13 Herstel

 

Klauw kreunde.

Hij lag al twee dagen op zijn bed en stond alleen maar op om zich te ontlasten of water te drinken. Hij voelde zich zwak en draaierig, alsof hij koorts had. Zijn gedachten maalden, en keer op keer beleefde hij Alysandra's laatste woorden opnieuw;

Weer werd hij wakker geschud.

'Hè?' zei hij, ontwakend uit zijn lethargische slaap. Magnus stond bij hem.

'Het wordt tijd om op te houden met dat zelfmedelijden.'

Klauw kwam overeind, en zijn hoofd tolde. Hij probeerde zijn ogen scherp te stellen.

'Wanneer heb je voor het laatst gegeten?' vroeg Magnus.

'Gisteren, dacht ik.'

'Dat zal wel drie dagen geleden zijn,' zei de magiër. Hij rommelde wat rond bij de haard en kwam terug met een appel. 'Hier, eet op.'

Klauw nam een hap, en het sap liep over zijn kin. Met de rug van zijn hand veegde hij zijn mond af en slikte. Zijn maag leek zich om te draaien van het eerste voedsel na zijn korte vastperiode.

Magnus ging naast Klauw op het bed zitten. 'Voel je je rot?'

Klauw knikte, niet tot spreken in staat.

'Heeft ze je hart gebroken?'

De tranen liepen in zijn ogen, en weer knikte hij.

'Mooi,' zei Magnus en gaf hem een klap op de knie met zijn staf.

'Au!' riep Klauw en wreef over zijn knie.

Magnus stond op en gaf de jongen een mep tegen het hoofd, niet te hard maar hard genoeg, zodat Klauws oor suisde en zijn ogen harder traanden.

'Verdedig je!' schreeuwde Magnus hem toe. Ditmaal haalde hij venijnig uit naar de andere kant van Klauws hoofd, en de jongeman wist ternauwernood te voorkomen dat hem in zijn eigen huisje de hersens werden ingeslagen. Hij liet zich op zijn knieën vallen en rolde weg, tijd winnend omdat de magiër om het voeteneind van het bed heen moest lopen om bij hem te komen. Toen hij er was, stond Klauw al bij de tafel, zijn zwaard getrokken en paraat. 'Meester Magnus!' riep hij uit. 'Wat heeft dit te betekenen?'  

Magnus gaf geen antwoord maar maakte een schijnbeweging met de voet van zijn staf naar Klauws hoofd, zwaaide de staf toen in een boog boven zijn hoofd en probeerde de jongeman andermaal de hersens in te slaan. Klauw ving de staf op met zijn zwaard, net schuin genoeg om hem langs het wapen te laten afglijden zonder dat de kling door de klap brak. Meteen daarop stapte hij in, greep zijn leraar bij zijn gewaad en trok hem uit evenwicht. Met zijn zwaard op Magnus' keel vroeg hij: 'Moet ik je nu doden?'

'Nee,' zei Magnus met een grijns. Hij legde zijn hand op Klauws zwaardhand, en Klauws vingers werden slap. Het zwaard viel uit zijn willoze hand, en hij hoorde Magnus zeggen: 'Dat was erg goed.'

Klauw deed een stap achteruit, over zijn hand wrijvend. 'Wat heeft dit te betekenen?'

'Als je vijand je onverwachts overvalt, denk je dat die dan zal zeggen: ''Ach, die arme Klauw. Hij heeft zo'n liefdesverdriet. Ik denk dat ik hem maar een andere keer kom doden.''?'  

Klauw wreef nog steeds over zijn hand. 'Nee.'

'Precies.' Hij beduidde Klauw weer op het bed te gaan zitten. 'Onze vijanden vallen op de onmogelijks te manieren aan, Klauw. Mensen als Caleb kunnen je het gebruik van wapens leren en je aangeboren talenten aanscherpen. Ik kan je je geest tonen en het je vijanden moeilijker maken om je in verwarring te brengen of te bedriegen, maar je hart...' Hij tikte op zijn eigen borst. 'Daar zijn de meeste mannen het kwetsbaarst.'  

'Dus dit was een les?'

'Juist,' zei Magnus met een grimmig gezicht. 'Een van de hardste lessen die ik ken, maar wel een noodzakelijke.'

'Hield ze niet van me?'

'Ze heeft nooit van je gehouden,' zei Magnus kil. 'Wij hebben haar gemaakt, Klauw, en we gebruiken haar, net zoals we jou en alle andere leerlingen hier zullen gebruiken. Vroeger was dit een opleidingsinstituut, waar werd lesgegeven omwille van de kennis. Mijn vader is de stichter van de Academie der Magiërs op Sterrewerf. Wist je dat?' 

'Nee.'

'Toen de Academie ten prooi viel aan politiek, begon hij hier een nieuwe studieplek, voor leerlingen met bijzondere gaven. Ik ben hier opgegroeid. Maar toen de Slangenoorlog woedde en Krondor werd verwoest, besefte mijn vader dat onze vijanden meedogenloos waren en ons nooit respijt zouden geven. Daarom werd deze school een opleidingsinstituut.' Magnus wees door de deur in de richting van het landgoed. 'Sommige leerlingen komen van andere werelden, maar het worden er steeds minder. Mijn vader haalt ook leraren uit andere rijken, maar meestal geven hij, mijn moeder, Nakur, ikzelf en anderen zoals Robert les.'

'Ik heb het nooit gevraagd, want ik nam altijd aan dat ik het vanzelf wel te horen zou krijgen, maar wie is deze vijand?'

'Dat is erg moeilijk uit te leggen, vooral aan iemand die zo jong is als jij. Ik laat het aan mijn vader en Nakur om dat te vertellen als je er klaar voor bent. Maar je zult wel door de krachten van de vijand op de proef worden gesteld, en zoals je hebt gezien toen die dooddansers voor me kwamen, kunnen ze op de meest onverwachte manieren toeslaan op een plek waar je je veilig waant.'

'Dus moet ik ... '

'Leren, op je hoede zijn en maar weinig mensen vertrouwen.' Hij zweeg even, zijn volgende woorden overwegend. 'Als ik Rondar of Demetrius zou opdragen jou te doden, dan zouden ze dat doen. Want ze zouden ervan uitgaan dat mijn redenen geldig waren en dat jij hier een bedreiging voor ons vormde. Als ik Alysandra zou opdragen jou te doden, zou ze dat doen. Het verschil is alleen dat Rondar en Demetrius wroeging zouden hebben. Alysandra zou niets voelen.'  

'Hebben jullie haar zo gemaakt?' Klauw voelde woede opkomen. Zijn hele wereld werd op zijn kop gezet.

'Nee,' antwoordde Magnus, 'zo hebben we haar gevonden. Alysandra is... beschadigd. Tragisch en verschrikkelijk. Ze ziet mensen heel anders dan jij en ik. Zij ziet ze zoals wij een houten stok of' - hij wees naar een stoel - 'een meubelstuk zien. Nuttig, iets om te onderhouden misschien, zodat het nuttig blijft, maar daarbuiten niet iets met een intrinsieke waarde. Toen we haar zo tragisch beschadigd aantroffen, hebben we haar hierheen gebracht. Daar kan Nakur je over vertellen. Ik weet alleen dat dit mooie meisje op een dag ineens bij ons was en dat Nakur uitlegde wat we met haar moesten doen.'  

'Maar waarom? Waarom is ze hierheen gebracht?'

'Om haar op te leiden zodat ze voor ons kan werken. Om die meedogenloosheid in ons voordeel te gebruiken. Anders was ze mogelijk in Krondor aan de galg gebracht. Nu kunnen we haar tenminste begeleiden en de schade beperken.'  

Klauw bleef een tijdlang zwijgend door de openstaande deur naar buiten zitten staren. 'Maar het voelde zo...'

'Echt?'

'Ja. Ik dacht dat ze verliefd op me was geworden.'

'Het is een van haar talenten om te zijn wat ze moet zijn, Klauw; Het was een wrede les, maar een noodzakelijke. En ik kan dit niet genoeg benadrukken: ze zou je in je slaap je keel hebben afgesneden als Nakur haar dat had opgedragen. En daarna zou ze zich hebben aangekleed en vrolijk fluitend naar het landgoed zijn terug gewandeld.'  

'Maar waarom dan?'

'Opdat je goed in jezelf kunt kijken en begrijpen hoe zwak het menselijke hart kan zijn. Opdat je jezelf kunt harden voor het geval er zich ooit nog eens zoiets voordoet.'

'Mag ik dan niet van iemand houden?'

Nu was het Magnus' beurt om stil te vallen, en ook hij staarde even door de deur naar buiten. 'Misschien niet,' zei hij toen. 'Maar in ieder geval niet van een jonge vrouw die toevallig je aandacht opeist met haar mooie benen of haar innemende glimlach of door in je bed te kruipen. Je kunt naar hartenlust met gewillige vrouwen naar bed, als de tijd en de omstandigheden het toestaan. Denk alleen niet dat je van hen houdt, Klauw.'

'Ik weet nog maar zo weinig.'

'Dan heb je de eerste stap naar wijsheid gezet.' Magnus stond op en liep naar de deur. 'Herinner je de rustige tijden dat je vader en moeder voor jou en je familie zorgden. Dat is liefde. Niet de hartstocht van het moment in de armen van een gewillige vrouw. Denk daar maar eens over na.'  

Klauw leunde met zijn rug tegen de muur. 'Ik heb zo veel om over na te denken.'

'Morgen gaan we verder met je opleiding. Eet iets en ga slapen, want we hebben veel te doen.'

De magiër vertrok, en Klauw ging weer liggen op het bed, met zijn armen achter zijn hoofd. Starend naar het plafond dacht hij na. Het was alsof Magnus een emmer ijskoud water over hem uit had gestort. Hij had het koud en voelde zich onbehaaglijk. Het beeld van Alysandra hing boven hem in de lucht, maar het was nu een spottend, wreed gelaat. En hij vroeg zich af of hij ooit nog op dezelfde manier naar een vrouw kon kijken. 

 

Klauw bracht de nacht rusteloos door, ook al kon hij zich niet herinneren dat hij ooit zo moe was geweest. Het was nog erger dan de beide gevallen dat hij moest herstellen van zijn wonden nadat hij bijna was overleden. Deze vermoeidheid zat in de ziel, lethargisch en afkomstig van een verwond hart.  

Maar er was ook een spookachtige energie, een vreemd flitsen van beelden, herinneringen en fantasieën, schimmig en illusionair. Hij verwierp Magnus' oordeel over Alysandra. Die gevoelens kon hij zich onmogelijk hebben voorgesteld, en toch wist hij dat het waar was. Hij was kwaad, zijn verdriet zocht een uitlaatklep, maar had niets om zich op te richten. Hij nam het zijn leraren kwalijk, en toch wist hij dat ze hem een belangrijke les hadden geleerd die hem op een dag het leven kon redden. Hij was woest op Alysandra, en toch wist hij van Magnus dat hij het haar niet kwalijk kon nemen, net zo min als je een slang kwalijk kon nemen dat hij giftig was.  

De ochtend kriekte, en de hemel werd roze en goud. Het was een frisse, heldere herfstochtend. Geklop deed Klauw opschrikken uit zijn duistere bespiegelingen, en hij ging de deur opendoen.

Voor hem stond Caleb. 'Kom, we gaan jagen.'

Klauw knikte, zonder zich zelfs maar af te vragen hoe Caleb ineens op het eiland terecht was gekomen. Magie was de gewoonste zaak van de wereld op het Tovenaarseiland.

Hij haalde zijn boog uit de kast, waar hij vergeten in de hoek geklemd stond. Uren was hij die zomer bezig geweest met het aan- en uittrekken van de mooie kleren, spelletjes spelend met Alysandra. Hij had het voor liefdesspelletjes gehouden, maar nu zag hij ze als oefeningen in wellust.  

De boog voelde stevig en echt aan in zijn hand, en hij begreep dat hij in zijn dagen met het meisje iets was vergeten. Hij pakte een koker met pijlen en zei: 'We kunnen gaan.'

Caleb zette een straf tempo in, voorop lopend zonder om te kijken, in de verwachting dat Klauw vlak achter hem aan kwam. Ze trokken in noordelijke richting, ver bij het landgoed vandaan, en de helft van de tijd liepen ze hard. Tegen de middag bleef Caleb staan en wees. Ze stonden op een heuvelrug met vrij uitzicht over het noordelijke deel van het eiland.

In de verte zag Klauw het hutje waar hij in zijn eerste tijd op het eiland met Magnus had gewoond. Hij zei niets.

'Ik dacht ook eens dat ik van iemand hield,' zei Caleb.

'Weet iedereen het soms?'

'Alleen wie het moet weten. Het was een les.'

'Dat zeggen ze allemaal. Maar voor mij was het alleen maar een wrede grap.'

'Wreed was het wel, ja, maar een grap zeker niet. Het lijkt me niet dat iemand je heeft verteld wat ze met jou van plan zijn, en ik weet het ook niet, al heb ik er wel een idee van. Jij wordt uitgezonden naar oorden waar je dingen te zien krijgt waar geen jongen van de Orosini ooit van kon dromen, Klauw. En in die oorden kunnen de verleidingen van een knappe vrouw even dodelijk zijn als een giftig mes.' Hij leunde even op zijn boog. 'Alysandra is niet het enige mooie meisje met dodelijke trekjes. Onze vijanden tellen veel van zulke vrouwen in hun gelederen. Net zoals ze vertegenwoordigers hebben zoals jij.'  

'Vertegenwoordigers?'

'Je werkt namens het Conclaaf, dat weet je.' Hij keek hem aan, en Klauw knikte. 'Nakur en mijn vader zullen je er opeen dag meer over vertellen, maar dit kan ik je wel zeggen, ook al vinden ze dat je het nog niet hoeft te weten: wij vertegenwoordigen het goede. Het is de ironie van het lot dat we dingen moeten doen die slecht lijken opdat uiteindelijk het goede kan triomferen.'  

'Ik ben geen geleerde,' zei Klauw. 'Ik heb wat gelezen, genoeg om te weten dat ik niet veel weet. Maar ik heb ook genoeg gelezen om te weten dat iedereen zichzelf ziet als de held, in ieder geval als de held in zijn eigen leven, en dat niemand die kwaad deed van zichzelf vond dat hij kwaad deed.'

'In zeker opzicht heb je gelijk.' Caleb zweeg even, als om te genieten van de frisse herfstbries. 'Maar in een ander opzicht moet je weten dat je ongelijk hebt. Er zijn mensen die bewust het kwaad dienen, die het omhelzen en er beter van proberen te worden. Sommigen streven naar macht. Anderen streven naar rijkdom. Weer anderen streven naar kwalijker doelen. Maar het komt allemaal op hetzelfde neer: ze brengen onschuldigen leed en verdriet.'  

'Wat probeer je me te vertellen?'

'Alleen dat je aan het begin staat van de volgende fase van je opleiding, en dat je bereid moet zijn veel dingen te accepteren die verschrikkelijk en ongewenst lijken. Dat is nodig.'  

Klauw knikte. 'Wanneer begint die volgende fase?'

'Morgen, want dan gaan we naar Krondor. Maar eerst gaan we jagen.' Hij pakte zijn boog op en rende over een wildspoor, zonder om te zien of de jongen hem volgde.

Na een korte aarzeling rende Klauw achter Caleb aan, in de wetenschap dat de wond die hij diep van binnen voelde zoals alle wonden zou genezen. Maar hij vermoedde ook dat deze wond, zoals sommige wonden, een litteken zou achterlaten dat hij zijn leven lang bij zich zou dragen. 

 

Het schip snelde westwaarts, klievend door de golven als een levend wezen, voortgedreven door wind van bijna stormkracht. Klauw stond zo ver naar voren als hij kon, achter de boegspriet, na een week nog steeds verbaasd en uitgelaten van de reis. In de loop van de middag of anders tegen de avond zouden ze hun bestemming bereiken: Krondor, de hoofdstad van het Westelijke Rijk van het Koninkrijk der Eilanden.  

Om hem onduidelijke redenen hadden zijn meesters besloten dat hij per schip naar Krondor en per karavaan naar Salador zou gaan, en daarvandaan waarheen ze maar wilden dat hij ging. Hij had verwacht dat Magnus zijn magie zou aanwenden om hem naar zijn volgende bestemming te brengen, maar in plaats daarvan reisde hij op de conventionele manier met Caleb.  

Caleb was een kalmerende aanwezigheid, en Klauw was blij dat hij gekozen was om hem te vergezellen. Hij sprak wanneer Klauw iets wenste te bespreken en stoorde zich niet aan stilte. Ze bezagen de dingen allebei als een jager, en van iedereen die hij sinds de verwoesting van zijn dorp had ontmoet, voelde hij zich met Caleb het meest verwant.  

De zee was Klauw even vreemd als de kust was geweest, al voelde hij zich er even sterk door aangetrokken als door de bergen van zijn geboorteplaats. De zee was eindeloos, veranderlijk, duurzaam en mysterieus. De lucht was fris, zij het anders van karakter, en zelfs in het aanhoudend slechte weer verrukkelijk.  

Het schip, de Westerse Vrouwe, voerde de vlag van het Keizerrijk Groot Kesh in top. Hij had de bemanning genoeg horen praten om te weten dat het een gekozen nationaliteit betrof, want het schip was van Puc.  

Meer dan eens verwonderde Klauw zich over Puc. Het leek hem een jongeman, of anders een man van vroeg in de middelbare leeftijd, maar in ieder geval nog sterk en in de kracht van zijn leven. Miranda leek dezelfde leeftijd te hebben, maar het waren de ouders van Magnus, en die zag er ongeveer net zo oud uit als zij.  

Puc bleek een rustig man, die zelden met de leerlingen sprak, maar als hij dat deed, was hij vriendelijk en behulpzaam. Toch had hij iets over zich dat Klauw een onbehaaglijk gevoel bezorgde. Hij had macht, dat kon zelfs een bergjongen uit het oosten zien. Robert, Nakur, Magnus en Miranda hadden allemaal magische vermogens, wist Klauw, maar in Puc bespeurde hij iets meer. Het was alsof hij, zoals zijn grootvader het zou hebben genoemd, was 'aangeraakt door de goden'.

Klauw vroeg zich af wat voor een jeugd iemand als Puc zou hebben gehad. Wie waren zijn ouders, en welke opleiding volgde een magiër met grote macht? Misschien zou Klauw het hem eens vragen, maar voorlopig had hij er vrede mee om te genieten van de reis en de vragen te laten rusten.  

Zijn aanval van liefdesverdriet was voorbij, en als hij terugkeek op zijn dagen met Alysandra voelde hij slechts een bitterzoete ironie. Op die laatste dag had hij gedacht aan trouwen of de rest van zijn leven met haar samen zijn, en nu vond hij haar alleen nog maar medelijden of verachting waard. Of allebei. Een wezen zonder hart; en toch wist Klauw dat hij in zekere zin moest leren om net zo te zijn, want alles wat hem sinds die dag was verteld had hem doen beseffen dat ze veel gevaarlijker was dan hij zich zelfs nu nog kon voorstellen.

Caleb verscheen aan dek, gekleed in een mantel van oliedoek, hetzelfde model als die van Klauw. Terwijl het koude zeewater opspatte tot over de boeg, kwam hij naast Klauw staan, zwijgend, genietend van het uitzicht.  

Kolkend zilt en vlokschuim verdween in het tanende daglicht, en boven joegen er zwartgerande wolken voorbij. In de verte zagen ze bliksemflitsen, en uiteindelijk zei Caleb: 'Als het goed is zijn we net voor het noodweer in Krondor.'

Klauw knikte. 'Ik denk dat ik best zeeman zou kunnen zijn.'

'Velen voelen zich door de zee geroepen,' merkte Caleb op.

De rest van de middag bleven ze stil, en een half uur voordat de avond viel riep de uitkijk: 'Land in zicht!'

De kapitein van het schip kwam naar de voorplecht. 'Heren, na het donker arriveren we in Krondor. We draaien bij onder de lij van de golfbreker, waar we schuilen voor de storm, en bij het eerste licht geef ik de havenmeester het signaal dat we binnenlopen. Het zal een luidruchtige maar veilige nacht worden.'  

Klauw knikte. Hij kon haast niet wachten om deze stad te zien. Hij had erover gelezen in de geschiedenis van Rupert Avery en in andere boeken.

Caleb legde een hand op Klauws schouder en gaf aan dat ze naar beneden gingen. Klauw draaide zich om en liep voorop.

In hun hut, amper groot genoeg voor de twee kooien, de ene boven de andere, trokken ze hun natte mantels uit en gingen zitten, Klauw op de bovenste kooi en Caleb op de onderste.

'We hebben nog wat tijd voor het eten,' zei Caleb. 'Je hebt je je verhaal goed ingeprent?'

'Ja.' Klauw moest iedereen die ernaar vroeg vertellen dat hij een jager uit de bossen bij Schreiborg was, wat zijn lichte accent kon verklaren. Aangezien er niet veel werd gereisd tussen Krondor en de Verre Kust lag het niet voor de hand dat ze iemand tegen het lijf zouden lopen die in dat verre stadje bekend was. En anders nam Caleb het over, want hij kende die streek.

'Caleb?'

'Ja, Klauw?'

'Waarom maken we deze reis?' Hij had het al willen vragen sinds ze het eiland verlieten, maar had gewacht tot dit moment.

'Om je kennis uit te breiden,' antwoordde Caleb. 'Met reizen is het net zo als met andere dingen: ergens over verteld krijgen is één ding, maar zelf doen is iets anders. Je zult je ogen uitkijken, en veel dingen zul je anders zien dan ik.'

'Waar gaan we heen?'

'In Krondor nemen we een karavaan tot aan Malachskruis, de grens tussen het Westelijke en Oostelijke Rijk van dit Koninkrijk. Vandaar gaan we te paard naar Salador. Beide steden bieden je een gelegenheid om te leren.'

'Mij best, maar wat gaan we doen als we in Salador zijn?'

'Studeren,' antwoordde Caleb en ging in zijn kooi liggen. 'En wees nu stil zodat ik een dutje kan doen tot ze ons roepen voor het eten.'

'Studeren,' mompelde Klauw. 'Dat bepaalt mijn hele leven.'

'En als zodanig is het een redelijk leven,' zei Caleb. 'En hou nu je mond.'

 

Het schip nestelde zich tegen de kade, afgehouden door een havenknecht die vervolgens de boeglijn vastzette. Klauw stapte aan land, gevolgd door Caleb. Een man die hen benaderde droeg om zijn bovenarm een band met een wapen van een zeemeeuwen een kroon. De man bekeek hen van top tot teen en sprak op verveelde toon: 'Waar komen jullie vandaan?'  

'Schreiborg,' antwoordde Caleb.

'Jullie kwamen met een Keshisch schip.'

'Dat was het eerste dat van de Verre Kust vertrok toen we besloten hierheen te gaan,' verklaarde Caleb vriendelijk.

'Nou ja, als jullie Koninkrijkse ingezetenen zijn is het mij best.' Hij liet de twee mannen met rust en liep verder.

'Is dat alles?' vroeg Klauw.

'Het is een tijdperk van vrede, zeggen ze.' Caleb beduidde Klauw mee te lopen. 'Hier in het westen, tenminste. Koning Ryan heeft zijn dochter beloofd aan de neef van de keizerin van Groot Kesh, en de keizer van Queg heeft een nicht die getrouwd is met de jongste zoon van koning Ryan. Er wordt levendig gehandeld met de Vrijsteden, en de gouverneur van Durbin houdt zijn kapers in toom. Er is al zeven jaar geen groot conflict meer geweest.'

Terwijl ze de stenen trap van de kade naar de weg erboven beklommen, legde Caleb uit: 'In het oosten balanceert alles veel meer op het scherp van de snede, en daar zul je ook veel meer in de gaten worden gehouden dan hier.'  

Ze liepen door een straat naar het stadscentrum. Reikhalzend keek Klauw naar een kasteel aan de zuidzijde van de haven. 'Woont daar de prins?'

'Prins Matthew, zoon van koning Ryan,' vertelde Caleb. 'Koning Patrick is nog geen twee jaar dood, en Matthew is een knaap van nog geen veertien. Maar hij is niet de machthebber in de stad.'

'Wie dan?'

'Twee broers, de Jamisons. James is Hertog van Krondor, de opvolger van zijn grootvader, en ze zeggen dat hij net zo sluw is als zijn legendarische opa. Zijn jongere broer Dashel is een rijk zakenman. Wat James niet ziet, ziet Dashel wel, zeggen ze. Naar alle maatstaven zijn het gevaarlijke mannen.'  

'Dat zal ik onthouden,' zei Klauw.

'Nou, het is niet erg waarschijnlijk dat je ooit kennis met een van beiden maakt, maar er gebeuren wel vreemdere dingen. We zijn er.'

Klauw keek omhoog en zag dat ze voor een herberg stonden. Op het uithangbord stond de verschoten tekening van een grijnzend gezicht van een man met een donkere baard en een gepluimde hoed. Eronder stond geschreven: 'Admiraal Trask.'  

Caleb duwde de deur open, en ze stapten een rokerige gelagkamer binnen waar de lucht stijf stond van de geuren van bradend vlees, tabaksrook, gemorst bier en wijn. Klauws ogen gingen ervan tranen.

Caleb drong zich voorbij enkele havenarbeiders, zeelieden en reizigers tot hij bij de tapkast stond. De herbergier keek op en grijnsde. 'Caleb! Dat is lang gelegen, oude vriend!'  

'Randolph.' Caleb schudde hem de hand. 'Dit is Klauw. Heb je een kamer?'

'Ja,' antwoordde de herbergier. 'Kies maar uit. Die ene achterin?'

'Ja,' zei Caleb, de vraag begrijpend.

'Heb je honger?'

Caleb glimlachte. 'Altijd.'

'Ga dan maar zitten, dan laat ik het meisje jullie eten brengen. Bagage?'

'Je weet dat ik nooit veel bij me heb.' Klauws en Calebs spullen zaten in lichte tassen die ze over hun schouders droegen.

De herbergier wierp Caleb een zware ijzeren sleutel toe. 'Ga zitten, en trek je terug als je eraan toe bent.'

Ze namen plaats, en even later verscheen er een meisje uit de keuken met een afgeladen dienblad vol gebraden kip, geroosterde eend, een schijf lamsvlees en gestoomde groenten. Toen ze het dienblad op tafel zette, keek Klauw op, en zijn mond viel open. Hij kwam al overeind, maar met stevige hand drukte Caleb hem terug in zijn stoel. Lela keek hem met een vriendelijke glimlach aan, maar in haar ogen lag geen zweem van herkenning. 'Kan ik jullie iets te drinken brengen, mannen?'  

'Bier,' zei Caleb.

Ze repte zich heen.

'Wat...'

'Het is iemand anders dan je denkt,' zei Caleb zachtjes.

In een oogwenk was het meisje terug met twee grote tinnen kroezen vol schuimend bier. 'Hoe heet je, meisje?' vroeg Caleb.

'Roxanne, meneer,' antwoordde ze. 'Verder nog iets?'

'Nee,' zei Caleb, en het meisje was weer weg.

'Dat was Lela,' zei Klauw zachtjes.

'Nee, je vergist je.'

Klauw keek zijn vriend aan en knikte even. 'Ja, ik zal me wel vergissen.'  

Ze aten zwijgend.

 

Ze brachten drie dagen in Krondor door om een reis te regelen bij een karavaan. Caleb en Klauw zouden dienst doen als bewakers, in ruil voor vervoer en eten. Het deed de karavaanmeester deugd dat hij geen huurlingenbonus hoefde te betalen, en hij rekende zich een gelukkig man.

Het mysterie waarom Lela onder de naam Roxanne in de herberg werkte, kwam niet ter sprake, en Klauw nam aan dat het een van die dingen was die hem misschien wel nooit zouden worden uitgelegd. Toch was het op een merkwaardige manier geruststellend om in een wildvreemde omgeving een bekend gezicht te ontdekken, ook al konden de omstandigheden alleen maar bizar worden genoemd.  

Krondor was een openbaring voor Klauw, want al was Latagore in zijn onwetende ogen fabelachtig geweest toen hij er voor het eerst kwam, het was maar een provinciedorp vergeleken bij de hoofdstad van het Westelijke Rijk van het Koninkrijk.

Het wemelde in Krondor van mensen uit verre landen als de Keshische Confederatie, de veroverde naties in het zuiden van het keizerrijk. De vreemdste talen en dialecten konden op de markten en in de herbergen van de stad worden beluisterd.  

Caleb nam hem mee langs beroemde bezienswaardigheden, zoals de resten van de zeewering, vernietigd tijdens de Slangenoorlog, toen volgens de overlevering de legers van de Smaragden Koningin van over zee binnenvielen en vrijwel de hele stad werd verwoest. Toen Caleb het verhaal vertelde, moest Klauw zich even in herinnering brengen dat Caleb het had over zijn eigen grootmoeder, die door een demon tot willoze slavin was gemaakt. Klauw was van oordeel dat veel van de verhalen die tijdens zijn jeugd rond het kampvuur waren verteld op hun merites moesten worden beoordeeld in plaats van afgedaan als sprookjes.

Hij bracht een bezoek aan Barrets Koffiehuis, waar financiën, even complex en mysterieus als magie, werden bedreven. Hij had er wel enig idee van wat het koffiehuis voor de economie van het Koninkrijk betekende, aangezien hij had gelezen over het leven van Rupert Avery, die een beroemd zakenman bij Barret was geweest. Ze zagen het paleis, zij het van enige afstand, want al zinspeelde Caleb er wel op dat er in het verleden betrekkingen tussen zijn familie en de kroon waren geweest, er was geen aannemelijke reden om toegang te krijgen. Noch een motief, behalve dan nieuwsgierigheid. Klauw ervoer een milde belangstelling, zoals bij alles wat nieuw voor hem was. Vaak dacht hij na over zijn jeugd, en dan besefte hij hoe weinig hij als kind van de wereld had geweten, al kon hij zich nog goed herinneren dat hij die toen had gemeend te begrijpen.

Dat was het erfgoed geweest van zijn volk, dat er vrede mee had om gelijk hun voorouders hun leven in de bergen te leiden. Generaties lang was er bij de Orosini vrijwel niets veranderd, en het was een goed leven geweest.

Om zich heen kijkend naar de drukte op straat vroeg Klauw zich af of dat misschien iets was wat zijn volk goed had begrepen: de kwaliteit van een goed leven. De meeste mensen die hij voorbij zag komen, gaven in elk geval weinig blijk van vreugde. De meesten hadden het druk met hun bezigheden of hadden grote haast om ergens naar toe te gaan. Er speelden wat kinderen op straat, maar die waren nog erg jong. De oudere kinderen leken zich op te houden in groepjes van tien of meer en renden regelmatig over straat met een wetsdienaar op de hielen.  

Toen de karavaan vertrok, reisden ze door glooiende heuvels en lage bergen die wel wat weg hadden van zijn geboortestreek. Maar in plaats van de dorpen met houten hutten en palissades stonden er in deze bergen stadjes en kastelen. In Ravensburg dronken ze de beste wijn die Klauw ooit had geproefd, en hij stelde de herbergier vele vragen. Hij stal een uurtje om een wijnmaker op te zoeken en bestookte hem met vragen.  

Demetrius had op een bepaald punt gezegd dat hun meesters Klauw alles over wijn zouden leren, en hij vond dit wel een goede gelegenheid.

De reis vervolgde naar het stadje Malachskruis, waar ze afscheid namen van de karavaanmeester. Na een nacht slapen in een betrekkelijk schone kamer kocht Caleb twee mooie paarden, en ze vertrokken naar het oosten.  

Rijdend in de richting van de opkomende zon vroeg Klauw: 'Caleb, denk je dat er een kans is dat ik er ooit achter zal komen wat we nu eigenlijk aan het doen zijn?'

Caleb schoot in de lach. 'Ik denk dat het niet veel uitmaakt of ik het je nu vertel of pas als we in Salador zijn.'

'Vertel het me dan nu, want ik brand van nieuwsgierigheid.'

'In Salador ronden we je opleiding in goede manieren af,' zei Caleb. 'Gedurende minstens een jaar leer je twee instrumenten bespelen, de luit en een ander, misschien de hoorn of de fluit. Verder krijg je les in de culinaire kunsten, al ben je al goed op weg na Leo's onderricht. En je leert de fijne kneepjes van de manieren aan het hof, gebruiken voor alle gelegenheden, en hoe je te gedragen in het bijzijn van mensen met een bepaalde rang. Je leert wijn proeven, en je zult leren zingen, al vermoed ik dat het laatste een onbegonnen zaak is.'

Klauw begon te lachen. 'Ik kan best zingen.'

'Ik heb je gehoord, en dat noem ik geen zingen.'

'Maar welk nut heeft deze opleiding in de kunst van het edelman zijn?'

Caleb schakelde over van het Koninkrijks, dat ze sinds hun aankomst in Krondor hadden gesproken, op het Roldeems. 'Omdat je over een jaar op reis gaat naar het eilandkoninkrijk Roldem, mijn jonge vriend, waar je dienst neemt aan het Meestershof. En als het lot ons vriendelijk gezind is, vestigen we je daar als een kleine edelman, een verre neef van een opmerkelijke familie, rijk aan afkomst maar arm aan middelen en als zodanig bruikbaar.'  

'Het Meestershof? Daar heeft Kendrick me wel eens iets over verteld. Hij zegt dat daar de beste zwaardvechters ter wereld zitten.'

'En dat, mijn vriend, is jouw taak. Want als jij Roldem verlaat, dien jij als de beste van hen allemaal te worden beschouwd. Jij moet worden gezien als de beste zwaardvechter ter wereld.'

Verbluft staarde Klauw zijn vriend aan en reed toen stilzwijgend verder.