Epiloog

 

Schorpioen

 

Claus dronk van zijn wijn.

'Dat was doeltreffend, maar beperkt,' zei Nakur.

'Voor de Orodon anders niet,' wierp Claus tegen. Hij zat in Pucs werkkamer op het Tovenaarseiland. Magnus, Caleb en Robert zaten rond een tafel, en in de haard brandde een vrolijk vuurtje. Puc en Miranda waren weg, voor een geheimzinnig klusje, volgens Nakur.

Claus was meegereden tot in Kustwacht, waar hij passage had geboekt aan boord van een schip naar Salador. Daar was hij op bezoek gegaan bij wat oude bekenden uit de tijd dat hij daar had gestudeerd met Caleb, en Magnus was bericht gestuurd dat Claus zijn zaken in het noorden had afgehandeld.

Magnus was verschenen en had Claus naar het eiland gebracht met gebruik van zijn kunsten, net als die eerste keer, toen hij de jongen van Kendricks Hofstee naar Pucs domein had gebracht. Het was niet de eerste keer dat Claus dat kunstje best zou willen kunnen, want hij was ziek van paarden, schepen en koetsen.

Een dag was hij nu terug op het eiland, en de gebeurtenissen van de afgelopen maand leken een vage herinnering. De wonden waren genezen, al voelden zijn schouder en been nog wel wat stijf aan, maar de genezers op het eiland hadden hem ervan verzekerd dat er geen blijvende schade was aangericht en dat hij alleen twee indrukwekkende littekens aan zijn verzameling had toegevoegd.  

'Je hebt het er goed van afgebracht, Klauw,' zei Nakur.

'Claus, alsjeblieft,' reageerde hij. 'Ik ben mezelf gaan zien als Claus Haviks.'

'Claus, dan,' zei Nakur.

'Je hebt het dorp van de Orodon goed verdedigd, voor iemand zonder echte militaire opleiding,' prees Magnus. 'Je hebt je beholpen met wat er voorhanden was, al geef ik toe dat het me niet helemaal duidelijk is waarom je die blijden in brand hebt gestoken.'

Claus veerde rechtop. 'Daar heb ik nooit over gesproken.'

Op Magnus' gezicht verscheen een glimlachje. 'Nee, dat klopt. Maar ik heb het je zien doen.'

'Waar?'

'In het dorp Queala, vanaf een heuvel in de buurt.'

'Je was erbij!' zei Claus, zich voorover buigend in zijn stoel. 'Je was erbij, en je hebt niets gedaan?' Zijn stem klonk onmiskenbaar beschuldigend.

'Hij kon niet, Claus,' zei Caleb.

'Er is nog veel wat je niet weet, maar dit moet je nu wel kunnen begrijpen,' legde Nakur uit. 'Die magiër over wie we spraken, die Leso Varen, mag niet weten van ons aandeel in de dingen die jij doet. Als er een magiër van Magnus' formaat was verschenen om Raaf te vernietigen, zou dat onmiddellijk onder zijn aandacht zijn gekomen. Dan zou Leso Varen voortaan altijd die connectie met jou hebben gemaakt.'  

Claus knikte. 'Ik begrijp het, maar het staat me nog steeds niet aan.'

'En dat brengt ons terug bij onze eerste vraag: wat nu?'

'Als jullie niets van me verlangen, moet ik beslissen wat ik met Kaspar van Olasko ga doen.'

'Dat is geen vraag,' vond Nakur. 'Je moet bij hem in dienst treden.'

'Dat kan ik niet,' zei Claus.

'Waarom niet?' vroeg Caleb. 'Mijn moeder heeft haar ''vrouwe Rowena" al gestationeerd. Nog een agent erbij is prachtig.'  

'Ik kan geen valse eed afleggen, dus ik kan nooit zweren wat ik niet van plan ben te doen.'

'Dat kan niet anders,' zei Nakur.

'Ik kan een man als Kaspar niet dienen, ook al weten jullie een trucje om te voorkomen dat zijn magiër het merkt als ik lieg. Want ik lieg niet en ik leg geen valse eed af.'

'Nee,' zei Nakur. 'Je begrijpt me verkeerd. Als ik zeg dat het niet anders kan, bedoel ik dat je geen valse eed mag afleggen. Met heel je hart moet je trouw zweren en Kaspar dienen zoals het hoort, zelfs met gevaar voor eigen leven. Als je het bevel krijgt om een van ons op te sporen en te doden, dan moet je je daar met heel je hart voor inzetten en als het nodig is ook een van ons doden.'

'Wil jij dat ik met heel mijn hart dienst neem bij onze vijanden?'

'Ja,' antwoordde Nakur, 'want alleen dan kom je dicht genoeg bij Kaspar in de buurt om hem te doden als de tijd er rijp voor is.'

Claus leunde achterover. 'Dat begrijp ik niet. Hoe kan ik hem dienen zonder meineed te plegen en hem doden?'

Nakur glimlachte. 'Jouw eed is geldig zolang Kaspar zich aan de zijne houdt.'

'Klopt,' beaamde Claus. 'Het is evenzeer de verantwoordelijkheid van de meester om zich aan zijn deel van de eed van trouw te houden als die van de dienaar.'

'Ken je de parabel van de schorpioen?' vroeg Nakur.

'Nee.'

'Er zat eens een schorpioen aan de oever van een rivier die te diep was en te snel stroomde om over te steken. Maar er zwom een kikker voorbij, en de schorpioen riep: "Kikker, draag me op je rug naar de overkant." De kikker antwoordde: ''Nee, want dan steek je mij en dan ga ik dood."

 ''Maar waarom zou ik?" zei de schorpioen tegen de kikker. ''Als ik dat deed, dan kon jij me niet naar de overkant brengen en dan zou ik verdrinken."

Daar dacht de kikker over na, en uiteindelijk zei hij: ''Goed dan. Ik zal je naar de overkant brengen." En de kikker kwam naar de oever en nam de schorpioen op zijn rug. Halverwege de overkant stak de schorpioen de kikker. Met zijn laatste adem riep de kikker uit: 'Waarom deed je dat nou? Nu gaan we allebei dood!"

En met zijn laatste adem antwoordde de schorpioen: "Omdat het mijn aard is om te steken.'"

Nakur keek Klauw aan. 'Als je lang genoeg blijft leven, zal Kaspar van Olasko je verraden, Claus. Dat zit in zijn aard. En als hij dat doet, ben jij ontslagen van jouw belofte, en dan kan je hem doden.'  

Claus leunde weer achterover, niet wetend wat hij moest zeggen.

Lange tijd dacht hij na over Nakurs woorden, en uiteindelijk haalde hij diep adem en knikte. 'Ik ga naar Opardum. Ik ga dienen onder de hertog van Olasko.'