3 Mondegreen

 

Pirojil hield zijn paard in.

Hij bleef staan tot de stoet hem had ingehaald voordat hij zijn rijdier liet meestappen naast dat van de grijze lansiersergeant. 'Vooruitrijden is niet nodig, sergeant. Het lijkt me beter om iedereen bij elkaar te houden.'

'Da's erg interessant, vrijbuiter,' reageerde sergeant Henders, zijn frons en toon sarcastisch, in tegenspraak met zijn kalme woorden. 'Ik zal het je nog een keer zeggen: ik ben altijd zo ontzettend blij met een andere mening over de manier waarop ik het peloton leid.' Hij verhief zich in het zadel. 'Hé, jij!' schreeuwde hij. 'Ja, Sanderson, jou bedoel ik, pokkenzoon van een bastaardhond. Jij en Scrupple gaan voorop!' Vervolgens draaide hij zich om naar een ander ruiterpaar. 'Williams! Bellows! Jullie twee dienen nu als flankeurs. Een beetje tempo, of we zullen eens zien of jullie harder vooruit kunnen zonder je paarden. Opschieten, zei ik!' Hij keek Pirojil weer aan. 'Altijd blij met goede raad, Pirojil, en zeker van zo'n stuk als jij,' sneerde hij, net hard genoeg om verstaanbaar te zijn. 'Maar ik weet nu eenmaal graag of er een hinderlaag dreigt.'  

'We hoeven tussen hier en Mondegreen geen hinderlaag te verwachten,' zei Pirojil. 'Misschien een achterblijvertje of twee, maar die hebben het dan vast veel te druk met wegvluchten.'  

'Als jij het zegt.' De sergeant maakte geen aanstalten de voorrijders terug te roepen.

Pirojil beet op zijn lip en besloot het nogmaals te proberen. 'Kijk, sergeant, als er in een straal van tien mijl nog meer Tsurani zouden zijn, had hun commandant hen beslist allemaal bij de hinderlaag ingezet. De Tsuranese bevelvoerders zijn niet dom, alleen maar hebberig. Daarom heeft hij zijn troepenmacht in te kleine eenheden gesplitst, in de hoop dat de stoet door de aanval binnen het schootsveld van zijn boogschutters zou worden gedreven.'  

'Dank je voor je inzicht, Pirojil,' zei de sergeant. 'En neem me nu niet kwalijk, ik heb een peloton te leiden. Moet jij niet je vette wedde gaan tellen of baron Morrays achterste af gaan vegen of je anderszins nuttig maken?'

Pirojil schudde zijn hoofd. Het had geen zin. Het was onmogelijk iemand te overtuigen die niet overtuigd wilde worden, en al was het de taak van hen drieën om de edelen te beschermen, ze waren niet aan het hoofd van het gezelschap geplaatst, niet eens aan het hoofd van dit peloton. Nu hadden ze in plaats van één, vier ruiters voor de stoet uit rijden, alleen maar omdat de sergeant zich ergerde aan het krijgen van goede raad.

Tom Garnett had directer moeten zijn en het gezelschap onder Kethols bevel moeten stellen. De drie huurlingen hadden begrepen dat zij ook de leiding hadden gekregen, maar de sergeant niet, of anders deed hij alsof. Pirojil moest daarmee maar zien te leven, of hij moest erom vechten, met Kethol, Durine en hij tegen het hele peloton. En daarna zouden ze ertussenuit moeten knijpen om niet aan Tom Garnett uit te hoeven leggen waarom ze al zijn mannen hadden gedood - vooropgesteld dat ze dat konden, natuurlijk.

Pirojil ontspande zich. Zo zij het. Voorlopig.

Waarschijnlijk zou het op een bepaald moment nodig worden dat Durine de sergeant even apart nam om dit onder vier ogen recht te zetten. Hij vond het niet echt prettig om dat van Durine te verlangen, maar hij was gewend om dingen te doen die hij niet prettig vond. Hij had het al een paar keer eerder moeten doen. Dat was het leuke eraan, wanneer Durine iemand in elkaar sloeg: ze raakten het respect van hun kameraden niet kwijt als hun gezicht een beetje door Durine was verbouwd. Slechts weinig mannen konden op tegen Durine, en niemand -tot dusver - kwam zonder kleerscheuren uit een gevecht met de potige kerel.  

Hij probeerde het filosofisch te zien.

Relaties tussen beroeps en huurlingen waren altijd ongemakkelijk.

Even buiten beschouwing gelaten dat beroepssoldaten vrijbuiters zagen als landpiraten, voornamelijk omdat ze in vredestijd en als er niet werd gevochten vaker jacht op hen maakten dan dat ze met hen samenwerkten.  

Zelfs wanneer de Kroon huurlingen had aangesteld, was het een moeizame relatie. De vrijbuiters neigden ertoe rechtstreeks te rapporteren aan een officier, van wie werd verwacht dat hij een brede kijk op de zaken had en begreep dat een te groot aantal onnodige slachtoffers onder de huurlingen onvermijdelijk inhield dat er massa's huurlingen deserteerden of in opstand kwamen. Gewoonlijk ging het niet echt goed wanneer huurlingen onder het bevel stonden van een sergeant, die eerder een huurling opofferde dan een van zijn eigen mannen, en ook al stierven er maar weinig huurlingen in bed, nog minder brachten hun hele, korte leven graag door als spits, of erger. De tweede of derde keer dat een huurlingen-korps de opdracht kreeg als eerste over de muur te geraken, begonnen ze zich af te vragen of ze wel de juiste werkgever hadden gekozen.  

De betrekkingen tussen de huurlingen en de beroeps zouden er in Mondegreen ook vast niet veel beter op worden. De beroeps werden gehuisvest in de kazerne van kasteel Mondegreen. Maar baron Morray kreeg onderdak in de residentie, en derhalve Kethol, Durine en Pirojil eveneens, waar zij drieën konden slapen in zachte veren bedden en ze van alle gemakken werden voorzien door knappe dienstmeisjes. Daar zouden de beroeps tenminste van overtuigd zijn.

Zo was het in werkelijkheid natuurlijk niet, maar zo zou het verhaal in de kazerne rondgaan, ook al lagen ze waarschijnlijk op vochtig riet in de keuken, behalve degene die het korte strootje had getrokken en de nacht moest doorbrengen op de stenen vloer voor de deur van Morrays slaapkamer. En de dienstmeisjes waren vrijwel zeker oud, dik, lelijk of alle drie. Maar de beroeps zouden klagen dat de huurlingen een lekker makkelijk klusje hadden gekregen.

Pirojil liet zijn paard de pas inhouden om zich door baron Morray en Kethol te laten inhalen, terwijl daar achteraan Durine met vrouwe Mondegreen en haar dienstmeisjes kwam.  

Kethol trok een wenkbrauw op. Pirojil schudde zijn hoofd, en Kethol schokschouderde.  

De baron keek hen nieuwsgierig aan, en toen ze geen van tweeën antwoord gaven op de onuitgesproken vraag, schraapte hij zijn keel. 'Waar ging dat over?' vroeg hij gebiedend.

'Niks om u druk over te maken, mijn heer,' zei Kethol toen Pirojil niet meteen antwoord gaf. 'Gewoon een klein meningsverschil tussen Pirojil en de sergeant.'

'En dat weet jij allemaal omdat hij even met zijn hoofd schudt?' Morray was zichtbaar sceptisch.

'Ja,' zei Pirojil. Maar daar zou de baron geen genoegen mee nemen. 'Kethol en ik werken al jaren samen. Durine is maar iets korter bij ons. Na al die tijd samen weet ieder van ons hoe de ander denkt, mijn heer.' De baron trok een wenkbrauw op alsof hij die verklaring in twijfel trok.

'Je houdt je gedachten niet verborgen voor de man die jou rugdekking geeft, mijn heer. Als iemand erop staat zijn gedachten altijd voor zichzelf te houden, nou, dan vind je wel iemand anders om op je rug te passen.'  

De baron keek dreigend. 'Ik ben niet erg onder de indruk van jullie drie. Tijdens de hinderlaag hebben jullie je dapper gedragen, zeker voor zo'n stelletje vrijbuiters als jullie, maar je zwaardwerk was slordig - wat ik ervan heb gezien, tenminste - en als vrouwe Mondegreen haar paard niet zo snel de sporen had gegeven, zou ze zonder al te veel moeite door de Tsurani ten val zijn gebracht.'

Kethol deed zijn mond al open, maar hield zich in toen Pirojil zijn hoofd schudde.

'De volgende keer zullen we beter ons best doen, mijn heer,' zei Pirojil. Hij had die middag al genoeg tegenspraak gehad van iemand die zich niet wilde laten overtuigen.

Maar je kon van Kethol niet verwachten dat hij zijn mond over zoiets dichthield. Kethol wilde zichzelf rechtvaardigen - dat was een van zijn weinige zwakheden - en daar schoot niemand iets mee op.

Pirojil wees naar de kop van de stoet, tikte met een vinger tegen zijn borst, gebaarde met zijn duim naar de achterhoede en gaf zijn paard de sporen.

 

Vrouwe Mondegreen hield haar blik gevestigd op Kethol toen hij zich tot naast haar liet terugvallen om Durine af te lossen. 'Hoe lang nog voordat we er zijn, Kethol?' vroeg ze.

Als hij het zich goed herinnerde, en dat was zo, dan waren ze nog door één bocht, een beek en een heuvelkam gescheiden van Mondegreens buitenmuren. 'Ik denk dat we er binnen het uur zijn, vrouwe.' Waarom de vrouwe van kasteel Mondegreen het gebied rond het stadje niet beter kende dan een soldaat die hier maar één keer was geweest, in oorlogstijd, was hem een raadsel. 'Vannacht slaapt u veilig in uw eigen bed, met alle gerief van dien.'  

'Ik heb wel wat gerief in mijn eigen bed, dat is waar,' zei ze. 'Al is mijn man erg lief en vriendelijk maar erg ziek, sinds de afgelopen jaren.'

O, dus daarom verwarmt u zo vaak het bed van andere mannen, dacht hij. 'Het spijt me dat te horen,' zei hij. Dat leek hem het gepaste antwoord  

Ze tuitte een ogenblik de lippen. 'Anderen hebben veel meer te lijden dan ik.'

'Is de baron veel ouder dan u?'

Met gefronst voorhoofd keek ze hem aan. 'Ja, dat klopt, is daar iets mis mee?'

'Helemaal niet.' Kethol schudde zijn hoofd. 'Maar het zal wel moeilijk zijn -'  

'Ja, het is moeilijk.' Ze klopte op haar buik. 'Het is moeilijk als je een oudere man huwt en er tevergeefs van je wordt verwacht dat je een erfgenaam baart.' Ze wilde nog iets zeggen maar hield zich in.

'U hoeft bij mij niet op uw woorden te passen, vrouwe,' zei Kethol. 'Ik ben niet loslippig, en ik heb geen belang bij plaatselijke kwesties.'

Ze keek hem niet aan. 'Wat een geluk voor je,' zei ze met een zuinig mondje.

Geruime tijd reden ze zwijgend verder.

'Ik schijn nogal een wijd verbreide reputatie te hebben,' sprak ze uiteindelijk.

'Kan best,' schokschouderde Kethol. 'Ik heb geen idee. Het enige wat ik ooit te horen krijg is dat de ene sergeant een bluf gozer is of dat de andere officier zijn mannen vooruit stuurt terwijl het niet echt hoeft. Het privé-leven van onze meerderen is geen gespreksonderwerp voor in de kazerne.'

Hetgeen niet helemaal waar was. Het mocht dan geen gespreksonderwerp voor in Kethols kazerne zijn, maar sommige LaReuse soldaten roddelden als viswijven, en vaak was vrouwe Mondegreen het onderwerp van hun geklets. Als je de roddels mocht geloven - en Kethol geloofde het nooit allemaal of helemaal niet - sprong ze naar lieve lust van het ene in het andere bed, op zoek naar de bevrediging, die haar stokoude man haar niet kon geven.  

Ze keek hem aan, lang en indringend, alsof ze tot een besluit trachtte te komen.

Er fladderde een kraai omlaag om plaats te nemen op een overhangende boomtak en naar hen te krassen.  

Ach, zolang het beest niet op hem scheet, vond hij het niet erg.

 

Pirojil schudde zijn hoofd. Als je niet wist waar en hoe je moest kijken, zag het kasteel er niet uit als het wapen dat het in feite was. Vanaf de top van de heuvel rees kasteel Mondegreen massief en donker op, hoog uittorenend boven het stadje eronder. Op de zes torens stonden wachters, zich waarschijnlijk te pletter vervelend en nog waarschijnlijker blij daarmee. Veel ervaring in de strijd hoefde je niet te hebben om te weten dat oorlog in het echt lang niet zo romantisch was als in al die verhalen, balladen en legenden.  

Natuurlijk, het duurde niet lang of de dingen die je op het slagveld had gezien en gehoord, en zeker geroken, verdwenen uit je gedachten, en het duurde evenmin lang voordat de jonge soldaten hun borst opzetten en rondparadeerden om op te scheppen over de grootse daden die ze zouden verrichten wanneer de hoornen andermaal schalden. Sommigen zouden het er ook erg goed van afbrengen. Sommigen zouden sterven, en allen zouden erdoor worden veranderd, op manieren die de meesten pas jaren later zouden merken, als ze er al ooit achter kwamen. Het soldatenleven gunde je tijd genoeg voor zelfbeschouwingen, maar de meesten verdeden die tijd gewoon met zeiken.  

Pirojil zelf had menig uurtje met zeiken verdaan waarin hij juist over een hoop dingen na had kunnen denken. Aan de andere kant had hij niet al zijn uren verspild en was hij er allang geleden achter gekomen dat het gevaarlijk was om wapens in de buurt te hebben. Noodzakelijk, dat wel, maar ook gevaarlijk. Wapens veranderden mensen, en niet alleen maar betoverde wapens.

Zoals het kasteel zelf.

Oorspronkelijk was kasteel Mondegreen gebouwd door een neef van de familie conDoin, om in Yabon vaste voet aan de grond te krijgen. Het Koninkrijk was dan wel gevraagd te komen helpen om de Broederschap van het Onzalige Pad en hun bondgenoten te verdrijven, maar de meeste Yabonezen hadden niet verwacht dat het Koninkrijk in Yabon zou blijven nadat de vijand eenmaal was verjaagd. Net als buurland Bosanië was Yabon vroeger een verre kolonie van het Keizerrijk Groot Kesh geweest.  

In tegenstelling tot Bosanië, waar veel Keshische kolonisten woonden, was Yabon een buitengewest met maar weinig Keshische edelen en een groot aantal Yabonese stamhoofden en vorsten. Toen de Onzalige Broeders en dergelijke waren verdreven, konden de oorspronkelijke bewoners zichzelf niet meer beschermen, en zodoende kon Yabon niet zonder een permanent Koninkrijks garnizoen. Een reddingsoperatie was veranderd in een verovering.  

Sommige vorsten en stamhoofden hadden het Koninkrijk met open armen ontvangen, en zij werden beloond met titels en land. Andere oorspronkelijke bewoners koesterden wrok jegens hun veroveraars, zoals dat zo vaak gebeurde, en stonden die eerste jaren klaar om in opstand te komen. In die tijd hielden de laatste resten van het oude regime de nieuwe heersers scherp in de gaten, gewoonlijk wachtend op en soms tastend naar zwakheden, klaar om het juk van de pas aangestelde Koninkrijkse graaf en zijn strooplikken de baronnen af te werpen.  

En daar was dit kasteel voor. Laat het oude regime maar een leger verzamelen op het platteland, laat hen maar paarden en manschappen, bogen, borstplaten en zwaarden bijeenbrengen en laat hen maar razen en tieren en zieden wat ze wilden - zolang de nieuwe heersers het kasteel maar in handen hadden.

Soms kon de opstand worden neergeslagen doordat de troepen van de baron uitrukten en de rebellen uiteenjoegen. Vaker kon de onrust worden gestuit aan de veel kleinere muur rondom het stadje, die niet alleen de adel in het kasteel beschermde, maar ook degenen die trouw waren aan het nieuwe regime en in die eerste jaren als enigen in het stadje mochten wonen, onder de directe bescherming van de baron.

Maar soms moest de bezettende macht zich terugtrekken in het kasteel en wachten tot ze door de troepen van de graaf werden ontzet. Water- en voedselvoorraden maakten evenzeer deel uit van het arsenaal van het kasteel als voorraden pijlen en kruisboogschichten. Voor een verovering was die van Yabon betrekkelijk soepel verlopen, en in de derde generatie nadat het Koninkrijk de voormalige Keshische kolonie had geannexeerd - die toevallig Pirojils generatie was - kon je Yabonezen en Koninkrijkers eigenlijk alleen nog maar van elkaar onderscheiden vanwege het wat rare accent in Yabon.  

En zo stond het kasteel nog steeds: een monument van volharding, net zoals de bouwvallige muur rond het stadje een monument was van veranderlijkheid, van het feit dat niets eeuwig was. Pirojil had geen idee in hoeverre de stadsmuur in de oorlog was verwoest - de Tsurani waren doorgebroken tot aan de muren van het kasteel Mondegreen - en in hoeverre hij nog vóór de Tsuranese invasie was gekannibaliseerd door bewoners die op zoek waren naar bouwmateriaal. Na een dikke generatie vrede was de muur rond het stadje eerder een ongemak dan een zegen en was het een wijs heerser die onthield dat muren belangrijk waren.  

De muur rond de veste zelf was echter intact, zij het even gehavend door de gevechten als de rest van het landschap. As was het enige overblijfsel van de belegeringstorens die de Tsurani tegen de westelijke muur hadden gebouwd, en al stond de zuidelijke muur nog onwankelbaar, in het steenwerk zat een opgelapte bres boven de plek waar Tsuranese sappeurs hadden gefaald in hun poging de muur te ondermijnen. De doorgezakte grond bij de fundering zei Pirojil alles wat hij over de mislukte poging wilde weten. Akelige manier om dood te gaan, dacht hij, met die tonnen aan rots en aarde die plotseling boven op je vielen en je als een tor in het donker verpletterden. De truc was om de tunnel zo groot te maken als maar veilig was, met net genoeg stutten om alles boven je op zijn plaats te houden tot je klaar was om de balken in brand te steken zodat de tunnel instortte - hopelijk als jij al op respectabele afstand stond - en daarmee de muur erboven, opdat er een prachtige bres ontstond waardoor je kameraden konden aanvallen.  

In het Dromendal had Pirojil dat soort mijnwerk ook verricht, en de hele boel was naar beneden gekomen. Hij herinnerde zich de gronderige lucht van het stof dat in zijn neus werd geperst toen het plafond van de tunnel naar beneden denderde - op de koppen van een paar metgezellen, zodat hij en de andere sappeurs vast zaten met als enige uitgang omhoog door de grond. Half verblind, hoestend en niezend van het stof en de rook waren ze opgedoken tussen de vlammen en het puin van een ingestorte muur, in het volle besef dat ze alle verdedigers moesten doden die bereid waren te vechten - en te sterven - als in een hoek gedreven ratten.  

Wat dus gebeurd was.

Eens in de zoveel tijd kreeg een of andere kapitein of hertog of prins het lumineuze idee dat je iets verder moest graven, zodat je binnen de muren uitkwam. Aardige theorie, zolang jij maar niet bij de idioten hoorde die als eersten hun kop boven de grond mochten steken ...

'Ik zei,' herhaalde de baron, 'dat je mijn paard naar de stal mag brengen als ik afstijg.'

Pirojil knikte, ontwakend uit zijn dagdroom. 'Natuurlijk, baron.'

'Ik zal met de huisknecht over jullie kwartier spreken. Misschien hebben ze nog plaats voor jullie drie in de kazerne, in plaats van in de stal.'

Wel, in dat geval konden ze het maar beter meteen achter de rug hebben. 'Nee, mijn heer, wij slapen niet in de stal. Wij slapen allemaal in de residentie terwijl een van ons de wacht houdt voor uw deur.'

Baron Morray was niet gewend aan tegenspraak. De teugels trilden in zijn vingers. 'Daar zie ik de noodzaak niet van in. De kazerne of anders de stal is goed genoeg voor een stel... als jullie drie. Als ik jullie midden in de nacht nodig heb, stuur ik wel een bediende.'

Pirojil haalde zijn schouders op. 'Mij best, mijn heer. Als u zo vriendelijk wilt zijn om dat op papier te zetten, dan zal ik het per boodschapper naar de graaf sturen. Als er een snel paard beschikbaar is, is het misschien in Yabon voordat...'

'Wat?'

Wel, in ieder geval was de baron zo slim om zijn stem niet te verheffen.  

'Wij hebben, van de graaf zelf, de opdracht gekregen u te beschermen, mijn heer, dag en nacht. Als er zich een ongeluk of een misdrijf voordoet terwijl wij onze plicht verzaakten, zijn het onze nekken in de strop. Als ik graaf Vandros' bevelen niet opvolg, zal hij denk ik willen weten waarom.'  

De baron wilde iets zeggen, maar Pirojil nam de gelegenheid om hem voor te zijn. 'Alstublieft, mijn heer,' zei hij rustig, 'ons is opgedragen u te beschermen. Niet slechts uw lichaam. Natuurlijk vertellen we 's avonds rond het vuur wat verhalen, net als iedereen, maar we praten niet over de bezigheden van onze meerderen.' Als u zo dom bent om met vrouwe Mondegreen te rollebollen onder de neus van haar man, dan moet u dat helemaal zelf weten.  

Even bleef de baron stil. 'Ik ben lang niet zo dom als jij wel denkt, vrijbuiter. Ik weet best wat jij bedoelt, maar ik bedonder nog niet eens een boerenkinkel onder zijn eigen dak, laat staan een goed mens als baron Mondegreen, wat jij ook mag denken.'

'Het is mijn taak niet om te denken; zei Pirojil. 'Behalve over uw bescherming.'

'Zo zij het dan. Bescherm me als je moet, maar val mij er niet mee lastig.' De baron klakte met zijn tong naar zijn paard, dat een gestrekte draf inzette.

Pirojil zuchtte. Het zou een lange reis worden. Hij gaf zijn paard de sporen en volgde de baron.

 

Een lang, slank en bijna belachelijk rondborstig dienstmeisje bracht een dienblad met een enorme schapenbout en een slechts iets kleinere stapel platbrood, dampend uit de oven. Ze was knapper dan gewoonlijk, met een leuk, fijn gezichtje. De knoopjes van haar blouse stonden strak gespannen door de druk van haar immense borsten, en ze droeg haar bruine haar in een eenvoudig knotje. Een paar losse strengen streelden haar lange, elegante blote hals wanneer ze liep, en Kethol was jaloers op die lokken.

Ze zei niets, maar keek van de een naar de ander, trok bijna haar neus op van afkeer en zette zonder commentaar het dienblad op tafel, hen drieën achterlatend in de gang om de wenteltrap af te dalen, ongedwongen lopend, onverschillig voor de drie paar ogen die haar volgden.  

Kethol bleef haar nakijken. Je wende eraan om te worden behandeld als oud vuil, hield hij zichzelf voor. Het leven van soldaten hing van leugens aan elkaar.

'Hmm. Ik geloof dat ik in bad moet,' zei Pirojil. 'Of misschien een nieuw gezicht.'

'Een bad lijkt me wel wat,' knikte Durine.

'Jij als eerste, dan ik?'

'Ik wacht wel,' zei Durine. 'Ik neem liever de tijd. Het leek me een goed badhuis buiten de kazerne. Spoel jij maar wat reisstof af voordat je erin duikt, maar ik ga nu liever een poosje zitten weken in heet water. Alleen zorgen dat je je voeten veegt als je weer naar binnen komt, hè?'

Pirojil keek naar zijn laarzen, waar geen modder aan zat. Ze waren al flink onder handen genomen door de huisknecht.

De westelijke vleugel van de bovenverdieping was gereserveerd voor de gasten in de veste. Op twee na stonden alle twaalf de deuren in de gang wijd open, vermoedelijk wachtend op de volgende bewoners. Het familieverblijf was in de oostelijke vleugel, één verdieping lager. Te oordelen naar de knorrige en vuile blikken van de soldaten die beneden op wacht stonden, was de kapitein van de wacht lang niet blij dat de zorg voor de baron was toevertrouwd aan buitenstaanders, en om zijn standpunt kracht bij te zetten had hij soldaten op de benedenverdieping op wacht gezet.  

Pirojils blik ging naar de trap waarlangs het dienstmeisje was verdwenen, alsof hij zo de troepen van baron Mondegreen kon zien die aan de ingang van het familieverblijf stonden opgesteld. 'Het is toch droevig als ze een drietal halzensnijders zoals wij niet meer vertrouwen.'  

Durine begon te lachen. Kethol haalde zijn schouders op.

Terwijl Kethol buiten bleef om de deur van het verblijf van de baron te bewaken, gingen Durine en Pirojil naar binnen om de kamers te onderzoeken en kwamen even later weer naar buiten met het bericht dat alles in orde was: geen Tsuranese sluipmoordenaar onder de schrijftafel en geen groepje Onzalige Broeders in de klerenkast, wat niet echt een verrassing was.

De meeste tijd met dit soort klussen bracht je door met het nemen van voorzorgsmaatregelen die overbodig bleken te zijn, maar die ene keer dat je niet onder het bed keek, was dat de plek waar de moordenaars zich hadden verstopt, zo zeker als je 's zomers last van vliegen had.

Voor schut staan zou een soldaat per slot van rekening een zorg zijn.

Achter de zware eiken deur lag baron Morray waarschijnlijk al te slapen in het grote bed, dat was verwarmd door het vuurtje in de kleine haard en de metalen platen onder de matras. En als het ook door iets anders werd verwarmd - bijvoorbeeld door ene vrouwe Mondegreen die naar binnen was geglipt door een van de geheime gangen waarvan het in alle kastelen wemelde - dan kon Kethol daar helemaal niets aan doen, en vermoedelijk moest hij daar ook niets aan doen, dus besloot hij zich er geen zorgen over te maken.  

Met zijn mes sneed Kethol een stuk schapenvlees af en stak het in zijn mond. Oud, taai en te lang gekookt, maar het was warm en vermoedelijk beter dan wat ze in de kazerne kregen. Aan de andere kant zouden ze in de kazerne vast aan het dobbelen zijn, en het was toch zonde om dat te moeten missen, na zo'n afmattende reis. Van het op en neer stuiteren op de rug van een paard werd je bijna net zo suf als van een ferme slok. 'Hmm ... vinden jullie het erg als ik vannacht de eerste wacht neem?' vroeg hij.  

Beide anderen trokken de schouders op.

'Best,' zei Durine. Terwijl hij opstond, wreef hij met een grote hand over zijn onderrug.

'Maakt mij niet uit,' zei Pirojil, eveneens overeind komend.

Even leek het erop alsof Pirojil nog iets wou zeggen, maar ze sneden allebei een homp vlees af, dat ze meenamen op een bedje van platbrood. Pirojil en Durine liepen de gang door naar de kamer waar ze met zijn drieën waren ingekwartierd, en even later dook Durine weer op met zijn rugzak om via de wenteltrap te verdwijnen, op weg naar het badhuis met de laatste stukjes schapenvlees en brood in zijn mond.

Kethol was alleen, en dat vond hij prima, al was het een beetje raar om de eerste wacht te doen. Je raakte gewend aan een patroon als je lang genoeg samenwerkte. Normaal nam Pirojil de eerste wacht, dan Durine en daarna Kethol. De onverstoorbare Durine kon de slaap vatten zodra hij zijn ogen dicht deed, wat er zich ook had voorgedaan, en als Pirojil eenmaal lag, dan kwam hij alleen nog maar zijn bed uit als er moest worden gevochten. Trouwens, Kethol keek graag naar het krieken van de ochtend, en het venster op het oosten aan het einde van de gang zou hem een leuk uitzicht hebben verschaft op de zon wanneer die boven de muur opkwam.

Maar zijn hoofd stond er vannacht gewoon niet naar. Te druk met zijn gedachten, veronderstelde hij.

Hij liep naar de zware eiken deur en heel voorzichtig probeerde hij langzaam de knop, de deur een ietsje open duwend, net genoeg om zich ervan te verzekeren dat hij niet van binnen was afgesloten.

Een aanval was niet erg waarschijnlijk, en een aanval die de residentie zelf bereikte nog onwaarschijnlijker, maar je moest alle mogelijke voorzorgsmaatregelen in acht nemen en bidden tot de soldatengod dat het deze keer overbodig was.  

Hij nam plaats in de grote leren stoel naast het bijzettafeltje en knabbelde aan de schapenbout. Niet genoeg knoflook en te weinig zout, maar dat was te verwachten. Misschien een beetje bedorven ook, maar het plebs hoefde er niet op te rekenen dat het de beste stukken kreeg. 

 

Hij zat nog steeds op de kluif te knabbelen toen Dunne eindelijk weer naar boven kwam, zijn haren vochtig en achterover geplakt van het bad. Na een kort knikje verdween de potige kerel in hun kamer.

Liever had Kethol gezien dat Durine nog even opbleef om te praten, maar dat kon hij niet van de man verwachten. Slapen deed je toch al niet veel als je de wacht met zijn drieën deed.

De truc bij alleen op wacht staan was om de hele tijd wakker en alert te blijven. Te veel eten was geen goed idee, en alleen een imbeciel dronk wijn op wacht. Kethol had een oude besnorde sergeant uit Rodez gekend die beweerde net dat beetje scherper en wakkerder te zijn als hij op wacht stond met een paar zakken wijn op, en als de wereld rechtvaardig was - waar je nooit op moest rekenen - had iemand een speer in zijn pens gestoken kort nadat Kethol, Pirojil en Durine 'm waren gesmeerd, aangezien ze op dat moment niet wanhopig genoeg waren geweest om onder zo'n idioot te dienen.  

Dat was het mooie van zelfstandig werk: je kon kiezen, als je niet te kieskeurig was. Het kon Kethol weinig schelen wat de sergeant in zijn vrije tijd het liefst deed - al deelde hij zijn bed graag met blonde vrouwen met grote borsten, met slanke knapen met bruin haar of met bokkige geiten met wit haar, wat maakte het Kethol uit - maar je liep al kans genoeg om zeep te worden geholpen zonder afhankelijk te zijn van iemand die het de vijand makkelijk maakte.  

Van verderop bereikte het gesnurk van Durine zijn oren, een regelmatig snurk-fluit, snurk-fluit, dat aangaf dat de man zijn nachtrust genoot. Mooi. Kethol had geen idee hoe het kwam dat Durine dat niet deed als ze buiten sliepen, waar iets onschuldigs als snurken je aanwezigheid aan anderen kon prijsgeven, maar dat kon hem niet schelen.  

De truc was om op wacht je ogen niet dicht te doen. Nooit, geen moment. Eén keer, als jongeman, had hij op wacht besloten zijn ogen heel even rust te gunnen, en voordat hij het wist, scheen de zon hem al helder en verwijtend in het gezicht. Dat hij niet was betrapt, dat niemand van die schande had geweten, toen niet en daarna niet, maakte het erger dan wanneer de sergeant hem slapend had aangetroffen en hem tot bloedens toe had geschopt.

Het probleem was -

Met een ruk ging hij rechtop in de stoel zitten. Hij had iets gehoord.

Verdomme! Er kwam gekreun uit baron Morrays kamer.

'Pirojil! Durine!' riep hij, maar Kethol wachtte niet op hen. Hij trapte de deur in, geen acht slaand op mogelijke schade aan de deurstijl, en stormde naar binnen, zwaard in de hand.

De duisternis in de kamer werd slechts verlicht door een flakkerend vuurtje in de haard. Op het enorme bed aan de andere kant van de kamer waren twee mensen aan het worstelen. Het was simpel genoeg om een zwaardpunt in de spartelende massa te steken, maar -

'Stop.' Baron Morray veerde rechtop in zijn bed, zijn bovenlijf badend in het zweet. Zijn hand greep naar het mes op het nachtkastje, maar zijn blik bleef woest gericht op Kethol.  

Vlak achter hem kwamen Durine en Pirojil binnen. Zonder dat hij hen zag, wist hij dat Durine rechts van hem stond terwijl Pirojil hem aan de linkerkant beschermde.

Maar niet hiervoor.

Vanonder de dekens gluurden een paar ogen, hetgeen vergezeld ging van gegiechel.

'Ik kan natuurlijk vragen wat dit te betekenen heeft,' zei de baron, 'doch dat is maar al te duidelijk, ben ik bang.' Hij negeerde het gegiechel, en de moeizame pogingen die zijn bedgezel deed om zich onder de dekens te verbergen, leverde een flits op van een nogal fraai gevormde bips. De baron gaf er een klap op en snoof. 'Het heeft geen zin je te verstoppen, juffrouw Kate.'

Ze haalde haar schouders op en liet de dekens vallen, brutaal de jonge, pronte borsten tonend die net zo stevig waren als Kethol zich had voorgesteld.

Zoals Kethol al vermoedde - iets te laat, naar het scheen - was het het dienstmeisje dat hun drieën het eten had gebracht. Makkelijk voor een jonge deern om haar neus op te halen voor een drietal soldaten als ze al een ongetwijfeld meer belovend afspraakje had gemaakt.

Rechts achter het bed stond een houten paneel in de ingelegde muur wijd open, met daarachter de donkere gang waardoor het slaapje van de baron kennelijk was gekomen.

'Mijn verontschuldigingen,' zei Kethol, 'maar -'

'Eruit,' zei de baron. 'Ga de kamer uit. Nu.'

Het was geen goed moment om hem tegen te spreken, maar aangezien de baron zijn stem niet verhief en waarschijnlijk ook geen ophef wilde maken, was het misschien ook niet zo'n heel slecht moment. 

'Nee.' Pirojils stem klonk kalm maar volhardend. 'Het gaat ons niet aan wie er met uw permissie uw kamers betreedt, maar het gaat ons wel aan dat er niemand uw kamers binnenkomt zonder ons te passeren.'

Durine had een lantaren van de muur gepakt en aangestoken, en bekeek de lambrisering van de andere muur. 'Hier zit er ook een,' gromde hij.  

Had je die dan niet eerder kunnen vinden? dacht Kethol. Het was precies iets waar ze aan hadden moeten denken, maar dit soort lijfwachtklussen was iets nieuws voor hen drieën, zodat ze makkelijker een fout konden maken. Een officier op het slagveld rugdekking geven, dat waren ze gewend, maar dit was anders, en Kethol hield er niet van. Hij wist genoeg om er rekening mee te houden dat de muren oren hadden, maar wat moest je met muren die deuren hadden die vaker open en dicht sloegen als een hoerenledikant?  

Stik.

'Wel, wat willen jullie daar dan aan doen?'

Er was niets vreemds of bedreigends aan een baron die een dienstmeisje in zijn bed nodigde, maar het was duidelijk niet iets wat Morray wilde laten rondbazuinen, zeker niet in de aanwezigheid van vrouwe Mondegreen.  

Kethol liep naar het openstaande paneel van de geheime gang en deed het dicht. Tussen het houtsnijwerk zat wat sluitwerk verborgen, maar dat vertrouwde hij niet, dus schoof hij er een kleedstoel voor, liet hem achterover tegen het paneel leunen en zette er een schone kamerpot bovenop. Er kon dan nog wel iemand de kamer in, maar niet zonder een hoop kabaal te maken. Durine had een soortgelijk alarm voor het andere paneel geïmproviseerd, terwijl Pirojil met zijn rug tegen de deur was blijven staan, zijn armen over elkaar geslagen.  

'Jullie hebben gedaan wat nodig was, en nu eruit,' zei de baron. 'Ik kan jullie verzekeren dat er morgenochtend nogmaals over wordt gesproken.'  

Daar was Kethol lang niet zo zeker van. Hij hoopte dat de baron de zaak gewoon liet rusten, maar hij volgde Pirojils voorbeeld, maakte een buiging en verliet de kamer.

Durine schudde slechts zijn hoofd.

 

Toen de ochtend aanbrak, vertrok baron Morray naar de oostelijke vleugel van de veste voor een bezoekje aan de zieke baron Mondegreen, en werd Pirojil samen met Durine en Kethol uit de privé-vertrekken van de Mondegreens geweerd.

Hetgeen te verwachten was. Tom Garnett mocht dan duidelijk hebben gemaakt dat Morray nergens zijn intrek mocht nemen zonder dat een van hen drieën oplette of er niet een sluipmoordenaar door de latrine omhoog sprong om een speer in zijn edele reet te steken, maar de kapitein had in Mondegreen niets te vertellen, en de door de Graaf van LaReu ondertekende volmacht was niet zo gedetailleerd. Als ze daarmee voor het gezicht van de kapitein van de wacht zouden zwaaien, bracht dat alleen maar ruzie.  

Trouwens, meestal maakte de hoogste van de aanwezige edelmannen de dienst uit, en daar waren burgers aan gewend.

Dus haalden ze gedrieën een karig ontbijt van brood, ui en worst in de kazerne en liepen ze, in hun mantels weggedoken tegen de kou, door de buitenhof naar de plek waar de lakeien en stalknechten bezig waren de koets van de baron te repareren, ondanks de voortdurende onderbrekingen van het groepje kasteeljongens dat eindeloos tikkertje speelde en balletje aan het trappen was.  

Het was veel te koud om buiten rond te hollen als je dat niet per se moest. De adem van de rondrennende jongens wolkte zichtbaar op in de koude lucht, en af en toe gleed er eentje uit over een gladde plek in de hof waar geen zand was gestrooid.

Maar misschien hielden ze zich zo warm, en trouwens, het was weer eens iets anders dan hun dagelijkse karweitjes.

'Zesdag,' verklaarde een van de stalknechten, Pirojil wenkend om hem de teugels vast te laten houden terwijl hij een van de grote witte ruinen op zijn plek voor de koets inspande. Vervolgens gebaarde hij zijn assistent een ander paard te brengen.

Pirojil vond het niet erg om te helpen, maar wel liet hij telkens zijn ogen dwalen naar het grote raam in de oostelijke vleugel, aan de overkant van de buitenhof, waar baron Morray aan het ontbijt vermoedelijk baron Mondegreen vertelde dat zijn slaap door drie slecht gemanierde vrijbuiters ruw was verstoord.  

'Zesdag?'

'Vroeger hadden ze alleen de zesdagmiddag om hun tijd te verdoen met rondhuppelen als een stelletje sukkels, maar in de oorlog is er een beetje de hand mee gelicht, en de goede baron heeft het... druk met andere zaken,' zei hij. 'Dus de zesdagmiddag begint steeds een beetje vroeger op de zesdagochtend.'

Andere zaken. Zoals doodgaan aan een of andere kwijnende ziekte waar geestelijken noch magiërs kennelijk iets aan konden doen - al was dat Pirojils zorg niet.

De lakei zette een lus vast en trok hem met een harde grom aan. 'Met een paar klappen van een knuppel zijn de stallenjongens veel meer gebaat dan met extra tijd om als een stelletje eekhoorns rond te rennen, als je het mij vraagt, maar de stalmeester lijkt meer belangstelling te hebben voor de mening van de oude Cedric over welke dieren klaar zijn voor de vilder, dan voor mijn gedachten over de snelheid waarmee de jongens leren als ze wat vaker op hun falie kregen en wat minder tijd kregen om te doen waar ze zin in hebben.'

Pirojil was niet bepaald geïnteresseerd in de problemen van de stalknecht of in het afranselen van jonge jongens, maar het kon geen kwaad om beleefd te blijven luisteren, voor een tijdje, tenminste.  

Niet dat hij momenteel iets beters te doen had, helaas.

Ze hadden al vertrokken moeten zijn. Als Pirojil het voor het zeggen had gehad, zouden ze voor de terugreis naar LaReu het kasteel hebben verlaten tijdens wat ze in het Dromendal de 'wolvenstaart' noemden: het grijze licht voor de dageraad waarin alle kleuren en de meeste vormen verscholen gingen.  

Aan de andere kant, door het oponthoud hadden hun meerderen kennelijk een goede gelegenheid gekregen om hun paal te smeren en hadden hij en de andere twee een goede tweederde van een nachtrust genoten. Lang niet gek, alles bij elkaar genomen, dacht hij, geeuwend achter de rug van zijn hand. Hij vroeg zich af of er nog een mok hete thee zat in de geblutste ijzeren ketel die in de kazerne op het fornuis stond te pruttelen, en of er inmiddels genoeg looizuur in zat om zijn tong te braden. In ieder geval kreeg hij dan iets warms in zijn buik.  

Kethol en Durine hadden hun wapens neergezet bij een groepje kasteelmeisjes die onderling druk zaten te kwebbelen en onderwijl net deden of ze hun jonge mannelijke tegenhangers negeerden. De twee huurlingen waren zowaar met de jongens gaan meespelen. Soms koesterde Pirojil toch iets meer dan vage vermoedens dat ze allebei als kind op hun achterhoofd waren gevallen.  

Een paar jeugdige boefjes, hooguit half zo groot als Durine, probeerden de potige kerel zowaar onderuit te halen. Hij liet de leren voddenbal los toen hij op de grond viel onder het voor de anderen waarschijnlijk overtuigende voorwendsel dat ze hem hadden laten struikelen.  

Pirojil wierp een snelle blik langs de koets de stallen in. Het zou minstens nog een uur duren voordat de Mondegreense afdeling klaar stond voor vertrek, en wie kon weten hoe lang ze nog moesten wachten tot de adel-

'Ben jij Kethol?' Zonder dat hij het had gemerkt, was er achter hem een soldaat in Mondegreens livrei verschenen. Pirojil staakte zijn onwillekeurige greep naar zijn zwaard. Dat was Pirojils gebrek, en hij probeerde zijn ergernis over zichzelf niet te laten zien. Hij werd oud.  

'Nee, ik ben Pirojil. Kethol is die ene onder die spartelende hoop jongens daar.'

'De baron wil hem nu spreken. Trek jij hem onder die hoop vandaan, of zal ik het doen?'

'Baron Mondegreen?'

'Ja, baron Mondegreen.' De soldaat wierp hem een afkeurende blik toe. 'Wie anders zou er binnen deze muren de baron zijn? Nou, ga jij hem halen?'  

'Laat ik dat maar doen.' Het bracht wat risico's met zich mee om Kethol te onderbreken als hij door iets in beslag werd genomen. De LaReu zou hem vast gewoon in de kraag of bij de enkel hebben gegrepen, en bij het voelen van een hand die te sterk was om aan een van de jongens' toe te schrijven, zou Kethol best wel eens in woede kunnen ontsteken.  

'Vlug dan een beetje.' De soldaat draaide zich op de ballen van zijn voeten om en vertrok in de richting van de veste.

Hoofdschuddend liep Pirojil naar de over de grond rollende Kethol.

 

Vrouwe Mondegreen verzorgde haar man, die met een stapel kussens in zijn rug op het brede bed met koperen stangen lag. Ze glimlachte begroetend naar Kethol en wenkte hem naar de stoel bij het bed.

Kethol bleef staan en wachtte af. Hem was tenslotte niet gezegd te gaan zitten, en je kon nooit weten wanneer een adellijk persoon vond dat je aanmatigend was.

Het rook muf en doods in de kamer, maar misschien was dat gewoon de baron zelf. Men zei dat Mondegreen in zijn jonge jaren een grote, sterke kerel was geweest, maar de kwijnende ziekte had hem veranderd in een verschrompeld aandenken aan die vroegere tijden. Voor Kethols ogen lag een ternauwernood levend voorwerp dat zijn best deed niet te hijgen van de inspanning om overeind te komen.

'Alstublieft - trek uw mantel uit,' zei de baron, 'of ik vrees dat u hevig zult gaan zweten.' Zijn stem klonk zwak, maar hij dwong zichzelf niet naar adem te happen voordat hij zijn zin had afgemaakt. Eerder vroeg dan laat zou de dood baron Mondegreen komen halen, en dat zou eerder een zegen dan een vloek zijn, maar hij gaf niet op zonder te vechten.

Kethol deed zijn mantel uit, keek even rond en hing hem toen over de rugleuning van een stoel. Zelfs zonder deze dikke mantel was het nog te heet in de kamer. Kastelen waren berucht vanwege de tocht die er heerste, maar iemand had er zichtbaar veel genoegen in gehad om de kieren in deze muren dicht te stoppen met cement, en de enorme, van plafond tot vloer reikende wandtapijten hielden alle nog resterende luchtstromen tegen. In de haard, aan de andere kant van de kamer tegenover het bed, brandde een lekker gloeiend vuurtje dat de kamer zo warm hield dat Kethol niet kon begrijpen hoe de baron het onder die dikke laag dekens uithield.

'Kom even bij me zitten, sergeant Kethol,' zei de baron, wijzend naar de stoel naast het bed. 'Ik neem aan dat u reeds hebt ontbeten?'

'Ja, mijn heer.' Kethol nam plaats. Nu was dat toevallig ook zo, maar de weeë lucht in de kamer zou hem hoe dan ook zijn eetlust hebben ontnomen.

'Ik begrijp dat ik het aan u en uw twee metgezellen heb te danken dat mijn vrouw hier veilig is gearriveerd. Ik vond het niet meer dan terecht om u persoonlijk te bedanken.'

Kethol wist niet precies wat hij moest zeggen. Vrouwe Mondegreen leek aardig, was knap en deed stukken vriendelijke!: tegen de gehuurde krijgers dan noodzakelijk, maar als hij haar had moeten laten spietsen op een Tsuranees zwaard terwijl hij Morray voor een schram behoedde, dan zou hij dat gewoon hebben gedaan en zich er pas later druk over hebben gemaakt. 'Tot genoegen, uiteraard, mijn heer,' zei hij uiteindelijk. 'Maar ik geloof niet dat we in feite zo veel heb ben gedaan.' Dat was tenminste waar.  

De baron glimlachte veelzeggend. Kethol hield niet van de blik waarmee die oude ogen hem aankeken. Die deed hem te veel denken aan de ogen die hij had gezien in een vlekkerige spiegel.  

'Ja,' zei de baron, 'en met duizend ton dankbaarheid koop je nog geen pint je bier, zolang die dankbaarheid niet gepaard gaat met een krom groen koperstuk, hè?'

'Eh, ja.' Kethol knikte. 'Maar die dankbaarheid is toch wel welkom, mijn heer.'

'Ja. Dat zal best, sergeant Kethol.' Baron Mondegreen werd gegrepen door een hoestbui, en nadat hij die met moeite had bedwongen, keerde hij zich tot zijn vrouw. 'Mijn lieve, zou je zo vriendelijk willen zijn om me een half bekertje te geven van die geweldige thee die Menicia heeft gezet? Ik zou het de bediende hebben gevraagd, maar jij weet er altijd precies genoeg suiker in te doen.'

'Maar -'

'Zie het alsjeblieft als een gunst voor een toegewijd echtgenoot,' zei hij zacht. 'En als het je niet te veel kleineert, denk ik dat sergeant Kethol ook best een beetje zou lusten, dus misschien twee bekers?'

Hij had net zo goed ronduit kunnen zeggen dat hij Kethol onder vier ogen wilde spreken, maar ze glimlachte, knikte en klopte hem even op de hand voordat ze vertrok, de deur achter zich sloot en de baron alleen met Kethol achterliet.

'En wellicht hebt u iets meer nodig dan dankbaarheid,' vervolgde de baron, 'aangezien ik heb begrepen dat baron Morray zeer waarschijnlijk een klacht gaat indienen - misschien slechts bij Steven Argent, maar wellicht toch bij de graaf zelf - over de veronderstelde grove wijze waarop u hem vannacht in zijn... rust hebt gestoord?'

Ook al had hij iets verstandigs weten te zeggen, dan nog zou Kethol zijn mond hebben gehouden, dus bleef hij gewoon zitten wachten tot de baron verder sprak.

'Zieke oude mannen zijn doorgaans slecht gehumeurd,' zei de baron. 'Ik ben daar de beminnelijke uitzondering op.' Even speelde er een glimlachje over zijn smalle lippen. 'Ik zal bij zowel de zwaardmeester als de graaf een goed woordje voor u doen. Dat scheelt u wellicht wat verlegenheid.'

Niet dat verlegenheid van belang was voor hen drieën, maar...

Trouwens, hoe wou de baron eigenlijk een goed woordje gaan doen? Hij zag eruit alsof hij zo zijn laatste adem kon uitblazen.

Ach, het was toch een leuk idee, ook al was het een loze belofte.

'Afgezien daarvan' - de baron haalde een leren buideltje vanonder zijn dekens vandaan - 'zegt men wel eens dat goud altijd oprecht is.' Hij gaf het buideltje aan Kethol. 'Ik heb een brief geschreven aan de graaf, en ook een aan de zwaardmeester, waarin ik uw diensten prijs en uitleg dat deze kleine... verwarring in het kasteel van vannacht geheel mijn schuld was, aangezien ik verzuimd had te spreken over Morrays... omgang met de dienstmeisjes.' Hij staarde Kethol strak aan. 'Het is tot daaraan toe om wat te stoeien met een gewillige jonge meid, maar het is heel iets anders om dat ver buiten je eigen gebied te doen, en vooral als je ook nog niet bereid bent in het onderhoud van een bastaard te voorzien.' Zijn lippen verstrakten. 'Je zou het nu niet van me denken, maar in mijn jonge dagen heb ik ook een paar bastaards verwekt, maar ik kan zeggen dat ik voor hen allemaal een regeling heb getroffen, en vermoedelijk ook voor een aantal die door andere mannen zijn verwekt.' Hij klopte op de buidel. 'De brieven zitten hierin. Ik heb mijn zegel boven mijn handtekening geplaatst in plaats van er de brieven mee dicht te maken.'  

Wel, dat scheelde Pirojil de moeite om de was voorzichtig te verwarmen zodat hij de brieven kon lezen zonder de zegels te verbreken. Kethol wist zeker dat de baron zijn woord getrouw was - hij mocht en vertrouwde deze man wel- maar Pirojil was voorzichtiger van aard.  

Maar brieven? 'Dus u gaat niet met ons mee terug naar LaReu?'

Behalve om Morray de stad uit te werken om hem uit de buurt van de vermeende moordenaar te houden, was het de voornaamste reden van deze expeditie geweest om baron Mondegreen naar LaReu te halen. De rest had best kunnen wachten. Ja, het was nodig geweest om de Mondegreense troepen af te lossen - de baronnen hadden niet graag dat hun eigen troepen te lang van hun eigen land weg waren opdat ze geen bindingen met de verkeerde mensen kregen - maar erg dringend was het niet...

'Het lijkt me dat u zelf al tot de conclusie was gekomen dat dat onwaarschijnlijk is, op dit moment.' De baron schudde voorzichtig het hoofd. 'De oude pater Kelly zegt dat ik een reis over land naar LaReu vermoedelijk niet zou overleven en dat ik niet eens zo veel langer zal blijven leven door gewoon hier te blijven liggen.' Hij zei het alsof hij een probleem van ondergeschikt belang besprak. 'De plicht eist het, ja, maar ik kan van het lichaam niet eisen dat het sterker is.'

Waarom slepen we dan de vrouwe hierheen en weer terug? Kethol snapte het niet, maar de houding van de baron, al was die nog zo ongewoon vriendelijk, nodigde niet uit tot een vrijmoedig vertoon van nieuwsgierigheid.  

Kethol had de buidel niet opgepakt. Met trillende vingers schoof de baron die naar hem toe. 'Ik verwacht dat u op de terugreis eveneens op mijn vrouw past.'

Pirojil zou iets hebben gezegd wat erop neerkwam dat ze dat net zo goed zouden doen als op de heenweg, maar de baron had iets over zich dat het Kethol moeilijk maakte te liegen, direct of indirect.

Verdomme.

Er zat niets anders op, dus hij pakte de buidel op, keek erin - hij was zwaarder dan hij eruitzag: goud, niet slechts zilver - en stopte hem in zijn tuniek.

De baron glimlachte.

Wat was hier nu werkelijk aan de hand? Kethol was nog bezig te verzinnen hoe hij die vraag op een andere manier te stellen - verdomme, waarom had de baron niet gevraagd om Pirojil? Die was goed in dit soort dingen - toen de deur openging en vrouwe Mondegreen binnenkwam met twee dampende mokken op een dienblad. Ze zette het dienblad neer op het nachtkastje en ging zitten op het bed, naast haar man, om zijn hoofd te ondersteunen opdat hij van zijn thee kon drinken.  

'Ik heb gezien dat de koets in gereedheid wordt gebracht,' zei ze. 'Maar ik heb pater Kelly duidelijk horen zeggen dat je te ziek bent om op reis te gaan.'

De baron leek iets rechter op te gaan zitten. 'Verplichtingen, mijn lieve. Het is van belang dat Mondegreen in de raad wordt vertegenwoordigd.'  

'En -' Ze hield zich in met een blik op Kethol. 'Als u ons even wilt excuseren, ik wil -'

'Alsjeblieft, wees stil, mijn lieve. Het zou onhoffelijk zijn om iemand die ons zo van dienst is geweest zomaar weg te sturen alsof hij slechts een bediende is.' Hij gebaarde naar de beker. 'Hij heeft zijn thee nog niet eens op.'

Obstinaat tuitte ze haar lippen. 'Nou, goed dan, zet me maar voor schut waar die man bij is, als je dat wilt.'

'Jou voor schut zetten? Hoe zou ik dat nu kunnen?'

'Goed, maar laat mij je dan vertegenwoordigen in de raad. Zoiets is eerder gebeurd. Weliswaar niet zo vaak, maar...'

'Dat zou ik niet van je kunnen verlangen, mijn lieve,' wierp de baron tegen. 'Je bent moe van de reis.'

Kethol bleef roerloos zitten. Als ze hem niet opmerkten, raakte hij ook niet betrokken bij een ruzie tussen een baron en zijn vrouw. Waar het werkelijk om ging was Kethol onduidelijk - de baron had net zelf al aangegeven dat ze mee terug naar LaReu ging.

'Als je me niet vertrouwt, mij best,' zei ze. 'Wie moet er dan voor Mondegreen spreken in de raad? Heer Venten? Benteen?'

Kethol kende die namen niet - het was altijd verstandig om je niet met de plaatselijke politiek te bemoeien - maar de baron fronste zijn wenkbrauwen en trachtte zijn hoofd te schudden. 'Nee, maar ik denk dat mijn neef Alfon best-'

'Alfon is een idioot die een begerig oog heeft laten vallen op de baronie.'

De baron stak een hand uit en klopte haar op de buik. 'Ik had gehoopt dat het zover niet zou komen, maar...' Hij zuchtte.  

'Ik vraag het je nog één keer, mijn echtgenoot,' drong ze aan. 'Stuur mij naar LaReu, om in de raad jouw belangen - onze belangen - te behartigen.'

De baron slaakte een zucht en knikte. 'Goed dan, mijn lieve. Zoals je wilt.' Hij wendde zich tot Kethol. 'Ik heb groot vertrouwen in mijn eigen troepen, maar ik verwacht toch dat u een oogje op mijn vrouw houdt.'

Kethol begon te begrijpen waarom de beurs zo zwaar was. 'Ja, mijn heer,' zei hij.

 

'Als wat?' Durine schudde zijn hoofd. 

'Als lijfwacht voor zijn vrouw.'

'En Morray?'

'Heeft hij niet gezegd. Maar ik denk niet dat hem dat veel kan schelen.'  

Durine snoof. 'Nee, maar Tom Garnett en Steven Argent wel. We kunnen het helemaal niet gebruiken om op twee edellieden te moeten passen. Als we nog eens door de Tsurani worden besprongen, krijgen we het al moeilijk genoeg om Morray in leven te houden, en als dat niet lukt, moeten we ons voor de kapitein en de zwaardmeester verantwoorden.'  

'Ik zeg ook niet wat we moeten doen. Ik zeg alleen wat hij heeft gevraagd.' Kethol woog de buidel op zijn handpalm. 'En waar hij goed goud voor heeft betaald.'  

'Goud is iets heel moois, maar het maakt een zwaard niet scherper en een arm niet sneller,' zei Durine. 'Als er stront aan de knikker is, beschermen we de baron en mag vrouwe Mondegreen voor zichzelf zorgen, wat mij betreft.'

Pirojil bleef even stil, kijkend naar de koets die werd beladen. De kratten met postduiven die boven op de koets werden geplaatst en de verse troepen zouden hoe dan ook mee zijn gegaan. De wagens zouden in ieder geval zijn beladen met de zakken graan voor de paarden, en ook de zeildoeken zakken en eiken okshoofden met de proviand voor de troepen zouden nodig zijn geweest.

Het was natuurlijk heel wel mogelijk dat de reiskleren van de vrouwe helemaal nooit waren uitgepakt en dat er meteen een vers paar lelijke dienstmeisjes hadden klaargestaan. Maar de kisten die in het bagageruim van de koets werden geplaatst en de aanwezigheid van een tweede wagen zinspeelde op enige mate van voorbereiding.  

Waarom? De vrouwe was paardrijdster genoeg om de reis in het zadel te maken...

Het zinde hem niet, helemaal niet.

'Ik ben het met Durine eens,' zei Pirojil uiteindelijk. 'Je hebt toch geen eed gezworen, hè?' Kethol had vreemde ideeën over het nakomen van beloften.

'Nee, niet echt. Maar ik heb ook die buidel niet boven zijn bed omgekeerd.'

'Stik.'

'Hmmm...' Durine legde een hand op het gevest van zijn zwaard en tikte er met zijn wijsvinger op. 'Het begint erop te lijken dat we moeten zien of we onze wedde kunnen krijgen zo gauw we in LaReu zijn en ons kunnen schuilhouden in Ylith tot de dooi intreedt.'

Pirojil knikte. Politiek. De erfgenamen van de baron waren dood, en tenzij er nog eentje in de buik van vrouwe Mondegreen zat, zou er beslist wat wedijver om de baronie volgen, als Mondegreen eenmaal was overleden.

Verdomde idioot, om je laatste zoon en erfgenaam, vermoedelijk de zoon van een vorige echtgenote, uit te laten rijden om zich aan een Tsuranese speer te laten rijgen, maar zo waren Koninkrijkse edelen nu eenmaal. Het was lastig om leiding aan je manschappen te geven als je je een keer te laf had getoond om hun in de strijd voor te gaan.

'Nou,' zei Durine, 'wat zeg je ervan om de karavaan terug naar LaReu te brengen, waarbij we een oogje op de baron en niet op de vrouwe houden, dan onze betaling op te strijken en in Ylith in een herberg met uitzicht op zee te gaan zitten wachten tot de ijsschotsen breken?'

Kethol wilde iets zeggen maar bedacht zich.

'Toe maar,' zei Pirojil, wetend wat het zou worden.

'Ik mag die baron wel,' zei Kethol. 'Hij hoefde niet voor ons te bemiddelen met die... toestand van vannacht, en hij hoefde ons niet te overladen met goud. Hij vraagt alleen maar of we ons best willen doen om -'

'Ja,' zei Durine. 'Ons best, wat betekent dat hij reden heeft om te twijfelen aan de trouw van minstens één van zijn eigen mannen.'  

'Of anders weet hij misschien hoe goed wij hierin zijn.'

Het feit dat ze nog leefden was bewijs genoeg dat ze niet zomaar geluk hadden maar goed waren. De Tsurani waren taaie tegenstanders, individueel zowel als en masse, en er waren maar weinig soldaten, beroeps of huurlingen, die de helft van de gevechten hadden overleefd die zij drieën hadden gevoerd.  

Durine schudde zijn hoofd. 'Nee. Heb jij ooit een edelman gezien die er niet graag over opsneed dat zijn eigen troepen de beste zijn die er ooit hebben bestaan? Volgens mij zijn we zo aantrekkelijk voor deze baron vanwege onze politieke betrekkingen - namelijk geen.'

Pirojil knikte. 'Daar kon je wel eens gelijk in hebben.' Hij had precies hetzelfde gedacht.

Kethol fronste zijn wenkbrauwen. 'Ik vind dat we best ook op de vrouwe kunnen passen.'

'Ja hoor, en we kunnen -'

'Sst.' Pirojil maande hen tot stilte. 'Als jullie nou even je kop houden, dan kan ik nadenken.'

Als de baron er inderdaad zo slecht voor stond als Kethol zei, zou degene die als volgende in aanmerking voor de baronie kwam, het vast niet zo erg vinden als, zeg, vrouwe Mondegreen van haar paard viel en haar nek brak, zodat de opvolging vrij bleef.

Maar dat had alleen maar zin als...

...als ze al zwanger was, en dan nog wel van Mondegreen zelf.

En volgens Kethols verhaal was haar man daar nauwelijks toe in staat. ..

En dat kon wel eens de verklaring van haar reputatie zijn. Ze was niet zomaar een onverzadigbare edelmansvrouw die iedere hengst wilde berijden. Ze had, misschien zelfs met stilzwijgende medewerking van haar man, getracht in verwachting te raken. Pirojil probeerde zich alle mannen voor de geest te halen die met haar in verband werden gebracht. Hadden ze allemaal, net als Morray en Steven Argent, donker haar en grijze ogen, net als haar man? Misschien koos ze haar minnaars op hun lichamelijke gelijkenis met haar man, hopend op een evenbeeld.  

De zaak begon steeds ingewikkelder te worden.

Vanuit het standpunt van de baron en zijn vrouwe was dit reisje naar huis geënsceneerd om vrouwe Mondegreen nog één laatste keer in haar mans bed te krijgen, voordat hij overleed, om van het kind de onbetwistbare erfgenaam te maken in plaats van de baronie over te leveren aan een opvolgingsstrijd. Dat was wel het laatste dat het Koninkrijk kon gebruiken, zeker hier in het westen, waar het ellebogenwerk al was begonnen om te zien wie Vandros als graaf in LaReu zou opvolgen als hij de volgende hertog werd, en waar natuurlijk ook nog al die verrekte Tsurani rond renden om de feestvreugde te verhogen.  

Het klonk allemaal heel redelijk, zij het slinks, maar de adel was overal uitermate slinks.

Verdomme, in slechts een kwartiertje had baron Mondegreen Kethol voor zich gewonnen, en het laatste wat zij drieën konden gebruiken, was onderlinge onenigheid.

Pirojil knikte. 'We beschermen hen allebei - maar Morray heeft de prioriteit, begrepen? Hij heeft dat zwaard niet zomaar uit ijdelheid omgegord, wed ik, dus misschien is hij dom genoeg om het te trekken en ermee te gaan maaien als we niet in de buurt zijn. Dus zorg dat er altijd twee van ons bij hem zijn en één bij de vrouwe, als het linke soep wordt. En als je moet kiezen tussen die twee, red je de baron als eerste. Jij krijgt je zin, Kethol, we zullen ook op vrouwe Mondegreen letten, maar Durine krijgt ook zijn zin: zodra we in LaReu zijn, strijken we onze wedde op en gaan we ervandoor. Niks meer wachten op de dooi - we leveren ze af in het kasteel van de graaf, en we vertrekken zuidwaarts naar Ylith. Zijn we het daar over eens?'  

Kethol knikte, en Durine na een korte aarzeling ook.

Met dit plan kon hij leven. Ja, garnizoenstaken waren best lonend, maar betrokkenheid in de plaatselijke politiek niet, en het leek erop dat ze tot aan hun zeer afhakbare nek in de plaatselijke politiek verzeild waren geraakt. Trouwens, het extra goud van Mondegreen was een mooie compensatie voor de paar extra koperstukken die ze anders hadden verdiend met bevriezen op de borstweringen in LaReu, in het naderende noodweer. Het ergste winterweer was achter de rug, en ze konden naar het zuiden om te genieten van de vernieuwing die de lente bracht.  

Hij huiverde.

Kethol schudde zijn hoofd. 'Ik zeg je, er is zwaar weer op til.'

'Wanneer?'

'Vandaag niet, en morgen ook nog niet, maar wel gauw. Veel te gauw.'

Pirojil trok een grimas. Met een beetje geluk waren ze dan LaReu al uit met hun wedde warm in de zak, maar hij had het gevoel dat hun dat geluk niet zou toevallen.

Deze keer niet.

Stik.