21. Een spoor
Edwin sluipt opnieuw langs de huizen in de richting van de drie blokken bejaardenhuisjes.
Hij is erg op zijn hoede en bij de minste of geringste beweging in de verte loopt hij snel een dam of een tuin in. Wel een beetje brutaal, vindt hij, maar het moet maar.
De huisjes komen steeds dichterbij.
Plotseling ziet hij recht voor zich de weerkaatsing van blauwe zwaailichten tegen de huizen. Dan komt er een ambulance om de hoek en stopt voor het laatste blok.
Ineens begrijpt Edwin het. Natuurlijk, die komt die oude vrouw ophalen. Hij zal moeten wachten totdat dit allemaal achter de rug is. Daar kan hij niet langs en hij wil toch in de omgeving waar hij de fles heeft gevonden proberen of Tor het spoor te pakken kan krijgen.
Gelukkig was de brand aan de andere kant van het huis, zodat de politie, de brandweer en alle wakker geworden belangstellenden zich ook allemaal aan de andere zijde bevinden.
De mensen van de ambulance doen hun werk snel, maar het duurt Edwin allemaal nog veel te lang. Tor zit daar helemaal niet mee en is geduldig naast hem komen liggen.
Eindelijk ziet Edwin de ambulance weer wegrijden. Nog even en dan lijkt iedereen weer naar het pleintje aan de achterzijde van de woning terug te zijn gekeerd.
Voorzichtig stapt Edwin over het lage tuinhek. Tor springt er lenig over. Edwin kijkt goed uit of hij echt niemand ziet.
Doordat de drie blokken schuin achter elkaar langs de weg staan is niet alles voor iedere woning te zien. Maar hoe dichter Edwin nadert, hoe meer hij ervan overtuigd raakt dat er echt niemand meer aan deze zijde is. Hij ziet dat de deur met de ruit die hij heeft ingeslagen weer dicht is.
Heeft ook weinig zin, denkt hij. Iedereen kan nu zo naar binnen. Ze zullen het wel gauw dicht komen maken. Dan moet hij in ieder geval zorgen dat-ie weg is.
Edwin haast zich wat meer. Bij de struiken die naast de laatste woning staan, laat Edwin Tor aan de fles ruiken.
‘Hier Tor … zoek!’ fluistert hij.
Dat spelletje speelt hij wel eens meer met zijn hond en Tor vindt het altijd reuzeleuk wanneer zijn baasje iets heeft verstopt met hetzelfde geurtje dat Edwin hem laat ruiken.
Tor is meteen nieuwsgierig. Zijn neusvleugels bewegen een beetje heen en weer. Maar dan trekt hij zich snel terug. De benzinelucht vindt hij niet bepaald interessant en nog smerig ook.
Edwin duwt de fles nog eens onder zijn neus, maar Tor wil er niets van weten.
Dat gaat niet goed komen, denkt Edwin teleurgesteld. Dan draait hij de fles om en laat Tor aan de andere kant ruiken. Tor lijkt dan toch maar even met tegenzin te willen ruiken als zijn baasje er zo op staat.
Voorzichtig besnuffelt hij de andere kant. Hij trekt zich nu niet terug.
Edwin krijgt weer hoop. ‘Zoek Tor … Zoek!’ moedigt hij z'n hond aan.
Edwin houdt de fles nu heel laag bij de grond en gaat wat heen en weer. ‘Zoek … pak ze!’ fluistert hij gebiedend.
Tor snuffelt over de grond. Dit lijkt weer een leuk spelletje te worden. Edwin kijkt aandachtig toe. Tor loopt wat heen en weer met zijn neus vlak boven de grond. Hij gaat steeds verder. Stukje vooruit, achteruit, opzij …
Dan loopt hij ineens tussen de struiken vandaan. Zijn neus nog steeds laag bij de grond.
Edwin heeft de riem vast. Tor loopt langs de struiken en volgt een spoor naar de achterzijde van de woning.
Daar schrikt Edwin van. Die kant moeten ze niet op, anders staan ze zo meteen tussen de politie en brandweermensen. Hij trekt Tor aan zijn riem en probeert zijn hond in de tegengestelde richting het spoor te laten volgen.
Gelukkig vindt Tor dat ook geen probleem en speurt gewoon verder.
Ze komen weer langs de plaats waar ze zijn begonnen. Tor loopt even wat heen en weer, maar volgt dan een spoor voorlangs de drie blokken bejaardenhuisjes.
Bij het laatste slaat Tor resoluut rechtsaf en komen ze weer bij de achterkant van de drie blokken, maar nu niet bij het huisje dat heeft gebrand.
Edwin houdt even in. Vreemd, denkt hij, de vorige keer dat ik iemand zag, was dat vlak bij ons eigen huis, een heel andere richting. En ik heb hem toen ook duidelijk door de tuintjes van de straat hier achter me zien lopen.
Er begint iets in hem te twijfelen of het wel dezelfde zal zijn geweest als van wie ze het spoor nu volgen. Dat maakt het nog ingewikkelder.
Edwin kijkt om de hoek van de achterzijde van het bejaardenhuisje. Het is niet de bedoeling dat hij gezien wordt door de mensen die hij daar op een afstandje bij de schijnwerper van de brandweer ziet.
Het is misschien wel honderd meter en nog steeds heerst het nachtelijk donker, maar Edwin wil onder geen enkele voorwaarde gezien worden.
Hij beweegt zich vlak langs de struiken die ook hier staan. Intussen houdt hij nauwlettend de mensen aan de andere zijde in de gaten. Gelukkig lijkt het spoor dat Tor volgt ook dicht langs de struiken te lopen.
Natuurlijk, denkt Edwin, als dit het spoor is van de brandstichter dan zal ook hij hier niet zomaar frank en vrij hebben rondgelopen. Dan zal deze zich ook zo verdekt mogelijk uit de voeten hebben gemaakt. Deze gedachte geeft hem weer wat moed dat hij misschien toch wel op het goede spoor zit.
Behoedzaam sluipt hij door. De riem staat strak. Tor wil snel vooruit, maar Edwin weet dat hij als hij gaat rennen wellicht wat sneller zal worden ontdekt dan wanneer hij zich langzaam voortbeweegt.
Een kleine vijftig meter verderop staat een rij struiken haaks op de andere en verspert in feite hun weg. Ook zijn ze niet meer te zien vanaf de plaats waar de brandweer en de politie nog in de weer zijn. Eigenlijk is hier een soort zijveldje, ziet Edwin.
Tor buigt voor de struiken langs naar rechts en tien meter verderop nog eens. Gaan we nu weer terug? vraagt Edwin zich bezorgd af. Maar Tor speurt ongestoord verder, alsof hij het volste vertrouwen heeft in het spoor dat hij te pakken heeft.
Na vijfentwintig meter houden de struiken op en zien ze de brandweer en de politie verderop weer. Edwin stopt en moet zich schrap zetten, want Tor trekt uit alle macht door.
Ineens hoort Edwin een diep gegrom uit Tors keel komen.
Nog geen tel later duikt de hond tussen de struiken. Er klinkt een gedempte schreeuw. Daar zit iemand, denkt Edwin geschrokken en verbaasd.
De riem wordt nog verder de struiken in getrokken met Edwin erachter aan. Hij hoort nu Tor nog veel harder grommen. Het lijkt wel of hij iets te pakken heeft.
‘Weg, smerig beest! … Maak dat je wegkomt … Aauu!’ klinkt het tussen de struiken.
Edwin kent die stem.
Hij denkt niet meer aan de politie en brandweer een stukje verderop. Hij dringt nu uit eigen beweging verder tussen de struiken. Dan ziet hij ineens iemand op de grond. Tor staat half boven op hem en heeft een arm in zijn bek.
Edwins mond zakt van verbazing helemaal open.