5 Reis

 

Klauw niesde.  

'Te veel peper,' zei Leo.

Met de zoom van zijn schort veegde Klauw de tranen uit zijn ogen en knikte. Hij werkte nu een jaar in de keuken, en in de afgelopen vier maanden was hij zich er thuis gaan voelen. Hij deed nog steeds klussen in de schuur of ergens anders waar Kendrick hem inzette, maar de meeste tijd bracht hij bij Leo door.

Vier maanden eerder was Leo op een dag binnen gewandeld, had Klauw bij zich geroepen en hem geleerd pasteischotels te maken, een eenvoudig klusje met spek en tarwebloem. Daarna was hij opgeklommen tot het wassen van groenten en ook fruit, als dat uit het warmere zuiden werd gebracht. Vervolgens was hij overgegaan tot het maken van eenvoudige schotels. In de afgelopen vier maanden had Klauw de grondbeginselen van het bakken en het braden van vlees geleerd, en nu kreeg hij les in het maken van sauzen.

Klauw glimlachte.

'Wat is er zo grappig, kereltje?' vroeg Leo.

'Ik bedacht net hoeveel meer erbij komt kijken om een maaltijd te maken dan ik als kind heb geleerd. Mijn vader en de andere mannen uit ons dorp zaten gewoon rond een groot spit waaraan een hert draaide en praatten over de jacht of de gewassen of welke zoon het hardst kon lopen, en de vrouwen bakten brood of kookten stoofpot of soep. Mijn moeder zou haar ogen hebben uitgekeken op de specerijen in jouw kast, Leo.'

'Eenvoudige kost kan ook een uitdaging zijn, Klauw. Rundvlees aan het spit moet op het juiste moment een beetje peper en zout hebben en misschien vlak voor het wordt opgediend nog een snufje knoflook.'

Klauw grijnsde. 'Opdienen is iets wat mijn moeder nooit zou hebben begrepen.'  

'En dan heb jij er nog niet eens veel van gezien, jongen,' zei Leo met een vriendschappelijke mep op Klauws achterhoofd. 'Wat wij hier doen gaat aan de meeste burgers gewoon voorbij, en zelfs de edellieden die hier langskomen zouden onze kost als rustiek beschouwen, vergeleken bij de dissen die ze in de grote steden eten. De tafels aan het hof in Rillanon en in Roldem worden elke avond overladen met de inspanningen van tientallen koks en honderden keukenhulpjes zoals jij. Elke schotel wordt gesierd met maar een kleine portie van dit gerecht, een kleine portie van die delicatesse. Het is een kunst, jongen.'

'Als jij het zegt, Leo. Al weet ik niet precies wat je met "kunst" bedoeld. In onze taal kennen we zo'n woord niet.'

Leo hield op met roeren in zijn eigen schaal met saus. 'O nee?'

Inmiddels sprak Klauw vloeiend Roldeems, en hij werd alleen nog maar gecorrigeerd op het punt van zijn uitspraak. En zo nu en dan werd er iets gezegd over het kennelijke genoegen waarmee hij obsceniteiten spuide, waarmee hij Leo leek te amuseren, Robert ergerde en Martha steeds weer een schok bezorgde. De Orosini schaamden zich niet voor seks of andere lichaamsfuncties, en Klauw vond het wel grappig dat het beschrijven van de stoelgang of de geslachtsdaad in de Roldeemse maatschappij als onfatsoenlijk werd beschouwd.

'Nee,' antwoordde Klauw. 'In de taal van de Orosini kom je er nog het dichtst bij met woorden als "sierlijkheid" of "schoonheid", maar het idee om iets te doen gewoon voor de lol is... iets wat ik mijn jeugd nooit heb gezien.' In het afgelopen jaar had Klauw de vernietiging van zijn volk redelijk verwerkt. In plaats van de verschrikkelijke pijn was het nu een zwarte herinnering die hem af en toe nog verdriet bezorgde. Het grote leed was grotendeels gesleten. Een deel van de reden daarvoor was het leren van nieuwe dingen, en het overige deel was Lela.

'Ach, ja,' zei Leo, 'je leert iedere dag iets nieuws.'

Klauw knikte. 'We hebben - hadden wel iets dat op kunst leek in de vorm van het handwerk dat de vrouwen deden. Mijn grootmoeder maakte dekens met kleurpatronen die door iedereen in het dorp werden gewaardeerd. Onze sjamaan en zijn acolieten maakten... geen voorwerpen, maar cirkels en figuren in het zand. Tijdens hun werk zongen en baden ze, soms dagen achtereen, in een tent die ze speciaal daarvoor hadden opgezet. Als ze klaar waren, kwam het hele dorp naar het werk kijken, en dan zongen we terwijl de wind de gebeden naar de goden overbracht. Sommige waren heel mooi.' Klauw zweeg even. 'Die schilderijen die Kendrick in de eetzaal heeft hangen.'

'Ja?' vroeg Leo.

'Ik wou dat mijn grootmoeders dekens of de zandgebeden ook zo herinnerd konden worden, aan de muur, waar iedereen ze kan zien. Ze waren zo mooi.'

'Oog voor schoonheid is een geschenk, Klauw:' Op dat moment kwam Lela de keuken binnen. 'En over schoonheid gesproken...' mompelde Leo met een grijns.

Klauw wierp een blik naar het meisje en glimlachte. De Orosini konden hun gevoelens voor vreemden verborgen houden, maar inmiddels was hij het keukenpersoneel als zijn familie gaan beschouwen, en iedereen wist van zijn relatie met Lela. In de afgelopen maanden had hij bijna elke nacht bij haar in bed geslapen.

Als bijna zestienjarige was hij naar de maatstaven van zijn volk een man, en had zijn dorp nog bestaan, dan zou hij nu echtgenoot en vader zijn. Hij keek weer naar Lela, en ze glimlachte terug.

'Waar heb ik dit genoegen aan te danken?' vroeg Leo. 'Is de was klaar?'

'Ja,' antwoordde ze met een parmantige glimlach. 'Meggie en Martha zijn het laatste van het geverfde beddengoed aan het opvouwen, en ik kwam kijken wat er hier moest worden gedaan.'

'Natuurlijk,' zei Leo grinnikend. Zachtjes duwde hij Klauw opzij, stak een lepel in de saus die de jongen aan het maken was en proefde. Nadat hij geruime tijd peinzend in de verte had gestaard, zei hij: 'Eenvoudig, maar ... neutraal.' Hij liet zijn vingers dansen over de potjes met kruiden, een snufje van dit, een scheutje van dat, en roerde de saus krachtig door. 'Dit is voor de kip, jongen, een langzaam gebraden kip. Dat is neutraal vlees, niet zo vol van smaak als die lekkere patrijzen en kalkoenen die je meebrengt van de jacht. Die hebben maar een simpel sausje nodig om de smaak naar voren te brengen. Deze saus moet het beestje smaak géven. Hier.' Hij hield de lepel voor Klauws lippen. 'Proef!'  

Klauw proefde, en hij knikte. Het was de saus die hij had geprobeerd te maken, maar dan zoals hij had moeten zijn. 'Dus ik had meer kruiden moeten gebruiken, Leo?'  

'Twee keer zo veel, mijn jongen, twee keer zo veel.' Hij legde de lepel neer en veegde zijn handen af aan zijn schort. 'Wees nu eens een brave knul en ga Lela helpen met groenten wassen.'

Klauw knikte en liep naar de grote houten wasbak die aan de achterwand van de keuken hing. De wasbak had een afvoer die heel slim door de muur naar buiten ging en uitmondde in een kleine buis die langs het gebouw liep naar een ondergrondse pijp, waardoor het water uiteindelijk terechtkwam in een beerput die Kendrick achter de buitenmuur van het erf had laten graven. Hij pakte een emmer koud water en goot die langzaam leeg terwijl Lela de groenten afspoelde. Het was de eerste oogst uit de moestuin, en bij de gedachte aan verse worteltjes, radijsjes en knolraap liep het water Klauw in de mond.  

'Vanwaar de saus?' vroeg Lela. 'We hebben vanavond toch geen gasten?'

'Daarom, dus,' antwoordde Klauw: 'Leo wilde het me nog eens laten proberen, aangezien er toch niemand zou zijn om over de saus te klagen.'  

'Dan maak je zeker vorderingen,' merkte Lela op. 'Deze heeft hij niet door de keuken gesmeten.'

'K1opt,' zei Klauw: 'Jullie kunnen soms rare mensen zijn.'  

'Wij zijn raar?' Ze schudde het water van haar handen in zijn gezicht, en hij zette de emmer neer. 'Na alles wat je over je volk hebt verteld, ben jij de rare.'

Klauws gezicht betrok. 'Maakt niet uit. Ik ben toch de enige die nog over is.'  

Ze deed haar best om niet al te vrolijk te kijken. 'Ach, ik heb je gekwetst.' Koket gaf ze hem een kusje op zijn wang. 'Ik zal het weer goed met je maken.'

Meteen klaarde hij op. 'Hoe dan?'

Plagerig draaide ze zich bij hem vandaan. 'Maak de wasbak maar voor me schoon. Als je vanavond naar mijn kamer komt, zal ik het je laten zien.'

Lars kwam met een groot stuk rundvlees de keuken binnen. 'Dit is het laatste van de wintervoorraad,' verkondigde hij. 'De koelruimte is leeg.' De koelruimte was een ondergrondse voorraadkamer die Kendrick had laten bouwen. 's Winters vroor het er dat het kraakte, en alle etenswaren die er werden bewaard, bevroren snel, en in het voorjaar dooide het er nauwelijks, zodat de provisie tot in de zomer bevroren bleef en het er koud bleef tot de eerste sneeuw weer viel.

'Dan zullen we een reisje naar Latagore moeten maken,' zei Leo. 'Behalve vee moeten we ook veel etenswaren kopen.'

'Leo, mag ik mee?' vroeg Klauw.

Leo krabde even aan zijn kin. 'Weet ik niet, knul. Dat zal Robert moeten beslissen, neem ik aan. Ik zou blij zijn met je gezelschap, maar gewoonlijk ga ik met Kendrick of een van de jongens.'

Lars hing het stuk rundvlees aan de haak, trok een groot mes en begon het vlees te snijden. 'Waarom wil je mee, Klauw?'

'Ik ben nog nooit in een stad geweest,' antwoordde Klauw. 'Zoiets zou ik wel eens willen zien.'

'Nou,' zei Leo, 'ik zal Robert vragen wat hij ervan vindt.'

Terwijl Klauw het groenteafval opruimde dat Lela in de wasbak had laten liggen, dacht hij erover na wat hij het spannendst vond: een bezoek aan Lela na de maaltijd, of een bezoek aan een stad. 

 

Klauw zag het meer als bij toverslag verschijnen toen ze over de heuvel kwamen. Ze waren uit de hogere gebieden van de uitgestrekte bossen van Latagore, dat bekend stond als het Grootwoud, afgedaald naar glooiende heuvels en door een handvol kleine valleien, tot ze terechtkwamen in een diepe kloof die was uitgesleten door een kleine maar snel stromende rivier. Het landschap links van hen werd aan het zicht onttrokken door de oprijzende klifwand van steen en stevige aarde, waaraan koppig struikgewas zich vastklampte voor een kans op overleven. Rechts liep het land steil omlaag naar de rivier, met in de verte de zweem van blauw die de pracht van het Grote Meer van Latagore bleek te zijn.

Alles wat Klauw zag fascineerde hem, en hij reed in tevreden stilzwijgen. En dat was misschien maar goed ook, want Kendrick had Caleb aangewezen om naar de markt te gaan, om redenen die Klauw niet bekend waren gemaakt.  

Klauw woonde nu lang genoeg op Kendricks Hofstee om een paar dingen te weten te zijn gekomen over de merkwaardige relaties tussen de mensen die er werkten en die er woonden. Kendrick was de eigenaar, daar bestond geen twijfel over. Robert bekleedde een positie van gezag, vergelijkbaar met die van Kendrick, maar welke positie wist Klauw niet precies. Soms waren Robert en Pasko weken achtereen verdwenen - eenmaal twee maanden - om dan terug te keren en een tijdlang te blijven. Momenteel waren ze weer op reis, en ze zouden nog steeds afwezig zijn als Klauw terugkwam.  

Een behoorlijke tijd had Klauw de relaties binnen de herberg geprobeerd te begrijpen volgens de maatstaven van zijn eigen volk, tot hij begreep dat dat niet kon. Hij wist dat Kendrick een zoon had, ergens, over wie niet veel werd gesproken. Leo en Martha waren man en vrouw, zonder eigen kinderen. Lars en Meggie hadden zo nu en dan iets met elkaar, al hadden ze nu voor de zoveelste keer zo'n periode waarin ze amper tegen elkaar spraken. En iedereen beschouwde hem als de man van Lela, al wist hij nog steeds niet zeker hoe Lela dat zag.  

Ook wist hij intussen hoe het zat met de relaties tussen de andere bedienden van de herberg, die niet in de keuken werkten maar wel woonden in de herberg of op een van de boerderijen die Kendrick in de omgeving bezat om de herberg van groenten te voorzien. Maar veel ervan vond hij nog steeds vreemd. Hij voelde zich dan wel min of meer familie van het keukenpersoneel van Kendricks Hofstee, maar de traditionele bindingen van familie en stam ontbraken.

Hij zette die gedachten van zich af. Stilstaan bij zijn verloren verleden leidde alleen maar tot wanhoop, en hij was vast van plan de gelegenheden die het leven hem bood ten volle te benutten. Hij keek naar het meer, dat groter was geworden nu ze langs de obstakels waren die het zicht erop blokkeerden, en toen ze opnieuw boven aan een heuvel kwamen, zag hij de stad Latagore.

De middagzon versterkte de contrasten van hoeken en lijnen, vormen en contouren van de stad. Klauws oog kon het bijna niet aan, maar toen dook er orde op.  

Kendricks Hofstee was het grootste door de mens gemaakte bouwwerk dat hij tot dusver had gezien, en zijn zintuigen werden bijna overstelpt door de immense omvang van de stad. Ze lag aan de oever van een baai, over mijlen verspreid, zodat het leek of ze door een reuzenhand in de bocht van de kustlijn was gelegd.

Caleb keek naar hem en zag hem staren. 'Wat zie je?'

Klauw kende die vraag. Robert stelde hem de hele tijd, net als Magnus als hij Klauw onderricht gaf. Het ging niet om zijn indruk of zijn gevoelens, maar over de bijzonderheden die hij zag, feiten, zoals Robert het stelde.

Meteen sloeg Klauw aan het analyseren. 'Er loopt een muur rond de stad, helemaal tot in het water... ik denk zo'n honderd el of meer het water in.' Hij dwong zichzelf orde te scheppen uit de chaos van beelden. 'Midden in de stad staat een groot gebouw dat zo hoog is dat je het tot mijlen in de omtrek kunt zien. Ik weet niet hoe zoiets heet.'

'Dat heet een citadell. Het was vroeger een kasteel, neergezet om deze oever van het meer te verdedigen. De stad is eromheen gegroeid.' 

'Er zijn vijf grote... dingen die het water in steken.'

'Havenhoofden.'

Klauw liet zijn blik een poosje dwalen en was onder de indruk van de grootte van het meer. Dit kon toch zeker niet gewoon een meer zijn. Het was vast een zee.

Calebs stem deed hem uit zijn mijmeringen opschrikken. 'Wat nog meer?'

Klauw begon de details te beschrijven die hij met zijn bijna bovennatuurlijk scherpe blik wist te onderscheiden. Telkens wanneer hij iets tegenkwam dat hij niet kende, gaf Caleb hem het woord ervoor en ging hij verder.

Naarmate ze de weg verder volgden, omlaag naar het plateau waarop de stad lag, raakte Klauw steeds meer van zijn overzicht kwijt en moest hij zich verlaten op zijn geheugen. Toen ze terechtkwamen tussen bomen die het zicht op de stad helemaal blokkeerden, zei Caleb: 'Goed gedaan. Je hebt een paar dingen gemist, maar opletten is dan ook nieuw voor je.'

'Waarop letten?' vroeg Klauw .  

Caleb glimlachte, een zeldzame gebeurtenis. 'Op alles. Let je op alles?'

'Waarom?'

Ze reden verder over de weg, door de bossen en langs een weiland terwijl Klauw wachtte op zijn antwoord. 'Als je op jacht bent,' zei Caleb uiteindelijk, 'waar let je dan op?'  

'Op alles,' antwoordde Klauw. 'De windrichting, de geuren in de lucht, de geluiden in het bos, op alle sporen die zijn achtergelaten.' Caleb knikte. 'Doe altijd alsof je op jacht bent.'  

'Altijd?' vroeg Klauw. 

'Altijd.'

'Waarom?'

'Omdat dat je het leven kan redden,' zei Caleb.

Ze reden nog een uur stilzwijgend verder, tot ze bij een kruising met een herberg kwamen. Het was een uur na noen, en Caleb zei: 'We laten de paarden uitrusten terwijl we hier eten. Dan zijn we tegen het avondmaal in de stad.'

Dat sprak Klauw niet tegen. Ze waren al twee dagen onderweg, en al was het geen last om onder de wagen te slapen, hij was blij met een warme maaltijd.  

Het was maar een kleine herberg, een pleisterplaats voor de weinige mensen die ofwel net iets te laat waren om Latagore nog te bereiken, ofwel net als Caleb en Klauw stopten voor een middagmaaL Op het bord boven de deur stond een man met een hooivork in de ene hand en een grote kroes in de andere. De verf op het bord was verschoten, maar Klauw kon nog zien dat de man een vrolijk gezicht had.  

'Hoe heet het hier?' vroeg hij Caleb zachtjes toen de wagen langzaam voor de herberg tot stilstand kwam.

'Herberg de Blije Boer.'

Op het horen van de wagen kwam er een jongen van achterom, die luisterde naar Calebs instructies over de verzorging van de paarden. Aangezien de wagen leeg was, waren de paarden niet moe en hadden ze alleen water en wat hooi nodig. Op de terugweg, met de volle wagen omhoog de heuvels in, zouden ze meer rust en graan behoeven.

Caleb nam Klauw mee de herberg in en liep naar een lege tafel in de hoek. Daar zette Caleb zijn zwarte hoed af en verschoof het zwaard aan zijn zij zodanig dat hij er gemakkelijk mee aan tafel kon zitten. Hij beduidde Klauw tegenover hem plaats te nemen.  

Er kwam een niet onvriendelijke vrouw van middelbare leeftijd naar hen toe om hun te vragen wat ze beliefden. Caleb bestelde bier en een maaltijd voor hen beiden en leunde achterover, kijkend naar de andere aanwezigen.

Het was rustig in de gelagkamer, met slechts vier mannen die hun middagpauze namen. Twee waren duidelijk handelaars in het een of ander, potige kerels in stoere maar goed gesneden reis kleding. De andere twee zaten aan het tafeltje ernaast, met de hoofden bijeen zachtjes te praten. Ze leken een soort strijders; beiden droegen eenvoudige kleren: tuniek, broek en vest, maar Klauw kon geen sieraden ontdekken. Hun laarzen en wapens waren echter zeer goed verzorgd, waaruit Klauw opmaakte dat ze veel tijd doorbrachten met lopen en vechten.

De maaltijd werd gebracht, en Klauw en Caleb aten in stilte. Het eten was niet zo goed als wat er bij Kendrick werd geserveerd, maar het was voedzaam, en de jongeman vond het bier behoorlijk.  

Voordat ze waren uitgegeten, zag Klauw de vier mannen opstaan en samen vertrekken.

'Wie denk je dat het waren?' vroeg Caleb toen ze weg waren.

'Twee kooplieden op weg naar Latagore, met hun twee bewakers.'

'Een redelijke veronderstelling. Al wed ik dat er meer loos was.'

'Hoe bedoel je?'

'Ik bedoel dat het niet ongebruikelijk is dat bewakers vlak bij hun werkgevers aan een apart tafeltje eten, maar ze spraken nogal druk over een onderwerp dat hun werkgevers niet mochten horen. De hele maaltijd waren ze diep in gesprek.'

Klauw haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet zeker wat dat moet beduiden.'  

'Niets, behalve dan dat het geen routineklusje voor de bewakers was. Eentje heeft geen hap van zijn eten genomen.' Hij wees naar de tafel waaraan de bewakers hadden gezeten, en Klauw zag dat een van de borden inderdaad niet was aangeroerd.  

Tijdens het jaar in Kendricks Hofstee had Klauw genoeg bewakers en huurlingen bediend om te weten dat die vrijwel alles aten wat hun werd voorgezet, alsof het hun laatste maaltijd was. 'Goed dan, Caleb. Wat denk jij dat het betekent?'  

'Er was geen wagen te bekennen toen we aan kwamen rijden, niet op het stalerf achter de herberg en niet aan weerszijden van het gebouw, maar er werden wel vier paarden verzorgd door de jongen die onze wagen naar achteren kwam brengen.'

Caleb viel stil, en Klauw dacht na over wat hij had gezien en wat hij over reizende handelslieden wist. 'Dat betekent dus dat die twee kooplieden goederen gaan kopen in Latagore.'  

'Of ergens anders transport gaan regelen, maar ze verkopen geen waren in de stad.'

'En dat betekent dat ze goud bij zich hebben.'

'Misschien. En die twee vechtersbazen die ze hebben ingehuurd, kunnen makkelijk tot dezelfde slotsom komen.' 

Vlug begon Klauw zijn maaltijd op te eten. 

'Wat doe je?' vroeg Caleb.

'We gaan hen toch achterna om hen te helpen?'

'Zeker niet,' zei Caleb. 'Je komt onderweg al genoeg problemen tegen zonder je met die van anderen te bemoeien.'

'Maar die twee bewakers gaan die mannen vermoorden,' zei Klauw.

Hij dronk zijn kroes leeg en stond op. 'Dat kunnen we toch voorkomen?'

Caleb schudde zijn hoofd. 'Waarschijnlijk nemen ze die kooplieden al het goud af, en de paarden, en laten ze hen naar Latagore lopen. Tegen de tijd dat ze de stad bereiken, zijn die twee huurlingen al vertrokken met een boot naar de overkant en zijn ze al op weg naar het Hoogbereik of Kustwacht.'

'Of ze snijden hen gewoon de keel af en blijven in Latagore. Die zenuwachtige van de twee kan in paniek raken en domme dingen gaan doen.'

Caleb stond op en wenkte de vrouw die hen had bediend. 'Zeg de jongen onze wagen klaar te zetten.' Tegen Klauw zei hij: 'We zouden de paarden tot schuimens toe de zweep moeten geven om hen in te halen.'  

'Niet per se,' zei Klauw. 'Die kooplieden leken me niet het type om haast te maken. De bewakers zullen de kooplieden voor de gek blijven houden tot ze hen overvallen. Jij bent hier eerder geweest. Wat zou jij de beste plek vinden om die twee te vermoorden?'  

'Vijf mijl verderop loopt er een diep ravijn dat tot de weg reikt. Als ik een moord wilde plegen, zou ik het daar doen, want dan kun je de lijken een halve mijl of zo naar het ravijn slepen en vlug terug naar de weg gaan zonder dat iemand het ziet. Het zou maanden kunnen duren voordat iemand die mannen vond.'

'Dan moeten we opschieten,' zei Klauw. 'Ze moeten al dik een mijl op ons voor liggen.'  

Even keek Caleb hem merkwaardig aan. 'Laten we gaan, dan,' zei hij toen.

Ze gingen naar buiten en moesten een paar minuutjes wachten tot de wagen van achterom was gehaald. De jongen had de paarden uitgespannen en geborsteld, en Caleb gaf hem een koperstuk voor het extra werk.

Caleb zette de paarden aan tot een stevige pas, en de dieren protesteerden snuivend tegen het hoge tempo. 'Als je gelijk hebt, halen we de kooplieden en de bewakers in als ze net bij de ravijn zijn.' Hij keek naar Klauw en zag de vastberadenheid op zijn gezicht. 'Waarom wil je zo graag tussenbeide komen, mijn jonge vriend?'

Klauws gezicht betrok. 'Ik hou niet van moord.'

Caleb knikte en zweeg even. 'Als je dan toch de held gaat uithangen, kan je dat beter bewapend doen.'

Klauw knikte. Hij draaide zich om en pakte een zwaard en een dolk van achter de zitting. Tot dusver had hij geen reden gezien om ze op zijn lijf te dragen.  

Caleb liet de paarden het hoge tempo aanhouden, en na enige tijd van stilte vroeg hij: 'Hoe zijn die twee huurlingen bewapend?'

Zonder aarzelen gaf Klauw antwoord. 'Die lange, die kalme, had een lang zwaard aan zijn rechterheup - hij is linkshandig. Op zijn linkerheup had hij een lange dolk, en ik heb het gevest van een werpmes net boven zijn rechterlaars uit zien komen. Die zenuwachtige had een kort zwaard op zijn linkerheup en twee dolken aan zijn gordel aan de rechterkant. Hij droeg verscheidene messen in dat zwarte mouwloze vest dat hij aan had en nog een klein mes in de zweetband van zijn vilthoed, aan de kant met de zwarte kraaienveer.'

Caleb lachte, wat hij zelden deed. 'Dat laatste mes heb ik over het hoofd gezien.'

'Het vervormde de hoed een beetje.'  

'Je hebt je lessen in Kendricks Hofstee goed geleerd. Je hebt alleen het mes gemist achter de gesp van de riem van die zenuwachtige. Ik zag het alleen omdat hij voorzichtig opstond en er even zijn duim achter hield om te voorkomen dat hij zich eraan prikte.'

'Lijkt me geen goede plek om een mes te dragen.'  

'Wel als je het goed doet. Maar zo niet, nee.' Hij haalde zijn schouders op.

In een stevig gangetje reden ze verder terwijl de zon aan de hemel verschoof. 'Daar,' zei Caleb toen ze boven aan een heuvel kwamen.

In de verte zag Klauw de weg links omhoog lopen en rechts wegvallen. De stad was nu duidelijk zichtbaar in de verte, en was alles volgens plan verlopen, dan hadden ze die makkelijk voor het vallen van de avond kunnen bereiken.  

Op het verste punt van de weg zag Klauw iets bewegen, en nadat hij even goed had gekeken, zei hij: 'Vier ruiters.'  

Caleb klakte met de teugels en zette de paarden aan tot draf. 'Ze zijn eerder bij het ravijn dan ik dacht!'

De wagen won aan snelheid, en met beide handen hield Klauw zich vast aan de zitting, aangezien de zware assen elke bult in de weg rechtstreeks doorstuurden naar zijn rug. Deze wagen was gebouwd voor het vervoer van zware ladingen, niet voor het gemak van de berijders.  

Het geluid van de over de weg denderende wagen had de vier ruiters moeten waarschuwen, maar tegen de tijd dat Klauw en Caleb dichterbij kwamen, zagen ze de mannen tegenover elkaar staan, de twee kooplieden ruziënd met de twee bewakers.  

Net toen de huurling die Klauw 'de zenuwachtige' noemde, zijn zwaard trok, keek zijn metgezel om en zag de wagen naderen. Hij schreeuwde, en de ander keek wat er aan de hand was.

De twee kooplieden keerden hun paarden en probeerden weg te rijden, waarop Zenuwpees met zijn zwaard naar de dichtstbijzijnde koopman zwaaide en hem in de linkerschouder trof. De man gilde en viel van zijn rijdier.

Caleb stuurde de paarden in galop links van het drietal. De koopman die uit het zadel was gevallen, schuifelde als een krab achterwaarts bij de twee huurlingen vandaan. De andere koopman galoppeerde de weg af, klapperend met zijn armen alsof hij probeerde op te stijgen van de rug van zijn paard.

Klauw stond op, sprong van de wagen toen die langs de bewakers stoof, boven op Zenuwpees, en sloeg hem het zwaard uit zijn hand. Caleb deed zijn best om de wagen niet te laten kantelen toen hij inhield. De andere huurling nam snel de situatie in ogenschouw, gaf zijn paard de sporen en galoppeerde weg in de richting waaruit ze gekomen waren.  

Klauw en Zenuwpees vielen van het paard op de grond. Klauw belandde boven op Zenuwpees, die kreunde toen hem alle lucht uit de longen werd geslagen. Hij trapte toen Klauw zich van hem af liet rollen. Klauw kwam overeind, met het zwaard in de hand, in de verwachting dat de man zou opstaan. Maar die bleef liggen in het zand, grijpend naar zijn buik. Het bloed gutste tussen zijn vingers door, en hij keek Klauw aan. 'Kijk nou wat je gedaan hebt! Je hebt me vermoord!'  

Met het zwaard in de hand knielde Klauw bij de man neer. 'Dat mes achter je gesp?'

'Dat rotding is nooit ergens goed voor geweest,' zei de gewonde. 'Ik bloed als een rund.'

Caleb had de wagen gekeerd en reed terug naar Klauw en de twee andere mannen. Klauw duwde de handen van de gewonde weg en maakte de gesp los. Hij trok het mes uit de wond. Het was een drie duim lang scherp stuk staal met een T-vormig heft. Het was ontworpen om tussen de ring- en de middelvinger van de hand door te steken, met het heft in de handpalm; een gevaarlijk steekwapen.  

'Bent u gewond?' vroeg Caleb aan de koopman.

Die hield zijn hand tegen zijn gewonde schouder. 'Ik overleef het wel, maar aan die snoodaard heeft het niet gelegen.' Het was een gedrongen man met een randje grijs haar rondom zijn kalende schedel. Zijn ogen waren donker, en op zijn kin prijkte een baardje.

Caleb klom van de wagen en kwam bij Klauw staan. Hij keek naar het mes en de wond, en zei: 'Jij gaat pas dood als je aan de strop bungelt. Die wond is niet zo diep.'  

Hij pakte het ankermes uit Klauws hand, sneed er wat stof mee van het hemd van de huurling en maakte er een prop van. 'Met beide handen stevig tegen de wond drukken.' Hij wendde zich tot Klauw, 'Help me hem in de wagen te leggen.'  

Samen legden ze de gewonde rover-in-spe achter in de wagen. Vervolgens keek Caleb naar de schouder van de koopman. 'U redt het wel.'

'Waarom hebben jullie ons geholpen?' vroeg hij. 'Ik bedoel, bedankt voor de redding, maar waarom?'

Caleb knikte naar Klauw, die achter in de wagen positie innam bij de gewonde rover. 'Mijn jonge vriend daar heeft een fatsoenlijk trekje, vrees ik. Hij heeft bezwaar tegen moord, naar het schijnt.'  

'Nou, de goden zij gedankt dat jullie langskwamen.'

'Laten we maar verder naar Latagore gaan,' zei Caleb. 'U rijdt met mij op de bok.'

'Ik ben Dustin Webanks, koopman uit Olasko. Ik was met mijn compagnon op weg naar Latagore om hout te kopen.'

'En de twee die u had ingehuurd wilden u van uw goud beroven.'

'Dom genoeg, ja. We hebben geen goud bij ons. We hebben kredietbrieven van de Koninklijke Penningmeester in Opardum om op rekening te kopen.'

'Dus u vertegenwoordigt de hertog?'

Voorzichtig klom hij op de wagen. 'Ja. Hertog Kaspar is een nieuw jachthuis aan het bouwen, en hij heeft graag wat houtsnijwerk dat hij ergens heeft gezien. Het moest een bepaalde houtsoort zijn, van een boom die kennelijk alleen in de bossen hier in Latagore wordt gekapt. Vandaar de reis.'

Caleb haalde zijn schouders op, alsof het hem niets uitmaakte. 'Uw vriend zal de stadswacht alarmeren, verwacht ik.'

'Waarschijnlijk wel,' zei Dustin.

'Dan kunnen zij ons naar de stad begeleiden, vriend koopman.' Ze vielen allemaal stil, ieder nadenkend over de recente gebeurtenissen. Klauw keek naar de gevangene, die kennelijk opging in sombere overpeinzingen, en vroeg zich af wat de man had bezield om de koopman te willen overvallen. Toen besloot hij dat hij er beter aan deed erachter te komen waarom hij zo onbesuisd was geweest om een vreemde te hulp te snellen.