21 Jacht
Claus hield halt.
Hij had de hele nacht gereden en zijn paard slechts af en toe een rustpauze gegund. Sinds hij Queala had verlaten, was hij driemaal afgestegen om zich ervan te vergewissen dat hij Raafs spoor niet kwijtraakte.
Zoals hij al had vermoed, was Raaf liever snel dan ongezien en bleef hij op het hoofdpad naar het zuiden, de rechtstreekse route naar de stad Kustwacht. Claus keek naar het oosten, waar de opkomende zon de hemel staalgrijs had gekleurd. De dageraad liet nog geen half uur meer op zich wachten. Hij gokte erop dat Raaf kamp zou opslaan en schildwachten zou uitzetten om te slapen voor hij verder ging, waarschijnlijk tegen het middaguur. Dat zou Claus tenminste hebben gedaan als hij had gedacht dat hij niet werd gevolgd.
Hij besloot wat rust te nemen, maar niet langer dan twee uur, en dan zou hij langzaam het pad weer volgen, op zijn hoede voor schildwachten of een hinderlaag. Claus vond een kleine open plek van nog geen tweehonderd el breed en misschien tweemaal zo lang, met wat gras. Hij zadelde het paard af en zette de merrie vast, met voldoende ruimte om te grazen. Het zadel als kussen gebruikend ging hij liggen onder een boom.
Na een laatste blik op de hemel sloot hij zijn ogen en viel uitgeput in slaap.
Twee uur later werd hij wakker, zoals hij had gewild. De zon was onverwacht heet voor de tijd van het jaar, en Claus voelde het vocht van zijn huid verdampen voordat er zich zweet kon vormen. Het zou dagen heet en droog zijn, als deze bergen leken op zijn geboortestreek.
Hij zadelde zijn paard en vertrok over het pad. Bij een beekje drenkte hij zijn rijdier, vulde zijn waterzak en reed verder. Een half uur later rook hij een kampvuur.
Hij steeg af, bond zijn paard vast en ging te voet verder. Enkele ellen langs het pad tussen de bomen door schoot hij minder snel op, maar zo werd hij tenminste niet zo snel gezien als hij zijn prooi inhaalde.
Snel en zachtjes lopend slingerde hij tussen de bomen door. Om de paar honderd voet bleef hij staan om te luisteren. De vierde keer dat hij stopte, rook hij paardenmest. Hij luisterde en hoorde amper de zachte geluiden van paarden die door hun neus uitademden en gras graasden.
Langzaam liep hij verder, met iedere voorzichtige stap dichter naar zijn vijanden. Inde verte zag hij de bomen dunner worden, en hij rekende op een kleine weide of een open plek verderop, waar Raaf en zijn mannen rust hielden.
Tegen de tijd dat hij dicht genoeg was genaderd om iets te zien, ging hij behoedzaam van boom tot boom, met zijn boog en een pijl in zijn linkerhand, zodat hij in een oogwenk kon trekken en schieten. Al zijn zenuwen stonden strak gespannen, en hij rekende erop dat er elk moment alarm kon worden geslagen. Eindelijk zag hij de paarden, naast elkaar vastgezet op korte afstand van de bomen, bij een beekje dat door een smal geuldal murmelde. De paarden hieven het hoofd toen hij dichterbij kwam, dus bleef hij staan en wachtte tot ze verder graasden.
Het vuur dat ze hadden gestookt, was uitgebrand, maar de rook hing nog boven de open plek. Naast het uitgedoofde vuur lagen vijf gedaanten terwijl er zes paarden graasden. Claus keek rond om de schildwacht te zoeken.
Hij sloop verder, net binnen de bosrand, door de dikke stammen hopelijk aan het zicht onttrokken. Heel even bewoog er iets bij het punt waar het pad het smalle geuldal inliep, en hij versteende.
Er stond iemand zo dicht bij een boom dat hij bijna onzichtbaar was in de donkere schaduwen van de dikke takken boven hem. Claus begreep dat hij moe was, want anders zou hij de man al eerder hebben gezien. Hij haalde een keer diep adem en sloop nader, zijn pas nog verder vertragend.
De schildwacht stond tussen de bomen te kijken naar het pad, met zijn rug naar Claus toe. Claus keek om in de richting van het kamp en zag de vijf anderen nog steeds stilliggen.
Hij overwoog zijn mogelijkheden. Hij kon de schildwacht doden, maar kon hij het ook stil? Langzaam zette hij zijn pijl op de pees en trok. De schildwacht leunde tegen de boom, maar Claus wachtte.
Toen rekte de schildwacht zich uit en rolde met de schouders, en Claus liet de pijl los. De schacht trof de man onder in de nek, en hij ging neer zonder een kik te geven, maar wel kwam hij met zo'n bons op de grond terecht dat een van de paarden schichtig hinnikte. Zodra de geur van bloed hen bereikte, keken ook de andere paarden in de richting van de gevallen dode.
Twee van de huurlingen sliepen licht, want in een oogwenk stonden ze overeind met getrokken wapens. 'Garth!' riep een van hen. 'Wat is er?'
Claus nam aan dat het de naam was van de man die hij had gedood, dus trok hij zich terug, dieper de bossen in. Nauwelijks had hij het kamp uit het oog verloren, of hij hoorde iemand schreeuwen: 'Raaf!'
Rennend tussen de bomen door hoorde Claus Raafs stem voor het eerst duidelijk. 'Verspreiden! Zoek hem!'
Claus kon onmogelijk blijven staan om te vechten. Hij was te vermoeid en dacht niet helder na. Hij had een gelegenheid gemist om de twee mannen te doden die wakker waren geworden en misschien zelfs om de andere drie onschadelijk te maken voordat ze dekking hadden kunnen zoeken. Hij had een fout gemaakt, en dat kon hem zijn leven kosten.
Hij hoorde beweging achter zich en begreep dat minstens een van de overvallers kon spoorzoeken. Verderop liep een rotsrichel zo'n honderd el bij hem vandaan tot hij te hoog werd om te beklimmen, en hij sprong erop. Als over een gespannen koord liep hij zo snel hij kon, en toen de richel onbegaanbaar werd, sprong hij eraf en zocht erachter dekking. Hij trok een pijl en wachtte.
Degene die zijn spoor volgde, was goed, moest hij na een poosje wachten toegeven. Hij hoorde niets en zag niets.
Hij bleef wachten.
De tijd verstreek, en er veranderde iets. Het was moeilijk vast te stellen wat, maar van het ene op het andere moment was er iets veranderd aan de geluiden in het bos, het ruisen van de wind door de takken, amper meer dan een fluistering, het vallen van bladeren en naalden.
Het was niet belangrijk te weten wat er was veranderd, het ging erom dat het betekende dat hij niet alleen was. Neergehurkt achter de rots richel wachtte hij af, luisterend of hij kon horen waar zijn achtervolger zich bevond.
Lange momenten kropen voorbij, en Claus begreep dat de man die achter hem aan zat hetzelfde spelletje speelde en wachtte tot de ander een fout maakte. Hij luisterde, snoof de lucht op, zocht naar schaduwen die er vreemd uitzagen, probeerde te raden waar hij zijn belager straks zou horen.
Het zachtste geluid, het iele knerpen van een laarszool over steen, en Claus sprong op, wervelde rond, en heel even kreeg hij het gezicht van zijn vijand in zicht. De tijd stond stil terwijl Claus zijn vingers het bevel gaf om zijn pijl te lossen.
De man zette grote ogen op, en Claus zag bijzonderheden die hij tot dusver niet voor mogelijk had gehouden. De man had zwart haar, en het zat vol stof omdat hij door het zand was gerold, misschien omdat hij bang was geweest voor een pijlschot nadat Claus de schildwacht had geveld. Zijn huid was donker, van een lichte koffiekleur, misschien vanwege een Keshische afkomst, en zijn ogen waren bijna zwart. Daarin flitste iets van herkenning, een mengeling van angst en berusting, toen de pijl Claus' boog verliet. Spieren begonnen te verstijven, alsof hij wilde schreeuwen of wegspringen, maar voordat hij kon doen wat hij van plan was geweest, trof de pijl hem in de keel.
De ogen werden nog groter van schrik, en het licht erin was al gedoofd voordat hij buiten Claus' gezichtsveld viel.
Claus klauterde over de rotsen en onderzocht hem vlug. Hij had alleen zijn wapens bij zich. Claus hield het bij zijn boog, maar voegde de pijlen van de spoorzoeker bij zijn voorraad.
Hij keek rond om te zien of er andere overvallers vlakbij waren, maar hij zag en hoorde niets.
De dode overlatend aan de aaseters rende Claus weg.
Nu waren het er nog maar vier.
Claus sliep. Hij had een kleine slenk gevonden die was uitgesleten door een beekje, en daar had hij zijn paard vastgezet. Alleen met walgelijk veel geluk of een uitmuntende spoorzoeker was hij te vinden. Claus vertrouwde op zijn geluk, en hij wist zeker dat hij hun beste spoorzoeker al had gedood. Trouwens, hij vermoedde dat Raaf maar een uur of twee zou wachten alvorens zijn overige drie metgezellen te verzamelen en naar het zuiden te vluchten. Voor zover de kapitein wist was Claus een vooruitgereden verkenner en volgden er twintig Orodonese krijgers in galop om hem in te halen.
In het bundeltje voedsel dat hem die nacht was meegegeven, zat harde kaas, bijna net zulk hard brood en wat gedroogd fruit. Voedzaam, zij het niet erg smakelijk..,Hij at alles op, want het zou een vergissing zijn om nu voedsel te bewaren. Dan kon hij flauwvallen van de honger nadat hij Raaf had gedood.
Zo goed als het ging had hij zich genesteld onder een overhangende rots, ongeacht de kou en het vocht, vastbesloten om een paar uur te slapen. Hij droomde, en in die droom stond hij op een bergtop te wachten op zijn visioen, vervuld van verwachting en vreugde over zijn komende manbaarheidsceremonie.
Toen werd hij wakker, en ook al was hij nog steeds vermoeid tot in zijn botten, hij stond op om de jacht te hervatten. Hij voelde kou in zijn gewrichten, en hij liep rond om zijn lichaam weer wat warmer te krijgen. Het was zo'n twee uur voor zonsondergang, dus hij had bijna drie uur geslapen.
Raaf had nu een voorsprong, maar die haalde hij wel weer in. Het duurde nog drie dagen hard rijden voordat de overvallers de weg over de vlakte naar Kustwacht bereikten. Als hij onderweg voedsel wist te vinden om zijn krachten op peil te houden, dan kreeg hij hen te pakken voordat ze de stad bereikten.
En als hij de stad in moest om hen daar te zoeken, dan zou hij dat doen.
Claus zadelde zijn vermoeide paard en vertrok langs de rand van de beek, tot hij de oever op kon rijden en via een open plek naar het pad kon. Daar sloeg hij af naar het zuiden. Hij wist waar Raafs laatste kamp lag, en hij was er vrijwel zeker van dat Raaf zich daar niet meer bevond, dus voorlopig hoefde hij zich niet te haasten. Hij liet het paard een poosje warmlopen en zette haar toen aan tot een sukkeldrafje.
Na een half uur rijden naderde hij Raafs kamp. Hij bracht zijn paard tussen de bomen en steeg af. Het zou een hele verrassing voor hem zijn als Raaf er nog was, maar hij was liever verrast dan dood.
Al gauw kwam hij op de plek waar hij de schildwacht had gedood, en die bleek nog te liggen waar hij was gevallen. Claus knielde bij hem neer en zag niets wat kon wijzen op zijn identiteit. Een naamloze huursoldaat die betaald was om te doden. Er was niets voor hem gedaan, en vlug ging Claus na wat hij bij zich had. Alleen een dolk stak nog in de schede aan zijn riem. Zijn beurs was losgesneden. Ze hadden de extra paarden meegenomen, wat logisch was. Raaf zou het risico niet nemen om zich te laten inhalen vanwege een kreupel gereden hengst.
Kijkend naar de sporen ontdekte Claus dat ze niet eens de moeite hadden genomen om hun keus te maskeren: terug op het pad naar het zuiden.
Claus rende terug naar zijn paard, steeg op en zette de achtervolging weer in.
De dag liep ten einde, en de geluiden veranderden zoals altijd wanneer de dagbewoners van de bergen plaats maakten voor de nachtdieren. Beide werelden overlapten elkaar als nachtelijke jagers zich al vroeg roerden en soms loerden op dagwezentjes die te traag waren met het opzoeken van hun toevluchtsoord.
Claus keek naar het pad en probeerde te bedenken wat Raaf zou gaan doen. Nu hij was verrast en twee man was kwijtgeraakt, zou hij vast niet meer zo achteloos zijn om zijn kamp in het open veld op te slaan en maar één schildwacht uit te zetten. Hij zat nu beslist ergens verschanst, in een grot of onder een overhangende rots, zonder vuur te stoken en met minstens twee man wakker.
Tegen zonsondergang pikte Claus hun spoor weer op, en dat volgde hij tot het helemaal donker was geworden. Hij vond een redelijke plek om de nacht door te brengen in de wetenschap dat Raaf minstens net zo ongemakkelijk lag als hij.
Iets voor zonsopgang werd hij wakker en probeerde zichzelf zo goed mogelijk warm te krijgen door zijn armen en benen te bewegen. Hij had een stijve rug en nek, en zijn neus liep. Kennelijk was hij ziek aan het worden van vermoeidheid en honger. Sinds hij het dorp had verlaten, had hij niets te eten meer gezien. Aangezien watergebrek een nog groter gevaar was dan enkele dagen zonder voedsel, dronk Claus op wat er nog in de waterzak zat en ging op zoek naar water.
Lettend op de contouren van het land volgde hij een helling omlaag tot hij bij een van de vele beekjes in deze bergen kwam. Tot zijn opluchting stonden er bosbessenstruiken langs de oever, en hongerig viel hij erop aan. De meeste bessen waren nog niet rijp, maar de weinige eetbare waren voedzaam genoeg om hem op te kikkeren en om de verslapping nog enkele dagen op afstand te houden. Een uur lang bleef hij zijn lege voedselbundel met rijpe bessen vullen.
Nog steeds hongerig maar zichbeduidend beter voelend ging Claus zijn prooi weer achterna.
Halverwege de ochtend kreeg Claus het gevoel dat er iets niet klopte. Aan de afstand tussen de hoefafdrukken kon hij zien dat Raaf en zijn mannen geen haast hadden. Kijkend naar de sporen in het zand begon er iets aan hem te knagen.
Een half uur geleden was hij een hoop paardenmest tegengekomen, en die was toen nog niet droog geweest. Hij liep dus nog geen half uur achter op Raaf Maar er was iets met de sporen dat hem maar niet losliet.
Hij hield halt en steeg af Raaf en zijn drie metgezellen hadden de extra paarden meegenomen. Toen drong het tot Claus door. Een van de paarden ontbrak! Vlug ging hij kijken of hij gelijk had. Ja, hij zag maar vijf paardensporen, geen zes. En maar drie waren zo diep dat de dieren werden bereden.
Er was onderweg iemand weggeglipt.
Claus sprong naar zijn paard en werd amper gemist door een pijl. Hij drukte zich tegen de hals van zijn rijdier en schreeuwde om de merrie aan te sporen. Tussen de bomen draaide hij om en wachtte.
Zijn belager was hem niet gevolgd. Rustig bleef Claus zitten en legde een hand op de hals van zijn paard om het vermoeide dier te kalmeren. Hij wachtte.
De tijd kroop voort. Misschien was degene die op hem had geschoten niet gebleven om te zien of het raak was geweest en was hij achter Raaf aan het pad af gevlucht. Maar misschien zat hij aan de andere kant van het pad te wachten tot Claus te voorschijn kwam.
Uiteindelijk werd Claus het wachten beu, dus liet hij zich uit het zadel glijden, bond het paard aan een struik en vertrok parallel aan het pad. Hij liep in zuidelijke richting, en op het smalste punt dat hij kon vinden, schoot hij de weg over en sloeg af naar het noorden. Als Raafs sluipschutter zuidwaarts was gevlucht, had hij de sporen moeten zien, maar als hij nog steeds zat te wachten tot Claus zich liet zien, moest hij verderop zitten.
Lichtvoetig sprong Claus van boom naar boom. Hij luisterde en keek, speurend naar een aanwijzing over de positie van zijn belager.
Toen hoestte de man. Claus versteende, want het geluid kwam van nog geen twaalf el verderop. Een nies, een kuch of een ander lichamelijk geluid was menigeen al fataal geworden. Hij wachtte, luisterend of de man zijn aanwezigheid door andere geluiden verraadde.
Langzaam liep Claus verder, zijn ene voet zachtjes neerzettend en zijn gewicht verplaatsend alvorens de andere voet op te tillen. Geen ritselend blad, geen knappende twijg en geen bonkend uitrustingsstuk mocht zijn aanwezigheid prijsgeven.
Toen rook hij hem. De wind blies vanuit het noordwesten, door een pas in de bergen, en plots kon Claus de stank van de ander ruiken. Hij had zich in weken niet gewassen, en zo te ruiken had hij gisteren midden in de rook gestaan.
Hij luisterde en keek, en toen zag hij hem.
Hij stond tegen een boomstam gedrukt, met een pijl in de aanslag het pad afspeurend naar elk spoor van Claus. Hij nam aan dat de man te verstaan was gegeven dat hij niet terug hoefde te komen zonder Claus' hoofd, want hij was duidelijk zenuwachtig aan het worden nu Claus na het eerste schot nog steeds niet was verschenen.
Claus mikte op hem en liep in een boog tot hij de man dodelijk kon treffen. 'Leg je boog neer,' zei hij zacht.
De man verstijfde. Hij draaide zich niet om maar bewoog zijn hoofd, en vanuit zijn ooghoek zag hij Claus staan. Hij opende zijn hand en liet de boog op de grond vallen.
'Draai je om, langzaam.'
Dat deed hij, tot hij met zijn rug tegen de stam stond, met Claus' pijl op zijn borst gericht.
'Waar is Raaf?'
'In het zuiden, misschien twee mijl verderop. Hij wacht tot ik je kom brengen of tot jij in zijn hinderlaag rijdt.'
'Hoe heet je?'
'Killgore.'
'Hoe lang ben je al bij Raaf?'
'Tien jaar.'
Claus liet de pees los, en de man Killgore werd aan de boom genageld. Zijn ogen werden groot, en even keek hij omlaag, tot zijn hoofd voorover zakte en zijn lichaam slap werd.
Claus liep naar hem toe en zei zacht: 'Tien jaar, dan was jij in mijn dorp, moordenaar.'
Hij liet Killgore aan de boom hangen en haastte zich terug naar de weg om zijn paard te halen. Nu waren er nog maar drie, en Claus wist dat ze twee mijl verderop op hem zaten te wachten.
Claus vloekte. Het was een groot weideland, en meteen snapte hij waarom Raaf deze plek had uitgekozen. De afstand was te groot om vanuit dekking tussen de bomen iemand neer te schieten. Raaf en zijn twee resterende overvallers zaten op hun paarden in het midden, met de handen rustend op de zadelknop, wachtend.
Of de sluipschutter kwam in zicht gereden en ze gingen verder naar het zuiden, of hun achtervolger verscheen en ze zouden een einde aan de jacht maken, het een of het ander. Claus dacht na over zijn mogelijkheden. Hij kon zich tussen de bomen schuil houden tot Raaf het wachten opgaf en verder zuidwaarts trok of terug naar het noorden ging om te zien wat er was gebeurd. Maar hij had alleen maar een zak bessen en een waterzak bij zich, en hij was ontzettend moe. Van wachten werd hij alleen maar zwakker.
Raaf was ongetwijfeld ook moe, maar hij had nog twee mannen bij zich.
Claus was benoemd tot beste zwaardvechter van de wereld, in elk geval tot het volgende toernooi aan het Meestershof, maar zij waren met zijn drieën, en ze zouden hem te paard bevechten. Claus koesterde geenszins de illusie dat ze zo vriendelijk zouden zijn om af te stijgen en een voor een op hem af te komen.
Hij haalde diep adem. Het werd tijd om er een eind aan te maken.
Hij pakte de korte boog die hij bij zich had, klemde een pijl tussen zijn tanden en hield een andere met de boog in zijn hand. Zijn paard besturend met zijn benen en één hand aan de teugels reed Claus in zicht.
De drie huurlingen zagen hem, en zonder omhaal trokken ze rustig hun wapens. Plots vatte Claus weer hoop. Geen van hen had een boog.
De goden dankend dat Rondar een goed rij-instructeur was geweest, zette Claus schreeuwend zijn paard aan tot galop. Hij reed recht op de drie mannen af, zijn blik gevestigd op Raaf, die in het midden stond.
Raaf verroerde geen vin maar zijn twee metgezellen wel. Die stuurden beiden hun rijdier in een rondtrekkende beweging, zodat Claus uiteindelijk iemand de rug moest toekeren. Claus liet de teugels los over de hals van zijn paard vallen en schoot de eerste pijl af. De ruiter rechts van Claus dook weg, zoals hij had verwacht, zodat hij laag had gemikt. De pijl trof de man in het bovenbeen, vlak bij het heupgewricht, en schreeuwend viel hij uit het zadel. Het was geen dodelijke wond, maar!voorlopig kwam hij niet meer overeind om te vechten.
Sturend met zijn benen reed Claus bij Raaf en de andere man vandaan terwijl hij zijn tweede pijl op de pees zette. De ruiter die naar links was gecirkeld bevond zich nu achter hem en reed recht op hem af.
Claus oefende druk uit met zijn benen, en zijn rijdier beschreef een cirkel. Hij zag de verbazing in de ogen van de tweede man toen hij zijn pijl losliet.
De man kreeg de pijl in het gewricht tussen hals en schouder, dat niet beschermd werd door zijn maliënkolder. Hij rolde achterwaarts uit het zadel en viel neer achter zijn paard, duidelijk al dood voordat hij de grond raakte.
Raaf viel aan.
Hij gaf Claus geen kans om nog een pijl uit de koker op zijn rug te trekken. Hij had gezien waartoe de schutter in staat was en twijfelde er niet aan dat hij zou sterven als hij niet onmiddellijk op hem af stormde.
Claus wierp zijn boog weg, trok zijn zwaard en draaide zich op het laatste moment om naar zijn aanvaller. Raafs paard botste tegen dat van Claus, en Claus' merrie viel bijna, opzij struikelend door de klap.
Met een ruk trok Claus haar rond, met zijn zwaard door de lucht klievend naar het punt waar hij hoopte dat Raafs hoofd zou zijn. Toen besefte hij zijn fout en probeerde te stoppen. Het was een fractie te laat. De pijn scheurde door zijn linkerschouder, waar Raafs zwaard de huid doorboorde en over het schouderbot schraapte. Claus vertrok zijn gezicht van pijn, maar hij hield het hoofd koel. Zijn paard aansporend weerstond hij de neiging met zijn rechterhand naar zijn linkerschouder te grijpen en bracht zijn zwaard omhoog om een volgende slag van Raaf te blokkeren.
Knipperend met zijn ogen tegen de tranen liet hij de pijn in zijn schouder wegtrekken, want hij wist dat Raaf te paard meer ervaring had dan hij. Niettemin, zwaardwerk was zwaardwerk, en een belangrijker gevecht had Claus nog nooit gevoerd.
Rondar had het er bij hem ingehamerd hoe hij zonder handen zijn paard kon besturen, zich verlatend op zijn benen om het dier aanwijzingen te geven, en dus trachtte hij van het paard een verlenging van zijn eigen lichaam te maken, zich voorstellend dat de benen van zijn paard de zijne waren.
Hij verdrong de pijn in zijn linkerschouder. Had Raaf iets lager geslagen, dan was hij er geweest. Dan had hij door pezen gesneden of misschien zelfs de hele arm eraf gehakt en zou hij door het bloedverlies ten dode zijn opgeschreven. Nu plakte zijn hemd aan zijn schouder van het bloed uit een oppervlakkige wond en zou hij het overleven als hij snel een einde aan het gevecht kon maken.
Claus liet zijn paard draaien om Raaf aan zijn rechterkant te houden om niet meer kwetsuren aan zijn gewonde arm te riskeren. Raaf gebruikte zijn paard om dat van Claus op te jagen zodat ze misschien haar berijder af zou werpen. Hij kwam tot vlak naast Claus, en voor het eerst zag Claus zijn vijand van dichtbij sinds die Kulaam had overvallen.
Het eens zo keurige baardje zag er nu haveloos en onverzorgd uit, en zijn hoekige gezicht was nu verwilderd en afgetobd. De huid was vaalgrijs, en de donkere, verzonken ogen waren roodomrand met grote zwarte kringen eronder.
Toch gaf dat gezicht blijk van een ijzeren wil, wat Claus vertelde dat dit de gevaarlijkste man was die hij ooit tegenover zich had gehad. Zonder zo'n wil kon iemand ook geen leiding geven aan zo'n meedogenloze en moordzuchtige bende als die van Raaf.
Die wil moest Claus evenaren. Het maakte niet uit of hij nu wel of niet bleef leven; Raaf moest dood. Hij moest boeten voor het kwaad dat hij Claus' volk had aangedaan.
Ze cirkelden, slagen uitwisselend, staal galmend op staal, en geen van beiden kreeg het overwicht. Raaf was behendiger in het sturen van zijn paard, maar binnen zwaardbereik was Claus de beste vechter.
Lange minuten reden ze om elkaar heen, uitvallend en parerend, zonder dan een van hen de overhand kreeg. Tot drie keer toe trachtte Raaf op Claus af te stormen, maar beide paarden waren de uitputting nabij, en de derde keer trok Raaf zich terug met een snee over zijn wang. Het bloed vloeide over de rechterkant van Raafs gezicht, en Claus zag iets. De vastberadenheid in Raafs ogen was verdwenen! Hij keek nu naar een man die bang was om te sterven.
Claus viel aan. Uit volle borst schreeuwend kwam hij overeind in de stijgbeugels en sloeg uit alle macht omlaag. Raafs jaren van zwaardwerk te paard kwamen hem goed van pas, want Claus had verwacht dat Raaf zou wegdraaien met opgeheven zwaard om Claus' slag op te vangen, maar in plaats daarvan boog Raaf zich voorover, zich met de linkerhand vasthoudend aan de zadelknop om naar Claus' rechterbeen te slaan.
Claus voelde de pijn toen Raafs kling diep in zijn kuitspier sneed, en het been werd slap. Door de vaart van zijn neerwaartse klap vloog hij voorover van zijn paard.
Hij trok zijn schouder in en probeerde verder te rollen, maar de klap verdoofde hem even. Zijn vermoeide en angstige paard draafde weg, en Claus lag op de grond terwijl Raaf nog op zijn rijdier zat. De huurlingen-kapitein keerde zijn paard en gaf het de sporen voor een laatste aanval om Claus onder de hoeven te vertrappen.
Wegrollend wist Claus ternauwernood de hoeven van het dier te ontwijken, en hij voelde Raafs zwaard rakelings over hem heen gaan. De huurling had zich niet op tijd ver genoeg omlaag gebogen om de genadeslag toe te dienen.
Claus dwong zichzelf overeind te komen, plaatste zijn gewicht op zijn gezonde been en maakte zich op om verder te vechten. Maar in plaats van de verwachte aanval zag hij Raaf naar het zuiden rijden.
De moordenaar had genoeg gehad en vluchtte weg. Zijn uitgeputte paard was amper in staat om een drafje vol te houden. Claus' paard stond te ver weg om er met zijn gewonde been naar toe te lopen, op te stijgen en Raaf in te halen. Hij moest zijn wonden verzorgen om niet flauw te vallen van het bloedverlies. Hij was al duizelig van de klap op zijn hoofd van toen hij van zijn paard was gevallen. Zwart rees de frustratie in hem op om hem te overspoelen, tot hij zijn boog en koker op slechts een paar el afstand zag liggen. Zo vlug hij kon, hobbelde hij erheen en pakte de boog op. Hij haalde een pijl uit de koker, zette hem op de pees en spande de boog. Nadat hij wind en afstand had ingeschat, liet hij los.
Hij wist dat hij alleen maar dit ene schot had.
Raaf hoorde de pijl niet aankomen. Hij reed iets over de hals van het dier gebogen om de hengst tot zo groot mogelijke snelheid te manen.
Toen trof de pijl doel. Hij sloeg in Raafs rug, tussen de schouderbladen, dwars door zijn lederen wapenrusting heen.
Claus zag hem slap worden en van zijn paard vallen. Hij hoefde niet naar het lijk te lopen om te weten dat Raaf, eindelijk, dood was.
Claus' benen begaven het. Het leek of al zijn wils- en lichaamskracht uit hem wegvlood. Hij keek naar zijn paard, dat zo'n honderd el verderop stond te grazen. Straks zou hij proberen naar haar toe te gaan om haar te pakken. Maar eerst moest hij even zitten. Even op adem komen. Daarna zou hij naar zijn been en schouder kijken. Het laatste wat hij dacht voordat hij bezwijmde, was dat hij nog nooit zo'n mooi schot had gelost.
Hij werd wakker van de geur van voedsel en koffie. Hij lag onder dekens naast een wagen. Iemand had zijn schouder en been verbonden. Het was nacht.
'Koffie?'
Claus keek op en zag John Creed bij een vuurtje zitten. Een paar el verderop zat een handjevol mannen uit zijn compagnie rond een groter kampvuur.
Met zijn gezonde arm werkte Claus zich een stukje overeind en leunde tegen het wagenwiel. 'Graag.'
Creed gaf hem een aardenwerken beker, en terwijl Claus van het bittere brouwsel nipte, zei Creed. 'Maar goed dat we toevallig voorbijkwamen. Je was verdomme bijna leeggebloed.'
'Hoe hebben jullie me gevonden?'
Creed schoot in de lach. 'Dat was niet zo moeilijk.' Hij gaf Claus een nog warm stuk vlees tussen wat brood. 'Je liet allemaal lijken achter op je pad.' Hij wees in noordelijke richting. 'Bij het krieken van de ochtend hebben we het dorp verlaten, misschien zeven uur nadat je achter Raaf was aangegaan.' Hij krabde aan zijn kin. 'Eerlijk gezegd had ik gedacht dat je zelf ook een lijk was, maar je hebt het goed gedaan, Claus Haviks. Toen ik het eerste lijk zag, ben ik vlug met een paar jongens doorgereden om te zien of je hulp nodig had. Maar dat had je niet.' Hij grinnikte. 'Helemaal niet, zelfs. Jammer dat je Raafs smoelwerk niet hebt kunnen zien toen ik hem omdraaide. Hij is heel verbaasd gesneefd.' Creed grinnikte weer. 'Jouw pijl stak uit zijn rug, en hij had zijn kin op zijn borst alsof hij keek wat er uit zijn borst te voorschijn piepte, met grote ogen. Die hufter heeft nooit een fatsoenlijk gevoel voor humor gehad, als je het mij vraagt.' Hij stond op. 'We vonden je daar, bijna uitgeteld. Ik heb je opgelapt, en een uurtje of twee geleden kwamen de jongens met de wagen. Daar kun je in meerijden naar Kustwacht. Dat been is er lelijk aan toe, maar als je geen infectie krijgt, moet het wel goed kunnen komen.'
Claus at zijn mond leeg. 'Waar is de andere wagen?'
'Die heb ik in het dorp achtergelaten. We hadden er maar eentje nodig, en ik dacht dat je het vast niet erg zou vinden als ik de andere aan de Orodon gaf.'
'Nee, helemaal niet.'
'Ze zingen daar allerlei liederen over je rond de vuren, Claus. Je bent zowaar een held voor die lui.'
Claus wist niet wat hij moest zeggen. Hij dacht aan zijn eigen volk en vroeg zich af wat er van zijn leven zou zijn geworden als er een groep mannen als zijn huurlingen naar Kulaam was komen rijden, tien dagen voordat Raafs bende en de mannen van Olasko waren gekomen.
Hij leunde achterover en deed zijn ogen dicht. 'Ik ben geen held.
'Ik heb gewoon iets afgehandeld.'
'Nou, dat heb je zeker,' zei Creed.
'Bedankt voor je goede zorgen, John.'
'Je hebt het in je om een uitstekend kapitein te worden, als je het mij vraagt, Claus. Als je manschappen nodig hebt, zul je die makkelijk kunnen vinden. Je bent eerlijk, je zorgt overal voor en je betaalt beter dan de meeste anderen.'
'Als ik ooit nog een sterke rechterhand nodig hebt, John Creed, dan ben jij de eerste die ik vraag.' Hij zette de beker neer en ging weer liggen. Hij kreeg weer slaap, voelde hij, want zijn lichaam had rust nodig om te genezen.
'Vraag gerust, dan zeg ik ja,' zei de huurling met een grijns ('11 staarde in de verte. 'En nu?'
Claus keek naar de sterren aan de hemel. 'Uitrusten. Dan nog wal dingen regelen.'
'Nou,' zei Creed, 'die dingen kunnen wel een paar dagen blijven wachten. Rust uit zolang het kan, zeg ik altijd maar.'
Claus maakte het zich gemakkelijk onder de dekens, en terwijl hij in slaap sukkelde, dacht hij aan zijn familie. Hij hoopte dat ze nu vrede hadden.
Toen dacht hij aan de hertog van Olasko en zijn kapitein, Quint Havrevulen. Die twee moesten Raafs lot ook nog delen voordat Klauws familie kon rusten. En met die onaangename gedachte viel Klauw van de Zilverhavik uitgeput in een diepe slaap.