2 Zorgen
Er viel Vandros iets op.
In het Arendsnest hing nog steeds een vleugje van vrouwe Mondegreens parfum, patchoeli en mirre, hoewel niemand anders het zou hebben opgemerkt in de zwavelstank van Fantus, de groene vuurvaraan, die zojuist uit tevredenheid een flinke boer had gelaten nadat hij van zijn avondmaal in de keuken beneden was teruggekeerd.
De Graaf van LaReu en zijn zwaardmeester keken elkaar aan toen het draakachtige wezentje het zich gemakkelijk maakte bij de haard. De zwaardmeester was niet blij met de aanwezigheid van de vuurvaraan en nog minder over het feit dat Fantus het Arendsnest als zijn favoriete verblijfplaats had gekozen, waarschijnlijk omdat hij er zo makkelijk naar binnen kon door het oude valkeniersroest.
Vandros vroeg zich nog steeds af hoe het beestje de deur wist open te krijgen tussen het zwaardmeestersverblijf en de zolder erboven waar de vorige heersers van LaReu tientallen jaren hun jachtvogels hadden ondergebracht. Tegenwoordig verbleven daar de volgens Steven Argent volstrekt ontoereikende verzameling postduiven, onder de hoede van Haskell, de duivenmelker, die door Steven Argent sarcastisch de Vogelmeester werd genoemd - zij het niet in het bijzijn van Vandros.
Haskell hoorde de vuurvaraan eigenlijk op de zolder te houden, maar de enige deuren die hij zorgvuldig op slot deed, waren de deuren van de vogelkooien, elk met een bordje 'Kasteel Mondegreen', 'Yabon', 'Schreiborg' of een andere plaats waarheen het instinct van de betreffende vogel hem voerde wanneer hij werd losgelaten. Met de deur van de zolder was Haskell stukken slordiger.
Maar ook wanneer zwaardmeester Steven Argent de deur zelf vergrendelde, wist dat beest zich via de smalle trap toegang tot de slaapkamer van de zwaardmeester te verschaffen. Doch in de laatste paar dagen had Argent zich er kennelijk toch bij neergelegd dat Fantus zijn logé was tot de hertog van Schreiborg in het voorjaar terugkeerde van de besprekingen in de stad Yabon om de vuurvaraan op te halen.
Fantus slaakte een diepe zucht van tevredenheid, stak zijn lange kronkelnek uit en legde zijn kin op de warme plavuizen voor de haard. De weerkaatsing van de vlammen verleenden de groene schubben van de gracieus op zijn rug gevouwen vleugels dieprode en goudkleurige schitteringen.
De vuurvaraan was een week geleden met heer Borrics hofmagiër Kulgan meegekomen, en toen de hertog van Schreiborg met zijn hofhouding was vertrokken, twee dagen voor de generale stafvergadering in hertog Brucals kasteel te Yabon, was Fantus achtergebleven.
Niemand wist precies wat ze met hem aan moesten. De meeste leden van de staf en het huishouden waren bang voor het kleine draakachtige beest, zodat ze liever uit de weg gingen wanneer Fantus op zijn dagelijkse strooptocht naar de keuken kwam, maar een paar mensen, zoals de graaf, konden er wel om lachen.
Wat Vandros ook van de geur vond, hij was zo discreet om er geen woord over te zeggen, en dat gold tevens voor de gewoonlijk norse bediende die een dienblad op de tafel plaatste en hun elk een glas wijn inschonk alvorens de fles weer op het dienblad te zetten.
'Is er verder nog iets van uw dienst, zwaardmeester?' vroeg Ereven aan Steven Argent in plaats van aan Vandros - en terecht, want al was Vandros hoger in rang dan de zwaardmeester, en al was het gehele kasteel zijn residentie als Graaf van LaReu, het Arendsnest bleef het verblijf van de zwaardmeester, en officieel was de huisknecht nu bezig met het bijstaan van Steven Argent, die als gastheer de jonge graaf ontving, en het was de taak van de gastheer om zijn gast van alle gemakken te voorzien.
Steven Argent glimlachte de bediende dankbaar toe. De zwaardmeester kon de fijne nuances van gastvrijheid even goed waarderen als die van de andere ambachten. 'Niets meer, dank je, Ereven,' zei hij na een kort knikje van Vandros. 'Neem de rest van de avond maar vrij en doe vooral de groeten aan Becka en je dochter.'
Erevens toch al sombere gezicht betrok iets, hoewel hij een glimlachje forceerde. 'Dat zal ik doen, zwaardmeester, en ik wens u en zijne heerschap een goede nacht.'
Vandros reageerde niet verbaasd. Hij hield zich in tot Ereven de deur achter zich had gesloten. Niet dat hij er anders iets over had gezegd. De avontuurtjes van de zwaardmeester waren legendarisch, maar het zou onbeleefd zijn om. er momenteel iets over op te merken, of het nu betrekking had op de geruchten over het avontuurtje met de bijzonder knappe dochter van de huisknecht (niet waar) of dat met vrouwe Mondegreen (wel waar). Steven Argent was zowel soldaat als charmeur, en zijn successen op beide terreinen hadden gezorgd voor jaloezie en vijandschap van menig voornaam man in de streek. Verscheidene malen in de afgelopen twintig jaar had het feit dat Argent slechts wat beleefd had gebabbeld met de vrouw van een kleine edelman of een rijke koopman geleid tot een confrontatie en eenmaal tot een duel. Dat duel was de belangrijkste reden geweest dat hij twaalf jaar geleden zijn bloeiende carrière in het Koningsleger van Rillanon had afgebroken om naar het westen te komen, eerst als kapitein in het garnizoen van Vandros' vader, toen als zwaardmeester. Hoewel Vandros doorgaans overkwam als een eerlijke, ongecompliceerde krijger, had hij de meeste van zijn achtentwintig jaren gestudeerd om Graaf van LaReu te worden, en hij kon zo subtiel zijn als nodig was: hij wist wanneer hij zijn mond moest houden.
Toen de deur dicht was, zei hij: 'Toch kan ik het maar niet geloven dat er zich een verrader onder ons bevindt. Anderzijds...'
'...zijn er de laatste tijd wel erg veel ongelukken geweest,' maakte Steven Argent de zin af. 'En het stemt me niet gerust om ervan uit te gaan dat alles in orde is. Het is in het noorden veel te rustig geweest - en één van de dingen die ik al had geleerd toen u nog in de luiers zat, is dat het in dergelijke rustige tijden is aan te bevelen bedacht te zijn op een val.'
'Maar hoe zouden de Tsurani met een verrader in contact kunnen komen? Het is nu niet direct dat ze in Koninkrijkse kledij Ylith kunnen komen binnenwandelen om zich uit te geven voor koopman uit Sarth. Zijn ze eigenlijk wel in staat tot het maken van dat soort plannen?'
Steven Argent schudde zijn hoofd. Dat was naar het scheen het deel dat hij evenmin begreep. 'Dat weet ik niet, maar ik maak me zorgen. Als er een verrader is, hoeft hij niet per se in dienst van de Tsurani te zijn. Als die iemand wilden vermoorden, zou dat vast geen baron zijn, al is het nog zo'n belangrijke. Dan maakten ze jacht op graven en hertogen, zou ik zeggen. Nee, als opdrachtgevers voor een moord kennen we veel te veel kandidaten om zomaar aan voorbij te gaan. Ik voel weinig genegenheid voor baron Morray - de vete tussen zijn familie en die van baron Verheyen had een generatie geleden al per duel moeten zijn beslecht, en hij heeft ook meer dan genoeg andere vijanden gemaakt - maar het lijkt me het beste ervoor te zorgen dat hij niet in onze stad wordt vermoord. Daar zou de hertog zich nogal aan kunnen ergeren.'
Daar moest Vandros om glimlachen. 'Noch, kan ik uit betrouwbare bron vermelden, zou de graaf ermee in zijn nopjes zijn.'
'Gesneuveld op het slagveld? Daar zouden we mee kunnen leven, dat risico lopen we allemaal. Maar...'
Vandros zuchtte. 'Ik kan het maar niet geloven dat heer Verheyen zoiets zou goedkeuren. Het is een heethoofd, dat zeker. Maar een huurmoordenaar inschakelen? Dat lijkt me niets voor hem.' Hij schudde zijn hoofd.
Vandros' vader had Morray in het begin van de oorlog aangesteld als penningmeester van het LaReuse leger, en Vandros had zijn vaders keus bekrachtigd toen hij de titel twee jaar geleden erfde, aangezien de man zijn werk goed deed. En als graaf wist Vandros als geen ander dat een graafschap - vooral in oorlogstijd - en een leger net zo goed leefden op goud en zilver als op vlees en graan.
Als het aan Steven Argent had gelegen, dan had de graaf baron Morray met zijn grootboeken en geldzakken opgesloten in de toren tot de laatste Tsuranu van Midkemia was verdreven, maar dat was politiek onmogelijk, en nu begon het ernaar uit te zien dat het zelfs geen goed idee was om hem in LaReu te houden.
Tijd om hem de stad uit te werken, voor een tijdje tenminste.
'Het zou best toeval kunnen zijn, maar er is een oud gezegde, mijn heer dat luidt: "De eerste keer is toeval; de tweede keer is een samenloop van omstandigheden; de derde keer is een samenzwering.'"
Vandros grijnsde. 'Ik geloof dat mijn vader een goed LaReuer als zwaardmeester had moeten kiezen in plaats van zo'n opgeprikte oosterling. Rillanon mag dan een goede plek zijn om de fijne kneepjes van de schermkunst te leren, maar volgens mij is het hof niet alleen een kweekvijver voor samenzwering, maar ook voor de angst voor een samenzwering, of daar nu sprake van is of niet.'
'Er is altijd wel ergens sprake van een samenzwering, mijn heer.'
Vandros' gezicht betrok een ogenblik, en al bleef het onuitgesproken, Argent wist wat hem door het hoofd ging. De scheuring tussen de Koning en de Prins van Krondor was op de lange termijn waarschijnlijk net zo'n bedreiging voor het Koninkrijk als de Scheuring waardoor de Tsurani waren binnengevallen. De geruchtenmolen draaide op volle toeren: dat de koning zijn oom de prins had laten opsluiten; dat Gys van Bas-Tyra's onderkoningschap over de stad slechts een voorwendsel was om Gys als de volgende Prins van Krondor te installeren; en sinds kort dat prins Erland zowaar door Gys' toedoen was omgekomen.
Alle officiële communicatie tussen de Legers van het Westen en Krondor liep via Brucal en Borric, en Vandros wist alleen wat hem was verteld, en uit voorzichtigheid geloofde hij daar maar de helft van.
Dat had hij zijn zwaardmeester tenminste verteld. Steven Argent wist niet of hij de scepsis van de graaf wel helemaal kon aanvaarden, al wist hij wel beter dan zijn twijfels te uiten. Tenslotte waren geruchten vaak de voorbode van de onaangename waarheid. Maar dat was niet iets wat de jonge graaf wilde toegeven, al dan niet openlijk. Kwaad bloed hoorde nu eenmaal bij de adel, vooral in zulke roerige tijden, wanneer een rechtmatig erfgenaam - van een baronie of een hertogdom - heel goed in de strijd kon sneven zodat de opvolging onduidelijk werd. Dat had Steven Argent ook gezien wanneer hij op wolven joeg: als je de leider van het roedel doodde, vochten de andere mannetjes de komende paar weken om de dominantie terwijl jij de jacht voortzette. Maar die vergelijking zou graaf Vandros niet erg aanspreken, ondanks de wolvenkop in zijn familiewapen. En het aanroeren van opvolgingskwesties in het algemeen zou de graaf alleen maar ergeren, aangezien hij toch al zo verrassend gevoelig was voor onderwerpen met betrekking tot zijn eigen waarschijnlijke toekomst als Hertog van Yabon, als hij eenmaal was getrouwd met hertog Brucals dochter Felina.
Dus veranderde Steven Argent van onderwerp. 'Ik denk dat jullie in het westen -'
'Jij hebt hier nu al twaalf jaar gediend, eerst onder mijn vader en nu onder mij, en toch is het nog steeds: 'Jullie in het westen''?' onderbrak Vandros met een lach.
'Jullie in het westen willen oosterlingen nogal eens onderwaarderen. Wij hebben net zo goed bekwame soldaten en ook een aardig aantal uitzonderlijke strijders, wat dat betreft.'
'Misschien wel.' Vandros leek niet erg overtuigd. Hij zat de zwaardmeester te jennen. Rivaliteit tussen de Oostelijke en Westelijke Rijken van het Koninkrijk was er altijd al geweest. De geschiedenis had uitgewezen dat de onophoudelijke grensconflicten met de Oosterse Koninkrijken in het oosten uitstekende commandanten hadden voortgebracht en enkele uitzonderlijke strijders bovendien, wist de graaf. Daar moest je zijn voor snelle promotie en politieke kansen, en daarom vertrok menig ambitieus soldaat naar het oosten. Want daar vochten ze onder het oog van baronnen, hertogen en koningen tegen naburige legers, terwijl de westerse garnizoenen zich meestal alleen maar bezighielden met het uitschakelen van gnomenbendes en het najagen van vogelvrij en onder de supervisie van een vloekende sergeant of incidenteel een officier. Maar na zeven jaar onophoudelijk oorlog voeren tegen de Tsurani beschikten de Legers van het Westen over een harde kern van doorgewinterde veteranen, en ieder voorjaar werden de nieuwe rekruten snel opgeleid in de krijgskunst of anders gedood.
En vaak allebei.
De Tsurani waren harde leermeesters in de strijd, zo hard dat Vandros zich gedwongen had gezien huurlingen in te zetten om het moreel van de nieuwe lichting op te krikken. Zonder gehuurde zwaarden ter vervanging van de doden en gewonden had hij domweg niet genoeg weerbare mannen om aan zijn verplichtingen jegens de Hertog van Yabon te voldoen. Nee, de Tsurani waren harde leermeesters in de krijg, maar de LaReuse soldaten hadden hun lessen goed geleerd. Graaf Vandros kon met zijn beste compagnie beslist wedijveren met het beste garnizoen uit om het even welk Oosters garnizoen.
'We kennen beiden onze eigen waarde op het slagveld,' zei Vandros met een sluwe grijns.
Steven Argent trok een wenkbrauw op. 'Zou u deze discussie op de oefenvloer willen voortzetten als u terug bent van de volgende patrouille?'
Het was een kunst om een edelman ongestraft te bedreigen, een kunst waarmee je werd geboren of een die je je met moeite eigen maakte, en Steven Argent had daar vrijwel heel zijn volwassen leven hard aan gewerkt, dus verbaasde het hem niet om Vandros' grijns breder te zien worden.
'Ik dacht het niet!' lachte Vandros. 'Ik heb al genoeg blauwe plekken van jou gehad, zwaardmeester.' Hij bedaarde. 'Maar terug naar het onderwerp: Morray. Volgens jou is het geen toeval dat hij bijna de dood heeft gevonden?'
De zwaardmeester schudde zijn hoofd. 'Een bloempot die van een vensterbank valt. Dat kan toeval zijn - hoewel er op dat moment niemand thuis was in die woningen, voor zover ik heb begrepen ... '
'Wat erop wijst dat het gewoon de wind kan zijn geweest.'
Steven Argent knikte. 'En het ijs op baron Morrays bordes kan van een omgevallen emmer zijn geweest, en zijn zadelriem kan gewoon door verwaarlozing zijn doorgesleten, al zou ik dat liever niet tegen de stalmeester opperen.'
Hij liep naar zijn schrijftafel en betastte het uiteinde van de riem die hij zelf uit het zadel had gehaald om aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ja, het had eruit gezien alsof hij was versleten in plaats van doorgesneden, maar hij had hetzelfde resultaat bereikt door de riem langs een scherp stuk steen te wrijven. 'Het is alleszins mogelijk dat het gewoon toeval is. Maar niet erg waarschijnlijk.'
'Maar Verheyen? Ik weet dat er kwaad bloed tussen die twee bestaat, maar een moordaanslag ... '
'Het lijkt mij ook sterk, maar ik acht het toch niet onmogelijk.' Steven Argent schudde zijn hoofd. 'Ik denk dat hoogverraad, ergens, waarschijnlijker is. Ik heb alleen geen idee wie, hoe of waarom.'
'Hou dit wel stil,' zei Vandros. 'We zijn nog steeds in oorlog, en dat is geen goed moment om in het wilde weg met beschuldigingen te smijten, zeker niet als de baronnen hier binnenkort overleg komen houden. Het lijkt me een mooi moment om de lucht een beetje schoon te blazen.'
Steven Argent knikte. 'Dat idee was ook bij mij opgekomen. Ik denk dat baron Morray met een compagnie goede soldaten op weg gestuurd moet worden, terwijl ik discreet wat rondvraag en zie wat ik kan ontdekken.'
Morray had zich niet bepaald onderscheiden in de oorlog, maar hij was ook niet iemand om je voor te schamen, en het was een goed idee om gewone soldaten onder het oog, zo niet officieel onder het bevel, van een lid van de adel te houden.
Vandros fronste zijn wenkbrauwen. 'Kunnen we hem niet met de vrouwe ,mee naar Mondegreen sturen en heer Mondegreen mee terug laten nemen voor de baronnenraad? Het wordt hoe dan ook tijd om de troepen uit zowel Mondegreen als Morray te verversen, dus lijkt het me een beter idee om hem aan het hoofd daarvan te stellen.'
'Mijn heer is een wijs man. Ik zou u erop willen wijzen dat het misschien nog beter is om hem tijdens de raad buiten LaReu te houden, maar -'
'Nee. Dan lijkt het net alsof ik partij tegen hem kies in zijn vete met Verheyen.'
Steven Argent knikte. 'Dat is waar, mijn heer.' Hij bukte zich om Fantus over de hals te krabben. Drakenschubben waren taaier dan goed leer, en hij moest kracht zetten met de dikke ring aan zijn middelvinger voordat de vuurvaraan zijn rug kromde van genot.
Vandros knikte in zichzelf. 'Baron Mondegreens aanwezigheid zou ervoor kunnen zorgen dat het kalmer blijft.'
'Ja, zeker - hij sukkelt een beetje, maar hij is wel vriendelijk. Hoewel hij ook scherp kan zijn, zou ik zeggen.' Argent krabde weer over de hals van de vuurvaraan. 'Goed zo, Fantus. Brave jongen.'
'Heb jij goede mannen?' vroeg Vandros.
'Natuurlijk, alle soldaten in het wapenkleed met het wapen van de Graaf van LaReu zijn goede mannen.'
Geërgerd schudde Vandros zijn hoofd. 'Uitzonderlijk goede mannen, bedoel ik. Hiervoor.'
'Ik dacht aan Tom Garnetts compagnie,' antwoordde de zwaardmeester. 'Met drie huurlingen erbij als lijfwacht voor Morray.' Plichtmatig boog hij zijn hoofd. 'Ervan uitgaande, natuurlijk, dat de graaf met mijn voorstel kan instemmen. Het zou denk ik nog beter zijn als de bevelen van u kwamen.' Steven Argent was soldaat en als zodanig gewend bevelen op te volgen, maar het geven van bevelen waarbij de adel was betrokken, was iets dat hij indien mogelijk vermeed.
Vandros knikte. 'Zal ik doen, en daarna zal ik de kwestie en heel LaReu aan jou moeten toevertrouwen. Ik moet naar hertog Brucal voor de generale stafvergadering in Yabon volgende week, dus ik vertrek vandaag.'
'U neemt toch wel postduiven mee terug?'
Vandros schoot in de lach. Het was een oud geintje tussen hen. Telkens wanneer de graaf ergens heen ging, hielp Argent hem herinneren postduiven mee terug te nemen, alsof hij het anders zou vergeten. De graaf vond dat Steven Argent overbezorgd was dat er niet snel genoeg meer berichten konden worden gestuurd, mocht er zich iets van belang in LaReu voordoen, en de graaf had zojuist de volgens Steven Argent beslist laatste duif losgelaten om zijn aanstaande vertrek naar Yabon te bevestigen.
'Ja, ik neem duiven mee terug. En ook een paar flessen goede wijn voor die legendarische dorst van jou. Tijdens mijn afwezigheid mag jij gastheer voor de nukkige baronnen spelen. Het zou best eens een verstandige zet kunnen zijn om Mondegreen in mijn plaats als voorzitter aan te stellen. Zowel Morray als Verheyen hebben respect voor de oude - net als alle andere edellieden die ik kan verzinnen, behalve misschien die pronkzieke idioot, Viztria - dus dan gedragen ze zich tenminste. En wat die eventuele moordaanslag betreft, dat kan ik aan jou overlaten?'
Steven Argent knikte. 'Uiteraard, mijn heer.'
Nu de patrouille midden op de weg stilstond, kwam het Kethol voor dat hij toch bezwaar zou hebben gemaakt tegen het gezelschap van vrouwe Mondegreen, als er tenminste iemand naar hem zou hebben geluisterd.
Maar ze werd nu eenmaal met haar twee dienstmeisjes in Mondegreen verwacht, om de met zijn gezondheid sukkelende baron bij te staan en hem te begeleiden op de terugweg naar LaReu, voor de baronnenraad - en zo bleef ze tenminste voorlopig ook buiten de LaReuse edelmansbedden... Baron Morray had ervoor gepleit dat de patrouille dan net zo goed naar het noorden kon afbuigen om haar op haar weg naar huis te bewaken, en daar zat misschien ook wel iets in. Binnen een dag of twee werd er een compagnie uit Mondegreen verwacht, en zo konden ze weer gauw worden ingezet rond de stad zelf, om de troepen van de graaf af te lossen.
Het probleem met wat Pirojil een 'sluipende missie' noemde, was dat het dat ook precies was: sluipend en uitdijend, tot er geen houden meer aan was.
Wat was begonnen als een routinepatrouille naar het noorden, westen en terug naar LaReu, was gewijzigd in een escorte voor degenen die naar Mondegreen moesten en degenen die uit zowel Mondegreen als Morray mee terug moesten worden gebracht. Tussen de kop en de achterhoede van de stoet bevonden zich zeker twintig burgers: pater Finty en de jonge knaap die hij zijn misdienaar noemde maar die naar Pirojils vermoeden zijn schandknaapje was; drie van die zeldzame tamme Tsurani, voormalige slaven die zich mak hadden overgegeven toen hun meester was gedood en als pachters waren ingehuurd door enkele vrij boeren in Mondegreen; vrouwe Mondegreen en haar kliek van lelijke dienstmeisjes. Het gezelschap werd gecompleteerd door een verzameling bedienden, kruiers en lakeien.
Niet dat Kethol onder andere omstandigheden bezwaar zou hebben gehad tegen de aanwezigheid van de vrouwe zelf: ze was aangenaam gezelschap en ze deed niet bepaald pijn aan de ogen. Sommige vrouwen leken rond hun twintigste op te bloeien maar waren tegen hun dertigste al duidelijk niet meer de jongste: wangen en borsten die al begonnen te hangen, haar dat slap werd. Zo niet vrouwe Mondegreen. Zonder haar ene witte lok, die alleen maar karakter toevoegde aan haar lange, ravenzwarte haar, had ze zo voor een meisje van negentien kunnen doorgaan - misschien omdat ze geen kinderen had gehad of omdat ze familie was van de conDoins, die werden allemaal mooi oud.
Als ze tenminste niet sneuvelden in de strijd.
Haar gezicht was hartvormig, met een krachtige, zij het spitse kin die bijna mannelijk zou hebben geleken als er niet van die volle, rijpe lippen boven stonden. En zelfs in haar rij kleren, met de lagen kleding onder het korte jasje, zagen haar borsten er pront genoeg uit om zijn handen te doen jeuken. Met haar lange, aristocratische vingers, de nagels kort gebeten vanwege een trekje uit de arbeidersklasse dat Kethol uiterst charmant vond, hield ze de teugels met geoefend gemak vast, en met haar slanke dijen, gehuld in een strakke leren rijbroek, klemde ze zich stevig vast aan haar zadel wanneer haar imposante rode merrie zenuwachtig steigerde tijdens het wachten. Dames reden op een lange reis doorgaans in een koets, en waarschijnlijk had ze dat ook liever gedaan, maar de kortste route van LaReu naar Mondegreen liep over wat ruw terrein, en ze hield zich kranig in het zadel, rijdend als een man, schrijlings op haar merrie in plaats van in de amazonezit.
Achter haar, op twee vrijwel identieke, opvallend spatkreupele en gespikkelde ruinen, zaten haar twee dienstmeisjes ineengedoken in hun mantels, zich vastklampend aan de achterste zadelboog, de teugels krampachtig vast zonder de paarden ermee te mennen. Die vonden het blijkbaar best om achter de voorste rijdieren aan te lopen, wat volgens Kethol ook de reden was dat de stalmeester die twee knollen voor deze reis had gekozen. Af en toe moesten de ruiters erachter de ruinen een tik op de bil verkopen om ze door te laten lopen wanneer ze bleven staan om langs de kant van de weg te grazen. Misschien dat ze een beetje hadden leren rijden tegen de tijd dat ze Mondegreen bereikten, dacht Kethol.
Hij vond het al moeilijk om Elga en Olga uit elkaar te houden - was Elga nou die ene met dat kleine snorretje en die dikke buik of juist die met de grote snor en het kleine buikje? Hij vond het belangrijk om goed te onthouden wie wie was. Vrouwen die zo lelijk waren als die twee moesten het van ieder beetje aandacht hebben. Een vriend van Pirojil moest zoiets begrijpen, en dat deed Kethol dan ook.
'Rustig maar, meisje, rustig maar,' mompelde Tom Garnett tegen zijn grote zwarte merrie. Kethol kon maar niet begrijpen wat iemand moest met zo'n zenuwachtig dier - vurig, om de algemeen aanvaarde term te gebruiken - als er heel gewone, fatsoenlijk kalme rijdieren beschikbaar waren. Eigenlijk was dat dom. En Garnetts merrie leek hem wel héél erg vurig. De kapitein had haar vast gekozen om haar schoonheid en snelheid, wat de domste keus was die een bereden soldaat maar kon maken. Een als krijgsros opgeleid dier, dat kon hij best begrijpen. Vaak genoeg had hij er eentje op het slagveld voetsoldaten zien vertrappen, en al waren ze wat onwillig, ze waren de moeite waard. Ze boden de ruiter een extra wapen - vier, als je alle hoeven afzonderlijk telde, vijf als het paard beet. Maar onder geen enkele omstandigheid zag Kethol iets in een rijdier dat gewoon nerveus was. Nou ja, in ieder geval had de kapitein wel het verstand gehad om geen onbesneden hengst als rijdier te kiezen, in tegenstelling tot die idioot onder wie ze in Bas-Tyra hadden gediend. Dat was wel het laatste waar je iets aan had: een hengst die gek werd omdat een van de dienstmeisjes haar maandstonde had of een van de merries hengstig was.
Tom Garnett vertrouwde het groepje olmen aan de overkant van de open plek niet en had een drietal ruiters vooruitgestuurd om te kijken of er iemand in een hinderlaag lag. De Tsurani werden dan wel verondersteld voor de winter achter hun linies te zitten, op minstens zo'n twintig mijl ten westen van hier, maar Kethol had al menigmaal een lijk gezien met een verraste uitdrukking op zijn gezicht omdat het er iets anders aan toe was gegaan dan hij had verwacht.
De verkenners waren een verstandige voorzorgsmaatregel. Toegegeven, de Tsurani waren in het woud geen partij voor Natalse Vrijschutters of lieden zoals Kethol zelf, maar ze leerden snel. Veel te snel. Dat was het probleem met oorlog voeren als je de vijand niet tot de laatste man uitroeide: als je de zwakkelingen, de domoren en de pechvogels had gedood, stond je later tegenover een sterke, slimme vijand die altijd geluk had. Als het aan Kethol lag, werd de oorlog beslist door de Tsurani weg te jagen tot in de beerput waar ze uit waren gekomen en hen tot op de laatste zuigeling af te maken - ondanks al die belachelijke verhalen over de aantallen die ze op Kelewan hadden - maar voorlopig was die kwestie niet eens aan de orde.
Alles bij elkaar was het een uitzonderlijk goed argument voor Kethol, Pirojil en Durine om hun wedde op te strijken en te maken dat ze wegkwamen, zo gauw die baronnenraad achter de rug was en het ijs in het zuiden was verdwenen.
Warm weer en zachte handen ...
Binnenkort, misschien. Hoewel... Hij snoof de lucht op. Hoe hij het wist, kon hij niet zeggen, maar er was zwaar weer op komst. Het zou nog even duren - in het westen was de lucht helder en blauwgrijs, met heel in de verte slechts een enkel wolkje aan de hemel- maar er was storm op komst, dat wist Kethol zeker.
Kethol keek naar baron Morray, die roerloos zat te wachten op zijn al even roerloze gevlekte vospaard. Hij was groot van stuk, niet knap, al zou hij best aantrekkelijk zijn geweest zonder de ruigheid die hij zich aanmat met zijn overjas van eenvoudige snit en het praktische drakenhuiden gevest van het grote zwaard dat aan zijn zadel was bevestigd als tegenhanger van het korte rapier dat aan zijn heup hing. Zijn gelaatstrekken waren gewoon te regelmatig, zijn geschoren gezicht te glad, zijn bewegingen te verfijnd en precies, als hij al bewoog.
De blik waarmee hij naar Kethol terugkeek, was vervuld van minachting. 'Zoals u ziet was er geen reden tot angst,' zei hij, zijn stem zodanig zacht dat vrouwe Mondegreen en kapitein Tom Garnett hem nog net konden verstaan.
Kethol hapte niet. Wat de baron van hem dacht terwijl hij daar stil zat te wachten tot de LaReuse beroeps terugkwamen van verkenning, interesseerde hem niet. Hij kon meer voelen dan horen dat Durine achter hem wat onrustig werd, terwijl Pirojils zorgvuldig neutrale gezicht boekdelen sprak over zijn mening over mensen met kritiek op het werk van professionele lieden.
Tom Garnett zorgde voor redding. Zijn nerveuze paard deed een paar steigerende stappen, die Garnett haar liet doen met een minieme beweging van zijn vingers en een verstrakken van zijn knieën tegen het zadel. 'Ik vrees, moet ik helaas zeggen, baron Morray, dat u Kethols aarzeling om verderop te gaan kijken verkeerd hebt begrepen.'
'O?'
Amper zichtbaar schudde Kethol het hoofd. Tom Garnett dus ook al, hè?
Mensen die hen drieën niet echt kenden, dachten om een of andere verkeerd begrepen reden al gauw dat hij, Kethol, de leider van het drietal was. Durine was te groot en te stil, en Pirojil was zeldzaam lelijk. Dat deed de mensen er gewoonlijk van uitgaan dat Kethol de baas was over de andere twee.
'Ik was erbij toen de zwaardmeester hen drieën de opdracht gaf om u te beschermen, baron Morray,' vervolgde Tom Garnett. 'Ik kan me niet herinneren dat hij hun zei dat ze bij u in dienst waren.' Onuitgesproken bleef het feit dat de zwaardmeester ook Tom Garnetts compagnie niet onder baron Morrays bevel had geplaatst, een onderscheid dat de baron meer dan eens leek te ontgaan.
Wat geen verrassing was. De adel neigde ertoe nogal stipt in dat soort dingen te zijn met betrekking tot andere adel, maar een stuk minder met betrekking tot de burgerij, ongeacht hun militaire rang. Dat was iets wat Kethol wel aanstond aan het werken in het Westelijke Rijk van het Koninkrijk: al begrepen soldaten altijd goed dat de adelstand geen garantie was voor oordeelkundigheid en ervaring, hier trof je in het leger verfrissend weinig ambitieuze baantjesjagers aan. Om te hengelen naar de rang van jonkheer of een huwelijk met de dochter van een kleine edelman, zou Tom Garnett in het Oostelijke Rijk Morrays achterwerk hebben gekust nadat hij beleefd had gevraagd op welke bil hij de eerste pakkerd wilde hebben.
Verderop doemde het woud op, grauwen grimmig. Binnenkort, als het lente werd, kwam er weer groen leven in de bossen. Dat was zo aardig aan de bossen: je kon erop vertrouwen dat een woud zich herstelde, zowel van de verwoestende invloed van de winter als van die van indringers.
Met mensen was dat anders.
Tom Garnett gaf de stoet het teken verder te trekken, en Kethol gaf zijn paard de sporen om in korte galop voor baron Morray uit te rijden terwijl Durine en Pirojil hun plaatsen naast de baron innamen.
Na jaren samenwerken kon hij de gedachten van zijn metgezellen bijna lezen zonder dat er een woord tussen hen hoefde te worden gewisseld. Kethol ging voorop, niet omdat hij makkelijker vervangbaar was dan de andere twee, net zo min als hij de leider van het drietal was, maar omdat hij was opgegroeid in woudachtig gebied en in zijn jeugd zijn zintuigen had leren richten op de geuren, geluiden en stiltes van het woud zoals alleen een natuurtalent dat kon.
In de verte hamerde een specht erop los, bijna hard genoeg om pijn te doen aan zijn oren. Kennelijk was het trappelen van hoeven op de harde, bevroren grond niet zo bedreigend dat het dier zich stil hield.
Kethol stak een waarschuwende hand op en liet een boswachtersroep horen. Nadat het hameren even was gestopt, begon het weer. Mooi. De vogel was wild genoeg om in de aanwezigheid van mensen stil te vallen, maar tegelijkertijd zodanig aan mensen gewend dat hij zijn werk al snel weer hervatte, en dat hielp om te bepalen of ze nog steeds alleen in het woud waren.
Glimlachend reed hij verder. Je kon een behoorlijk legendarisch gehoor voor dingen in het bos ontwikkelen als je je door de woudbewonertjes liet helpen.
Vanuit het westen stak een koude wind op die een vage geur van houtrook met zich meevoerde, vermoedelijk van een boerderijtje van een vrijboer in de buurt. Berken met de scherpe reuk van dennen, als Kethol het goed rook, en met zijn reukvermogen was niets mis.
Morray begon aan een gestadige stroom van klachten over zijn vrijboeren, waar Kethol maar met een half oor naar luisterde, en dan alleen omdat de baron beter kon mopperen dan menig zanikend cavaleriesergeant.
Bij decreet van de graaf, en vermoedelijk van de hertog zelf, konden de grenzen van het land van een vrijboer niet worden geschonden door de baronnen - die altijd bezig waren om hun eigen pachtgoed te vergroten en op ieder vrij stuk land een lijfeigene plaatsten - maar de boerderij zelf was, volgens de wet en naar de praktijk, het eigendom van de baron, en al was het vrij boeren verboden zelf hun lemen gebouwen uit te breiden, de baronnen dienden het nodige herstel aan 'hun' eigendom uit te voeren.
Als je baron Morrays klachten mocht geloven, hadden de Tsuranese troepen niet alleen in het afgelopen najaar de rode bloem in alle rieten daken van zijn baronie gezet, waardoor de baron nu aanzienlijke sommen moest uitgeven aan het inhuren van timmerlui, stukadoors en rietdekkers, maar bovendien waren het leem en het stro van LaReu zo broos dat het al verkruimelde als je er iets te hard naar wees.
Er moest ongetwijfeld iets worden geregeld met baron Mondegreen, de vaste penningmeester van het graafschap, voor een lening van de Kroon, en van baron Mondegreen was bekend dat hij net zo krenterig was met het geld van de Kroon als hij vrijgevig was met dat van hemzelf. Daarbij was het niet onwaarschijnlijk dat er tussen hen beiden problemen bestonden, aangezien Morray dienst deed als de legerpenningmeester van de graaf, zij het alleen omdat hij gezonder en mobieler was dan Mondegreen. In zijn positie kon - en moest - Morray de soldaten uitbetalen en zorgen voor de proviand van de troepen en dergelijke, maar dat stond hem niet toe een greep in de buidel van de Kroon te doen voor herstelwerkzaamheden aan zijn eigen baronie.
Vermoedelijk was het niet de verstandigste manier van aanpak dat Morray het deed met de vrouw van de baron terwijl hij een lening bij hem probeerde te regelen, maar al heel lang geleden was Kethol tot de slotsom gekomen dat wijsheid en adel hooguit per toeval samengingen.
De landweg waarlangs ze door de noordelijke bossen trokken, kronkelde omlaag naar een droge rivierbedding en vervolgens omhoog en verder door een klein dal tussen twee lage heuvels. Over die heuvels liep de Graafseweg, maar dat was niet de snelste route naar Morray, noch daarvandaan naar Mondegreen.
Vrouwe Mondegreen liet haar dienstmeisjes alleen en kwam naast hem rijden. Hij knikte begroetend en bracht even een hand naar zijn voorhoofd.
'Ik wilde u nog bedanken voor het escorte.' Haar stem was verrassend laag en aangenaam zangerig, als een altfluit.
'Het is mij uiteraard een genoegen, mijn vrouwe,' zei Kethol.
En het maakte niets uit dat het helemaal niet zijn idee was en hij haar net zo makkelijk zou hebben laten wachten op de volgende compagnie Mondegreense cavalerie om haar terug naar de baronie te brengen. Hoe groter het gezelschap, hoe beter, natuurlijk, maar alleen zolang je de strijders telde, niet als je er extra bagage aan toevoegde zoals edelmansvrouwen, hoe oogstrelend ze ook mochten zijn.
'Het bos heeft aan het eind van de winter iets... angstwekkends,' zei ze. 'Als je vanuit je ooghoek naar de takken kijkt, lijken het soms net skeletten die naar je grijpen. Nog een paar zwarte mantels, en je zou denken dat je omringd was door de Onzalige Broederschap.'
Ze reed bijna knie aan knie met hem, de anderen achter zich latend.
'Dat zal best,' knikte Kethol. 'Maar ik heb altijd van bossen gehouden. Alle bossen.'
'Ook wanneer ze er zo kaal en verlaten uitzien?' vroeg ze luchtig.
'Schijn bedriegt, vrouwe.' Zijn mes lag al in zijn hand zonder dat hij over het trekken ervan hoefde na te denken. Hij bracht het omhoog en sneed een twijg van een over de weg hangende tak. Met een stompe duimnagel krabde hij over een grijs knopje aan de twijg, het groen aan de binnenkant onthullend. 'Hoe dood het er ook uitziet, er is hier altijd nog leven in aanwezig.'
Verderop waren de verkoolde resten van verbrande bomen de stille getuigen van een vuur dat in het woud had gewoed. Kethol kon zich deze bosbrand nog herinneren, die was aangestoken door vluchtende Tsuranese troepen, en hij klemde zijn kaken op elkaar.
'De winter is de tijd waarin de bomen... slapen,' zei hij. 'Maar veel eerder dan u denkt, ziet u de scheuten alweer grijpen naar de hemel als umet uw vingers of met een stok aan de voet van die verbrande eik in de grond prikt.'
'Aha.'
'Echt waar,' glimlachte hij. 'Over tien jaar is er nergens meer te zien dat die Tsuranese smeerlap hier het bos in brand stak als een hond die op voedsel kotst dat hij niet kan meenemen om te voorkomen dat een ander het opeet.' Met zijn twijg gebaarde hij naar de heuvel die zich naast hen verhief. 'En daar staat over een jaar of twintig, dertig, een leuk groepje eiken - kleintjes, dat wel, maar echte bomen, niet zomaar zaailingen - die hun voeding krijgen uit de grond eronder.'
Ze lachte, het geluid van zilveren belletjes in de verte. Doorgaans hield Kethol er niet van dat er om hem werd gelachen, maar haar lach was geenszins krenkend.
'Maar, Kethol toch,' zei ze, eerder geschokt dan verrast, 'je zou haast denken dat je een dichterlijke filosoof was in plaats van soldaat. Eiken zeg je? Waarom eiken en geen olmen, dennen of beuken? En hoe weet je nu dat ze daar zullen staan en niet ergens anders?'
'Dat weet ik -' Nee. Hij hield zichzelf in en haalde zijn schouders op. 'Eigenlijk kan ik dat natuurlijk niet echt weten,' bekende hij. 'Maar volgens mij gaat het gebeuren. Ik zal u wat vertellen, vrouwe: komt u over twintig jaar nog eens terug en denk aan mij als u hier een groepje eiken vindt.'
'Dat zou ik best eens kunnen doen, Kethol. Ik beloof het je zelfs, en als je dan nog steeds in dienst van de graaf bent, zet ik een zilveren reaal in tegen een koperstuk van jou dat het olmen of dennen of iets anders dan een groepje eiken zijn, als je erom wilt wedden.'
Hij glimlachte. 'Wel, ik betwijfel of ik komend voorjaar zelfs nog maar in LaReu ben, maar als ik vandaag over twintig jaar in het graafschap ben, kom ik bij u op de kasteelpoort kloppen om de inzet op te halen.'
'Of te betalen.' Ze trok een wenkbrauw op en glimlachte. 'Tenzij je het graafschap ontvlucht om je koperstuk niet kwijt te raken?'
'Nee, dat zou ik nooit doen, vrouwe.'
Het had weinig zin om erbij te vertellen dat hij er best om durfde te wedden, aangezien hij boven op die heuvel samen met Pirojil en Durine de Tsuranese Krijgsleider had begraven die de brand had laten aansteken, en tientallen eikels over zijn blote borst had gestrooid voordat ze het gat hadden dichtgegooid. De Tsuranu had grote ogen opgezet toen ze de aarde begonnen terug te scheppen. Maar met die leren riem voor zijn met eikels volgepropte mond had hij niet veel geluid voortgebracht behalve wat gegrom, en met die kapotte pezen in zijn ellebogen, enkels en bovenbenen ging hij toch nergens heen. Ze hadden de aarde niet erg hard aangestampt nadat ze hem hadden begraven. Waarschijnlijk had hij nog wel een poosje gehad om na te denken over de wijsheid van het laten afbranden van wat hij niet kon veroveren.
Kethol vond het niet erg dat de Tsuranu hem had willen doden - dat was zijn werk - maar schade aan een bos vatte hij persoonlijk op, en noch Durine, noch Pirojil had bezwaar gemaakt. Ze hadden gewoon geholpen met het terugscheppen van de aarde. Spijt had hij niet, maar het levend begraven van een man was niet iets wat hij ter sprake wilde brengen bij een knappe vrouw, laat staan een knappe edelvrouw, wanneer die bij hem kwam koketteren.
Want dat deed ze.
Vermoedelijk alleen maar om baron Morray jaloers te maken, maar dat vond Kethol prima. Vannacht zou hij lekker warm slapen door zijn gedachten aan haar, en als zij onder baron Morray sliep, deed dat Kethol geen kwaad.
Maar toch...
Tegen de middag hielden ze halt voor een karig maal van koud brood met worst, weggespoeld met water en een kwart pint je goedkope wijn voor de soldaten, terwijl de edelen een fles met iets beters deelden.
Pirojil had de paarden willen laten drenken en voeren door de Tsuranese ex-slaven - die waren tenslotte erg mak, en het was nog steeds niet helemaal tot hen doorgedrongen dat ze nu vrij waren - maar Tom Garnett had daar andere gedachten over: zoals gewoonlijk werd er uit elk peloton één man aangewezen om de paarden van dat peloton te verzorgen terwijl de anderen aten en rustten. Er was toch al zo weinig tijd om je te ontspannen als je op patrouille was, en het was niet onverstandig alle rust te nemen die je kon krijgen.
Pirojil ging er niet tegenin. Hij liet Kethol op zijn beurt voor hun drie paarden zorgen terwijl hij zijn brood met worst zo haastig verorberde dat hij er niets van proefde en vervolgens zijn wijn nog sneller opdronk. Hij kreeg het er een beetje warm van, ineengedoken in zijn mantel tegen de kou.
Niettemin...
'Laat ik maar even iets gaan water geven dat wat water nodig heeft,' zei hij tegen Durine, slingerde zijn zwaardriem over zijn linkerschouder \1 en beende weg over de heuvelkam om zichzelf te ontlasten.
Een van de beroepssoldaten beneden, een slungel met een kale plek op zijn schedel waar hij door een Tor was geraakt, haalde een panfluit te voorschijn, een ander pakte een kleine trommel, en weldra schalden er valse vertolkingen van oude krijgsliederen door de lucht.
'We marcheren naar
Bosanië,
Bosanië,
Bosanië,
We marcheren naar Bosanië, Bosanië, vandaag...'
Zoals gewoonlijk raakten de Tsurani hiervan in verwarring. Vermoedelijk zongen of trommelden soldaten op Kelewan alleen maar wanneer ze daartoe het bevel kregen. Waarschijnlijk lieten ze ook geen scheten als ze daartoe niet expliciet de opdracht hadden gekregen. Deze voormalige slaven zouden het veel makkelijker krijgen in dienst van de plaatselijke edelen en vrijboeren. Pirojils lippen verstrakten. De Tsurani waren nog erger dan de Koninkrijkse beroepssoldaten als het ging om het tonen van zelfstandigheid. Wat was het toch in het leven van een soldaat dat hem elk initiatief ontnam?
Vlug ontlastte hij zich achter de dikke stam van een oude eik, terwijl boven hem een eekhoorn zat te kwetteren. Toen hij zijn broek dichtknoopte, was het slechts een reflex om te controleren of hij zijn zwaardgevest binnen handbereik had.
Achter hem knapte een twijgje, en zijn zwaard was niet langer slechts binnen handbereik maar in zijn hand. Met een ruk draaide hij zich om. Daar stond Durine, met een glimlach op zijn brede gezicht, de beide handen opgestoken, de open palmen naar voren. 'Kalm maar, Pirojil. Misschien had ik mijn keel moeten schrapen in plaats van op een takje te gaan staan.'
Pirojil moest erom lachen. Brekende takjes als waarschuwing voor een dreigende aanval hoorden bij de verhalen voor rond het kampvuur. Takjes bogen meestal door, zonder geluid te maken, behalve in de droogste tijd van het jaar. Trouwens, in het echt was een vijand zelden zo attent om een waarschuwing vooraf te geven. Dat ging nogal ten koste van het idee van een verrassingsaanval.
Pirojil borg zijn zwaard op. Ze mochten dan al heel wat jaren kameraden zijn, maar totdat Pirojil zijn wapen in de schede had gestoken, bleef Durine's hand in de buurt van het gevest van het zijne. Sommige gewoonten waren nu eenmaal zo hardnekkig dat ze het afleren misschien niet eens waard waren.
'Neem me niet kwalijk.' Beleefd draaide Durine hem de rug toe en knoopte zijn broek open. Een onwaarschijnlijk lange tijd schoot er een dampende straal pis door de koude lucht.
'Was het nou echt nodig om mij als getuige te hebben terwijl je staat te pissen?' vroeg Pirojil.
Durine knoopte zijn gulp dicht. 'Nou, om je de waarheid te zeggen heb ik altijd liever jou of Kethol in de rug als ik bezig ben met zoiets groots en kwetsbaars, maar nee, het leek me dat wij eens moesten praten.'
'Ga je gang.'
Durine schudde zijn hoofd. 'Dit bevalt me van geen kanten. Lijfwacht je spelen voor een officier is tot daaraan toe - je hoeft je geen zorgen te maken dat je eigen soldaten hem proberen om te leggen –'
Pirojils wenkbrauwen gingen omhoog en hij wierp Durine een koele blik toe.
'Goed dan, meestalhoef je je geen zorgen te maken dat je eigen soldaten hem proberen om te leggen, je hoeft alleen maar op te passen dat de vijandelijke troepen hem niet lastig vallen als hij het druk heeft met een veldslag. Lijfwacht je spelen vind ik wel wat.' Hij klopte op zijn buik.
Pirojil knikte, al keek hij de ander niet aan. Niet dat hij dat niet wilde. Het was gewoon iets onwillekeurigs, na al die tijd met zowel Kethol als Durine. Als vanzelf verdeelden ze de wereld in aanvalsvlakken, en dat had hun het leven al menigmaal gered.
'Anders ik wel,' zei Pirojil. Lijfwachtdienst betekende doorgaans wat extra munten, en de maaltijden neigden beter te zijn, en al zat je dicht genoeg bij het front om je niet te vervelen, de afstand was toch nog groot genoeg om niet bang te hoeven zijn dat je meteen werd besprongen als je wat buit aan het binnenhalen was. 'Niet iets waar ik me vrijwillig voor zou hebben opgegeven, maar ik kan me ook niet herinneren dat me dat is gevraagd, jij?'
'Maar waarom wij dan?'
'Weet ik niet, al heb ik wel wat ideeën. Als die iets waard zijn.' Pirojil haalde zijn schouders op. 'Het lijkt me niet omdat de zwaardmeester ons beter vindt dan zijn eigen troepen.'
'Al zijn we dat wel.'
Ondanks zichzelf moest Pirojil grijnzen. 'Nou ja, dat vind ik, en dat vind jij, en Kethol vindt dat wij beter zijn dan zij - maar ik durf te wedden dat die lui vinden van niet.'
'Hun probleem.'
'Nee, ons probleem. Wij zijn er alleen niet bij betrokken, gelukkig.'
'Gelukkig?'
'Gelukkig voor ons, ja. Wij hoeven geen standpunt in te nemen in de plaatselijke rivaliteiten, wat inhoudt dat ons niet zo gauw de strot zal worden afgesneden als we op het verkeerde moment iets verkeerds doen.'
'Dus dit bevalt jou wel?'
'Dat heb ik niet gezegd. De pech is dat we er niet bij betrokken zijn en-'
'En net zei je: gelukkig.'
Soms was Durine gewoon te traag van begrip. Niet dat Pirojil daarover klaagde; Kethol was nog erger. 'Dat is ons geluk en onze pech,' zei Pirojil langzaam, geduldig. 'Net als de meeste dingen. De pech is twee ledig: iemand kan je de strot af willen snijden omdat je hem in de weg staat...'
'Dat is niets nieuws.'
'...en wij zijn vervangbaar.'
'Ook niets nieuws.'
'Toch wel een beetje.'
'Ah!' Durine knikte toen hij het eindelijk begreep. 'Politiek.' Hij zei het alsof het een vloek was.
'Politiek,' knikte Pirojil. 'Bekijk het eens vanuit het politieke standpunt. Zeg dat baron Morray van de trap valt en zijn nek breekt, dan kan de graaf dat beschouwen als een ongeluk of ons de schuld geven. Als het een ongeluk is, nou, dan is dat geen politiek probleem en wordt Luke Verheyen niet verantwoordelijk gesteld - niemand wordt dan verantwoordelijk gesteld.'
'En dat is een geluk, toch?'
'Tuurlijk. Maar als het geen ongeluk is - zeg dat de baron was vermoord - wiens schuld is het dan?'
'De moordenaar?'
Pirojil wist niet of hij nu moest kreunen of lachen. 'Tuurlijk, de moordenaar. En wie is de moordenaar? Verheyen, de erfvijand, die zijn oog net zo goed op het graafschap heeft laten vallen als Morray? Of de drie vrijbuiters die na zorgvuldige fouillering vrijwel zeker iets te veel geld bij zich hebben?'
'Maar wat moeten we dan?'
'Heel gewoon: zorgen dat baron Morray niet van zijn paard valt en zijn nek breekt zolang we op patrouille zijn, of van de trap valt en zijn nek breekt zolang we in Morray en Mondegreen zijn. We brengen hem levend en wel terug naar LaReu en hopen dat deze taak er dan op zit. Als ze hem proberen te vermoorden, houden we hen tegen. Lukt dat niet, dan zorgen we dat we op zijn minst één overvaller levend gevangen nemen, zodat die kan vertellen wie hem heeft betaald - wat wij niet zullen zijn.'
'En als dat niet lukt?'
Met gefronste wenkbrauwen keek Pirojil hem aan. Dat was nogal wiedes. 'Dan doden we iedereen in de buurt, grijpen de paarden en alles van waarde dat ze bij zich hebben en kijken of wij sneller zijn dan de prijs die op ons hoofd wordt gezet.'
'En wat denk je dat daar de kans op is?'
'Half om half.'
'Optimist.'
'Dat ben ik, mits alles op rolletjes gaat.' Pirojil trok een wenkbrauw op. 'Als jij een beter idee hebt, voor de draad ermee, dan kunnen we erover praten.'
Durine schudde zijn hoofd. 'Nee, een beter idee heb ik niet.'
'Dan gaan we met -'
'Opstijgen,' klonk het van beneden. Tom Garnetts stem droeg ver. 'We verspillen daglicht.'
'Laten we maar naar beneden gaan voordat ze zonder ons vertrekken,' zei Pirojil.
'Ja, beter van wel,' knikte Durine, en hij fronste zijn dikke wenkbrauwen. 'Maar ik snap wat je bedoelt. Erg slim van de zwaardmeester, nietwaar?'
'Wat?'
'Ik bedoel, als het ze lukt om baron Morray te vermoorden, of als hij inderdaad een noodlottig ongeluk krijgt, weet de zwaardmeester dan niet dat wij de schuld zouden krijgen en het op een lopen moeten zetten?'
'Eh, ja.'
'Nou, dan wint hij hoe dan ook.'
Dat moest Pirojil beamen. De zwaardmeester werd er hoe dan ook beter van. Een dode baron was geen onoverkomelijk probleem - de oorlog was de adel bijna net zo fataal als de gewone soldaat - maar ruziënde baronnen die het idee kregen dat moord iets aanvaardbaars was, was heel iets anders. Veel beter om de schuld af te schuiven op de drie vrijbuiters, die geen bindingen met een van de adellijke partijen hadden. Iemand zou duidelijk maken dat ze gewoon hadden besloten om de baron zelf te vermoorden en beroven - en of Pirojil, Kethol en Durine nu wel of niet werden gedood of gepakt, deed er niet toe. Zo zou het officiële verhaal luiden.
Misschien was Durine helemaal zo dom nog niet.
De zwaardmeester in ieder geval niet.
Stik.
Het was nog maar een uur rijden naar Mondegreen toen de Tsurani aanvielen. Een waarschuwing kwam er niet, in ieder geval niet dat Durine had gemerkt, zelfs niet achteraf. Noch had Kethol of Pirojil iets gemerkt, want anders zouden ze een signaal hebben gegeven.
Het ene moment reed de stoet nog in twee ongelijke rotten over een landweg met bevroren braakliggend land aan weerszijden, en het volgende zwermden er tientallen soldaten met zwart-oranje wapenrustingen uit de greppel waarin ze hadden gelegen, schuil onder een laag hooi.
Durine reed af op de soldaat die met het zwaard in de handen op weg was naar Morray. Terwijl zijn paard de Tsuranu tegen de grond ramde, sprong Durine aan de andere kant uit het zadel.
Dat was het probleem van cavalerie. Je was te afhankelijk van de bewegingen van het paard, en als je dan niet een voortreffelijk opgeleid krijgsros onder je had, was dat hopeloos. Durine moest vaste grond onder zijn laarzen hebben als hij wilde blijven vechten, en blijven vechten zou hij.
Hij sprong achteruit voor een wilde zwiepslag van een andere Tsuranese zwaardvechter, en dook toen naar voren, schoppend naar diens verraderlijk broos uitziende borstplaat terwijl hij een andere tegenstander neermaaide.
Overal om hem heen werd geschreeuwd en gegild, maar baron Morray zat nog steeds op zijn paard. Met de vlakke kant van zijn zwaard gaf Durine de merrie een mep op de flank, zodat het dier met de zich wanhopig vastklampende baron de weg af galoppeerde, in de richting van de nog in het zadel zittende Kethol en Pirojil.
Het was altijd verleidelijk om de plaatselijke soldaten te onderschatten - een professioneel huurling kreeg, als hij ze overleefde, veel meer gevechten voor zijn kiezen dan de gemiddelde Oosterse soldaat en nog veel meer dan de gemiddelde Westerse - maar Tom Garnett was geen groentje dat met open ogen in een Tsuranese val trapte. Hij was al bezig de kop van de stoet het veld in te brengen om de aanvallers snel te overvleugelen in plaats van domweg de tweede hinderlaag in te galopperen die vrijwel zeker verderop de compagnie opwachtte.
Binnen de kortste keren werd Durine overspoeld door een zee van zwarte, met oranje afgezette harnassen. Hij haalde uit met voeten, zwaard en zijn vrije vuist, in de hoop genoeg ruimte vrij te maken voor zijn eigen ontsnapping voordat hij in de Tsurani verdronk.
Hij voelde meer dan dat hij zag dat Pirojil achter hem verscheen, en even later kreeg Pirojil versterking van een zestal lansiers, die kennelijk rond waren getrokken om de Tsurani van achteren aan te vallen.
Eén ruiter reeg een krijsende Tsuranu aan zijn lans en tilde hem even van de grond voordat zijn wapen luid krakend afbrak. Wild maaiend met de kapotte stomp van zijn lans wist de LaReu verscheidene tegenstanders weg te knuppelen voordat hij van achteren werd besprongen en tegen de grond gedrukt.
Durine had hem best willen gaan helpen, maar hij had het zelf te druk met twee Tsurani. De ene schopte hij naar Pirojil- die was afgestegen nadat hij zijn laatste tegenstander had uitgeschakeld en die een uit evenwicht gebrachte soldaat makkelijk aankon - en meteen moest hij bukken voor een woeste dwars slag met het zwarte tweehandszwaard van een andere Tsuranu. Hij hieuw omhoog, in en door de keel van de kleinere man. Het bloed spoot eruit, alsof hij de stop uit een okshoofd vol rode wijn had getrokken.
De blik in de ogen van de man die je doodde, was altijd dezelfde. Dit is onmogelijk,zei die blik, in alle talen. Zoiets overkomt mij niet.Durine had die blik al vaak gezien in de ogen van iemand die zijn einde zag naderen, en die hoefde hij niet nogmaals te aanschouwen. Hij schopte de stervende opzij.
Drie Tsurani hakten in op de benen van een groot grijs paard. Rijdier en ruiter vielen op de grond, en het paard gilde met die vreemde, hoge paardenstem waar je maar nooit aan wende. Maar een van de Tsurani had zich verrekend: het paard kwam op hem terecht, hem in zijn zwarte harnas verpletterend met een reeks natte, knappende geluiden.
Het scheelde niet veel of Durine schoot in de lach.
Als altijd waren de Tsurani vastberaden en bekwame krijgers, maar ze waren in de minderheid, en na uren in de bittere kou in een hinderlaag te hebben gelegen, waren ze traag. Het duurde dan ook niet lang of de meesten lagen op de grond, dood of stervend. Het gekrijs was gruwelijk om aan te horen.
Hijgend zakte Durine een stukje door zijn knieën. Hoe lang je dit ook al deed, iedere keer kostte het je wat.
Een van de Tsurani lag vlak bij Durine nog steeds verschrikkelijk te schreeuwen, ondanks een wond in zijn kruis waar nog vers, dampend bloed uit sijpelde op de bevroren grond. Durine rechtte zijn rug, liep naar hem toe en hieuw; eenmaal, achter in de nek. De Tsuranu schokte een keer en was stil, op het winderige geluid na waarmee hij zich in zijn doodsnood bevuilde.
Een plotse dood kwam zelden waardig.
'Wacht.' Tom Garnett steeg van zijn paard en greep Durine bij de schouders. 'We maken zo veel mogelijk gevangenen. Die man was misschien een van de slaven van de Tsurani en dan was hij helemaal geen gevaar voor ons geweest.'
Durine gaf geen antwoord.
'Zeg, kerel, heb je me niet gehoord?'
'Neem me niet kwalijk,' kwam Pirojil tussenbeide. 'Ik denk dat u dit even moet zien, kapitein.' Hij knielde bij de dode neer en draaide hem op zijn rug. Het hoofd van de Tsuranu schoot los van het lichaam.
Pirojil kwam overeind en tikte met de punt van zijn laars een dolk bij de hand van de dode Tsuranu weg. 'Misschien had u niet graag als laatste gedachte moeten toegeven dat u onterecht genadig was geweest, kapitein.'
Durine had geen dolk gezien, maar dat zou toch niet hebben uitgemaakt. Die Tsuranu was al zo goed als dood geweest, en het maakte weinig verschil of hij nu meteen ging of een poosje later. Zo maakte zijn geschreeuw Durine's hoofdpijn tenminste niet erger.
Dat geschreeuw was straks al erg genoeg in zijn dromen.
De soldaten hielden twee norse Tsurani gevangen, de handen stevig vastgebonden en aan de nek gesnoerd, onder het toezicht van een paar lansiers, al was dat niet echt nodig, aangezien ze zich niet verzetten. Een gevangen Tsuranu was ofwel zo mak als een lammetje, of volstrekt onhandelbaar, zodat je hem uiteindelijk toch moest doden, hoe vaak je hem ook tot bloedens toe sloeg, of hoe goed je hem ook behandelde terwijl hij stevig genoeg was geboeid om niets uit te kunnen halen. Een van de soldaten had Durine uitgelegd dat het iets te maken had met het Tsuranese eergevoel: als ze gevangen waren genomen, hield dat in dat de goden hen hadden vervloekt of zoiets onzinnigs, maar als ze het eenmaal opgaven, dan leken ze zich erbij neer te legen dat ze de rest van hun leven doorbrachten als slaaf. Durine snapte dat niet en wilde het eigenlijk ook niet snappen. Het enige dat hij moest weten, was waar je hen met een zwaard moest raken. Wel kon hij zich herinneren dat een van de LaReuen hem had verteld dat de zwart-met-oranje Tsurani Minwanabi heetten en dat het opvallend taaie en gemene schoften waren. Schokschouderend liep Durine weg. Hij was niet van plan lang genoeg in het noorden te blijven om erachter te komen hoe de andere stammen heetten en hoe gemeen ze waren. Alle Tsuranezen waren hem taai genoeg.
De twee tammen waren echter de enige overlevenden onder de Tsurani. Meer dan twintig man van de vijand lagen dood op de grond, in gezelschap van vier LaReuen en twee paarden. Eén soldaat zat grienend bij zijn paard geknield, een hand op de hals om zich ervan te vergewissen dat het hart niet langer sloeg.
Rare kerel. Om je zo te hechten aan een stuk vlees. Vlees ging dood en bedierf.
Vrouwe Mondegreen en baron Morray lieten vanaf hun paarden hun blik over het tafereel gaan. Baron Morrays knappe gezicht stond neutraal, al was het wat bleek, maar de kleur van de vrouwe was bijna groen, en ze was zodanig van slag dat ze een straaltje braaksel uit haar mondhoek wegveegde met haar mouw in plaats van haar zakdoek.
'Ik ... ik had nog nooit een veldslag gezien,' zei ze zacht.
'Een veldslag?' Baron Morray schudde zijn hoofd. 'Dit was nauwelijks een schermutseling.'
'Wat gaan ze met hen doen?' vroeg ze.
'Laten liggen voor de landeigenaar,' antwoordde hij. 'Dat is zijn verantwoordelijkheid.'
Durine knikte. Net zoals het Durine's taak niet was om een gat in de bevroren aarde te hakken om de lijken te begraven. Het zou lang en moeizaam werk worden, maar dat was iemand anders' probleem. Het opruimen van de lijken was iets voor de plaatselijke landeigenaar of vrijboeren, afhankelijk van wiens veld dit was. De LaReuse soldaten werden in dekens gewikkeld en meegenomen voor een fatsoenlijke crematie in Mondegreen. De Tsurani zouden waarschijnlijk gaan dienen als mest voor de akkers. Het was vuil werk, zeker, maar als ze er snel genoeg bij waren - en dat zouden ze zijn - waren er nog een paar centenaars aan vers paardenvlees als betaling voor hun arbeid. Schandelijk, misschien, dat zo'n trouw rijdier eindigde in de soep van een boer, maar zo ging het nu eenmaal.
Tom Garnett steeg weer op zijn paard. 'De helft van de compagnie zit achter de boogschutters aan die in een hinderlaag lagen, en de rest moet ik achter de lui aan sturen die hier zijn weggevlucht. We zullen die schoften voor het donker te pakken moeten nemen, want anders breken ze in bij de boerderijen en vermoorden de lijfeigenen. Een militaire dreiging vormen ze nu niet meer, maar...'
Durine knikte. 'Maar het is nergens voor nodig dat ze mensen doodmaken.'
Dat was het probleem met een vijand die zo ver achter de eigen linies opereerde. Terugtrekken was niet echt een optie.
Durine wist niet goed wat nu wel en wat nu niet een militaire dreiging vormde, maar een bange kerel met een blauw zwaard dat bijna even lang was als hijzelf was iets waar hij liever niet onvoorbereid op stuitte.
Blijkbaar duurde het even voordat Kethol besefte dat de kapitein het tegen hem had gehad. Ja, kapitein,' zei hij tenslotte.
Tom Garnett wees op de twee edellieden met hun coterieën, die iets verder langs de weg op een kluitje stonden. 'Jullie drie en een peloton onder sergeant Henders brengen de burgers naar Mondegreen, waar we jullie weer ontmoeten.'
Kethol salueerde vluchtig met zijn zwaard.