1 Laat
Het was een donkere en stormachtige avond.
Durine vond het prima. Niet dat de godin Kilian, wier terrein het weer was, hem naar zijn mening vroeg. Net zo min als alle andere goden - of stervelingen, overigens.
In zijn meer dan twintig jaar lange loopbaan als soldaat - voor koning en vaderland en als huurling - en in de tijd die hij zich maar vaag herinnerde, van voordat hij zwaard en boog ter hand had genomen - hadden leidinggevenden Durine nooit om zijn mening gevraagd alvorens een besluit te nemen.
En dat vond hij ook prima. Het mooie van het soldatenleven was dat je je kon concentreren op de kleine maar belangrijke beslissingen, zoals de plek waar je de punt van je zwaard naar toe bracht. De grote beslissingen kon je overlaten aan anderen.
Hoe dan ook had het gewoon geen zin om bezwaar te maken: met klagen werd het niet warmer, met mopperen hield je een natte sneeuwbui niet tegen, en met schelden voorkwam hij ook niet dat het ijs zich hechtte aan het zeildoek van zijn allengs zwaarder wordende overjas waarin hij, half verblind door de vallende sneeuw, door de modderige straat liep.
Modder.
Modder leek bij LaReu te horen als zout bij vis.
Maar ook dat vond Durine prima. Ploeteren door de half bevroren modder hoorde gewoon bij het vak, en het was hier nu tenminste alleen maar dit vieze slijk, niet het afschuwelijke soort modder dat je kreeg als de grond nat werd van bloed en stront van stervenden. Nee, de aanblik en vooral de stank van dat soort modder deden zelfs Durine kokhalzen, en hij had er in zijn tijd meer dan genoeg van gezien.
Wat hij niet prima vond, was de kou. Het was verdomme nog steeds veel te koud. Hij voelde geen kou en pijn meer in zijn tenen, en dat was niet zo mooi.
De plaatselijke bewoners hadden het over de 'dooi', iets wat ze kennelijk ieder moment verwachtten, nu het midwinter was geweest. Durine keek omhoog naar de natte sneeuw die hem in het gezicht sloeg en besloot dat dit wel een vreemd soort dooiweer was. Naar zijn idee kwam er voor redelijk dooiweer veel te veel van dat verrekte half bevroren spul uit de lucht vallen, en voor onredelijk dooiweer trouwens ook. Ja, voor deze sneeuwstorm hadden ze drie dagen een heldere hemel gehad, maar de lucht was nog niets veranderd. Het was verdomme nog steeds veel te nat en veel te koud.
Te koud om te vechten, misschien?
Ja, misschien wel, volgens de Torren en de Tsurani, en dat kwam mooi uit. Ze hadden in het noorden tegen Tsurani en gnomen en Torren gevochten, en nu leek het erop dat er geen Tsurani en gnomen en Torren meer over waren - in deze omgeving tenminste - en zodra de dooi een beetje had ingezet, werd het voor hem en de andere twee tijd om te worden betaald en ervandoor te gaan.
Een paar maandjes garnizoensdienst tot die tijd vond hij prima. Zolang ze hier toch vast zaten, had Durine liever garnizoensdienst dan vanaf vandaag zijn goeie geld uit te moeten geven aan eten en onderdak. Voor Durine zou het ideaal zijn geweest als de graaf tot deze veronderstelde dooi alles betaalde, met uitzondering van drank en vrouwen - en die beperking laste hij uitsluitend in omdat volgens hem zelfs Pirojil geen manier wist te verzinnen om bij de betaalmeester bier en hoeren los te peuteren - en hun de wedde uitbetaalde op de dag dat ze naar het zuiden gingen om in Ylith een schip naar warmere oorden te nemen.
En dus was dit, ondanks de modder en de kou, zo goed als ideaal.
Naar verluidt waren de zwaarste gevechten tegenwoordig in Schreiborg, wat inhield dat zij drieën in ieder geval niet naar Schreiborg zouden gaan. Komend voorjaar werd het kaperschip Melanie in Ylith verwacht, en Doorn, de kapitein, stond altijd garant voor een snelle overtocht zonder dat hij van plan was je 's nachts de strot af te snijden, omdat dat slecht voor de zaken en nog slechter voor de gezondheid was, zoals Doorns voorganger misschien nog ternauwernood had gemerkt, toen Pirojil een mes in zijn rechternier had gestoken terwijl wijlen de kapitein met het zwaard in de hand gebogen stond over wat hij aanzag voor Durine's slapende gedaante. Aangezien Doorn zijn kapiteinspost aan de argwaan van Durine en zijn metgezellen te danken had, was hij misschien wel bereid hen gratis te vervoeren, dacht Durine.
Maar waarheen?
Ach, dat was Durine's zorg niet. Daar mochten Kethol en Pirojil zich druk over maken. Kethol speelde het wel weer klaar iemand te vinden die op zoek was naar drie mannen die wisten met welk stuk van het zwaard je moest hakken en met welk stuk je de boter op je brood smeerde. En Pirojil kon wel weer een prijs bedingen die minstens anderhalf keer het bedrag was dat de werkgever dacht dat hij bereid was te betalen. Het enige wat Durine hoefde te doen, was mensen doodmaken.
En dat vond hij prima.
Maar totdat het ijs brak, konden ze Yabon uitsluitend verlaten te voet, te paard of per wagen, over land naar Krondor. Hun enige andere keus was terug naar het noorden voor de gevechten, maar momenteel hadden ze zo veel verdiend - zodra ze betaald werden, natuurlijk - dat hun mantels zo zwaar beladen met gouden munten en hun beurzen met zilverstukken zouden zijn dat ze er alle drie even weinig voor voelden om nog langer door te gaan met vechten.
Genoeg.
Aan dit klusje had hij weer een nieuwe reeks voor zijn toch al uitgebreide verzameling littekens overgehouden. Een vinger kwijt van zijn linkerhand doordat hij niet snel genoeg was teruggevallen toen hij met zijn piekschacht een Tor onschadelijk maakte. Luit spelen zat er nu vast niet meer voor hem in. Niet dat hij het ooit had gedaan, maar hij had wel altijd het idee gehad het eens te willen leren, op een dag. Die wond, en een lange rode striem aan de binnenkant van zijn bovenbeen, brachten hem bij iedere stap in herinnering dat hij niet meer zo jong en snel was als vroeger.
Aan de andere kant was Durine oud geboren. Maar in ieder geval was hij sterk. Hij wachtte gewoon af. Vul de dagen met kleine karweitjes, en het duurde niet lang of het begon te dooien en het schip lag in de haven, en dan waren ze er met zijn drieën vandoor. Naar ergens waar het warm was - Salador misschien, waar de vrouwen en de wind warm en zacht waren, en het koude bier goed en goedkoop was en zo rijkelijk vloeide als bloed uit een open wond. Tegen de tijd dat ze door het goud heen raakten, konden ze een schip naar de Oosterse Koninkrijken nemen. Lekker vriendelijke oorlogjes. De bevolking daar had altijd waardering voor goede ambachtslieden die wisten hoe je de buren doeltreffend in de pan kon hakken, en ze betaalden er goed, zij het niet zo goed als de Graaf van LaReu. En wat Durine nog het meest aanstond aan vechten in de Oosterse Koninkrijken, was dat er geen Torren waren, wat nog beter was dan het gemis aan deze gruwelijke kou.
Of als ze het echt lekker warm wilden krijgen, konden ze terug naar het Dromendal om leuk wat te verdienen met het vechten voor heer Sutherland tegen Keshische hondsoldaten en vogelvrij verklaarden.
Nee, bedacht Durine zich even later, het Dromendal was eigenlijk net zo erg als het bevroren, modderige LaReu, hoe bar het ook was op deze koude, ellendige avond. De vorige keer dat ze daar waren, had hij bijna net zo veel last van de hitte gehad als vandaag van de kou.
Waarom konden ze niet een oorlog gaan voeren op een lekker mild strand, ergens?
Verderop waren de lichtstrepen die door de buitendeur van taveerne De Kapotte Tand vielen zijn gids en richtpunt, de belofte aan iets wat leek op warmte, iets wat leek op een warme maaltijd en iets wat het dichtst bij vrienden kwam als een huurling maar kon hebben.
Dat was goed genoeg voor Durine.
Voorlopig.
Hij strompelde uit de modder de houten traptreden van de veranda op naar de ingang van de herberg.
Onder het afdakje voor de deur stonden twee mannen ineengedoken in hun mantels.
'De zwaardmeester wil je spreken.'
Een van hen sloeg zijn mantel terug, alsof Durine in het donker het blazoen met de wolvenkop kon zien waarvan Durine wist dat die op zijn wapenkleed prijkte.
Ze waren door de mand gevallen.
Op het plunderen van doden stond, net als op de meeste misdaden, de doodstraf (hetzij door ophanging als de graaf een slechte bui had, hetzij door uitputting en slechte voeding terwijl je je door je twintig jaar dwangarbeid in de mijnen probeerde te slaan) hoewel Durine er nooit enig kwaad in had gezien. Dode soldaten hadden toch niets meer aan die paar armzalige munten in hun beurs, net zo min als ze iets hadden aan hun mantels. Durine en zijn twee vrienden hadden zelf menig muntstuk op het lijf verborgen - in dichtgenaaide geheime zakken in de voering van hun tuniek of de zoom van hun mantel, in beurzen die ze onder hun kleren droegen, gewikkeld in ongelooid leer, zodat ze niet rinkelden. Een edelman kon zijn rijkdom bewaren in een kluis en strijders inhuren om die te bewaken. Een koopman kon zijn rijkdom beleggen in dingen waar je niet zo eenvoudig mee wegliep. Een magiër kon zijn rijkdom open en bloot laten liggen en erop vertrouwen dat waar gezond verstand en zelfbehoud te kort schoten, zijn bezweringen voor voldoende bescherming zouden zorgen - wat ook zo was: Durine had eens een kerel gezien die had geprobeerd in te breken in het onderkomen van een slapende magiër. Tenminste, het was een kerel geweest...
Maar een huurling kon zijn rijkdom óf met zich meedragen óf uitgeven, en Durine had op dit moment geen goede verklaring voor de bezittingen die bij een uitgebreid onderzoek aan het licht zouden komen.
Een edelman zou de twee mannen gewoon voorbij zijn gelopen - want die hadden het niet gewaagd hem de weg te versperren - maar Durine was geen edelman. Trouwens, het aantal mensen wie Durine vrijwillig toestond binnen armlengte van zijn brede rug te komen, was erg gering, en de twee grauwe gedaanten in het donker waren erg onwaarschijnlijke kandidaten.
Eén tegen twee? Zo was hij niet van plan geweest te sterven, maar zo zij het, als dat nodig was, hoewel hij het al veel vaker tegen twee man tegelijk had opgenomen zonder het loodje te leggen.
Tot nog toe.
Maar het was toch al een veel te koude, natte en ellendige dag om te blijven leven.
Hij deed alsof hij over het ruwe hout wankelde terwijl hij met zijn rechterhand in zijn mantel naar zijn dichtstbijzijnde mes tastte. Tenslotte zouden ze hem vast niet de tijd geven om zijn zwaard te trekken.
Op zijn beweging deden beide mannen een stap terug.
'Wacht -' begon de een.
'Rustig, man,' zei de ander, zijn handen uitgestrekt, de palmen naar buiten in een onmiskenbaar vreedzaam gebaar. 'De zwaardmeester zegt dat hij alleen even met je wil praten. Het is vanavond veel te koud en naar om dood te gaan, en dat geldt voor mij net zo goed als voor jou.'
'En hij is zo groot dat we met zijn tweeën de grootste moeite zouden hebben om hem neer te leggen, als we moesten,' mompelde de andere man.
Durine gromde, maar hield zijn gedachten voor zich, zoals gewoonlijk. Met meer dan twee zouden ze waarschijnlijk ook de grootste moeite hebben gehad, en ook nog met die andere twee erbij, die achter Durine uit de duisternis te voorschijn waren gekomen, de twee van wie ze dachten dat hij ze niet had opgemerkt.
Maar opscheppen was iets wat hij aan anderen overliet.
'Kom,' zei hij. 'Hierbuiten wordt het er ook niet warmer op.'
Hij rechtte zijn rug. Maar hij hield wel een hand bij zijn mes. Voor het geval dat.
Het was een donkere en stormachtige avond, maar dat was, gelukkig, buiten. Hierbinnen was het warm en rokerig onder de aan het plafond hangende lantarens, zodat het tegelijkertijd te warm en te koud was.
Het leven van een huurling, dacht Kethol vaak, was altijd ofwel te levendig ofwel te saai. Of hij verveelde zich stierlijk, wakker blijvend om de wacht te houden voor het geval er iets ging gebeuren, of hij baande zich een weg door een woud van Tsuranese troepen, in de hoop dat hij de schoften snel genoeg wist neer te maaien zodat ze niet langs hem bij Pirojil of Durine kwamen. Of hij stierf van de dorst, of hij verzoop zowat in de slagregen. Hij zat of te dicht bij andere ongewassen mannen, zodat hij hun stank kon ruiken, of hij zat helemaal alleen, midden in de nacht op een of andere wachtpost, hopend dat dat zachte geruis dat hij in het woud hoorde slechts een hert was en geen Tsuranu die hem aan het besluipen was, zodat hij ernaar verlangde dat er een dozijn vriendschappelijk gezinde zwaardvechters om hem heen geschaard stond.
Zelfs hier, in de betrekkelijke welstand van taveerne De Kapotte Tand, was het alles of niets.
In om het even welke taveerne bestond er op een koude avond als deze nu eenmaal niet zoiets als net genoeg - hij zat ofwel te dicht bij de grote haard, of te ver weg. Als hij kon kiezen, zat hij liever te dichtbij, met zijn rug naar de haard, want in de winter kon je het naar zijn idee nooit te warm hebben, ook al kreeg hij er later spijt van, wanneer hij de kou weer in moest om terug te gaan naar de kazerne in het zuiden van de stad, met de wind die als een mes door zijn bezwete kleren sneed.
En er waren betere manieren om je in het zweet te werken.
Sommige huurlingen waren dat nu ook aan het doen - hun zuurverdiende bloedgeld uitgeven in de slaapkamers boven. Het onophoudelijke kraken van de vloerplanken getuigden van de manier waarop ze hun geld aan het uitgeven waren. Maar al had Kethol er geen bezwaar tegen om een paar koperstukken neer te leggen voor een wip met een van de plaatselijke hoeren, de kou deed zijn passie net zo krimpen als de relevante lichaamsdelen, en hij zag er geen nut in om zijn goeie geld uit te geven aan een zacht, jeukerig bed als er in de kazerne een net zo jeukerige matras voor hem lag, helemaal gratis.
Kethol lette goed op het vallen van de prenten. Erg bekend met dit spel, pa-kir of hoe ze het ook noemden, was hij niet, maar een spel was een spel, en gokken was gokken, en als hij er vertrouwd genoeg mee raakte om niet in de trucjes te trappen waar ze dronken lui mee beetnamen, dan kon hij meedoen.
Voor een groot aantal stompzinnige redenen werd er naar het zwaard gegrepen: eer, familie, land, huis en haard. Kethol deed het voor het geld, maar hij hoefde niet per se al zijn geld te verdienen met de snede van zijn zwaard, of zelfs de punt.
Ondertussen waren de paar koperstukken die hij uitgaf aan het nogal schrale, zure bier van LaReu goed besteed. Met een overvloedige voorraad goed dwergenbier vlakbij - Kethol wist nooit of er geen magie aan te pas kwam, maar het was consequent beter gebrouwen dan het bier van mensenhand - was het duidelijk dat de plaatselijke menselijke brouwers maar één mandaat kenden: maak het bier zo goedkoop mogelijk, waarbij dingen als goede gerst, verse hop en het tussendoor uitspoelen van de vaten als overbodige flauwekul werden beschouwd. Dus als er iemand een rondje gaf, bestelde Kethol dwergenbier, en als hij voor zichzelf betaalde, nam hij dat goedkope spul. Niet dat hij er veel van zou drinken, tenslotte. Het zou er alleen maar op lijken alsof hij er veel van dronk.
Het was een investering, zoals Pirojil zei. Een kleine investering om zijn tegenstander in de waan te brengen dat hij te diep in zijn beker had gekeken en misschien niet zo veel aandacht voor het spel had als wel nodig was. Zo nu en dan een slokje, het meeste van het bocht van tijd tot tijd op de grond knoeien, en als hij dan plaatsnam aan de speeltafel, stonden er verscheidene lege bierkroezen om ervan te getuigen dat hij kon worden uitgekleed. En dan kon hij zich wat serieus gokwerk permitteren. Ja, het was een investering.
Net zozeer een investering als hun drie zwaarden. Staal, dat dwars door leer en huid tot op het bot sneed in plaats van af te schilferen en om te buigen, had zijn waarde al menigmaal bewezen. Geld uitsparen was iets moois, maar op je materiaal mocht je nooit bezuinigen.
In gedachten zag hij nog steeds de grote ogen van de Tsuranu wiens kling was stukgeslagen op zijn schild, vlak voordat hij zijn eigen scherpe punt onder de arm van de vijand had gestoken, in het zachte aanhechtingspunt onder de oksel dat aan weerszijden door de schouderplaten werd beschermd. Hij had niets persoonlijks tegen de Tsurani, maar hij had sowieso nooit een persoonlijke wrok gekoesterd tegen het overgrote deel van de mannen die hij had gedood. Trouwens, hij had een hoop gemeen met de Tsurani - die waren Midkemia binnengevallen om het metaal, zo ging het vreemde gerucht, en een man wiens beroep het was om te doden met staal om goud en zilver te verdienen, kon dat best begrijpen. Als Kethol het metaal mocht kiezen, werd het tien van de tien keer staal. Naar zijn ervaringen kon je met staal makkelijker aan goud komen dan andersom.
Trouwens, zijn vaardigheden kwamen hier goed van pas.
Opgaan in je omgeving was iets wat iemand die als zoon van een boswachter was geboren ook op ander terrein goed kon gebruiken.
De truc was om het niet te overdrijven, om er niet te plaatselijk uit te zien, zodat je bedrog werd doorzien omdat je argwaan wekte. Gewoon een beetje van dat zware accent erbij, af en toe dat plaatselijke gebaar met de vingers van 'laat maar zitten, het is niet belangrijk', zorgen dat je vriendelijk glimlachte maar niet te kameraadschappelijk deed, en het viel hen niet eens op dat ze hem nauwelijks opmerkten.
Dat werkte ook toen hij kwam vuistvechten in dat dorpje buiten Rodez - voordat Pirojil dat vervelende sergeant je had gedood - en het werkte eveneens toen hij in Noordwacht leerde dobbelen.
Gewoon je het spel eigen maken, opgaan in je omgeving en nuchterder blijven dan je je voordoet, dan hadden ze pas door dat je hen had geklopt als het zover was en hij was vertrokken.
Tenslotte moest er toch iemand winnen.
Dus waarom Kethol niet?
Drie vlezige LaReuen, een met gloednieuwe korporaalsstrepen op zijn mouw; leunden over de ruwhouten tafel, kijkend in hun prenten, terwijl vier anderen toekeken. Allen droegen het grijzige livrei van LaReuse beroepssoldaten, en ze praatten onder elkaar met het zware LaReuse accent dat Kethol kon imiteren zonder erbij na te denken.
'Mooi gespeeld, Osic,' zei de een terwijl hij de stapel koperstukken naar hem toe schoof. 'Ik wist zeker dat ik je aankon.'
'Die dingen gebeuren,' zei Osic. Hij keek naar Kethol. 'Kehol,' zei hij, de naam zodanig verhaspelend dat een trotser man er aanstoot aan zou nemen, 'zin om een potje mee te spelen? Het is maar een paar kopers om de eerste prenten te zien, maar daarna kan het wat duurder worden, om je de waarheid te zeggen.'
Kethol had lang genoeg toegekeken, vond hij, om enig idee van de waarde van de combinaties te hebben. Bovendien hadden de LaReu-en inmiddels al zo veel gedronken dat een nuchter man met weinig moeite kon vaststellen wie dacht, zij het in benevelde toestand, dat hij een goede combinatie had, en dat moest goed genoeg zijn.
In het land der zatten was een nuchter man op zijn minst een landbaron en op een goede dag een graaf.
'Waarom ook niet,' zei Kethol en schudde een verstandig klein stapeltje gepatineerde koperen munten uit zijn beurs op het tafelblad. Uiteraard had hij veel meer bij zich, maar je kon je maar beter niet rijk voordoen.
'Dat geld van jou is al net zo groen als dat van een ander,' zei een van de LaReuen, en de anderen grinnikten mee met de mop, die in de eerste dagen van het Koninkrijk aloud was.
Misschien was het een link idee om met beroeps te spelen, maar soms moest je nu eenmaal risico's nemen.
Verderop in een hoek, waar de geur van bradend lamsvlees uit de keuken zweefde, werd een potje duimpjetrekken uitgevochten tussen twee Keshische huurlingen: Mackin, de gekke dwerg, en een magere kale met een pafferig gezicht die zichzelf Milo noemde, maar van wie Kethol zeker wist dat hij onder een andere naam een prijs op zijn hoofd had staan, en waarschijnlijk nog in deze stad ook, want waarom zou hij zich anders steeds uit de voeten maken wanneer de wacht verscheen? Eigenlijk zou Kethol met hen moeten gaan spelen. Als een van hen kwaad werd omdat Kethol won, was de kans klein dat er zich iemand mee kwam bemoeien. Je kon op een avond behoorlijk wat winnen als je telkens de indruk wekte een flinke teug van het bier te nemen waar je nauwelijks iets van doorslikte.
Hier was het linker, maar er viel ook meer winst te behalen. Het was net zo goed een slagveld, wat Kethol betrof. Hij hoefde zich alleen maar aan dezelfde regels te houden: zichzelf en zijn vrienden beschermen; niet te veel aandacht trekken; en zorgen dat je nog overeind staat als het allemaal achter de rug was. En zoals het vlak voor zonsopgang, als de vijand sliep, de beste tijd was om aan te vallen, zo was het laat op de avond de beste tijd om te gokken, wanneer de anderen beneveld waren door te veel drank en te weinig slaap.
En als dat onbarmhartig en onsportief was, nou, dan vond Kethol dat prima. Hij was per slot van rekening een huurling, iemand die zijn meerderen tegen betaling diende, en net als de hoeren boven deed hij zijn best om zo goed mogelijk te worden betaald voor zo weinig mogelijk dienst.
Dus hij knikte, nam plaats, wierp een paar koperstukken in het midden van de tafel en kreeg zijn prenten uit de grove handen van de gever.
Hij wilde net aan zijn beurt beginnen toen er aan de tafel achter hem een gevecht uitbrak.
Je zou denken dat kerels die met vechten de kost verdienden in hun vrije tijd wel wat beters hadden te doen dan een partijtje knokken. Wat had het tenslotte voor zin? Als het was om te oefenen, dan was het een domme manier van oefenen. Noch de Tsurani, noch de Torren, noch iemand anders tegen wie Kethol zwaard en piek had opgepakt, zou zijn blote vuisten gebruiken als er iets scherps, stomps of groots was om de ander mee te slaan. En als het echt de moeite van het vechten waard was, als je er echt iemand voor om zeep moest helpen, en als je daarvoor vogelvrij werd verklaard, nou, dan was Midkemia groot genoeg om buiten de paar plaatsen waar je vogelvrij was toch aan de kost te komen, wist Kethol uit eigen ervaring.
Gewoonlijk ging het om drie dingen: geld, een vrouw of ik-heb-gewoon-zin-om-de-idioot-uit-te-hangen. Vaak ging het om alle drie tegelijk.
Kethol had geen idee waar de ruzie over ging, maar het gemopper veranderde al gauw in geschreeuw, dat al ras werd gevolgd door de vlezige klappen van vuistslagen.
Hij zag iets vanuit zijn ooghoek en bukte net op tijd om de vliegende stoel te ontwijken, maar die beweging bracht hem vol in contact met de potige beroeps rechts van hem, en zonder erbij na te denken reageerde de LaReu met een dreun van zijn vuist die Kethol hoog op het rechterjukbeen trof.
Het licht ging uit in Kethols rechteroog, maar zijn reflexen bleven intact waar het gezichtsvermogen het af liet weten. Met gebogen hoofd nam hij een duik en haakte zijn armen rond het middel van de LaReu, zodat ze allebei tegen de harde houten vloer sloegen, Kethol bovenop, in de hoop dat hij zo de ander alle lucht uit te longen had geslagen. Voor de zekerheid ramde hij zijn vuist in het lichaam van de soldaat, vlak onder de ribbenkast. Hoop was iets moois, maar zeker weten was beter. Niet dat hij iets persoonlijks had tegen de man met wie hij vocht, maar hij was er nu eenmaal aan gewend mensen dood te maken tegen wie hij niets had, dus als hij er eentje alleen maar aftuigde, telde dat eigenlijk niet mee. Daarop stootte hij zijn knie in het kruis van de ander en rolde weg. Deze knokpartij was een kwestie van zelfbescherming, niet van woede.
Dat was dus iets aan andere mensen dat Kethol nooit had begrepen: andere mensen - zelfs Pirojil en Durine - werden vaak kwaad in een gevecht en lieten zich door hun woede opzwepen. Voor Kethol was het allemaal een kwestie van doen wat er moest worden gedaan. Kwaad werd je om andere dingen - wreedheid, vals spelen, incompetentie of verspilling - maar niet omdat er werd gevochten.
Er belandden een paar losse klappen op zijn rug en benen toen hij in ineengedoken houding overeind kwam - het gevolg van het wilde maaien met de benen door twee andere strijdenden die over de grond rolden - maar die deden hem niet veel, en in ieder geval waren er geen messen of zwaarden getrokken, nog niet tenminste. Het was per slot van rekening maar een kroeggevecht, en het leek hem sterk dat de soldaten het uit de hand zouden laten lopen, ook al waren ze dronken.
Ergens verder weg stond er iemand als een bezetene een alarmklok te luiden. Vast de waard, die de stadswacht riep, want de alarmklok werd al snel gevolgd door de fluitjes van de wacht. Ze waren duidelijk vlakbij geweest, aangevuld door een peloton beroeps uit het garnizoen om de orde in de stad te bewaren. De Graaf van LaReu mocht dan jong en onervaren zijn, maar het was voor hem of zijn kapiteins vast geen verrassing dat garnizoenssoldaten de neiging hadden met elkaar op de vuist te gaan als ze niets anders te doen hadden, en het neusje van de Koninkrijkse zalm werd ingezet om met het onvermijdelijke om te gaan.
Evenmin was het voor Kethol een verrassing. Hij was altijd half in de verwachting dat er een gevecht uitbrak, en al had hij er niet op gerekend, hij had er wel op gehoopt.
Hij sloeg zijn slag.
Waar werd gevochten, was het niets vreemds als er iemand tegen de vloer sloeg, dus toen hij kreunde en zich op de grond liet vallen, viel het niemand op dat zijn val niet was voorafgegaan door een dreun. Het feit dat hij terechtkwam onder een tafel waar een hoeveelheid munten verspreid lag, kwam alleen maar goed uit.
Vlug veegde hij een handvol munten op, zonder zich te bekommeren om het geluid van rinkelend metaal- in het gekreun en geschreeuw had iedereen het veel te druk om op zo'n kleinigheid te letten - en zorgde dat hij eerst de zilveren realen eruit viste voordat hij zich bezighield met de koperstukken. Alle munten verdwenen in een geheime zak aan de binnenkant van zijn tuniek, en hij stopte er een lap bovenop voordat hij het touwtje ervan strak trok.
Meteen was hij op handen en knieën zo snel als hij kon op weg naar de deur. Hij had zijn betaling voor dit gevecht binnen, en het was tijd om te gaan.
Een kroeggevecht had een geheel zelfstandig verloop: na enkele momenten van ieder-voor-zich lagen er mannen gewond op de grond, en anderen richtten zich op elkaar, om oude of nieuwe wrok onderling met de vuisten uit te werken.
Weer anderen zouden binnenkort gaan doen waar Kethol mee bezig was: niet blijven rondhangen tot er bloed vloeide, en zeker niet tot de wacht er was, maar maken dat je wegkwam. Zoals te verwachten viel, was die Milo als eerste door de deur naar buiten gegaan, en na hem waren er anderen gevolgd. Kethol was dus niet de eerste of de laatste, en dat was heel mooi.
Kethol dook in het modderkamertje en via het modderkamertje naar de ingang en zwiepte de dikke zeildoeken opzij die daar hingen om de kou buiten te houden.
En bleef stokstijf staan.
Ze stonden hem buiten op te wachten: een peloton beroeps, onder leiding van een bereden korporaal wiens kloeke zwarte paard zenuwachtig over de aangestampte sneeuw danste, krabbend met de vreemde gekromde hoefijzers die Kethol buiten LaReu nog nooit had gezien.
Er wees een lans in zijn richting.
'Jij bent vast Kethol, de huurling,' klonk een stem uit het donker.
De lans had een scherpe punt, en ontkennen had geen zin. Als er een probleem was, moest hij zich er nu uit zien te praten - of eigenlijk wachten op een beter moment om iets te verzinnen waarmee hij zich eruit kon praten of vechten.
'Ja,' antwoordde hij, zijn handen vragend gespreid. 'Is er iets mis?'
'Voor mij niet. De zwaardmeester wil je spreken.'
'Mij?'
'Ja. Jullie alle drie.'
Hij hoefde niet te vragen wat de korporaal met 'jullie alle drie' bedoelde.
'Dus laten we maar op weg gaan,' zei de korporaal. Kethol haalde zijn schouders op.
Met de gestolen munten warm in zijn geheime binnenzak had hij toch niets anders wat hij per se moest doen, zoals sterven op straat.
Voorlopig.
Het was een donkere en stormachtige avond, en een schuur waar het niet tochtte had Pirojil nog nooit gezien, dus verbaasde het hem niets dat het stervenskoud was op de hooizolder waarvandaan hij een baal liet vallen op de aangestampte aarde eronder.
De paarden waren gewend aan de doffe bons waarmee de hooibaal tegen de vloer sloeg, al begon de grote voskleurige ruin die voor de stalmeester zelf was gereserveerd zachtjes te hinniken en te stampen in zijn stal.
Pirojil had er niet echt bezwaar tegen om te helpen met het verzorgen van de paarden - alle stalknechten waren geronseld voor dienst als koeriers tijdens de voorlaatste slag, en ze waren allemaal neergemaaid door ofwel Tsurani of Torren - maar hij deed dat niet bepaald graag in een schuur waar het zo koud en tochtig was dat het zweet op zijn neus bevroor.
Het was een ruil, zoals de meeste dingen in het leven. Hoe minder je klaagde over het uitmesten van een paar stallen, des te onwaarschijnlijker werd het dat de kapitein als eerste aan jou dacht als hij een patrouille moest sturen om te zien of er verderop in het woud nu wel of geen Tsurani in een hinderlaag lagen. En als je het klusje kon verlichten met een fikse teug uit een fles goedkope wijn uit Tyr-Sog waar wijlen de sergeant - moge Tith-Onanka, god der soldaten, hem aan zijn grijsharige borst drukken - toch niets meer aan had, nou, dan kon dat toch geen kwaad?
Het was rotwerk, maar het was niet moeilijk.
Je deed het paard gewoon een breidel om, bracht hem naar een lege stal, zorgde dat het dier goed vast stond, en dan het oude stro vol met kak en pis eruit harken om vervolgens vers stro in de stal uit te spreiden. Het oude stro ging in een kruiwagen, en de kruiwagen ging omhoog over het oprit je en door twee zware klapdeuren om achter op de mestwagen te worden leeggegooid, waarna het niet langer Pirojils probleem was. Iemand anders moest het de stad uit rijden en lossen. Men zei dat de mest van LaReuse paarden de reden was dat de aardappelen hier zo groot werden als paardendrollen, maar van groenten kweken had Pirojil niet veel verstand.
Of een hoge pet op.
Pirojil wist dat hij net zo goed als een ander tot de ingewikkeldste dingen in staat was, en daarom voelde hij zich soms aangetrokken tot doodsimpele dingen. En tot het niet nadenken over dingen die hem niet aangingen. Tenslotte had het geen zin om zonder goede reden zijn raderen te laten draaien. Hij nam nog een slok wijn, gorgelde om het opgekropte slijm uit zijn keel te halen en deed zorgvuldig de stop terug op de fles voordat hij die naast de ladder op de vloer zette. Langs de ladder kon hij naar beneden, maar hij had ook nog het touw; En maar één stapje bij de zolder vandaan stond een uitnodigend goed geverniste paal.
Soepel gleed Pirojil langs de paal omlaag en kwam lichtvoetig terecht. Zijn dikke leren handschoenen waren slechts iets opgewarmd door de wrijving. Dat was het trucje, besloot hij. Je moest door je eigen wrijving vlak boven de vloer stoppen, want anders boorde je je laarzen in de harde aarden vloer.
Het was iets onnozels om je op te concentreren, maar er waren wel ergere dingen.
Zoals de vrouwen die naar hem keken. Zelfs de hoeren.
Hij trok zijn schouders op. Een lelijke kerel was en bleef een lelijke kerel, maar een lelijke rijke kerel was een rijke kerel, en op een dag zou hij op zijn minst een bescheiden rijke kerel zijn, als hij voor die tijd tenminste geen dode kerel was. Je moest aan je belangen blijven werken en wachten op het juiste moment, en ondertussen ...
Ondertussen kon je je amuseren met dagdromen over rijkdom terwijl je wachtte op de voorbeschikte speer die je in de buik trof, het noodlottige zwaard dat je hart vond of de onvermijdelijke pijl die je oog zocht.
Willem, de laatste stalknecht, was ten strijde getrokken met zijn vaders schild en erbovenop teruggekomen. In zijn nagedachtenis was het schild aan de stalmuur gehangen en gepoetst tot het glom als een hondenworst in de manenschijn door iemand die zijn tijd nuttiger had kunnen besteden.
Maar hoe dat schild ook glom, gelukkig kon hij zijn spiegelbeeld er niet in zien. Hij hoefde niet zo nodig te kijken naar het misvormde voorhoofd met de borstelige wenkbrauwen boven verzonken, vermoeide ogen en een neus die zo vaak gebroken was geweest dat hij plat tegen zijn gezicht stond en hij door zijn mond moest ademhalen.
Pirojil liet een hand over zijn onregelmatige baard glijden. Vol werd die nooit, en hij liet hem ook nooit zo lang groeien dat een vijand hem kon beetpakken.
Het uiterlijk zei lang niet alles over een mens. Lelijke mensen waren er bij bosjes, maar er zaten genoeg goede en vriendelijke tussen. Allang geleden had Pirojil besloten dat zijn gezicht de spiegel van zijn ziel was. Een vriendelijke ziel zou nooit het besluit hebben genomen om de kost te verdienen met het steken van zwaarden in andermans pens of het wachten daarop, of de honderd andere manieren waarop Pirojil had gedood om zijn wedde te verdienen.
Een krassend geluid deed hem grijpen naar zijn riem terwijl hij zich bliksemsnel omdraaide.
Hij dwong zichzelf te ontspannen. Slechts een rat, in een hoek bij de havertrog. Die ratten vormden een aanhoudend probleem, eentje waarvoor de magiërs eigenlijk best eens wat tijd konden vrijmaken. Konden die niet wat met hun vingers bewegen, een spreuk mompelen of wat ze ook deden, om de ratten uit het haver, de wortelen en het koren te houden?
Ach, wat ging hem het ook aan. Hij hoefde niet in die koude stal te slapen, en trouwens, hij werd niet betaald om ratten te verdelgen.
Er suisde iets langs zijn oor dat in het hout van de havertrog bonkte, wat gepaard ging met een kort piepje.
'Hebbes.' Uit de schaduwen stapte een lange magere man die een tweede mes wegstak in de schede op zijn rechterheup. Aan zijn riem hing een rapier met een korfgevest - het smalle, nauwkeurige wapen van een duellist, niet het bredere, langere zwaard waarmee een frontsoldaat de strijd in ging. Tom Garnett koos zijn wapens met zorg.
Het gaf niet dat Pirojils zwaard op een goeie zes stappen afstand aan een haak hing tijdens het werken. Kapitein Tom Garnett, de oudste van de kapiteins in dienst van Zijne Excellentie de Graaf van LaReu, was, ook nu hij tegen de vijftig liep, een veel beter zwaardvechter dan Pirojil ooit kon hopen te worden. Of dat nu het resultaat was van een aangeboren talent of van meer dan dertig jaar de helft van je tijd doorbrengen met een zwaard in je hand - of, naar alle waarschijnlijkheid, allebei de handen - Garnett had Pirojil makkelijk aan mootjes kunnen hakken.
En kennelijk kon hij ook aardig overweg met werpmessen, waardoor Garnett iets in Pirojils achting daalde, want hij had nog nooit gehoord dat er iemand met een werpmes ook daadwerkelijk was gedood, en het was dan ook ronduit dom om het goud voor een goed uitgebalanceerd werpmes uit te geven.
Zinloos, eigenlijk.
En dus hield Pirojil zijn hand uit de buurt van zijn eigen werpmes dat onder de zoom van zijn tuniek verborgen zat. Al had hij nooit gehoord dat er iemand met een werpmes was gedood, wel had hij gezien dat er iemand lang genoeg door werd afgeleid om op een andere manier de dood te vinden, en trouwens, eens kon het de eerste keer zijn. Hij weigerde gewoon geld voor een goed werpmes uit te geven, en zelfs dan zou hij het wapen niet op het spel hebben gezet door er ongedierte mee uit de weg te ruimen. Zijn gedachten de vrije loop latend, bleef Pirojil stil staan terwijl Tom Garnett het mes opraapte en de rat liet zien die hij zo keurig had gespietst.
Hij hing al slap, hartstikke dood. Tom Garnett slingerde het kadavertje van zijn mes in de kruiwagen met stro en stront, bukte zich en pakte een handvol vers stro om zijn mes schoon te maken alvorens het in de schede te stoppen.
Hij stak een kop boven Pirojil uit, die zelf al van bovengemiddelde lengte was, maar waar Pirojil bijna net zo kloek en stevig was gebouwd als Durine, was Tom Garnett nog smaller en magerder dan Kethol. Zijn haar was gitzwart, doorschoten met wat zilver, en behalve een smal snorretje en een kleine, puntige geiten sik was zijn gezicht glad geschoren, met op zijn wangen en voorhoofd een hele verzameling littekens. Je zou verwachten dat zo'n lange slungel zich onbeholpen bewoog, maar hij liep als een danser, schijnbaar altijd in evenwicht.
'Ik geloof dat ik je heb verrast,' zei de kapitein en klakte met zijn tong tegen zijn tanden. 'Ik had meer van je verwacht, Pirojil.'
Pirojil boog zijn hoofd. 'Het is aardig dat de kapitein aan me denkt.'
'En onaardig dat hij kritiek heeft? Aha. Zou kunnen.' Garnett gebaarde naar de rat. 'Heb je er bezwaar tegen dat ik een rat doodmaak?'
Pirojil schudde zijn hoofd. 'Niet in het minst, kapitein. Misschien had ik het anders zelf gedaan.' Hij haalde zijn schouders op.
'Als je zin had.' De stem van de kapitein klonk een tikje spottend.
'Als ik zin had.'
'En waarom had je geen zin, Pirojil?' vroeg Garnett, misschien te vriendelijk.
Pirojil schokschouderde nogmaals. 'Ik zag er het nut niet van in. Voor iedere dode rat heb je er zo weer twintig terug. Hij was me niet tot last, en ik kan me niet herinneren dat me gezegd is - of dat ik betaald word - om op ratten te jagen.' Hij leunde op zijn hooivork. 'Wilt u me betalen om op ratten te jagen, kapitein?'
Langzaam schudde Tom Garnett zijn hoofd. 'Ik niet, Pirojil. Maar de zwaardmeester heeft misschien wel wat ratten voor je om op te jagen, of in ieder geval om naar uit te kijken. Ik heb je kameraden laten waarschuwen. Ze zullen onderhand wel in het Arendsnest zijn. Zou je het heel erg vinden om met mij mee te komen?' vroeg hij beleefd, alsof het slechts een verzoek betrof.
Pirojil schudde zijn hoofd. 'Helemaal niet,' loog hij. In feite had hij geen keus.
Tom Garnett glimlachte. 'Het is altijd verstandig te buigen voor het onvermijdelijke, Pirojil.'
'Dat zei u anders niet toen we bijna onder de voet werden gelopen door de Torren,' kapitein,' wierp Pirojil tegen. 'Ik meen me te herinneren dat u toen riep dat we dan wel gingen sterven, maar dat we dan in ieder geval stierven als soldaten. Of vergis ik me nu?'
Tom Garnett grijnsde. Het was geen prettig gezicht, en het leek meer op een wolf die zijn tanden ontblootte. 'Maar we zijn niet onder de voet gelopen, dus was het ook niet onvermijdelijk, wel?'
Zonder te wachten op een antwoord draaide de kapitein zich om, van Pirojil verwachtend dat hij meeliep.
Pirojil verkoos aan de verwachtingen van de kapitein te voldoen en volgde hem stil de schuur uit.