*

 

Wat een godsverrukkelijke zondag in de beeldentuin van Nic Jonk.

Beelden die dansen en springen — Ik wil tekens maken tegen de dood. -

De mooiste beelden drijven voorbij.

Paradijs ligt onder handbereik, toch kun je het niet pakken.

Een polderjongen schiep godinnen.

Wat een godsverrukkelijke werkkring waardoor je zulke magnetische mensen leert kennen.

‘We zijn magnetisch,’ zei de messias van Bach, ‘en telkens als we onszelf magnetisch willen maken kan dat. Laat ons innerlijk voltage door de draad stromen en we kunnen aantrekken wat we maar willen. Wees alleen maar wie je bent. En automatisch wenden diegenen die niets kunnen leren van wie we zijn zich af en worden diegenen tot ons aangetrokken die dat wel kunnen en van wie wij ook iets kunnen leren.’

Weer een treedje hoger naar het inzicht waarom sommige relaties uit elkaar spatten en andere niet.

De beeldhouwer kan ’s avonds in zijn tuin gaan zitten en stil kijken naar wat hij gecreëerd heeft, en daarachter de polders en daarboven een eigen hemel.

Ik kan niet tussen mijn woorden in gaan zitten.

En toch zijn woorden belangrijk.

Waarom stond anders daarginds in die boekenkast in Groot-Schermer dat bekende boek met de bruine kaft en de gouden letters dat ik meer dan zes jaar geleden schreef toen mijn rechterarm nog maar een fractie van de kracht had van vóór de operatie?

‘Toen kon ik jou nog niet eens,’ zei hij.

Als andere mensen zeggen - toen kón ik jou nog niet eens - dan krijg ik rillingen. Maar deze grootste aller Nederlandse beeldhouwers mag duizenden taalfouten uitspreken. Ze smelten in de schaduw van zijn godinnen-in-brons.

Wat ben je eerlijk, Nic Jonk.

Waarom had ik geen pijn deze dag?

Welk magnetisme werkte op welke golfstroom?

Wat is het een goed gevoel om Renée, die erbij was, dit te kunnen geven, mee te geven voor de rest van haar leven.

Een stukje eeuwigheid dat de honger stilt.

Een groot stuk vrijheid dat alle uurwerken vér achter zich laat.

Geen plichten vandaag.

Geen klokken en geen horloges.

Geen beleefdheidsfrases en geen slaafse wetmatigheid. Weer heb ik mijn kind een 24-karaats dag kunnen bezorgen.

Dat lukte toch maar niet deze laatste jaren.

Terug in mijn eigen wereld zindert het nog door.

Hoe langer je leeft, hoe meer mensen je leert kennen, hoe dieper je begrijpt dat ieder mens zijn eigen waarheid heeft.

De partner ook.

Moeder, ik speel al een week in de verlenging.

Wat wennen mensen snel aan het goede.

Ik speel al een week in de verlenging en ik denk er nauwelijks meer aan.

En toch was die verjaardag met alles er omheen zo zwaar.

Zijn dat de regenererende cellen?

Waarom gaan ze dan niet eindelijk aan het werk daar onderaan in die rug, die vandaag de halve dag rust van gisteren weer vergeten schijnt te zijn. En waarom gaan ze niet eindelijk aan het werk in de relatie tot de partner, wiens verjaardagsgladiolen alle andere hebben overleefd?

Het kaartje kon ik niet in de prullemand gooien zoals die andere kaartjes. Overmorgen zal ik je terugzien voor het eerst na negen maanden.

‘Een pracht van een dracht’, noemen cynische mensen dat.

Hier was niets prachtigs aan.

Verdriet schittert niet.

En toch: wie weet of de helende eigenschap van de factor tijd nog eens de reserves aan levensvreugde met volle kracht omhoog zal halen.

Ergens op een met mos overgroeid stuk land in mijn hart geloof ik daarin.

Over drie jaar word je gepensioneerd.

‘Als ik niet meer werken kan ga ik dood,’ zei je.

Je hoeft niet dood te gaan, ook dan niet.

Misschien heb je dan tijd om het leven onder de loupe te leggen.

Dan zal Renée geen scholiere meer zijn.

En ik?

Ik zal gewoon drie jaar doorgeademd hebben.

Ik zal verder gegaan zijn met naar mensen te luisteren en met dat, wat zij te geven hebben, door te spelen aan anderen, langs de weg van mijn woorden. Dat is mijn stille plekje onder de zon.

Er zullen nieuwe boeken in mijn boekenkast staan.

De hemel zal niet naar beneden vallen.

Weet je nog moeder - ik begin te vermoeden waar de sleutel ligt -.

De sleutel had ik al die jaren in mijn eigen verkrampt gesloten hand.

Die spieren zijn los nu.

Maar die kramp was figuurlijk en die andere is organisch.

Die laatste, die al die pijn veroorzaakt, is moeilijker soepel te krijgen.

Maar die eerste dan?

Leek die twee jaar geleden ook niet vastgeroest, vastgevroren, in een bankschroef?

Onontwarbaar?

Onvergeeflijk?

Onvindbaar?

Onoplosbaar?

In de wereld tikken de klokken weer. Ze staan niet meer stil.

In huis zijn ze niet nodig.

In dit harmonieuze huis - ja, ondanks alles harmonieus - voltrekt zich het leven in een eigen cadans. Er wordt gewerkt voor het dagelijks brood, maar ik heb er mijn eigen uren voor.

En mijn eigen lied.

Dit verhaal is niet een verhaal met een happy end, maar dat zou ook niet reëel zijn. Het leven kent geen happy end, tenzij op het moment van sterven.

Zolang er leven is is er geen end. Noch happy noch tragisch.

Er is strijd en er is regeneratie.

Er is groei!

En tijdens die groei ontdek je dingen die er altijd al waren.

Die daarom niet minder nieuw zijn!

Ieder mens, tenzij hij zich afsluit voor het leven, is een ontdekkingsreiziger.

Ieder leven is een nooit eerder gemaakte reis.

In de kamer, waarin mijn kind geboren is; waarin ooit de partner op een ochtend om vijf uur zei: ‘De vreugde is weg’; waarin diezelfde partner de warme lambrizering heeft aangebracht met behulp van een timmerman die zei: ‘Waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt.’

In die kamer zit ik op deze zomermorgen.

Waar geleefd wordt worden fouten gemaakt.

En sommige fouten vergen jaren om ze te herstellen.

Is dat erg?

Ik denk het niet.

Lang denk je dat dat verloren jaren zijn.

Maar toen er in deze kamer gehakt, geboord, gebeiteld, geschuurd en gevijld werd, om het te laten worden tot wat het nu is, toen was dat ook geen verloren tijd.

Dat was bouwen.

Dat was groei.

Toen ik in deze kamer kreunde en persweeën had en even, even maar, dacht: nooit meer een kind! - toen waren dat geen nutteloze uren, want even later hield de dokter een klein meisje aan de enkeltjes vast, hoofdje omlaag, een tik om de longen de beginstoot te geven, en toen was er het begin, ze schreeuwde, ze leefde, ze was er: Renée. En de gedachte - Nooit meer een kind - loste op als een zeepbel. Die korte hevige pijn was vergeten voordat de zon onderging.

Dat is de cadans van het leven.

Nee, geen happy end.

Maar dit verhaal van een strijd is wél een eerbetoon aan dat leven.

De hand ligt soepel open.

De sleutel kan niet geroofd en niet verloren raken, want hij is niet materieel, niemand kan hem vasthouden.

 

Niemand anders dan ik.

 

Ieder van ons heeft zo’n sleutel en het bijpassende woord.

Voor ieder van ons geldt:

Niemand anders dan ik.

Waar geleefd wordt worden fouten gemaakt.

Nou én?

Elke fout heeft zijn eigen gereedschap.

Gereed - schap.

Het ligt gereed.

Het wacht op zijn eigen uur.

Het wacht op zijn eigen lied.

Er waren tóch woorden voor nodig.

Woorden en mensen.

Alleen mensen hebben woorden.

Vogels hebben hun eigen lied.

Alleen mensen hebben woorden bij dat lied.

Het zal voortduren.

In deze stille zomerkamer is ooit een leven begonnen. Zo had ik het, heel intens en tegen alle medische adviezen in, toen gewild.

De adviezen waren gebaseerd op statistieken.

Ik hou nog altijd niet van statistieken.

Vogels doen dat ook niet.

En toch trekken ze de lange weg naar het zuiden als het te koud wordt, en de lange weg weer naar huis.

Ze raken nooit verkrampt.

Ze verliezen nooit hun sleutel.

In twee stille jaren heb ik erover kunnen denken.

In deze stille kamer is het stil in dit menselijk lichaam. Heilzaam stil.

De sleutel heeft vier levensbelangrijke woorden ontsloten:

 

NIEMAND ANDERS DAN IK.