot de raad en de storm achter de rug zijn,' antwoordde Kethol. 'Tot de raad óf de storm, zei ik eerst nog, maar hij stond erop.'
Durine rolde met zijn ogen. 'Dus nou moeten wij hier kindermeisje spelen voor de baron en krijgen we nog de schuld ook als het hem en Luke Verheyen lukt elkaar aan het zwaard te rijgen.'
Pirojil haalde zijn schouders op. 'Nou ja, geen man overboord. We hoeven alleen maar wat langer hier te blijven, dat is alles.'
'Vind jij het dan leuk?' Met gefronste wenkbrauwen keek Durine hem aan.
'Nee, dat niet. Maar we kunnen ermee leven, voorlopig tenminste. En ik neem het Kethol ook niet kwalijk, al kom ik wel in de verleiding.' Durine keek hem vragend aan.
'Zo te horen heeft Steven Argent hem niet veel keus gelaten,' voegde Pirojil eraan toe.
'Dat klopt,' beaamde Kethol.
Weer haalde Pirojil zijn schouders op. 'Voor hetzelfde geld was ik het geweest die naar de zwaardmeester was gegaan om te vragen om onze wedde. Iemand moest het tenslotte doen.' Hij zweeg even en vervolgde toen: 'Ik had kunnen weten dat Argent niets van ons vertrek zou willen horen.'
Durine keek verbaasd. 'Dus ook al hebben we geen keus, het geeft niet omdat het alleen maar voor iets langer is?'
'Nee,' antwoordde Pirojil.
Nu was Durine pas echt verbaasd. 'Wat is dan het probleem?'
'Het probleem is dat het goed gaat, dat is het probleem.'
'Het probleem is dat er geen probleem is?'
Pirojil knikte. 'Juist. Zolang alles goed gaat, wil hij er niets aan veranderen. Hij zit per slot van rekening alleen maar tijdelijk in de stoel van de graaf. Het is niet dat Steven Argent is benoemd tot Graaf van LaReu. Hij wil alleen dat graaf Vandros terugkomt in een stad waar niets veranderd is - en als het tijd wordt om de huurlingen af te danken, doet Argent dat niet zelf maar laat hij dat liever over aan de graaf.' Hij haalde zijn schouders op. 'Voor zover hij weet - voor zover wij weten - wordt er bij de generale stafvergadering in Yabon besloten om het grootste deel van de LaReuse strijdmacht naar Stenenberg in het noorden, naar Caldara in het westen of naar Tith-Onanka mag weten waarheen te sturen. Het zou toch knap beschamend zijn - voor zowel de graaf als de zwaardmeester - als de hertog besluit om de troepen van de graaf in te zetten, en Vandros komt terug om te ontdekken dat de zwaardmeester alle huurlingen heeft uitbetaald die de Graaf van LaReu zojuist aan de hertog heeft beloofd.'
Pirojil schudde zijn hoofd. 'Onderschat die zwaardmeester niet, en trap ook maar niet in die ik-ben-maar-een-zwaardvechter-praat. Hij is niet zomaar soldaat of duellist, maar ook politicus, en zo moet hij ook denken. Daarom heeft Vandros hem ook de leiding gegeven.'
'Het bevalt me niets,' zei Durine. 'Ik weet niet of ik dat gedoe met die sluipmoordenaar wel geloof, maar -'
'Maar daar gaat het helemaal niet om.' Pirojil trok zijn schouders op. 'Voor zover ik van de zwaardmeester heb gehoord, lijkt het mij dat er een hele rits ongelukken nét niet zijn gebeurd, en ik denk dat de graaf en hij op zoek zijn naar een samenzwering die er helemaal niet is - net zoals Kethol dat gerollebol van baron Morray met dat dienstmeisje voor iets anders hield.'
Kethols oren begonnen te gloeien toen hij aan dat beschamende moment terugdacht. 'Maar wat doen we dan nu?' vroeg hij. 'We kunnen niet weg...'
'Omdat jij hebt gezegd dat we zouden blijven? Dat adellijke gedoe ga je toch niet overnemen, hè?'
'Nee, maar -'
'Ssst.' Pirojil dacht even na en schudde zijn hoofd. 'Met beloften heeft het niets te maken. Als we weg willen, kunnen we maar beter stilletjes onze spullen pakken en naar buiten rijden. Na de waarschuwing van de zwaardmeester zou het niet verstandig zijn om de baron om onze voile wedde te gaan vragen. Misschien kunnen we wat zakgeld lospeuteren via kapitein Garnett - en misschien moesten we dat hoe dan ook doen, voordat hij zich gaat afvragen waarom we dat nog niet hebben gedaan - maar meer ook niet. Als we naar de baron stappen en er gaat iets mis, krijgen wij de schuld. Heeft een van jullie daar soms zin in? Weggaan zonder ons geld?'
'Nee.' Durine aarzelde geen moment. 'Als we weggaan, nemen we ons geld mee.'
'Of we kunnen de verliezen tot een minimum beperken en maken dat we wegkomen,' wierp Pirojil tegen.
'Meen je dat, of zeg je dat alleen maar om te zien of ik hap?'
Pirojil liet een van zijn zeldzame glimlachjes zien. 'Misschien allebei een beetje. Nou, wat doen we? Weggaan?'
'Nee.' Durine schudde beslist zijn hoofd. 'Ik heb al nee gezegd. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen? Kethol?'
'Ik heb de zwaardmeester al gezegd dat we zouden blijven.'
'Ja,' kaatste Pirojil terug, 'maar dat was omdat hij het je vroeg. Nu ben ik het die de vraag stelt. Blijven of weggaan?'
Kethol stond het idee om zonder hun betaling te vertrekken evenmin aan. Ze hadden een mooi bedrag aan contanten weten te verzamelen, met wat ze van de doden hadden geplunderd en wat hij had kunnen winnen met gokken en weggrissen tijdens de kroeggevechten, om nog maar te zwijgen van de buidel die hij van baron Mondegreen had gekregen, maar de Graaf van LaReu betaalde goed - en al dat goud en zilver achterlaten, hield in dat ze binnenkort op zoek moesten naar een nieuwe werkgever. Trouwens, het hele idee gaf hem geen goed gevoel. Met Morray had het ook niets te maken - de baron liet Kethol hoegenaamd koud - maar die kwestie met vrouwe Mondegreen maakte het er evenmin gemakkelijker op. Hij had haar man zo ongeveer beloofd dat hij op haar zou letten, en haar in de steek laten - wel, dat gaf hem ook geen goed gevoel.
'Blijven,' zei Kethol uiteindelijk. Hij zuchtte. 'Die bonus is er ook nog.'
Verdomme. Misschien was hij inderdaad dat adellijke gedoe aan het overnemen.