HOOFDSTUK 6
Twee weken vóór Sinterklaas, barstte de bom in de Franse les. Opnieuw had „Toetje” huiswerk opgegeven over stof die slechts vluchtig behandeld was en opnieuw vernamen ze van de klas die het eerste uur les had gehad van „Toetje”, dat hij het schriftelijk zou overhoren. De klas was razend.
„Hij vindt 't gewoon leuk ons te pesten! Hij doet 't erom!” schreeuwde Bas, terwijl hij zijn Franse boek nijdig in een hoek van de aula smeet.
„Hij moet ons gewoon hebben!” was Anjo's sombere mening. Ook zij duwde met een bijna vies gezicht het Franse boek van haar af en besloot het haar hele leven niet meer in te kijken.
„Toetje” presteert het om je voor je rest van je leven een grondige hekel aan Frans te laten krijgen!” besloot Tina meedogenloos de woedende commentaren.
„We staken! We doen het gewoon niet!” Iedereen was even stil bij de woorden die Mieke zo luid het groepje ingooide.
„Dat kun je niet maken, Miek, hij heeft het recht ons te overhoren en het is zijn zaak hoe hij dat doet!”
„Maar wij halen de onvoldoendes!” trok Karlien de logische gevolgtrekking uit de woorden van Sjoerd.
„Ik heb een plannetje!” kreet Tina plotseling met verdacht schitterende ogen. Ze keek daarbij het groepje om haar heen triomfantelijk en geheimzinnig aan.
„Wat dan?” klonk het gretig van alle kanten.
„Wacht maar af... we gaan „Toetje” eens een lesje leren... we maken dat proefwerk gewoon...” was het enige geheimzinnige antwoord wat Tina de nieuwsgierige klasgenoten gaf.
Iedereen was dan ook uiterst gespannen wat er zou gaan gebeuren en allen gingen verwachtingsvol het klaslokaal in, waar „Toetje” al driftig het bord schoon stond te maken.
„Goedemorgen, meneer!” groetten ze beleefd, waarover „Toetje” zó verbaasd was, dat hij even vergat verder te gaan met zijn bord.
„Mmmmm... bonjour...” stamelde hij wat perplex. Meestal kwamen zijn leerlingen rumoerig en lawaaierig het lokaal binnen en kon er nauwelijks een groet af. „Toetje” had het na vele jaren proberen maar opgegeven en ontving zijn klassen meestal zwijgend.
Ongewoon rustig gingen ze zitten en keken met onschuldige gezichten naar hem op. „Toetje” legde de borstel neer en liep handenwrijvend naar zijn lessenaar, waarop een angstig uitziend pak papier lag. Er ging een diepe zucht door de klas, maar niemand sprak een woord.
„Jullie hebben voor vandaag de les over het ontstaan van het Franse volkslied geleerd,” begon hij opgewekt. „Welnu, dat wilde ik schrifte...” Hij hield abrupt op, toen een zacht geluid zijn woorden onderbrak. Hij spitste zijn oren, bedacht op elke, mogelijk verdachte beweging en keek spiedend de klas rond.
„Wat was dat?” snerpte hij. Iedereen zweeg en staarde hem alleen maar dom aan. Het geluid was ook verdwenen en na enkele ogenblikken van doodse stilte, besloot „Toetje” om er verder geen aandacht meer aan te besteden en zijn beruchte proefwerkvellen uit te delen. Juist was hij bij de eerste twee rijen beland, toen hij opnieuw meende 'het geluid te horen. Hij stond doodstil en luisterde scherp. Ja, daar was het weer: héél zachtjes klonken een paar tonen van een liedje achter uit de klas.
„Nu hoor ik het weer! Wie doet dat?” schreeuwde hij. Zijn blikken vlogen van de een naar de ander, maar niemand verroerde zich en alle gezichten stonden even uitdrukkingsloos. Iemand zong! Iemand had het lef om een liedje te zingen onder zijn les! Briesend smeet hij de vellen neer en rende de klas in. Maar achter in het lokaal gekomen, waaruit hij geluid meende te horen, vernam hij opnieuw het zachte zingen, nu van vóór uit de klas! Opnieuw snelde hij naar voren, maar op hetzelfde moment klonk het geluid Weer van de andere kant. „Wie doet dat! Qui, qui? Alors, alors!” brieste hij.
Met onschuldige gezichten zaten de leerlingen achter hun lessenaars en staarden strak naar „Toetje,” net of ze zijn Franse woorden: vooruit wie, niet begrepen hadden, die dan weer naar achteren, dan weer naar voren liep, om vervolgens te concluderen dat het geluid van rechts kwam. Daar aangekomen bleek hij het zingen duidelijk links van hem te horen! En naarmate het geluid aanzwol, hoorde „Toetje” dat de klas het Franse volkslied aanhief. Even stond hij doodstil en scheen te twijfelen of hij uit zou moeten vallen of toch maar moest luisteren, maar het aloude lied werd op zó'n afschuwelijke wijze en zó afschuwelijk Frans gebracht, dat zijn haren ervan te berge rezen en zijn woede nog groter werd. Zijn mooie Franse taal op déze wijze verwrongen! Nu waren ze te ver gegaan! Wie aan zijn taal kwam, kwam aan „Toetje”!
Hij vloog bijna van het ene tafeltje naar het andere en probeerde de boosdoeners te ontdekken, maar overal om hem heen hoorde hij op de meest afgrijselijke wijze het Franse volkslied klinken. Wanhopig rende hij het lokaal rond, niet wetend wat hij met de situatie aan moest.
Juist snakte hij even naar adem om zijn ononderbroken Franse woordenstroom tot de leerlingen door te laten dringen, toen er verschillende zangers gingen staan en een denkbeeldige hoed in hun handen hielden.
Spoedig stond de gehele klas naast hun tafels, allen stram in de houding, de ogen bijna smachtend op „Toetje” gericht, die met een vuurrood hoofd wanhopig voor de klas stond. Het leek alsof ze hem een ode wilde brengen en in gedachten zagen sommigen hem op een verhoging staan, terwijl achter hem de Franse vlag gehesen werd. Maar „Toetje” ontplofte bijna en trachtte de vreselijke woorden niet te horen.
Plotseling zonk hij op zijn stoel neer en bleef met het hoofd in zijn handen gesteund zitten. En toen de laatste tonen wegstierven en Bas juist het lied opnieuw wilde inzetten, ging de deur open en kwam met een hoogst verbaasde uitdrukking op haar gezicht, mevrouw Van Dijck binnen. Het zingen hield abrupt op en maakte plaats voor een doodse stilte, die als een drukkende last in het lokaal bleef hangen.
„Toetje” had niet eens gemerkt dat de directrice het klaslokaal binnen gekomen was, maar bleef met zijn hoofd in zijn handen zitten.
Iemand schraapte voorzichtig zijn keel, maar er kwam geen reactie.
„Wat heeft dit te betekenen, meneer Van Someren?” klonk de stem van mevrouw Van Dijck plotseling scherp.
„Toetje” sprong als door een wesp gestoken op van zijn stoel en keek de directrice verschrikt aan. „Eh... eh... mevrouw Van Dijck?” stamelde hij met een vuurrood hoofd.
Allen zwegen nu en voorzichtig ging de klas zitten, bang om ook maar enig storend geluid te maken.
„Ik neem aan dat dit niet bij de les hoort?”
„Toetje” keek haar alleen maar aan en gaf geen antwoord.
Plotseling sprong Mieke op en nam het woord, tot grote verbazing van allen. „Mevrouw Van Dijck, mag ik het misschien even uitleggen? We hebben gisteren een les gehad over het ontstaan van het Franse volkslied en als huiswerk moesten we dit kunnen vertellen. Nu hadden wij gedacht... als verrassing natuurlijk... dat het leuk zou zijn om het te zingen!” Mieke zweeg, terwijl de anderen haar in opperste verbazing aanstaarden, zelfs „Toetjes” ogen waren groot geworden en zijn mond zakte langzaam open.
Mevrouw Van Dijck had rustig de verklaring van Mieke aangehoord en fronste bedachtzaam haar voorhoofd, alvorens ze „Toetje” aankeek. „Ik vind dit nogal een vreemde manier van het overhoren van de gegeven lessen, meneer Van Someren!”
„Eh... ja... maar het is weer eens wat anders!” stamelde deze verward.
„Misschien is het verstandiger dit in het vervolg wat rustiger te doen! We zijn hier aan het eind van de gang bezig met een proefwerk en we kunnen uw klas woord voor woord verstaan! Dat is zéér hinderlijk, meneer Van Someren!”
„Eh... ja... neem me niet kwalijk...” mompelde hij verward. Nerveus plukte hij aan zijn kleine sikje en wipte van het ene been op het andere, zijn blik strak op de grond gericht.
„Bovendien meen ik te horen dat de tekst niet zó daverend beheerst wordt! Reden te meer om er wat meer aandacht aan te besteden!” Met deze woorden verliet de directrice het lokaal, een verbijsterde „Toetje” achterlatend.
Mieke was weer gaan zitten en keek mét gespannen blik naar de leraar, die met trillende handen zijn papieren bijeenraapte en ze haastig in zijn tas stopte. Niemand durfde iets te zeggen; het enige geluid was het ritselen van de papieren en tenslotte het dichtklappen van de tas. Even keek „Toetje” aarzelend de klas in, opende zijn mond om wat te zeggen, bedacht zich weer, keerde zich om en liep met grote passen het lokaal uit, zonder nog eenmaal omgekeken te hebben. Met een klap sloeg de deur achter hem dicht en het duurde even voor het in de klas goed doorgedrongen was, wat er gebeurd was.
„Hij was kwaad, hè?” klonk bijna fluisterend een stem achter uit het lokaal.
„Wat heet kwaad? Hij kookte!”
„Zijn we te ver gegaan?” piepte Tina ineens een beetje benepen. Ze had toch wel medelijden gekregen met het slachtoffer van hun plagerij, vooral toen ook nog de directrice binnen was komen stappen. Dat was in ieder geval niet de bedoeling geweest!
„Ik geloof het niet; ik geloof dat ons aller „Toetje” inderdaad een lesje heeft geleerd! Maar het kwam wél een beetje hard aan!” gaf Sjoerd toe.
„Ik hoop niet, dat die man er iets aan overhoudt!” zei Anjo wat bezorgd, als ze dacht aan het afwisselend vuurrode en dan weer spierwitte gezicht van „Toetje”.
Maar deze bleek sterker dan men vermoedde, want de volgende dag stond hij weer voor de klas, alsof er niets aan de hand was. Over een proefwerk werd niet meer gerept en hij behandelde uitvoerig de stof over het Franse volkslied. En toen hij tenslotte toch de proefwerkvellen uitdeelde, vroeg hij hen enkel het gehele Franse volkslied op te schrijven, hetgeen tevens bedoeld was als een oefening in stijl en op taalconstructie.
„Is dat alles?” waren de verbaasde kreten uit de klas, toen hij achter zijn lessenaar plaatsnam en verder geen opdrachten meer gaf. De meesten begrepen dat ze te ver waren gegaan.
„Toetje” liet even zijn blik over de groep dwalen, knikte vermoeid en pakte zijn vertrouwde krantje. „Oui, c'est tout!” fluisterde hij hees.