Rotterdam, 24 april 1942

Van der Waals vloekte hardop toen er bloed onder het half afgepeuterde korstje opwelde. Genas die wond dan nooit? Woedend boog hij zich naar de spiegel toe en trok voorzichtig wat haren van zijn linkerwenkbrauw uit elkaar. Als hij de klootzak die hem dit geleverd had te pakken kreeg, zou hij hoogst persoonlijk zijn botten breken in het Oranjehotel!

Het viel wel mee, zag hij, niet meer dan enkele druppels. Hij tastte al naar de watten op de wastafel om het bloed weg te vegen toen hij verstrakte. Op het binnenplaatsje achter de badkamer viel iets met een brekend geluid, en meteen klonk er hoog gekrijs.

In twee stappen stond hij naast de vitrage, duwde die wat opzij en tuurde door het vuile raam. Achter een aan stukken gevallen bloempot beet een kat de kop van een zwarte vogel af.

Hij ademde weer in en liet de vitrage terugvallen. Waar maakte hij zich druk om? Er was niemand die wist dat hij hier zat. Zeker die klootzak en zijn vriendjes niet. Die waren in de veronderstelling dat hij De Wilde heette en alleen in de Eerste Middellandstraat woonde. Hoe ze daarachter waren gekomen was wel duidelijk en opnieuw een waarschuwing dat hij nog voorzichtiger moest zijn: enkele maanden geleden had hij, onder het mom van een gedropte agent uit Engeland, dat adres gegeven aan een Haagse caféhouder, wiens café volgens Schreieder als trefpunt voor verzetsmensen fungeerde. Vast en zeker hadden die amateurs van de Thomsonlaan daar hun informatie vandaan. Bovendien moesten ze hem gevolgd zijn want al wisten ze zijn echte naam niet, ze wisten wel dat hij voor de Sicherheitsdienst werkte. Dan nóg was er geen man overboord; als het goed was zouden ze binnenkort gepakt worden. ‘Inlichtingendienst,’ zo noemden ze hun groep, een idiote naam maar er moest een reden voor zijn. Was de klootzak soms iemand die vroeger bij de inlichtingendienst had gezeten? Dat zou linker zijn dan hij dacht, al was ook de klootzak een amateur.

Het zou wel door zijn koppijn zijn gekomen dat hij niet direct aan het carillon had gedacht. Toen de vent met de hese stem had voorgesteld hem een tijdje onder water in bad te houden, had er ergens een carillon gespeeld. Van een kerk, want hij had ondanks de pijn en de duizelingen de tonen van ‘Blijf mij bij, Heer, want d’avond komt nabij’ herkend. Dat gezang werd veel bij begrafenissen gespeeld dus moest het om een kerk gaan waar die middag een uitvaartdienst was gehouden, ergens in het noordoosten van Den Haag. Een scherpe bocht naar rechts toen hij geblinddoekt in de auto zat, daarna scherp naar links, wat later een tram en vervolgens een wegdek waarvan hij meende dat het belegd was met betonnen platen voor militair vervoer. Het was niet moeilijk geweest om te achterhalen dat dat de Wittenburgerweg was, en ze dus naar Wassenaar waren gereden. En dat er daar in de oude dorpskerk die middag een begrafenisdienst was geweest en het carillon inderdaad de eerste tonen van dat gezang had gespeeld. Het ging om een villa in de buurt van die Wassenaarse kerk, want hij had pas gemaaid gras geroken en een bordesje op gemoeten. Het was geen grote gok dat niet de Thomsonlaan, maar die villa het hoofdkwartier van de groep was; bovendien stond het huis aan de Thomsonlaan sinds kort leeg. En als ze vijandelijke agenten opvingen, moesten ze regelmatig zendcontact met Londen hebben.

Als hij vanmiddag op de sd was, zou hij Schreieder vragen een peilwagen door die buurt te laten rijden. Hij had dat al eerder willen doen maar de kleine Kriminal-Direktor zou vandaag pas terug zijn na twee weken Paasvakantie in zijn geliefde Beieren. Doorgaans bracht hij dan rapport uit aan diens plaatsvervanger, Haubrock, maar Schreieder had uitdrukkelijk gezegd alleen aan hém over Tulp te rapporteren.

Tulp was dus van groot belang voor Schreieder, zoals hij al gedacht had gezien het honorarium van vijfduizend gulden. De vraag waarom was minstens zo interessant als wie Tulp was of waar hij uithing. De amateurs hadden de afgelopen weken twee keer van zich laten horen en twee keer had hij gezegd nog niets te weten. ‘Nog een week, De Wilde. Als je dan nóg niets hebt, weet je wat er gebeurt.’ Ook daarom werd het tijd hen te laten oppakken.

Hij veegde het bloed af en bestudeerde zijn gezicht in de spiegel. Bleek als altijd, al zat hij uren op zijn woonboot bij de Westeinder in de zon, zo was hij nou eenmaal geboren. Te weinig rode bloedlichaampjes, had zijn moeder gezegd, je zult altijd een onderdeurtje blijven, Tommie. Flauwekul, want hij voelde zich nog achttien al zag hij er wel wat ouder uit dan zijn negenentwintig jaar. ‘Net Errol Flynn,’ zei Aukje altijd. Dat was niet zo; hij vond zichzelf, zeker nu hij zijn snor had afgeschoren, meer iets weg hebben van Valentino, die dezelfde bleke huiskleur had. Maar vleiend was het wel. Van alle vrouwen die hij had gekend, was Auk de mooiste en de leukste en daarom was hij na twee mislukte huwelijken toch met haar getrouwd. Ze was alleen te nieuwsgierig van aard, wilde altijd weten waarom ze weg moest als hij bezoek kreeg en hoe hij aan zijn geld kwam. Ze had hem recht in zijn gezicht uitgelachen toen hij haar had verteld dat hij alleen maar een baantje bij de radiowinkel had als dekmantel voor zijn werk voor de Britse geheime dienst.

‘Jij? Kom nou toch, Tom! Ik weet niet wat je allemaal uitspookt maar mij maak je niks wijs!’

Slim was ze dus ook, want hoeveel mensen tuinden er niet in dat verhaaltje dat hij voor de sis werkte? Zelfs burgemeester Oud van Rotterdam had hem geloofd, al was het dan niet gelukt hem te chanteren. Vanavond, besloot hij, zou hij weer bij Aukje slapen in hun huis aan de Rochussenstraat, dat was al enkele dagen niet meer het geval geweest. Hij grinnikte omdat hij weer moest denken aan de klootzak die had gezegd dat er zelfs geen weduwe was om hem te betreuren.

Amateur.

Hij smeerde wat brillantine in zijn haar, trok met de kam een kaasrechte scheiding in het midden en kamde het aan beide kanten strak achterover zoals hij altijd deed wanneer hij zich uitgaf voor De Graaf.

Tulp. Van Reijt. De kerel moest zich ergens permanent verborgen houden want de afgelopen weken hadden geen enkel spoor van hem opgeleverd; niemand van zijn contacten, zowel binnen het verzet als bij de politie of de nsb, die iets van hem wist.

‘Ik vergeet trouwens dat hij zich ook wel Heering noemde,’ had de klootzak met de geaffecteerde stem gezegd. Want net als jij schijnt hij er een handje van te hebben zich onder valse namen uit te geven. Rotterdammers onder elkaar, isn’t it?’

Al de dag erop had er een envelop in de bus van zijn etage aan de Eerste Middellandstraat gelegen waarin alleen een pasfoto zat. Achterop stond in potlood geschreven: ‘Niek van Reijt. Piet Hein Heering. Geboren 15 oktober 1904.’

De foto moest van een persoonsbewijs afkomstig zijn, want achterop kleefde nog een stukje blauw papier van het legeszegel en over het gemillimeterde zwarte hoofdhaar was nog een deel van een ronde stempelafdruk zichtbaar, met de letters ‘gem’ van gemeente’. Vals, in Engeland nagemaakt? De wat dikke kop van een Indo. Het was wel duidelijk hoe de amateurs eraan waren gekomen. Tulp was ervandoor gegaan en was waarschijnlijk inderhaast dat pb vergeten.

Van Reijt. Tulp.

Van der Waals knoopte zijn overhemd dicht en strikte zijn das.

De klootzak had verondersteld dat hij met Tulp samenwerkte maar hij had ook gezegd dat het dan een beetje vreemd was dat de sd Tulp zocht omdat die Indo voor de Duitsers zou werken. Dat was inderdaad een beetje vreemd. Verzetsmensen zochten Van Reijt omdat hij een verrader zou zijn en Schreieder dacht dat de Engelsen hem hadden gedropt. Iemand moest zich vergissen. Tenzij Van Reijt voor een andere Duitse instantie opereerde, bijvoorbeeld voor de Abwehr of de Gestapo, maar dat zou Schreieder dan na enkele dagen toch hebben moeten achterhalen. Hij werkte immers nauw samen met majoor Giskes van de Abwehr.

Van der Waals waste zijn handen en liep het gangetje in. Hij trok zijn lange leren jas aan en zette zijn slappe gleufhoed wat scheef op zijn hoofd. Errol Flynn. Uit de elektriciteitskast pakte hij de FN-revolver en stak hem in zijn jaszak. Hij liep uit de keuken het binnenplaatsje op en sloot de keukendeur af. Een zwerm vogelveertjes dwarrelde op in de voorjaarswind. Nu hij de sleutel niet meer onder de bloempot kon leggen, schoof hij hem onder de vuilnisemmer. Ook de deur van het poortje naar het achterom draaide hij op slot. Die sleutel legde hij onder een losse stoeptegel.

Even later wandelde hij op zijn gemak in de richting van Blijdorp, waar Heering volgens het bevolkingsregister het laatst had gewoond. Natuurlijk had hij eerst naar Niek van Reijt gevraagd, maar die naam was daar onbekend.

‘Geboren op 15 oktober 1904.’

‘Nicolaas Pieter van Reijt, ja. Laatst woonachtig aan de Kruiskade nummer 11, maar daar uitgeschreven in augustus 1939 en vertrokken naar Batavia. Overigens is die woning aan de Kruiskade na 14 mei afgebroken.’

Aha. Ik zou het kunnen proberen via een vriend. Heering, met dubbel e. Piet Hein Heering.’

De beambte had teruggebladerd door de dikke legger.

‘Dat klopt. Woonde tot 1 maart 1936 in de Lumeystraat maar die man is volgens onze gegevens dood.’

‘Dood?’

‘Ja. Moord. Op Celebes, begin april 1940.’

‘Zo! Hebben ze de moordenaar ooit gepakt?’

‘Meneer, dat weet ik niet. Daarvoor moet u bij het politiebureau zijn.’

‘Wie woont er nu, als ik mag vragen?’

‘Dat is niet duidelijk. Het huis staat nog steeds op naam van de overledene, dat wel. Hij zal het mogelijk hebben verhuurd.’ De beambte had geknipoogd. ‘Er zijn er genoeg die redenen hebben dat niet op te geven.’

Vast en zeker zou Van Reijt niet zo stom zijn terug te gaan naar de woning in de Lumeystraat, als daar niet al lang anderen in woonden maar misschien was het de moeite waard er wat rond te vragen. Een Indo die zich noemt naar een vent die vermoord is en eind februari uit Engeland bij Scheveningen is gedropt. Er klopte geen moer van. Had hij die Heering gemold om diens naam te gebruiken? Van der Waals glimlachte geamuseerd. Hij had zoiets zelf ook wel eens overwogen maar tot nu toe was het niet nodig geweest.

Hij passeerde de ingang van diergaarde Blijdorp, waar een man een affiche aanplakte voor een revue van het gezelschap van Kees Manders. Daar zou hij Aukje mee naartoe kunnen nemen. Ze klaagde dat hij zo vaak weg was. Al zat ze er prachtig bij met de nieuwe spullen die hij vorige maand van De Bijenkorf had laten komen, ze moest er inderdaad eens uit. ’t Was toch al niks gedaan ’s avonds met die oorlog, dus een uitje mocht er best eens af. Misschien zou ze dan ook weer wat toeschietelijker in bed zijn, want daar mankeerde het de laatste tijd wel aan.

De Lumeystraat was een smal, zonovergoten straatje waar heel wat huizen leegstonden. Voor veel ramen waren planken getimmerd. Heering had één hoog gewoond, boven een opslagplaats voor lompen en metalen, een etage met drie ramen waarvoor de gordijnen waren gesloten.

Hij liep naar het portiek en trok een vies gezicht omdat een penetrante urinegeur zijn neusgaten binnendrong. Net voor hij de stenen trap op wilde, kwam er een oude man met een aangelijnde herdershond aanlopen. Van der Waals haalde zijn agenda uit zijn binnenzak, klapte hem open en pakte de pasfoto.

‘Pardon meneer, zou ik u wat mogen vragen?’

‘Natuurlijk, vragen staat vrij, zeg ik altijd maar.’

‘Ik zoek iemand die hier vroeger woonde. Kijk, dit is hem, hij...’

De oude man liet een hikkend lachje horen. Verrast keek Van der Waals op en herkende de wezenloze blik in de lichtblauwe ogen.

‘Sorry,’ zei hij, ‘ik had niet gezien dat u blind was.’

‘Anders zou ik toch niet achter dit pokkebeest aanlopen, wel?’

Boven in het portiek klapte een deur dicht. Van der Waals keek omhoog en zag een slanke, donkere vrouw in een kort jasje en een paarse jurk de treden afdalen.

‘Ben jij dat, Hannah?’ vroeg de oude man.

‘Ja.’ De vrouw nam Van der Waals vriendelijk op. ‘Is er iets?’

Een Indische, zag Van der Waals, van een jaar of dertig. Ze had een aantrekkelijk figuur en prachtige donkere ogen maar boven aan haar neus schemerde een paarse bloeduitstorting. Bonje met haar man?

Beleefd lichtte hij even zijn hoed, en hield het fotootje op. ‘Mijn naam is De Graaf en.

‘Heeft u hem?’

Hij schrok van haar overslaande stem. ‘Wat?’

‘Heeft u hem gevonden?’

Een fractie van een seconde was hij in de war, maar hij herstelde zich razendsnel.

‘Nog niet, helaas.’

‘Maar u bent politie?’

‘Jazeker. We hebben wel wat aanwijzingen.’

‘Godzijdank!’ Ze wendde zich tot de oude man. ‘Cor, hoor je wat meneer hier zegt? Ze zijn Niek op het spoor!’

De blinde haalde zijn schouders op en spoog op de stoep. ‘In mijn tijd zou die vent al lang achter slot en grendel zitten!’

Van der Waals glimlachte afwachtend terwijl hij koortsachtig nadacht. Wie was die vrouw die die Van Reijt kende! Ze was uit een deur boven aan het portiek gekomen. Woonde ze daar? Al begreep hij niets van haar opwinding, hij prees zich gelukkig dat hij de zwarte, leren jas aan had getrokken. De meeste mensen dachten daarbij al snel aan de politie net als zij.

‘Ik wou u nog wat vragen over Van Reijt,’ zei hij.

‘Natuurlijk, natuurlijk. God zij geloofd! Ik heb vorige week namelijk gebeld naar de brigadier of hij al meer wist, dus ik dacht...’ Ze keek naar het fotootje. ‘Maar hij zei dat ze nog bezig waren met mijn aangifte.’

Van der Waals knikte begrijpend. Dus ze had aangifte gedaan. Waarvan?

‘Dat klopt. Ik ben van de recherche, mevrouw. We hebben de zaak van de politie overgenomen. Wat zei de brigadier u verder?’

‘Nou ja, eh, dat ze nog niks wisten. Dat ze getuigen zochten die mijn aangifte konden bevestigen. En over de auto die hij heeft gestolen. Weet u daar al iets van?’

‘Ik ben zelf nog niet bij die brigadier geweest. Hoe is uw naam?’

‘Heering. Hannah Heering.’

Van der Waals was blij dat ze zich naar de blinde man draaide, zodat zijn reactie haar ontging. Hij stak het fotootje terug in zijn agenda. Heering!

‘Recherche, hoor je dat Cor?’

Maar de oude man was de herder naar een boompje gevolgd waar het beest tegenaan plaste.

De vrouw lachte nerveus. ‘Wilt u niet even binnenkomen? Ik moet wel naar een nicht maar die wacht maar even. Dit is belangrijker, nietwaar?’

Hij knikte, liep achter haar de treden op en loerde naar benen die zichtbaar waren tot boven de knieholten.

‘U weet toch dat hij mijn man heeft vermoord?’ Ze stond stil bij een deur met het naambordje Heering en draaide de deur van het slot. ‘En zijn spaargeld heeft opgenomen?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Afschuwelijk. Maar zoals u weet is contact met Nederlands-Indië helaas niet meer mogelijk, dus wat dat betreft staan we machteloos.’

Ze liet hem een halletje binnen en liep voor hem uit een gangetje in waar ze tot zijn verbazing de deur van het toilet opentrok.

‘Hier zat hij toen ik net bezig was met mijn bijbelstudie. Ik hoorde iets op de gang zodat ik een kijkje wilde nemen... Hij...’ Haar gezicht vertrok in een grimas en ze slikte voor ze verder ging. ‘Zoals ik de brigadier vertelde, stond hij op de bril en pakte net de tas uit het plafond... Hij sprong boven op me... O, het was verschrikkelijk...’ Ze haalde diep adem en schudde haar hoofd. ‘Ik herkende hem meteen ondanks het feit dat hij zijn haar had afgeschoren. Hij heeft tenslotte weken bij ons gelogeerd...’

‘Op Celebes, bedoelt u?’

‘Ja. Maar goed, dat weet u natuurlijk al uit de dossiers, nietwaar?’

Hij staarde naar het houten plafonnetje van het toilet. De geaffecteerde stem galmde in zijn oren: ‘Wat zit er in die tas, De Wilde?’

‘Hij was een jeugdvriend van mijn man uit Indië. Ik heb hem maar een dag of wat meegemaakt want ik ging toen naar Holland voor familiebezoek, ziet u. Ik hoorde ook pas begin mei dat ze mijn man hadden gevonden.’ Ze glimlachte droevig. ‘Het duurde enkele weken voor het nieuws van Celebes doorkwam en de politie wist niet waar ik hier verbleef. Ik hoorde het pas toen ik mijn man wilde bellen dat ik op 10 mei terug zou vliegen.’

‘Op 10 mei?’

‘Dus u kon niet meer terug.’

Ze knikte.

‘Was u bij uw familie of hier?’

‘Bij mijn grootmoeder in Apeldoorn. Maar ik was hier wel geweest, daarvóór...’ Opeens begon ze te huilen en pakte zijn hand. ‘Mijn man had hem beloofd dat hij hier mocht wonen.’

‘Van Reijt, bedoelt u?’

‘Ja. Hij zou niet lang na mij naar Holland gaan om hier werk te zoeken.’

Ze liet hem weer los en veegde de tranen weg.

‘Ik wilde het huis voor hem schoonmaken maar toen de Duitsers kwamen kon ik niet weg uit Apeldoorn.’

‘Dus hij had zelf een sleutel.’

‘Ja.’

‘En u bent hier later komen wonen.’

‘Ja. Wat moest ik anders? Wilt u dat ik een kopje koffie voor u maak?’

‘Nee hoor, dank u.’

Ze zweeg even. ‘Wat voor aanwijzingen heeft u? Heeft het te maken met de auto die hij heeft gestolen? Of met het geld van mijn man?’

Hij glimlachte weer. ‘Misschien kunnen we beter even in de kamer gaan zitten?’

‘Wat? Ach, natuurlijk.’ Ze lachte nerveus. ‘Neemt u me niet kwalijk!’ Ze deed de deur tegenover de wc open. ‘Let u maar niet op de rommel.’

‘Ik wou dat mijn vrouw dat eens tegen me zei.’

Ze lachte weer en knikte naar de sofa. ‘Als u daar wilt gaan zitten?’

Op de lage tafel lag een zwarte bijbel naast een schrift en een potje inkt met een kroontjespen op een inktlap. Tussen de bladzijden van het boek stak een roodblauw puntje als een bladwijzer. Aan de muur hing een gravure waarin Van der Waals ogenblikkelijk Thomas à Kempis herkende. Hetzelfde portret hing bij zijn ouders thuis en elke keer als hij het zag, kreeg hij net als nu de neiging om alle gereformeerden hardop naar de hel te verwensen, al geloofde hij daar ook allang niet meer in.

Hij nam zijn hoed af, ging zitten en keek steels toe hoe ze haar benen over elkaar sloeg. Achter haar op het buffet stond een ingelijste portretfoto van een man en enkele seconden meende hij dat het Van Reijt was tot hij besefte wie erop stond.

‘Is dat uw man?’

‘Eh... ja.’

‘Hij lijkt op Van Reijt.’

‘Uiterlijk wel. Helaas. Vroeger dachten mensen wel eens dat ze broers waren. Ik heb vaak aan Kaïn en Abel moeten denken.’

Hij knikte. Wat zonde, dacht hij, zo’n lekker wijf dat zo godsdienstig is.

‘Hij trok me hier naar binnen. Ik weet zeker dat hij me dood wilde maken... Ik...’ Ze sloot haar ogen en had het zichtbaar weer even te kwaad. ‘Ik was wel bang, al wist ik dat de Here nabij was, ziet u... Ik... Ik heb hem aangevallen en toen heeft hij me neergeslagen. Ik had zo’n pijn... Er was overal bloed... Ik hoorde Cor nog binnenkomen en me roepen.’

Ze zweeg geëmotioneerd.

‘Kunt u die tas beschrijven?’

‘Nee, ja. Gewoon een platte tas. Van leer. Een soort aktetas.’

‘Was die van hem? Van uw man?’

‘Ik weet het niet. Ik denk niet dat hij van mijn man was. Ik heb hem ook niet goed gezien. Misschien dat die meneer die hem even later op de Mathenesserlaan de auto zag stelen, dat nog weet.’

Van der Waals moest zich beheersen niet naar de man te vragen.

‘Later hoorde ik dat de politie de auto uitgebrand bij Nootdorp heeft gevonden. Maar dat weet u natuurlijk al.’

‘Ja. Nog even over dat geld van uw man...’

Ze trok met haar mond. ‘Ruim twintigduizend gulden. Het was bedoeld voor zijn oude dag, ziet u. Mijn man had geen pensioen, alleen de plantage.’

‘Wanneer had hij dat ook alweer opgenomen?’

‘Volgens de bank op 6 mei.’

‘En wanneer hoorde u dat het weg was?’

Ze fronste nadenkend. ‘Dat moet eind mei zijn geweest. De rekening stond op naam van mijn man. Ik moest erheen van de notaris om...’ Ze zuchtte en zweeg, en hij begreep dat ze de erfenis in orde had willen maken.

‘Heeft Van Reijt u ooit verteld of hij een vrouw, een vriendin, familie hier had?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, ik zei u al, ik heb hem nauwelijks gesproken. Is dat zo?’

‘Ja,’ loog hij, ‘een broer.’

Haar ogen lichtten op. ‘Weet die dan niet waar hij is?’

‘Hij zegt van niet. We houden hem in de gaten.’

Hij kwam overeind maar liet zijn hoed liggen en liep het halletje in. Ze volgde hem. ‘Ik dank u hartelijk, mevrouw Heering. Zodra ik wat meer weet, hoort u van mij. Ach... hoe dom, ik vergeet mijn hoed.’

Nog voor ze kon reageren, snelde hij de kamer weer in en sloeg haastig de bijbel open op de plek waar het puntje roodblauw papier tussen de dunne pagina’s uitstak. Zoals hij al vermoed had, was het het laatste nummer van een illegaal blaadje met de titel De Geus. Hij pakte zijn hoed en zette hem pas op in de gang.

Ze liep met hem mee naar buiten en sloot de voordeur af. Terwijl hij haar voorging de treden af, zei hij. ‘Overigens is het verstandig als u die brigadier of de mensen op dat bureau niet meer benadert, mevrouw Heering. Ik weet niet hoe u denkt over deze oorlog maar het is bekend dat zij graag voor de Duitsers werken...’ Hij draaide zich om en deed alsof hij haar verschrikte blik niet opmerkte. ‘Als gezegd, ik neem contact met u op.’

 

Een halfuur later draaide hij zijn fonkelnieuwe bmw 328 de autoweg naar Den Haag op. Hoewel het stralend weer was, had hij het niet aangedurfd de kap te openen en al was hij er zeker van niet gevolgd te worden, hield hij het weinige verkeer voor en achter hem goed in de gaten.

Tevreden stak hij een sigaret op. Al wist hij nog niet waar Van Reijt was, hij had in elk geval iets aan Schreieder te melden. Hoe verward de weduwe van Heering haar verhaal ook had gedaan, het was niet moeilijk om na te gaan wat Van Reijt had uitgespookt. Op Celebes had hij in april 1940 zijn kans schoon gezien toen zij naar Nederland was gegaan, en Heering omgebracht. Voor het geld en voor diens identiteit. Twintig mille. Geen misselijk bedrag. Op Heerings naam opgenomen, waarschijnlijk met een vals identiteitsbewijs. Opgenomen op zes mei. Toen was hij dus al in Rotterdam. Had hij toen in de Lumeystraat gewoond? Van der Waals fronste geërgerd omdat hij vergeten was de blinde man ernaar te vragen. In elk geval was Van Reijt naar Engeland gegaan, want daar vandaan was hij weer teruggekomen. Dat mooie wijf was eind mei de woning ingetrokken. Was Van Reijt toen al vertrokken? Dat kon heel goed, honderden waren in die eerste chaotische dagen naar Engeland gevlucht. Had het geld in die tas gezeten? Dat leek niet waarschijnlijk, daar zou de klootzak die hem ondervraagd had niet zo’n drukte over maken. Was de tas van Van Reijt? Als dat zo was, waarom had hij hem dan niet meegenomen naar Engeland maar op die plee laten liggen? Had iemand anders dat gedaan? Heering? Onzin, Van Reijt was immers al tijdens de meidagen van ’40 in het huis geweest. Had iemand in Engeland hem dan ingelicht dat die tas daar lag? Ook kletskoek, dat zou wel heel toevallig zijn, precies in zijn eigen huis. Als het zijn tas was, moest er een reden zijn dat hij de tas niet naar Engeland had meegenomen en hem nu had opgehaald.

Hij had op de Mathenesserlaan een auto gepikt die later uitgebrand bij Nootdorp was gevonden. Hij had dat spoor dus uit willen wissen. Nootdorp, slechts een paar kilometer van Den Haag; hij had de rest met gemak kunnen lopen. Waarnaartoe? De Thomsonlaan? Nee, want de klootzak wilde die tas, dus was Van Reijt ergens anders naartoe gegaan, en ondergedoken.

Van der Waals glimlachte cynisch en minderde vaart omdat hij Voorburg binnenreed. Ondergedoken voor de amateurs van het verzet én voor de sd.

Wist Schreieder van die tas? Kreeg hij daarom zo’n hoog honorarium?

In elk geval was hij niet van plan hier nu al over te rapporteren. Wie wist wat er in de tas zat en hoeveel dat werkelijk waard was.

Met een kalm gangetje reed hij naar de binnenstad en genoot van de fietsers en passanten die de bmw bewonderend nakeken. Het was dan ook een wagen om trots op te zijn, een zes cylinder met een topsnelheid van honderdvijftig en dan nog hoorde je de motor nauwelijks. Vanaf de dag dat hij hem in de garage had zien staan, wilde hij hem hebben. Achtenvijftighonderd pietermannen had Lindemans ervoor willen hebben maar ten slotte waren ze het erover eens geworden daar vijfhonderd vanaf te halen. Joop Lindemans was een toffe kerel, een stuk betrouwbaarder dan die manke broer van hem, King Kong. Die had hem een keer ver vóór de oorlog besodemieterd met een Mercedes waar je om de honderd kilometer een liter olie bij moest gooien. Volgens Lindemans was King naar Frankrijk gegaan om er benzine voor de Luftwaffe te vervoeren, en er met een Française getrouwd bij wie hij een kind had. ’t Zou mooi zijn als hij door een bom van diezelfde Luftwaffe werd geraakt!

Van der Waals parkeerde de auto op het Plein, zette zijn hoed op en trok die wat over z’n voorhoofd. Hij stapte uit en wandelde langs het Mauritshuis naar een Wehrmacht-soldaat die de toegang tot het Binnenhof bewaakte. De man knikte herkennend en gebaarde dat hij door het poortje kon lopen. Meteen erna sloeg hij links af en liep naar een houten deur toe. Ertegenover stond een donkergroene Opel Olympia geparkeerd waarvan hij wist dat die van Schreieders medewerker May was, maar de donkerblauwe Opel Admiral van Schreieder zag hij niet.

Hij keek op zijn horloge en zag dat het enkele minuten voor één was. Waarschijnlijk zou de Sturmbannführer zo wel komen.

Hij duwde de deur open, groette de portier in de loge en liep de fraaie houten trap op naar de eerste verdieping. Nog vóór hij boven was, hoorde hij May lachen en meteen erop de stem van een man.

De deur van Schreieders kantoor stond open maar hij klopte toch aan.

May zat lachend aan Schreieders bureau, tegenover hem een lange blonde man in burger die Van der Waals nooit eerder had gezien.

Ah, Anton...’ May kwam overeind. ‘Je dacht zeker Schreieder hier te treffen?’

‘Ja. Is hij er dan niet?’

‘Nee. Hij belde dat hij vannacht pas terugkomt vanwege een sterfgeval in zijn familie. Als je wilt, kan ik een afspraak voor morgenochtend maken?’

‘Heel graag.’ Van der Waals haalde zijn agenda uit zijn binnenzak.

‘Dit is overigens Hauptmann Kimmel van de Abwehr,’ zei May, ‘Kimmel is de assistent van majoor Giskes. Werner, dit is Anton van der Waals, de favoriete V-Mann van de Kriminal-Direktor.’

‘Ach so!’ Kimmel kwam overeind en stak Van der Waals een hand toe. ‘Het doet me altijd goed Nederlanders te ontmoeten die de broederband met het Duitse volk op waarde schatten.’

‘Und unser Geld,’ lachte May.

Van der Waals grijnsde schaapachtig en klapte zijn agenda open. Het pasfotootje dwarrelde tussen de bladzijden uit op Kimmels glanzend gepoetste schoenen.

‘Ach, Entschuldigung.’

‘Een van je liefjes?’ grinnikte May. ‘Je moet namelijk weten, beste Kimmel, dat... Was ist denn los?’

Want Kimmel had nog voor Van der Waals zich had kunnen bukken, het fotootje al opgeraapt en bekeek het met grote ogen.

‘Hoe komt u hier in vredesnaam aan?’ vroeg hij. ‘Kent u deze man?’

Stomverbaasd schudde Van der Waals zijn hoofd. ‘Nee. Ik ken alleen zijn naam. Kent u hem dan?’

Kimmel lachte ongelovig naar May. ‘Das ist doch wohl verrückt. Hören Sie das, Ernst? Er kennt den Mann zwar nicht, aber seinen Namen. Ich weiß den Namen nicht, aber kenne doch den Mann!’

Nieuwsgierig keek hij Van der Waals aan. ‘Kent u dan misschien wel Dolly Peekema of haar dochter?’

‘Nee, ook niet.’

Kimmel klakte met zijn tong. ‘Deze man... hoe heet hij eigenlijk?’

‘Van Reijt. Niek van Reijt.’

‘Also, deze meneer Van Reijt is bevriend met mevrouw Peekema die hier in Den Haag woont.’ Hij knipoogde. ‘Mevrouw Peekema heeft nogal veel vrienden, als u begrijpt wat ik bedoel. Er wordt zelfs gezegd dat de Reichskommissar haar bezoekt en niet omdat ze zulke kostbare schilderijen aan de muur heeft hangen!’

May stak grijnzend zijn duim tussen zijn wijs- en middelvinger.

Verbluft waagde Van der Waals de vraag: ‘U bent ook een vriend van haar?’

Kimmel lachte hoofdschuddend. ‘Nee, nee! Ik zou me de toorn van een zeker hooggeplaatst persoon niet op de hals willen halen, nietwaar, Ernst? Nee, haar dochter is mijn vriendin. Laatst gingen zij en ik nog laat bij haar moeder langs en toen zag ik deze Van Reijt nogal innig afscheid van haar nemen.’

Den Haag, 25 april 1942

De eerste keer dat hij een van zijn persoonsbewijzen aan Duitse soldaten moest tonen, had Kist het Spaans benauwd gehad. Wat geen wonder was, want Tromp en hij stapten juist van een vissersschuit op een klein strandje bij Warder, zo’n twintig kilometer boven Amsterdam. Alleen al de aanwezigheid van de schuit was verdacht. Maar de schipper, een Urker, had een jonge Feldwebel in gebroken Duits uitgelegd dat het roer ontzet was waardoor ze niets anders hadden kunnen doen dan zich met de stroom mee te laten voeren. Ze hadden geluk gehad dat de patrouille door moest naar Hoorn zodat de schuit niet was geinpecteerd. Ook de persoonsbewijzen en de vergunning van de Urker om overdag het IJsselmeer te bevaren waren maar vluchtig bekeken. De Feldwebel had alleen verordend dat ze gedrieën op het strandje moesten wachten tot er hulp uit het naburige Oosthuizen zou komen.

De twee motoren met zijspan waren nauwelijks achter de dijk verdwenen of Tromp en Kist hadden afscheid genomen van de Urker en zijn twee bemanningsleden, die zich benedendeks hadden verstopt.

In Warder stond een vrachtwagen klaar die slachtafval naar Amsterdam moest brengen. Na twee uur achter in een rammelende laadbak vol kadavers van dode lammeren en biggen, waren ze in de namiddag bij het station afgezet, waar ze zich hadden gewassen in het herentoilet alvorens de laatste trein van die dag naar Den Haag te nemen. Ze waren toen vier dagen onderweg sinds ze met paard en wagen uit Kuinre waren vertrokken.

In de trein naar Den Haag moesten ze opnieuw hun pb laten zien, nu aan twee mannen in burger van wie Tromp zei dat ze van de SiPo waren. Zelfs hij, die al die dagen geen spoor van nervositeit of aarzeling had getoond, had zenuwachtig geklonken. Als de dode Mulder was gevonden of er onverhoopt toch iets verkeerd was gegaan met de vissers, was hun signalement immers bekend.

Maar opnieuw hadden ze geluk want juist op het moment dat een van de twee hun pb’s aannam, riep een derde SiPo-man in de volgende coupé om assistentie. Nog geen vijf minuten later was de trein onder de overkapping van het Hollands Spoor gereden. De drie SiPo-mannen hadden al hun aandacht bij een dronkeman die geboeid als een wilde om zich heen trapte, en Tromp had zelfs geholpen om hem in bedwang te houden.

Ook vanochtend in de trein naar Delft was er controle geweest en weer had Kist zwetend afgewacht. Want al was hun vlucht uit Kuinre goed verlopen, nog steeds was hij er niet op gerust dat de Duitsers hem niet meer zochten. Het was de reden dat hij de eerste dagen in Den Haag binnen was gebleven en niet, zo graag als hij had gewild, naar het huis in Loosduinen was gegaan, waar Geesje en hij hadden gewoond. Toen hij bijna twee jaar geleden naar Engeland was ontkomen, had Fuchs hem op de lijst van een ‘Sonderkommando’ laten zetten. Bovendien had Fuchs geweten dat hij in Engeland was aangekomen, zodat het voor de hand lag dat hij dat had doorgegeven.

Maar ook nu was het pb hem zonder opmerkingen of vragen teruggegeven. En waarom ook niet? Een man met een snor en een ringbaardje die werkzaam was bij de gemeentelijke Crisis- en Distributiedienst in Den Haag en een snipperdag had opgenomen om zijn zieke broer in het Sint Joris Gasthuis op te zoeken; het klonk net zo alledaags als onverdacht.

Somber leunde hij achterover tegen de houten bank en staarde naar de weilanden en sloten die achter het raampje voorbij schoten. Het bezoek aan het ziekenhuis had zoals verwacht niets opgeleverd. Een administrateur had achterhaald dat er in de vroege middag van 14 mei twee ambulances uit het brandende centrum van Rotterdam bij het ziekenhuis waren aangekomen. In één ervan had inderdaad de zwaargewonde Hofman, adjudant van prins Bernhard, gelegen, al stond dat er vanzelfsprekend niet bij. Maar Kist herkende de omschreven kleding en het fysiek van de foto’s die bij het Weimar waren gemaakt. Mét Hofman waren nog twee mensen binnengebracht, twee vrouwen van wie er een, een oudere dame, nog dezelfde avond was overleden. Van de ander was niets bekend, geen naam, geen leeftijd.

‘Was ze dood?’ had hij aarzelend gevraagd.

Volgens de administrateur was dat niet het geval. Dan zou haar lichaam, net als dat van het jongetje in de andere ambulance, direct naar het mortuarium zijn gebracht.

‘Maar als ze hier nog behandeld is, dan moet er toch iets van een omschrijving zijn? Fysieke kenmerken, aard van de verwondingen?’

‘Zeker, maar zoals u ziet zijn dit de lijsten van het ambulancepersoneel, niet van de behandelend arts.’

‘Waar zijn die dan?’

De man had een grimas gemaakt. ‘Die zijn letterlijk in rook opgegaan, meneer. Afgelopen jaar werd het kantoor van het ziekenhuis geraakt door een Engelse brandbom. ’t Is nog een wonder dat ik hier zit.’

‘En het mortuarium?’

Zuchtend had de man de telefoon gepakt, een nummer gedraaid en hem de hoorn aangereikt. Het had zeker tien minuten geduurd voor hij de juiste persoon aan de lijn kreeg. Inderdaad waren de personalia van de doden van die dag geregistreerd maar alleen natuurlijk als er papieren op de lichamen waren aangetroffen.

‘Begrijpt u wel?’

‘Maar werd er geen sectie verricht?’

‘Wat denkt u? Daar was geen beginnen aan. En waarom ook? Het was toch wel duidelijk hoe ze waren omgekomen.’

‘Maar wat als een familielid iemand miste en er pas na een tijd achter kwam dat diegene toen in Rotterdam was?’

‘Er werden wel aantekeningen gemaakt van hoe iemand eruitzag, man, vrouw, oud, jong, opvallende lichamelijke kenmerken, maar u begrijpt dat we de lichamen niet langer dan vier, vijf dagen konden bewaren... En dat was vaak al te lang met dat warme weer dat we toen hadden.’

‘Een vrouw van vijfentwintig met lang, zwart haar, enkele maanden zwanger... ’

De man had weer gezucht. ‘Weet u misschien wat voor kleding ze die dag droeg?’

Hoe kon hij dat na al die tijd nog weten?

‘Een zomerjurk, denk ik. En een hoedje.’

‘Meneer... ik heb hier alleen al op de middag van de veertiende meer dan tien vrouwen uit Rotterdam die aan dat signalement beantwoorden. En dan heb ik het nog niet over de nacht en de dag erop...’

‘Maar er moeten toch lichamen zijn geïdentificeerd?’

‘Jazeker. Een enkeling. Voorzover dat nog mogelijk was.’

De implicatie was duidelijk. En het was, zoals de man had gezegd, die dagen na Pinksteren inderdaad erg warm geweest.

De laatste vraag had hem de meeste moeite gekost omdat hij het antwoord al dacht te weten. ‘Waar werden de anonieme lichamen begraven?’

‘Begraven? Waar had dat dan gemoeten, meneer? Er was geen kerkhof in de omgeving dat nog ruimte bood in die dagen. Ik heb hier staan dat alle ongeïdentificeerde slachtoffers op last van de gg&gd op 18 en 19 mei zijn verbrand.’

Had hij moeten vragen waar?

Wat had hij daar, waar het ook was gebeurd, dan gemoeten? Aan haar denken?

Alsof hij dat niet eerder had gedaan!

Zoals die Hofman ook had gemeend, was Geesje vermoedelijk ter plekke overleden of tijdens de rit naar het ziekenhuis.

De trein remde af en schoof knarsend langs het beschaduwde perron. Achter de enkele andere passagiers liep hij naar het toegangshek en gaf zijn treinkaartje af. Op de klok in de stationshal was het kwart voor vijf. Buiten op het plein wuifde een WA-man hem Volk en Vaderland toe, maar hij deed alsof hij het niet zag en haastte zich naar zijn fiets tegen de pui van hotel Terminus. Door het grote raam zag hij dat het druk was binnen, mannen en vrouwen aan de bar en de tafeltjes. Hij stapte op en fietste de Stationsstraat in. Al direct na zijn aankomst had hij zich erover verbaasd hoe het alledaagse leven ondanks de bezetting ogenschijnlijk gewoon doorging. Net als vóór de oorlog fietsten honderden mensen ’s morgens om acht uur door de stad naar hun werk of stonden te roken in het zonnetje op het achterbalkon van de tram. De mannen spraken over de kansen van ado op het landskampioenschap, ze klaagden over hun belastingaanslag of de gestegen ziektekosten; de vrouwen bespraken breipatronen en de aanstaande wintermode of de komende grote vakantie. Toch was er wel iets veranderd sinds hij was vertrokken. De kleren bijvoorbeeld die ze droegen, waren ouderwets vergeleken bij die in Engeland, dikwijls ook versteld; de etalages van warenhuizen en winkels waren kaler en leger dan hij zich herinnerde, en buiten de spitsuren om waren er aanzienlijk minder mensen op straat. Vreemd waren ook de vele Duitse richtingaanwijzers in de binnenstad, zoals hier op het Spui waarover hij fietste. Borden die verwezen naar de Ortskommandatur en de Wehrmachtgaststatte, of naar onbegrijpelijke afkortingen als wva(avl) of wbvui. Maar de geschilderde tekst op een bouwschutting begreep hij maar al te goed. Naast een hakenkruis stond in witte hanenpoten: ‘V = Victorie. WeG Met JodeNKNechTeN.’

Dat hij in het rustieke Waterbridge niets over de maatregelen tegen de joden had gehoord was niet meer dan logisch, maar ook in Londen werd er nauwelijks of niet over gesproken al was men wel op de hoogte. Zoals Römer cynisch had opgemerkt: ‘Je moet ze hier de kost niet geven die dat in stilte toejuichen, beste Daan.’

Hij stopte voor de kruising met de Grote Markt en wachtte tot de verkeersagent het stopbord om zou klappen. Een man naast hem vloekte boos en toen Kist verbaasd opkeek, zag hij waarom. Aan de overkant kwamen twee jonge vrouwen lachend en arm in arm met twee Duitse officieren voorbij.

‘En díe hoeft ook niet in de rij te staan voor benzinebonnen!’ zei de man, en hij knikte naar een dure, crèmekleurige wagen die de richting van het Buitenhof op draaide ‘Een bmw 328, maar wel een kenteken van Zuid-Holland, ziet u dat? Reken maar dat die verrader de kap niet open durft te doen omdat-ie bang is dat iemand hem voor z’n NSB-kop schiet.’

De agent blies op zijn fluitje en klapte het bord om.

‘Aju!’ zei de man, en hij stapte op.

Kist grinnikte naar een jongen die op de stoep de dure auto met open mond nakeek en fietste al verder toen hij zo’n honderd meter voor zich de remlichten van de bmw zag opgloeien. De wagen draaide naar de stoeprand. Enkele seconden later stapte een man uit in een licht kostuum maar hij was te ver weg om zijn gezicht te kunnen zien. Hij zette een hoed op en liep een sigarenwinkel binnen.

De klok van de Grote Kerk sloeg vijf uur.

Kist twijfelde. Nog drie uur voor de spertijd in ging. Aan de telefoon had het dienstmeisje van Peekema’s vrouw gezegd dat ze er niet zeker van was of mevrouw thuis zou zijn voor het avondeten.

‘Kan ik een boodschap doorgeven?’

‘Nee, dank u. Het is niet belangrijk. Ik bel nog wel.’

Hij sloeg rechts af de Lange Poten in terwijl hij zich de kortste weg naar de Kijfhoeklaan probeerde te herinneren. Een statige, dure villawijk achter de Waalsdorperweg, een buurt die hij nauwelijks kende. Op het Plein schrok hij van getoeter en week opzij om een verlengde zwarte Mercedes te laten passeren, die verderop voor het voormalige ministerie van Oorlog parkeerde. Een gehelmde soldaat schoot toe om het portier te openen, zijn collega hield zijn machinegeweer in de aanslag en gebaarde nijdig naar Kist sneller door te fietsen. Twee hoge militairen stapten uit en liepen langs de vlaggen met de swastika het bordes op.

Kist draaide zijn hoofd naar links en kreeg even het beeld van de donkere hal van het ministerie op zijn netvlies. Als functionaris van de Generale Staf afdeling iii was hij er tientallen malen voor overleg en vergaderingen binnen geweest, doorgaans samen met Römer.

Hij stak door naar het Korte Voorhout en vroeg zich voor de zoveelste maal af wat hij tegen Peekema’s vrouw zou zeggen. Suze wist niet meer van haar dan dat ze een graag geziene gaste was in societykringen, en niet vies was van de nsb al was ze geen lid. Er kwamen ook hoge Duitsers bij haar thuis, maar dat had van doen met de kunstverzameling van haar man waaruit ze soms stukken verkocht. Volgens Suze had ze een uithuizige dochter die wel met een Duitser scharrelde.

Het beste wat Tromp en hij hadden kunnen verzinnen was dat Tromp een kennis was van Niek van Reijt en haar graag wilde spreken. Dat klonk aannemelijk; Tromp had Van Reijt immers zelf in Aberlochy nog opgeleid. Rechtstreeks naar hem vragen was vanzelfsprekend verdacht, ze konden er immers niet van op de hoogte zijn dat Van Reijt hier was. Maar Van Reijt zou zich vast herinneren dat sergeant Tromp al in januari was gedropt. Kist zou zeggen dat Tromp haar naam van Van Reijt had gehoord, wat ook waar was. Van Reijt had vaak gepocht over een ‘eenzaam, bloedheet Indisch vrouwtje’ in Den Haag waar hij graag de Gestapo voor wilde riskeren.

Als Van Reijt, zoals de sergeant had gezegd, z’n pik achterna was gerend en haar had opgezocht, zou ze hopelijk contact met hem opnemen.

Hopelijk.

Want ze was hun enige aanknopingspunt.

Hij sloeg links af de Koningskade op en reed langs een kolossaal bunkercomplex waar vroeger woonhuizen hadden gestaan.

Tromp was zich kapot geschrokken, die vroege ochtend dat ze met de boerenwagen uit Kuinre de polder in waren getrokken. Hij had meteen geweten wie Van Reijt was, maar had Kist aanvankelijk niet willen geloven. ‘Niek? Je bent gek! Een prima gozer, slim, lenig en voor de duvel niet bang.’

‘Volgens je opvolger daar, ene sergeant Westerling, zou hij gedeserteerd zijn, maar we weten inmiddels dat hij in opdracht van de prins in de nacht van 23 februari bij Scheveningen werd afgezet.’

‘En hij is fout?’

‘Vies fout. Daarom ben ik hier.’

Tromp had dat niet geweten. Hij had ook niet geweten wie Römer was. De jonge vrouw in Mulders huisje had enkele dagen ervoor bericht ontvangen dat een agent in de omgeving van Kuinre zou worden gedropt, die Anne Mulder als contactman had. Londen had haar gevraagd Tromp naar Kuinre te brengen. De vrouw, Jeanne, was lid van een verzetsgroep waarbij Tromp was ondergebracht. Onder de codenaam Rabarber regelde hij wapentransporten voor de groep die zich voornamelijk met sabotageacties bezighield.

‘Geestig,’ had Kist gelachen terwijl ze in de zon de lange rechte polderwegen af reden, voortdurend alert op een patrouille zodat ze dan de kar konden stilzetten en doen alsof ze sloten uitbaggerden. ‘De mijne is Spitskool. Spitskool en Rabarber, welke gek verzint zulke namen?’

Mulder had inderdaad van niets geweten tot Jeanne hem had ingelicht. Samen met Tromp was hij vervolgens de polder in gegaan om Kist te zoeken. Op de terugweg waren ze op een patrouille gestuit en gevlucht, waarbij Mulder in het hoofd was geraakt. Even zag Kist de verminkte schedel weer voor zich, de afschuwelijke doodsgrijns op het witte gezicht. Hij rilde en dwong zich weer aan Van Reijt te denken.

Tulp.

Waar was hij? Wat was zijn doel? Doorgaans moesten agenten meteen contact leggen met een plaatselijke groep, maar Suze had er niets over gehoord al zei dat niet veel want ze kende lang niet alle verzetsgroepen in en rond Den Haag. Haar naam was, afgezien van die van Mulder, de enige die hem door Römer was medegedeeld.

‘In Den Haag ga je naar Suze.’

‘Suze?’

‘Nou, nou, Daan, al dat gepruts aan die schilderijtjes heeft je geheugen geen goed gedaan, beste jongen. Suze op de Suezkade, remember?’

Toen hij vroeg in de avond van de vierde dag bij haar had aangebeld, was het alsof er geen tijd was verstreken sinds die meimaand van 1940. Ook toen, direct na Geesjes dood, had Römer ervoor gezorgd dat hij kon onderduiken op de etage boven de woning van Suze de Visser, een oudere alleenstaande violiste. Ze had hem begroet alsof hij niet bijna twee jaar, maar een weekeinde weg was geweest. ‘Dag meneer Kist, komt u gauw binnen, ik heb net water voor koffie opstaan.’

De etage was onveranderd sinds hij naar Engeland was gegaan en net als indertijd had hij de beschikking over Suzes fiets.

Zoekend reed hij door de slingerende laantjes en stopte toen hij een postbode een tuinpad af zag lopen om hem de weg te vragen. Nog geen minuut later stapte hij af en liep met de fiets aan de hand naar een hoek waar hij het straatnaambordje van de Kijfhoeklaan al kon zien. Het was doodstil in het buurtje, alleen het fluiten van een vogel, de zon vonkend op de pannendaken en het groen van de tuinen.

Hij sloeg de hoek om en kneep zijn ogen samen tegen het zonlicht, dat op de voorruit van een geparkeerde auto weerkaatste. Pas toen hij er langsliep herkende hij verbouwereerd de crèmekleurige bmw, die zo-even op het Spui voorbij was gekomen. Er zat niemand in. Woonde de eigenaar hier? Dat kon best, het was een dure buurt. Hij kon de stank van uitlaatgas nog ruiken dus de auto was net geparkeerd.

Hij wilde alweer verder lopen toen hij een man hoorde zeggen: ‘Mevrouw Peekema?’

‘Ja?’

Kist bleef stilstaan. De stem kwam vanachter de ligusterhaag naast hem.

‘Mijn naam is De Graaf,’ zei de man. ‘Ik ben een kennis van de heer Van Reijt, u wel bekend. Ik zou graag willen weten hoe en waar ik hem kan bereiken?’

De tintels vlogen langs Kists ruggengraat. Wie was die vent?

‘Ik heb geen idee over wie u het heeft.’

De stem van de vrouw klonk wat hees en gemaakt.

‘Van Reijt. Niek van Reijt.’

‘Het spijt me, maar de naam zegt me niets.’

De man lachte. ‘Misschien kent u hem dan wel onder de naam Tulp, mevrouw Peekema? Die mooie Hollandse bloem.’

‘Meneer, ik weet werkelijk niet waar u het over heeft. Ik verzoek u hier weg te gaan, ik krijg zo bezoek en...’

‘Toch niet van Duitsers, mevrouw Peekema?’

Het was even stil. Ondanks zijn verwarring zag Kist dat aan de overkant een man met een strooien hoed op en een hondje aan de lijn een tuinpad af kwam lopen. Hij bukte zich en deed alsof hij de spanning van zijn achterband controleerde.

‘Het zou niet erg plezierig zijn als het verzet zou weten dat uw dochter het met een mof houdt, denkt u wel? Of dat u ’s avonds na spertijd Duitse officieren ontvangt. Ik vraag me af wat mijn kameraden bij Inlichtingendienst daarvan zouden zeggen.’

De man met het hondje passeerde aan de overkant en verdween de hoek om.

‘Als u nu niet weggaat, bel ik de politie!’

‘Doe geen moeite, beste mevrouw. Laten we dit afspreken: u zegt tegen Van Reijt dat ik hem wil spreken. Snel. Binnen vierentwintig uur. Ik bel u morgenmiddag om precies zes uur op.’

‘Maar ik weet niet...’

De vrouw zweeg abrupt. De man lachte honend. ‘Wát weet u niet, mevrouw Peekema? Waar u hem kunt bereiken? Of belt hij u?’ Zijn stem kreeg plotseling een snauwende ondertoon: ‘Morgen om zes uur. En zorg dat u thuis bent!’

Kist holde al terug naar de hoek en drukte zich tegen de heg. Even later zag hij dat een magere man van een jaar of dertig, met een bruine hoed op en gekleed in een licht kostuum naar de bmw liep, het portier opende en instapte. Hij startte meteen en reed in de andere richting de brede laan uit, de motor nauwelijks hoorbaar.

Kist stond roerloos, de gedachten tolde door zijn hoofd. Wie was die vent? Een vriend van Van Reijt? Daar leek het niet op gezien zijn dreigementen over het verzet. Inlichtingendienst, had hij gezegd. Waarom niet ‘de’ inlichtingendienst? Wat bedoelde hij daarmee? Een Duitse dienst? Maar dat klopte weer niet met dat verzet en hij was ook niet verzot op de politie.

‘Hallo?’

Enkele tellen had hij het idee dat zijn hart stilstond. De stem van de vrouw klonk zo dicht bij hem, maar hij kon haar niet zien. Waar was ze?

‘Niek, met Dora! Luister. Er was hier zojuist een man die naar je vroeg...’

Hij draaide zich om en trok behoedzaam wat heggentakken uit elkaar. Erachter lag een gladgeschoren gazon dat doorliep tot een grote erker waarvan de tuindeuren openstonden. De vrouw stond met haar rug naar hem toe bij een secretaire, maar Kist herkende het opgestoken zwarte haar van de foto bij Hotel Weimar.

‘De Graaf... Nee, ik heb hem nooit eerder gezien.’

Ze draaide zich om en pakte een sigaret.

‘Hij belt me morgen om zes uur.’

Ze klemde de hoorn tussen kin en schouder en stak de sigaret op.

‘Ja... Ja. Wat? Nee. Ja, hij is wel terug, maar hij vindt het te veel...’

‘Wat doe je daar?’

Geschrokken draaide Kist zich om. Tegenover hem stond een meisje van een jaar of vijf dat hem nieuwsgierig opnam.

Hij glimlachte en bracht een wijsvinger naar zijn lippen. ‘Sst! Er zit een vogelnestje boven in de heg.’

De ogen van het kind verwijdden zich. ‘Zitten er eitjes in?’

‘Ja.’

‘Mag ik kijken?’

‘Wat is Anjer dan?’ vroeg de vrouw.

Kist schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ fluisterde hij. ‘Dan schrikt de moeder, snap je? En dan komt ze misschien nooit meer terug bij de eitjes!’

‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Goed. Tot morgen.’

Kist glimlachte weer naar het meisje. ‘Je moet het daarom ook niet aan andere kinderen vertellen, hoor.’

Het meisje knikte heftig.

‘Je bent een goed meisje.’

Hij pakte zijn fiets, stapte op en reed dezelfde richting uit die de bmw was gegaan. Aan het einde van de laan keek hij achterom en zag dat het meisje nog steeds bij de heg stond.

Hij sloeg links af en probeerde zich de kortste weg naar de Rembrandtstraat voor de geest te halen. Op zijn horloge was het bijna kwart voor zes. Hij had weliswaar geen afspraak met Tromp maar als de reus niet thuis was, kon hij een briefje met het kenteken van de bmw in de bus doen. Weliswaar kende Tromp behalve een jongen die de zender bediende, geen verzetsmensen hier in de stad, maar wel een politieman met wie hij voor de oorlog bevriend was geweest. Via hem was hij ook aan zijn kelderwoning gekomen.

Wie was die vent in die dure bmw?

Morgen om zes uur zou hij de vrouw van Peekema bellen. Dora, had ze aan de telefoon gezegd hoewel ze volgens Römer Dolly werd genoemd. Onmiskenbaar had ze Van Reijt zelf aan de lijn gekregen, dus wist ze waar hij uithing. Wie was er terug? Want dat had ze op een vraag van hem geantwoord: ‘Ja, hij is wel terug, maar hij vindt het te veel. Hij wil eerst meer zien. Met name over Anjer, zei hij.’

Te veel wat? Wat was Anjer, of wie? Ook een codenaam? Anjer. Bernhards favoriete bloem.

Verdomme, als dat kind hem niet had gestoord! In elk geval was het dus wáár wat die sergeant in Schotland had verondersteld: Van Reijt was z’n pik achterna gelopen en stond met haar in contact.

‘Tot morgen,’ had ze gezegd. Waar? Bij haar thuis? Bij hem? In ieder geval vóór zes uur, wanneer die vent haar zou bellen.

Hij herkende een gracht en stapte af om de loopbrug te nemen. Aan de overkant kwam een jonge Duitse soldaat uit een huis en trok zijn tuniek recht. Een geblondeerde vrouw deed de gordijnen voor het raam naast de deur open en knikte vragend naar Kist toen hij langs fietste. Hij grijnsde onnozel en nam de bocht naar de smalle Rembrandtstraat. Tot zijn verwondering stond de geranium op het keldertrapje dat naar Tromps deur leidde, het afgesproken teken dat hij niet thuis was. Waar was hij naartoe? Een luchtje scheppen? Misschien naar de politieman om bij hem wat te eten? Naar een van de hoeren hier in de buurt, want hoewel hij met zijn één meter negentig gekankerd had over de lage kelder, de aanwezigheid van de hoeren had hem zichtbaar opgekikkerd.

Kist twijfelde even of hij zou wachten, maar haalde toen het opschrijfboekje uit zijn binnenzak en schreef met een potloodje: ‘Spitskool. Wat is Anjer? Inlichtingendienst? bmw 328 hz 30889?’ Hij vouwde het blaadje op en schoof het onder de pot met de geranium.

Een kwartier later zette hij de fiets tegen het hek van de Suezkade en zag dat het gordijn van de badkamer op zijn verdieping open was, het teken dat er geen onraad was. Hij liep naar het huis. Binnen rook het naar gebakken vis en toen hij verbaasd de lucht opsnoof kwam Suze lachend de keuken uit. Ze droeg een schort en haar gerimpelde gezicht zag rood. ‘Nou, dat kien je mooi uit, meneer Kist! De vader van een leerling betaalde vanmiddag met twee verse scholletjes. Of hebt u al gegeten?’

‘Nee. Lekker.’

Ze nam hem onderzoekend op. ‘Hebt u iets over uw vrouw gehoord?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee. Het is zoals ik dacht. Ze moet al dood zijn geweest of anders in de ambulance zijn overleden.’

‘Ach.’

‘Ja.’ Hij glimlachte wat droevig. ‘Heb ik nog tijd om me even te wassen?’

‘Ja hoor, ik ben nog maar net begonnen met koken.’

‘Geen bericht voor me?’

‘Nee, niet dat ik weet. Maar ik ben vanochtend wel een uurtje weg geweest naar de Columbusstraat.’

‘Aha.’ Op de Columbusstraat zat een Engelse piloot die enkele weken eerder een noodlanding in het Westland had gemaakt. Een kleine verzetsgroep waarmee Suze contact had zou hem binnen enkele dagen naar België brengen en in afwachting daarvan bracht zij hem elke ochtend wat te eten.

Kist was de trap al op toen de gedachte hem te binnen schoot.

‘Zeg Suze?’

‘Riep u me?’

Hij boog zich over de leuning. ‘Zegt de naam Anjer je wat?’

Ze kwam de gang weer in en keek verbaasd omhoog. ‘Nee. Ja, een bloem die ik niet mooi vind. En prins Bernhard.’

Hij knikte.

‘En een magere vent van een jaar of dertig, bleek gezicht, in een dure crèmekleurige BMW-cabriolet?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Maar ik weet ook niks van auto’s.’

‘Hij noemt zich De Graaf en had het over zijn kameraden bij het verzet.’

Ze glimlachte sceptisch. ‘En hij rijdt in een dure wagen? Nogal opvallend, zou je zeggen.’

‘Misschien expres. Hij had het over inlichtingendienst.’

Ze fronste. ‘Wat voor inlichtingendienst?’

‘Dat is het gekke. Hij zei er geen lidwoord bij. Hij had het over zijn kameraden bij inlichtingendienst.’

‘Geen idee, ik...’

Ze zweeg omdat de bel in de gang weergalmde, en ze keek hem geschrokken aan. ‘Verwacht u iemand?’

Hij wilde zijn hoofd al schudden toen hij bedacht dat het Tromp kon zijn, al was dat onwaarschijnlijk. Jan Tromp was kennelijk ergens anders heen, anders was hij hier al aan de deur geweest. En had hij het briefje gevonden, dan zou hij nooit zo snel de gevraagde informatie al kunnen hebben.

‘Kijk maar even. Misschien is het een buur.’

Hij zag haar de hal in gaan en wist dat ze door het ruitje zou kijken.

Enkele seconden later hoorde hij haar de deur openen.

‘Ik kom voor spitskool,’ zei een nerveuze vrouwenstem. Hij stond roerloos op de trap. Hij was er zeker dat hij de stem eerder had gehoord.

‘Spitskool?’ klonk Suzes stem. ‘Het spijt me maar dat heb ik niet in huis.’

‘Wat jammer. Het smaakt anders heerlijk met rabarber samen, wist u dat? We maken dat veel in Kuinre. Kent u dat?’

De jonge vrouw die Tromp en hem van Mulders huis de polder in had gebracht! Jeanne! Wat kwam ze hier in godsnaam doen? Hoe wist ze dat hij hier zat?

Hij holde de treden af en het halletje in. ‘’t Is al goed, Suze.’

Jeanne stond met een rieten koffer in de deuropening. Ze droeg een modieus mantelpakje en een bijpassend hoedje. Haar gezicht leek hem nog bleker dan toen die nacht in Kuinre, haar ogen stonden gejaagd.

‘Kom binnen, snel.’

‘Is Tromp hier?’

‘Wat? Nee.’

‘Kan hij langskomen?’

Ze klonk zo gespannen dat hij haar gealarmeerd opnam. ‘Wat is er aan de hand?’

Maar ze schudde haar hoofd, keek schichtig achter zich en liep toen snel het halletje binnen. Voor hij de deur in het slot duwde, keek hij toch even links en rechts de stille kade af.

De twee vrouwen stonden zwijgend tegenover elkaar.

‘Suze, dit is Jeanne. Jeanne, Suze.’

‘Die van spitskool met rabarber houdt,’ glimlachte Suze. ‘Moet ik de vis maar afzetten?’

‘O. Ja... eh kan ik die later nog krijgen?’

‘Natuurlijk.’ Ze wendde zich tot Jeanne. ‘Wilt u misschien een kopje thee?’

‘Heel graag.’

Ze wachtten tot Suze de keuken in was.

‘Ik zit hierboven,’ zei Kist. ‘Waarom ben je hier? Hoe ken je dit adres? Van Tromp? Weet je zeker dat je niet bent gevolgd?’

Ze maakte een grimas. ‘Ik zal het je zo allemaal vertellen.’

Hij nam haar koffer over en ging haar voor de trap op naar de twee kamers-en-suite.

‘Sorry, ik heb maar één fauteuil.’

Ze ging erin zitten en zette haar handtasje op de grond. Zelf bleef hij staan en haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn.

‘Wil je er een?’

‘Graag. Sorry dat ik je zo overval...’ Haar vingers trilden toen ze de sigaret pakte en nu pas zag hij dat ze twee gladde trouwringen om dezelfde vinger droeg.

‘Wat doe je als er onraad is?’

‘Onraad? Hoezo?’

‘Toe!’

‘Dan doen we het gordijn voor het badkamerraam dicht.’

‘Wil je dat dan doen? Alsjeblieft!’

Een seconde aarzelde hij maar liep toen snel naar de kleine badkamer. Toen hij terugkwam, staarde ze peinzend voor zich uit, de onaangestoken sigaret tussen haar lippen, haar hoedje op haar schoot. Hij gaf haar vuur.

‘Dank je. Ik heb je adres niet van Tromp. Ik weet niet eens waar hij is. Ik zag het op je pb toen je dat aan hem en mij liet zien.’

‘O... ja, natuurlijk.’ Hij zag het kamertje weer voor zich, de flakkerende olielamp waarvan het schijnsel zijn twee persoonsbewijzen bescheen. Op het pb dat op zijn eigen naam stond, was de Suezkade inderdaad als zijn woonadres vermeld

‘Zoals je weet heet ik Jeanne. Jeanne Röell.’ Ze nam een trekje. ‘Vast en zeker heb je je daar in Kuinre afgevraagd wat een meisje met zo’n keurige spraak als ik daar deed. Ik kom er ook niet vandaan. Ik kom hier uit Wassenaar. Ik was getrouwd met een advocaat in Kampen...’ Ze zuchtte. ‘Mijn man en ik zaten bij een groep die in het najaar van 1940 werd opgerold. Ik wist te ontkomen maar hem hebben ze gefusilleerd.

Kist zweeg en stak zelf ook een sigaret op. Weer vroeg hij zich af waarom ze zo angstig naar Tromp had geïnformeerd.

‘Mijn man was bevriend met Anne Mulder in Kuinre. Daar ben ik naartoe gegaan om onder te duiken. Anne deed wel eens wat voor ons. Hij wist ook dat mijn man en ik contact hadden met Londen.’ Ze keek op en glimlachte. ‘De naam Röell zegt je niets?’

Hij fronste. ‘Adel?’

‘Zeker. Allebei. Zie je, je hebt de Röells en de Roëlls, het verschil zit ’m in het trema. Bij mijn familienaam staat het op de o. Mijn oom Willem is secretaris van prins Bernhard. Al sinds zijn huwelijk met prinses Juliana.’

Verbaasd keek hij op, maar op dat moment werd er geklopt. Hij liep naar de deur en deed open. Suze kwam de kamer in met een dienblad waarop een pot thee met twee kopjes en een suikerpot stonden. Zwijgend zette ze het blad neer en verdween de gang weer op.

Buiten trok lijn 3 knarsend tegen de brug op.

‘Toen de koninklijke familie vluchtte, bleef mijn oom in opdracht van de prins in Nederland.’

‘In opdracht?’

‘Ja.’ Ze boog wat naar voren, legde haar sigaret in de asbak en pakte de theepot. ‘Heb je wel eens van de od gehoord?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘De Ordedienst. Sinds enige tijd wordt geprobeerd het verzet te bundelen. Door mijn oom onder anderen.’

‘Ook in opdracht van de prins?’

‘Ja.’ Ze schonk de kopjes vol. ‘Enkele maanden geleden vertelde oom Willem me dat de prins een speciale agent zou sturen met instructies om een Nationaal Comité te vormen. Een kleine groep van vooraanstaande, vaderlandslievende Nederlanders. Policiti en grootindustriëlen, mensen die hij vertrouwt en die een overgangsregering kunnen vormen als het straks zover is...’

Ze zweeg even om een slokje van haar thee te nemen.

Kist herinnerde zich het gesprek met Römer in de Mirabel. Römer had het over Bernhards secret army gehad, agenten die buiten de Britten om in Nederland werden gedropt uit angst voor Britse superioriteit na een Duitse nederlaag.

‘Mijn oom vroeg me of ik contact met die agent wilde opnemen als hij in Nederland was aangekomen.’

‘Jan Tromp.’

Ze zuchtte. ‘Nee, niet Tromp. Ik weet niet hoe zijn naam is maar wel dat hij een verrader is...’ Ze dronk van haar thee maar voor ze verder kon gaan, zei Kist schor: ‘Tulp!’

Haar grijze ogen verwijdden zich van angst maar nog voor ze overeind had kunnen komen, had hij een hand op haar schouder gelegd.

‘Nee, ík ben geen verrader. Ik ben hier juist gekomen om hem te vinden. Geloof me!’

Ze zat doodstil, maar de hand waarmee ze haar kopje vasthield trilde onbedaarlijk.

Perplex staarde hij uit het raam en zag de zon achter de daken zakken. Deze jonge vrouw die met Römers neef had samengewerkt, was de contactpersoon voor Tulp! En had een oom die secretaris van Bernhard was geweest.

Het was ongelooflijk! Had Römer ervan geweten? Leeper? Zo-even had ze toch gezegd dat haar man en zij contact met Londen onderhielden?

Hij liet haar schouder los en zoog de rook diep in zijn longen.

‘Tulp is de reden dat ik naar Den Haag wilde. Zijn eigenlijke naam is Van Reijt. Niek van Reijt. We wisten in Engeland niet wie hij hier zou ontmoeten. We weten niet eens waarom hij zich binnendrong bij de staf van de prins, alleen dat de prins hem zo vertrouwde dat hij hem uitzond...’ Hij stokte en keek haar aan. ‘Wie heeft je dat verteld dat hij voor de moffen werkt? Niet Tromp want hij kon dat nog niet weten. Ik heb hem er pas onderweg over ingelicht.’

‘Nee,’ zei ze met een scheef lachje, ‘niet Tromp, maar mijn oom heeft het me verteld. Hij kreeg dat bericht door uit Londen.’

‘Toen Tulp hier dus al was.’

‘Ja. De prins had het toen net gehoord en mijn oom onmiddellijk op de hoogte gesteld. Goddank had hij die man toen nog niet benaderd.’

Kist knikte langzaam en dacht plotseling aan de man in de bmw. Had hij ermee te maken? Het verzet hier ook geïnformeerd door Bernhard? Hij zuchtte en doofde zijn sigaret.

‘Waarom ben je nu hier?’

Ze leek hem niet gehoord te hebben maar staarde voor zich uit. ‘Ruim een maand voordat jij afsprong, kwam er ’s avonds een man bij Mulder op bezoek. Hij zei dat hij al enkele maanden in Nederland was. Hij noemde zich Rabarber...’

‘Tromp.’

‘Hij wist wie ik was, hij zei dat hij vroeger bevriend was met mijn man... Ik...’ Ze haalde diep adem. ‘Nou ja, ik werd verliefd op hem. Simpel... Het gebeurde gewoon... Zo stom!’

Ze maakte een grimas en hij zag de tranen in haar ogen.

‘Ik ken het,’ zei hij zachtjes, ‘maar waarom zou je je schuldig voelen? Je hebt al die tijd onder grote spanning gestaan, je hebt...’

‘Tromp werkt ook voor de Duitsers.’

Hij had het gevoel alsof hem een stroomstoot werd toegediend en moest zich vastgrijpen aan de stoelleuning.

‘Tromp? Je bent gek!’

Mistroostig schudde ze haar hoofd. ‘Was dat maar zo.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Een paar dagen nadat jullie waren vertrokken, kwam er een man uit Groningen om met Mulder te praten. Ik vertelde hem wat er gebeurd was, en dus ook over Tromp. Die man... Mag ik de asbak?’

‘Hè? Ja natuurlijk.’ Wezenloos reikte hij haar de asbak aan. Tromp was net als Van Reijt een verrader? Onmogelijk? Waarom zou Tromp hem dan hiernaartoe hebben gebracht, juist om Tulp op te sporen? Waarom had Tromp zijn aankomst dan aan Londen bevestigd?

‘Die man schrok vreselijk. Hij zei dat hij begin maart met een paar anderen ’s nachts stond te wachten op een agent uit Engeland. Maar het bleek verraad want de sd had al die tijd in een hinderlaag gelegen zodat die agent en de verzetsmensen werden gepakt. Alleen hij niet, omdat hij een geluk bij een ongeluk had: zijn ketting was onderweg van zijn fiets gelopen. Hij zag hoe de moffen iedereen onder schot hielden en meenamen. Toen ze weg waren, stonden er nog drie mannen, twee hoge Duitsers en een man die ze aanspraken als Herr Tromp en bedankten.

Eindelijk keek ze hem aan, een wat meelijwekkende blik in haar ogen. Door de tranen was haar make-up doorgelopen. ‘Je gelooft me niet, hè?’

‘Kan het geen vergissing zijn? Er zijn meer mannen die Tromp heten.’

‘Ja, maar deze man was een kolos. De Groninger kon hem duidelijk zien. Het was werkelijk Tromp.’ Ze inhaleerde diep en blies de rook geluidloos uit. ‘Ik zal je de details besparen, maar we hebben Anne uit die gierput gehaald. Hij bleek inderdaad in zijn achterhoofd geschoten te zijn, maar niet door een kogel uit een Duits geweer of machinepistool, maar uit een Browning mk ii, het wapen dat Tromp bij zich had.’

Kist stond bewegingloos. Tromp en Van Reijt. Tromp die Van Reijt had aangenomen in het trainingskamp bij Aberlochy. Van Reijt die voor Fuchs had gewerkt. Tromp die al eerder boven bezet gebied was afgesprongen.

‘Waarom zou hij Mulder hebben gedood?’

‘Volgens die Groninger moet hij bang zijn geweest dat Anne hem al verdacht. Er is trouwens nog iets geks...’

‘Wat?’

‘De codenaam van de agent die toen gevangen werd genomen, was “Beetroot”, suikerbiet. Maar volgens die Groninger heeft Engeland enkele dagen later bevestigd dat ze zijn veilige aankomst hadden doorgekregen.’

‘Hoe kan dat dan?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Geen idee, ik...’

Ze zweeg en in dezelfde seconde holde hij al naar het raam. Hij zag opgelucht hoe een viertal soldaten aan de overkant in de schaduwen van de bomen verdwenen.

Hij liep terug. ‘Een gewone patrouille. Wie heb je hierover verteld? Je oom?’

‘Nee, ik kan hem niet meer bereiken. Sinds de waarschuwing van de prins houdt hij zich ergens schuil. En ik denk niet dat Tulp van zijn zender weet want die is maar bij een paar mensen bekend.’

‘Bij de prins?’

‘O ja.’

‘En bij jou?’

‘Ja, maar ik kan niet zenden. Anne deed dat, zie je. Daarom ben ik hier ook.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ken je hier dan een groep die een lijn met Engeland heeft?’

‘Ja. Hun leider is ook een vriend van prins Bernhard, al opereert hij los van mijn oom. Ze noemen zich Inlichtingendienst omdat hij daar vroeger voor werkte hier in Den Haag. Wat is er?’

Stomverbaasd schudde hij zijn hoofd. ‘Weet je ook wie die vriend van de prins is?’

‘Teengs.’

‘Teengs? Hans Gerritsen?’

‘Ken je hem?’

‘Ja! Hij werkte net als ik voor de inlichtingendienst GS iii... O, mijn god!’ Kist voelde hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok. ‘Tromp weet dit dus ook!’

Ze knikte, maar hij merkte het niet eens op.

Verdwaasd staarde hij voor zich uit. Natuurlijk had ze Tromp erover verteld, verliefd, in vol vertrouwen dat hij voor de prins werkte! Tromp!

‘Weet je waar Teengs woont?’

‘Ja, in Wassenaar. Ik kwam er vaak als kind. Ik was er vanmiddag ook maar er was niemand thuis.’

‘Heb je een telefoonnummer? Er is een cel hier om de hoek!’

Maar tot zijn teleurstelling schudde ze haar hoofd. ‘Ik had het wel maar hij moet zijn nummer veranderd hebben. Hij staat in elk geval niet meer in de gids.’

Hij keek op zijn horloge en aarzelde. Wassenaar. Hij zou het op de fiets kunnen halen maar ze had gezegd dat er niemand thuis was, en dan nog, het zou straks spertijd zijn.

Was Tromp al wel thuis?

‘Waar slaap je?’

‘Wat? Ik had gedacht aan een pensionnetje of zo.’

Hij liep al naar de deur.

‘Je kunt wel beneden bij Suze in het voorkamertje. Ik zal het even vragen. Ik ben over een halfuur weer terug.’

‘Wat ga je dan doen?’

Hij wilde al antwoord geven toen het tot hem doordrong. De prins, diens privé-secretaris, een eigen zender die bij slechts enkelen bekend was.

‘Wie is Anjer? Je oom?’