4 Spel
Klauw fronste zijn wenkbrauwen.
Hij keek naar de kaarten die op de tafel lagen en probeerde een keus te maken die het probleem waarmee hij worstelde kon oplossen. Na het bekijken van de vier kaarten die hij zojuist had omgedraaid, besefte hij dat hij het spel onmogelijk kon voortzetten.
Met een zucht, half van frustratie en half van verveling, veegde hij de kaarten bij elkaar en begon ze te schudden. Hij weerstond de verleiding om te kijken of de twee mannen die hem observeerden een reactie vertoonden.
De man met het witte haar, Magnus, die hij Sneeuwmuts noemde, stond achter Robert, die op een kruk zat die uit de gelagkamer naar de eetzaal was gebracht. Een week geleden had Robert de beginselen van het kaartspel aan Klauw uitgelegd.
Er zaten tweeënvijftig kaarten in een spel, van vier kleuren: de kelken blauw; staven groen, zwaarden zwart en ruiten geel. Ze werden voornamelijk gebruik voor spelletjes als lin-lan, pashawa en poker, of po-kir, zoals het in Kesh werd genoemd. Robert had verscheidene spelen voorgedaan en had Klauw een paar keer laten spelen om hem zich vertrouwd te laten maken met de volgorde van de kaarten, van de 'aas', wat volgens Roberts uitleg kwam van een Bas-Tyraans woord voor 'eenheid', tot de heer. De lagere kaarten waren genummerd van twee tot tien, maar Klauw zag er de logica niet van in dat de eenheid, of de één, zoals hij die in gedachten noemde, het meeste waard was, meer nog dan de heer, de vrouwe of de kapitein.
Klauw glimlachte in zichzelf. Waarom dat kleine feit - dat de laagste kaart, de enkele eenheid, het meeste waard was - hem irriteerde, wist hij niet. Niettemin deed hij het redelijk in de spelletjes die Robert hem had geleerd.
Daarna had Robert hem het solitaire spel laten zien, waarmee je je bij gebrek aan andere spelers met de kaarten kon amuseren. De gewone spelletjes waren daar eigenlijk variaties van. Je had verschillende 'liggingen', zoals Robert het had genoemd, met verschillende manieren om de kaarten te trekken. Bij sommige spelletjes moest de speler kaarten neerleggen in rijen die gebaseerd waren op waarde, in afwisselende kleuren van licht naar donker, of in getalvolgorde, of een combinatie daarvan.
De vorige dag had Robert hem uit de keuken gehaald - er waren geen gasten, dus er was niet veel werk - en hem meegenomen naar de eetzaal. Daar had hij het spel Vier Heren laten zien.
Het was een verbluffend spel. Vier heren werden van links naar rechts gelegd, en er werden vier kaarten uitgedeeld. Het doel van het spel was de kaarten op kleur naast de heren te plaatsen, en de enige verplichting was dat de kaarten naast kaarten van dezelfde waarde of kleur moesten worden gelegd. Daarbij was het de bedoeling om 'groepen' te maken van vier kaarten van dezelfde waarde in een vierkant. Dat ging door tot de vier azen bij elkaar lagen, en vanaf dat punt werden ze van de tafel weggehaald, eerst de azen, dan de tweeën, enzovoort, tot alleen de heren overbleven.
Al vrij vlot had Klauw gemerkt dat het moeilijk was om dit spel te winnen, aangezien het te veel afhing van de volgorde waarin je de kaarten trok in plaats van van vaardigheid. Enige vaardigheid was niettemin vereist om de situaties te voorzien waarin de kaarten van de anderen van gelijke waarde zouden worden geïsoleerd.
Een halve dag had Klauw met graagte gespeeld, vastbesloten om het zich meester te maken. Toen had hij beseft hoeveel geluk erbij kwam kijken en was de ontgoocheling ingetreden. Desondanks stond Robert erop dat hij verder speelde.
En Robert zat achter hem zwijgend zijn spel te observeren. Terwijl Klauw nieuwe kaarten legde, vroeg hij zich voor de zoveelste keer af waarom Robert dit eigenlijk deed.
'Robert, waarom doe je dit?' fluisterde Magnus.
'Het volk van die jongen deed maar weinig met abstracte logica,' fluisterde Robert terug. 'Het waren jagers, boeren, dichters en krijgers, maar hun rekenkunde was niet erg ontwikkeld, en op gevorderde logica gebaseerde disciplines hadden ze niet. Bouwers, ja, maar geen genieën. Ze maakten veel minder gebruik van magie dan alle andere volkeren die ik ken, misschien één of twee in het hele land van de Orosini.'
Ze spraken Koninkrijks, de taal van het Koninkrijk der Eilanden, voor het geval Klauw hen kon horen - en volgens Robert had hij heel scherpe oren.
'Dus die spelletjes moeten hem logica bijbrengen?'
Robert knikte. 'Het is een begin. Dit is een erg eenvoudige vorm van probleemoplossing.'
Magnus' lichtblauwe ogen waren gevestigd op de kaarten op de tafel. 'Ik kan ook Vier Heren spelen, Robert. Dat heb ik van jou geleerd, weet je nog? Het is een moeilijk spel. Veel potjes zal hij niet winnen.'
Robert glimlachte. 'Het gaat ook niet om winnen. Het gaan om het herkennen van een situatie waarin je niet kunt winnen. Zie je, hij heeft begrepen dat hij met die vier kaarten niet uitkomt.' Ze zagen Klauw de kaarten oppakken, de heren laten liggen en een nieuw spel beginnen. 'Eerst ging hij het hele pak door voordat hij zag dat hij niet uitkon. Nu, na nog geen twee dagen spelen, onthoudt hij al de subtielere combinaties die niet uitkomen.'
'Goed, dus hij heeft mogelijkheden, talent zelfs. Dat is nog geen antwoord op de vraag wat je met die jongen van plan bent.'
'Geduld, mijn onstuimige vriend.' Hij wierp een blik op Magnus, wiens blik op Klauw gevestigd bleef. 'Het zou beter zijn geweest als je wat meer van je vaders temperament had gehad dan dat van je moeder.'
De man met het witte haar verplaatste zijn blik niet, maar hij glimlachte. 'Dat heb ik wel vaker van je gehoord, oude vriend.' Toen keek hij Robert aan. 'Maar ik heb mezelf al beter in de hand.'
'Geen steden verwoest in de afgelopen weken?'
Magnus grijnsde even. 'Niet dat ik weet.' De ernst keerde terug op zijn gezicht. 'Ik erger me dood aan die ingewikkelde spelletjes.'
'Aha,' zei Robert. 'Alweer een bewijs dat je een echte zoon van je moeder bent. Je vader heeft me mijn hele volwassen leven al geleerd dat we onze vijanden alleen maar kunnen aanpakken wanneer ze zich aandienen. In de afgelopen dertig jaar hebben we zo veel verschillende aanvallen te verduren gekregen, dat kan je je niet voorstellen. Maar er is al die tijd slechts één constante geweest.'
'En die is?' Magnus richtte zijn aandacht weer op Klauws spel.
'Dat er geen twee complotten van de vijand hetzelfde zijn. De dienaren van de Naamloze zijn sluw, en ze leren van hun fouten. Met brute kracht lukte het niet, dus proberen ze het nu met listigheid. En zo moeten wij ook reageren.'
'Maar die jongen...'
'Het lot heeft hem niet voor niets gespaard, denk ik,' zei Robert. 'In ieder geval probeer ik gebruik te maken van deze onverwachte kans. Hij heeft... iets. Was zijn volk deze tragedie niet overkomen, dan zou hij denk ik gewoon als jonge Orosini zijn opgegroeid, als echtgenoot en vader, krijger als de nood zich voordeed, boer, jager en visser. Hij zou de gebruiken van zijn voorouders hebben doorgegeven aan zijn zoons en zijn gestorven van ouderdom, tevreden met zijn lot. Maar neem diezelfde knaap, smeed hem in het vuur van tegenslag en hartzeer, en wie weet wat er gebeurt. Net als met ijzer: wordt hij broos en breekbaar, of kan hij tot staal worden gesmeed?'
Zwijgend keek Magnus toe hoe Klauw aan een nieuw spel begon. 'Hoe goed een dolk ook is gesmeed, hij heeft twee kanten. Het is een tweesnijdend wapen.'
'Ga jij je grootje pesten, Magnus.'
Weer grijnsde Magnus, en hij keek Robert aan. 'Mijn vader heeft zijn moeder nooit gekend, dus de enige grootmoeder van wie ik weet, kwam een heel eind met het veroveren van de halve wereld. Ik laat het wel uit mijn hoofd om die te gaan pesten.'
'En je hebt ook dat akelige gevoel voor humor van je moeder.' Hij schakelde over van het Koninkrijks op het Roldeems. 'Stop maar, Klauw. Het wordt tijd dat je weer naar de keuken gaat. Leo zegt je wel wat er moet worden gedaan.'
Klauw stopte de kaarten in een doosje, gaf dat aan Robert en repte zich naar de keuken.
'Ik weet nog steeds niet wat die jongen volgens jou aan onze zaak kan bijdragen,' zei Magnus.
Robert haalde zijn schouders op. je vader heeft me voor veel zaken de ogen geopend toen ik jong was, maar de grootste openbaring van allemaal was de omgeving waarin jij bent opgegroeid. Jullie eiland biedt onderdak en scholing aan allerlei soorten wezens die ik me in mijn stoutste dromen niet had kunnen voorstellen.' Hij wees in de richting van de keuken. 'Die jongen wordt misschien niet meer dan een waardevolle bediende, of misschien een bruikbaar instrument of zelfs een slim wapen.' Zijn ogen werden spleetjes. 'Maar hij zou ook iets veel belangrijkers kunnen worden: een onafhankelijke geest die trouw is aan onze zaak.'
Geruime tijd bleef Magnus stil. 'Dat lijkt me sterk,' zei hij toen.
Robert glimlachte vriendelijk. 'We hadden ook onze twijfels over jou, toen je jonger was. Ik herinner me een zeker incident waarna je je kamer niet meer uit mocht. Hoe lang ook al weer? Een week?'
Magnus liet een flauw glimlachje zien. 'Dat was mijn schuld niet, weet je nog?'
Robert knikte toegeeflijk. 'Dat was het nooit.'
Magnus' blik ging richting keuken. 'Maar die jongen?'
'Hij heeft nog veel te leren,' zei Robert. 'Logica is nog maar het begin. Hij moet gaan begrijpen dat zelfs de belangrijkste kwesties in het leven vaak kunnen worden gezien als een spel. Hij moet een gevoel ontwikkelen voor risico en beloning en hoe je die twee factoren tegen elkaar afweegt. Hij moet leren wanneer je een conflict uit de weg gaat en wanneer je je geluk moet beproeven. Veel van zijn eigen aard, van wat hem geleerd is als kind bij zijn volk, moet hem worden afgenomen. Hij moet het spel dat er tussen mannen en vrouwen wordt gespeeld leren. Wist je dat er een echtgenote voor hem werd geregeld terwijl hij op een bergtop op zijn manbaarheidsvisioen wachtte?'
'Ik weet niet veel over de gebruiken van de Orosini,' bekende Magnus.
'Hij heeft geen idee hoe het er in steden aan toe gaat. Hij weet niet wat bedrog is, dus hij heeft vrijwel niet in de gaten wanneer er tegen hem wordt gelogen. Maar hij voelt zich thuis in de wildernis op een manier waar een Natalse Vrij schutter zich niet voor hoeft te schamen.'
'Caleb zei al dat hij niet joeg als een stedeling,' beaamde Magnus.
'Je broer heeft jaren bij de elfen gewoond, dus hij kan het weten.'
'Akkoord.'
'Nee, onze jonge vriend Klauw vertegenwoordigt een misschien wel unieke kans. Hij is jong genoeg om zich door ons te laten vormen tot iets wat wij lang niet allemaal van onszelf kunnen zeggen.'
'Wat dan?' vroeg Magnus, zichtbaar geïnteresseerd.
'Iemand die niet beperkt wordt door ons erfgoed. Hij kan nog leren, terwijl de meesten van ons er op zijn leeftijd van overtuigd zijn dat we alles al weten.'
'Hij lijkt inderdaad een gretige leerling,' gaf Magnus toe.
'En hij heeft een eergevoel waar een LaReuse Tsuranikapitein best trots op kan zijn.'
Magnus trok een wenkbrauw op. Wat eergevoel betrof ging niemand zo ver als de afstammelingen van de Tsurani. Die gaven hun leven om zich van een ereschuld te kwijten. Hij keek even om te zien of Robert overdreef en zag dat dat niet zo was. 'Eergevoel kan soms nuttig zijn.'
'Hij heeft al een missie, ook al moet hij zich daarvan nog bewust worden.'
'Missie?'
'Hij is een Orosini. Hij moet de verantwoordelijken voor de vernietiging van zijn volk opsporen en doden.'
Magnus slaakte een diepe zucht. 'Raaf en zijn bende halzensnijders. Geen kleinigheid, hoor.'
'Die jongen is een geboren jager. Als hij er klaar voor is, gaat hij op zoek. Dat zie ik hem liever doen met betere wapens dan met blote handen en boerenslimheid. Dus hij heeft nog veel te leren, ook van jou.'
'Hij heeft geen talent voor magie, dunkt me, want anders zou je hem wel naar mijn vader hebben gestuurd in plaats van hem hierheen te brengen.'
'Klopt, maar jij beheerst ook andere dingen behalve magie, Magnus. Ik maak geen grapje. Hij is vlug van geest, en er zijn veel complexere oefeningen om je gedachten te leren beheersen dan kaartspelletjes. Als hij ons van dienst wil zijn, moet hij net zo sterk van geest en intellect zijn als hij al is van lichaam. Hij mag dan geen talent voor magie hebben, maar daar krijgt hij wel mee te maken, net als met geesten die veel bekwamer zijn in verraad, list en bedrog dan hij zich zelfs maar kan voorstellen.'
'Als je je zorgen maakt over oplichters, dan had je Nakur mee moeten nemen om hem les te geven.'
'Misschien doe ik dat nog, maar nu niet. Trouwens, je vader heeft Nakur met een of ander klusje naar Kesh gestuurd.'
Magnus stond op. 'Aha, dan zijn de vooruitzichten op oorlog tussen het Koninkrijk der Eilanden en het Keizerrijk Groot Kesh dus uitstekend.'
Robert schoot in de lach. 'Nakur zaait niet overal waar hij komt dood en verderf.'
'Inderdaad, hij maakt zo nu en dan wel eens een uitzondering. Maar goed, als je denkt dat je die jongen kunt klaarstomen om Raaf op te sporen en te doden, veel geluk ermee.'
'O, over Raaf en zijn moordenaars maak ik me niet druk. Die jacht maakt alleen maar deel uit van Klauws opleiding. Het is zijn gezellenwerk, zogezegd. Mocht hij daarvoor niet slagen, dan zou hij ook niet zijn opgewassen tegen de werkelijke beproeving van zijn vaardigheden.'
'Dat klinkt interessant. Wat komt er daarna dan?'
'Klauw zal zijn volk gewroken hebben als hij alle verantwoordelijken voor de vernietiging van de Orosini heeft gedood. Dat betekent dat hij niet zal rusten voordat hij de man achter die genocide heeft opgespoord en omgebracht.'
Magnus keek hem aan met samengeknepen ogen, en het lichte blauw ervan zag er zo mogelijk nog killer uit dan anders. Je gaat een wapen van hem maken?'
Robert knikte. 'Hij zal de gevaarlijkste man op deze wereld moeten doden.'
Magnus ging weer op zijn stoel zitten en sloeg zijn armen over elkaar. Zijn blik ging in de richting van de keuken, alsof hij door de muren heen kon kijken. Je stuurt een muis om een draak te trotseren.' 'Misschien,' zei Robert. 'Maar laten we er dan in ieder geval voor zorgen dat die muis tanden heeft.'
Langzaam schudde Magnus zijn hoofd, maar hij zei niets.
Klauw sjouwde water de heuvel op en zag dat Meggie op hem stond te wachten. Met een frons op haar gezicht keek het tengere meisje hem aan. Ze was het tegengestelde van Lela: slank in plaats van voluptueus, blank tegen het bleke aan in plaats van donker, onopvallend in plaats van exotisch, en stug in plaats van uitbundig. Om kort te gaan, met haar nauwelijks twintig jaren was ze al flink op weg om een oud viswijf te worden.
'Dat duurde lang, zeg,' zei ze.
'Ik wist niet dat er haast achter zat,' zei Klauw, inmiddels vertrouwd met het idiomatische Roldeems dat hij vrijwel uitsluitend diende te spreken.
'Er zit altijd haast achter,' blafte ze.
Haar verder omhoog volgend vroeg hij: 'Waarom ben je me tegemoet gekomen?'
'Kendrick zei dat ik je moest zoeken om je te zeggen dat je vanavond weer in de eetzaal staat.' Ze droeg een sjaal van een vaalgroene kleur die ze strakker rond haar schouders trok terwijl ze voor hem uit liep. De dagen werden kouder en de nachten langer. 'De karavaan van Orodon naar Farinda brengt hier de nacht door, en het schijnt dat er een belangrijk persoon meereist. Dus, Lela en ik staan met Lars in de gelagkamer en jij met Gibbs in de eetzaal.'
'Dat had je me ook kunnen vertellen als ik terug in de keuken was,' vond Klauw.
'Als ik iets opgedragen krijg, dan doe ik dat meteen,' bits te ze, versnelde haar pas en beende voor hem uit. Klauw keek naar haar kleiner wordende, stijve rug, en even viel hem iets op. Het duurde even voordat het tot hem doordrong wat het was: hij vond dat ze haar heupen leuk bewoog, zoals ze de heuvel op liep. Hij kreeg er datzelfde vreemde gevoel van in zijn maag dat hij vaak kreeg als hij alleen met Lela was, en hij verbaasde zich daarover. Zo graag mocht hij Meggie niet eens, maar plots moest hij denken aan haar neus, waarvan het puntje opwipte, en aan de zeldzame keren dat ze ergens om moest lachen, want dan kreeg ze kleine streepjes - rimpels noemde Lela ze - bij haar ooghoeken.
Hij wist dat er iets was geweest tussen Meggie en Lars, maar dat ze om een of andere reden nu nauwelijks met elkaar praatten, terwijl iedereen met Lela praatte. Hij zette zijn ongemak van zich af. Hij wist wat er gaande was tussen mannen en vrouwen - bij zijn volk waren ze open genoeg over seks, en toen hij klein was, had hij vaak genoeg naakte vrouwen bij de zwemvijver gezien - maar wanneer hij daadwerkelijk in de buurt van een jonge vrouw was, bracht hem dat toch wat van zijn stuk. En deze mensen waren geen Orosini, het waren buitenlanders, hoewel hij even later toch moest toegeven dat hij nu de buitenlander was. Hij kende hun gebruiken niet, en kennelijk gingen ze lichamelijk met elkaar om voordat ze zich aan iemand beloofden. Misschien hadden ze niet eens een huwelijk zoals bij de Orosini.
Voor zover Klauw wist, had Kendrick ook geen vrouw. Leo was getrouwd met de lijvige vrouw, Martha, die voor de ovenwaren zorgde, maar zij kwamen van ver weg, uit een stad die Ylith heette. Misschien woonden de mannen en vrouwen hier in Latagore apart, alleen... Hij schudde zijn hoofd en liep door de poort het stalerf op. Hij wist niet wat hij ervan moest denken en besloot het met Robert te bespreken als de gelegenheid zich voordeed.
Het viel hem op dat Meggie niet erg ver vooruit was gelopen, en ze stond nu op het stoepje van de keuken op hem te wachten. 'Giet het in de tonnen,' gelastte ze.
'Ik weet wat ik moet doen,' zei hij zacht.
'O ja, weet jij dat?' zei ze, haar bedoeling onduidelijk.
Toen ze zich omdraaide om de deur open te houden, wachtte hij even en liep langs haar heen. Ze deed de deur achter hem dicht, en hij zette de grote emmers met water neer. 'Meggie?'
'Ja?' Met een halve frons op haar gezicht draaide ze zich naar hem om.
'Waarom heb je zo'n hekel aan me?'
De openheid van de vraag overrompelde haar. Even bleef ze sprakeloos staan, toen liep ze langs hem heen. 'Wie zegt dat ik een hekel aan je heb?' Haar stem klonk zacht.
Voordat hij kon reageren, was ze de keuken uit. Hij pakte de emmers op en droeg ze naar de watertonnen. Hij moest Robert toch eens vragen over deze mensen.
Die avond zocht Klauw na de avondmaaltijd Robert op in zijn kamer achter in de herberg, op de bovenverdieping. Hij wist dat hij deze man zijn leven verschuldigd was. Hij wist dat hij, tot hij van die schuld werd ontslagen, Robert d'Lyes de rest van zijn leven zou dienen, of tot de tijd dat hij Robert het leven redde. Maar hij wist niet welke plannen Robert met hem had. Sinds midzomer had hij het te druk gehad met zijn verdriet en de veranderingen in zijn leven, maar nu de winter ras naderde, begon hij wat meer na te denken over de toekomst en vroeg hij zich af wat zijn lot zou zijn wanneer het lente werd, en wanneer de volgende zomer zich aandiende.
Voor de deur aarzelde hij. Hij had Robert nog nooit in zijn kamer gestoord en wist niet eens of hij dat wel mocht. Hij haalde een keer adem en klopte zachtjes.
'Binnen.'
Langzaam opende hij de deur en boog zich naar binnen. 'Meneer, mag ik u even spreken?'
In Roberts kamer stonden maar vier meubelstukken: een bed, een kist voor zijn kleren, een tafeltje en een kruk. Hij zat op de kruk aan tafel naar iets groots te staren, wat er in Klauws ogen uitzag als veel aan elkaar gebonden perkamenten. Ernaast stond een kaars, de enige verlichting in de kamer. Een waterkom en een kan waren de stille getuigen van de andere functie van de tafel wanneer Robert die niet gebruikte voor zijn werk.
'Kom binnen en doe de deur dicht,' zei d'Lyes.
Dat deed Klauw, en onbeholpen bleef hij voor Robert staan. 'Mag ik dat?' vroeg hij uiteindelijk.
'Mag je wat?'
'U een vraag stellen.'
Robert glimlachte. 'Eindelijk. Dat mag niet alleen, dat wordt zelfs aangemoedigd. Waar loop je over te piekeren?'
'Over veel dingen, meester.'
Roberts wenkbrauwen gingen omhoog. 'Meester?'
'Ik weet niet hoe ik u anders moet noemen, en iedereen in de herberg zegt dat u mijn meester bent.'
Robert wuifde naar het bed. 'Ga zitten.'
Klauw nam plaats, slecht op zijn gemak.
'Om te beginnen is het terecht dat je me "meester" noemt in het bijzijn van anderen die ons niet zo goed bekend zijn, maar als we alleen zijn, of met Pasko, dan kun je me aanspreken met "Robert". Begrepen?'
'Ik begrijp dat ik dat moet doen. Ik begrijp niet waarom.'
Robert glimlachte. 'Je verstand is al net zo scherp als je oog, Klauw van de Zilverhavik. Nu dan, waarover wilde je me spreken?'
Klauw zette zijn gedachten op een rijtje en nam even de tijd om zijn woorden af te wegen. 'Wat zijn uw plannen met mij?' vroeg hij toen.
'Is dat voor jou van belang?'
Klauw sloeg zijn ogen even neer en herinnerde zich toen zijn vaders woorden, dat hij altijd iemand recht moest aankijken en altijd een probleem rechtstreeks moest benaderen. 'Dat is voor mij van belang.'
'Maar je hebt maanden gewacht met je vraag.'
Weer viel Klauw even stil. 'Ik heb veel gehad om over na te denken. Ik heb geen volk meer. Alles wat ik ken, is weg. Ik weet niet meer wie ik ben.'
Robert zweeg. Hij trommelde zachtjes met zijn vingers op het tafelblad en zei even later: 'Weet je wat dit is?' Zijn hand ging naar de grote stapel gebonden perkamenten.
'Geschriften, denk ik.'
'Dit heet een boek. Er staat kennis in. Er zijn veel verschillende boeken met veel verschillende soorten kennis erin, net zoals ieder mens verschilt van ieder ander. Sommige mensen hoeven in hun leven niet veel beslissingen te nemen, Klauw. Die worden ergens geboren, groeien daar op, trouwen en krijgen kinderen, worden oud en sterven. Zo zou het met jou ook zijn gegaan, niet?'
Klauw knikte. 'Dat was zo.'
'Andere mensen worden door het lot de woestijn in gestuurd en moeten hun leven zelf in handen nemen. Zo is het nu ook met jou.'
'Maar ik heb een schuld aan u.'
'En die betaal je terug. En dan?'
'Dat weet ik niet.'
'Dan hebben we een gemeenschappelijk doel, want bij het ontdekken hoe je mij het beste van dienst kunt zijn, komen we er ook achter wat je toekomst is.'
'Dat begrijp ik niet.'
Robert glimlachte. 'Dat hoeft ook niet. Dat komt nog wel. Maar ik zal je eerst een paar dingen vertellen die je moet weten. Het komende jaar breng je hier door, op Kendricks Hofstee, met het doen van allerlei dingen. Werken in de keuken, zoals je hebt gedaan, en in de stal, en aan andere klussen die Kendrick je aanwijst. Van tijd tot tijd werk je ook voor Caleb of Magnus, mochten ze je ergens voor nodig hebben als ze hier zijn. En van tijd tot tijd ga je met mij mee op reis.' Hij draaide zich en legde zijn hand weer op het boek. 'En morgen beginnen we met jou leren lezen.'
'Lezen, Robert?'
'Je hebt een helder verstand, Klauw van de Zilverhavik, maar het is ongeschoold. Je bent opgevoed in de gebruiken van je volk, om een goed en waarachtig man van de Orosini te zijn. Maar nu moet je worden opgevoed in de gebruiken van de wereld.'
'Ik begrijp het nog steeds niet, Robert.'
Robert beduidde Klauw te gaan staan. 'Ga nu slapen. Mettertijd zul je het begrijpen. Ik bespeur een groot potentieel in jou, Klauw. Misschien vergis ik me, maar als je dat potentieel niet ontwikkelt, komt dat niet door gebrek aan inspanning.'
Niet wetend wat hij moest zeggen knikte Klauw slechts, draaide zich om en vertrok. Buiten Roberts kamer bleef hij even staan en dacht bij zichzelf: potentieel waarvoor?
Klauw wachtte af, met het zwaard in de aanslag terwijl Magnus op enige afstand stond toe te kijken. De jongen droop al van het zweet en had verscheidene rode plekken op zijn schouders en rug van de klappen die hij te incasseren had gekregen.
Voor hem stond Kendrick, met een houten oefenzwaard in de hand, de jongen beduidend nogmaals aan te vallen. Hij had Klauw een echt zwaard gegeven omdat hij vond dat hij het verdiende te bloeden als de jongen hem wist te raken, en tot dusver had hij zijn vaardigheid bewezen door ongeschonden te blijven.
Klauw was snel en leerde vlug, en hij wist steeds dichter bij Kendrick te komen. Gedurende de hele oefening had Magnus niets gezegd, maar hij lette op elke beweging.
Klauw viel aan, en deze keer hield hij zijn wapen alsof hij omlaag zou gaan slaan. Plots draaide hij bliksemsnel weg van Kendricks rechterzijde - zijn zwaardkant - en sloeg zijwaarts omlaag met zijn kling, een gemene zwaai naar Kendricks onbeschermde linkerzijde. Op het laatste moment had Kendrick de beweging in de gaten, en ternauwernood had hij zijn zwaard in positie om te blokkeren, maar ineens draaide Klauw zich om en haalde uit naar Kendricks rechterzij, nu onbeschermd, aangezien hij zich te ver had uitgestrekt om te blokkeren. Met een bevredigende, doffe klap trof de platte kant van Klauws zwaard de herbergier op de rug, hem een grom van pijn ontlokkend.
'Stop!' riep Kendrick.
Klauw draaide zich om, met zwoegende borst, en keek naar de herbergier, die hem indringend opnam.
'Van wie heb je die beweging geleerd, jongen?'
'Van niemand, meneer. Ik... heb hem net zelf bedacht.'
De herbergier bracht een hand naar zijn rug en wreef over de plek waar Klauw hem had geraakt. 'Knap staaltje, dat de meeste zwaardvechters niet eens kunnen verzinnen, laat staan doen, en jou lukt het al de eerste keer.'
Klauw wist niet wat hij moest zeggen. Hij wist niet zeker of hij nu werd geprezen of juist niet. Hij sprak inmiddels bijna vloeiend Roldeems, maar sommige nuances en uitdrukkingen gingen nog steeds aan hem voorbij.
Kendrick gaf zijn oefenzwaard aan Klauw. 'Voor vandaag zijn we klaar. Leg ze weg en ga kijken wat Leo voor je te doen heeft in de keuken.'
Klauw veegde zijn voorhoofd af met de mouw van zijn tuniek, pakte het wapen aan en repte zich in de richting van de keuken. Toen de jongeman buiten gehoorsafstand was, zei Magnus: 'En, wat denk je?'
'Snel als een kat, die knaap,' luidde Kendricks commentaar. 'Ik had er een zak goud op durven zetten dat hij me nog minstens twee lessen niet zou kunnen raken. Eerst kon ik hem naar believen om zijn oren geven. Toen begon hij mijn slagen te voorzien. Verdediging eerst, intuïtief, want overleven is belangrijker dan winnen. En behalve snel is hij ook slim.'
'Hoe goed kan hij worden?'
Kendrick haalde zijn schouders op. 'Als je een brute slachter van hem wilt maken, dan kan hij al over een maand een muur bestormen. Maar wil je een zwaardvechter, dan moet hij naar een betere meester dan ik.'
'Waar?'
'Laat hem dit jaar nog aan mij, dan is hij klaar voor het Meestershof in Roldem. Een jaar of twee daar, en hij is een van de beste zwaardvechters die ik ooit heb gezien.'
'Zo goed?'
Kendrick knikte. 'Beter nog. Misschien wel de beste, als hem onderweg niet iets noodlottig wordt.'
Leunend op zijn met ijzer beslagen staf staarde Magnus in de richting waarin Klauw was verdwenen, als om het beeld vast te houden van de vermoeide jongeling die druipend van het zweet en met zijn sluike haar tegen zijn hoofd geplakt naar de keuken rende. 'Zoals?'
'Drank. Verdovende middelen. Gokken. Vrouwen. Hetzelfde als altijd.'
Magnus keek Kendrick aan. 'Of anders de plannen en intriges die je vader voor hem in petto heeft.'
Magnus knikte. 'Mijn vader heeft het lot van die jongen in de handen van Robert gelegd. Klauw maakt geen deel uit van onze plannen. Nog niet, tenminste, maar mijn vader heeft Roberts rapport over hem gehoord en ziet zijn aanwezigheid hier als een gelukkig toeval.'
'Gelukkig voor wie?' vroeg Kendrick. 'Kom, ik moet in bad. Die knaap heeft me harder laten werken dan ik had verwacht.'
'Als Robert en Pasko hem niet hadden gevonden, dan zou Klauw nu net zo dood zijn als de rest van zijn stam,' zei Magnus. 'Elk moment nadien is volgens Robert geleende tijd. Die jongen heeft een nieuwe kans gekregen.'
'Ja, maar wie gaat die kans benutten?' vroeg Kendrick. 'Dat is de vraag, nietwaar?'
'We worden allemaal gebruikt, op een of andere manier,' vond Magnus. 'Of dacht je soms dat mijn leven anders had kunnen zijn?'
'Nee, jouw lot was puur een kwestie van wie je ouders waren. Maar je broer had wel een keus.'
'Zo veel keus nou ook weer niet,' wierp Magnus tegen. 'Caleb had geen talent voor magie, maar hij had meer kunnen worden dan soldaat.'
'Je broer is ook meer dan soldaat,' zei Kendrick. 'Door de elfen geoefend in de jacht, meer talen meester dan ik ken, en een mensenkenner als geen ander. Had ik hem maar bij me gehad toen we die opstand in Bardacs Houvast moesten neerslaan. Het was geen pretje om de gevangenen bij de Verradersbaai te laten praten, zal ik je vertellen. Caleb ziet gewoon aan iemands gezicht of hij de waarheid spreekt of niet.' Kendrick schudde zijn hoofd. 'Nee, op niemand uit jouw familie valt iets aan te merken, en volgens mij is het met die jongen precies eender. Volgens mij heeft hij veel in zijn mars.' Kendrick klopte Magnus op de schouder. 'Zorg nou maar dat je hem niet kapotmaakt door hem te veel in zijn mars te géven, vriend.'
Magnus zei niets en bleef staan toen Kendrick wegliep. De witharige man draaide zich om en keek naar de hemel alsof hij iets in de lucht verwachtte te zien. Hij luisterde naar de geluiden uit de bossen en snoof de lucht op. Alles was zoals het hoorde.
Hij draaide zich weer om en keek naar de herberg. Wat had hem zoëven dan geplaagd? Misschien Kendricks waarschuwing over de Jongen.
Niettemin, een zwaard was pas gesmeed als het metaal in het vuur was geweest, en als er een zwakke plek in de kling zat, dan kon je die daar vinden, in het vuur. En elk zwaard was nodig in de oorlog die zou komen als zijn vaders plan niet zou slagen.
Klauw hees de laatste meelzak op de stapel die hij had gemaakt. Er was die middag een wagen met provisie uit Latagore gekomen, en hij was bezig met het uitladen van de spullen, om ze vervolgens naar de kelder onder de keuken te brengen. Behalve genoeg meel voor de winter waren er ook manden met groenten en fruit uit andere landen, geconserveerd met een soort vage kunst die Klauw niet begreep. In de keuken had hij genoeg opgevangen om te weten dat de magische conservering zo duur was dat alleen de adel en de rijken zich die konden permitteren.
Leo en Martha hadden zich ontfermd over een aantal kleine kisten met specerijen, kruiden en smaakmakers die de kok waardevoller achtte dan hun gewicht in goud. Al die levensmiddelen, samen met wat ze in de moestuin verbouwden, de najaarsoogst, en wat Klauwen Caleb wisten te schieten, beloofden een winter met meer te eten dan de jongen gewend was.
'Klauw!' klonk Lela's stem van boven. Hij haastte zich de brede houten trap op en zag haar met een verrukt gezicht bij de wagen staan. 'Kijk!' Ze wees omhoog.
Het sneeuwde; piepkleine vlokjes op een zachte maar aanhoudende bries, en de meeste waren al gesmolten voordat ze de grond raakten. 'Dat is gewoon sneeuw,' zei Klauw.
Lela keek hem aan met het pruillipje waarvan hij altijd een hol gevoel in zijn maag kreeg. 'Het is schitterend,' zei ze. 'Vind je het niet mooi?'
Klauw keek een poosje naar de dwarrelende vlokjes. 'Daar heb ik nooit over nagedacht. In ons dorp betekent sneeuw alleen maar dat we maanden in onze huizen moeten zitten omdat de sneeuw zo hoog ligt als je borst.' Om een of andere woorden deed het woord borst zijn blik afdwalen naar Lela's gevulde boezem. Even later wendde hij zijn blik af. 'En mijn tenen doen dan altijd zeer als ik terugkom van de jacht.'
'Ach, jij,' zei ze, zogenaamd afkeurend. 1ij hebt geen gevoel voor schoonheid. Ik kom uit een land waar het nooit sneeuw. Het is schitterend!'
Klauw glimlachte. 'Als jij het zegt.' Hij keek in de wagen en zag dat die leeg was. 'Ik ga de voerman zeggen dat ik klaar ben.' Hij deed de grote dubbele deur van de kelder dicht en liep om naar de keukendeur. Eenmaal binnen merkte hij hoe koud het buiten was geworden, want in de keuken kwam het hem heet en benauwd voor.
De wagenmenner en zijn leerling-voerman zaten aan een tafeltje in de hoek van de keuken aan de maaltijd die Martha voor hen had verzorgd. Ze keken op toen Klauw naderbij kwam.
'De wagen is uitgeladen,' zei hij.
De voerman, een magere vent met een neus als de snavel van een buizerd, glimlachte, waardoor zichtbaar werd dat zijn twee voortanden waren verdwenen. 'Maak jij de paarden even los, wil je? We zijn nog niet helemaal klaar, en ze hoeven niet de hele tijd in de kou te blijven staan. We blijven vannacht en gaan morgenvroeg pas terug naar het noorden.'
Klauw knikte en ging terug naar de deur, waar hij door Lars werd onderschept. 'Je hoeft niet voor zijn span te zorgen. Dat is zijn taak.'
'Het maakt mij niet uit,' schokschouderde Klauw. 'Er zijn toch geen gasten, en het is of voor de paarden zorgen, of hier pannen schrobben. Lood om oud ijzer.'
'Dan moet je het zelf maar weten,' zei Lars en ging weer aan zijn werk.
Klauw liep naar buiten. Na die korte tijd in de keuken was het buiten onaangenaam fris. Hij rende naar de wagen en leidde de paarden naar de ingang van de schuur. Inmiddels was hij redelijk in de omgang met de nukkige dieren, en al waren de weinige pogingen tot rijden vanuit zijn oogpunt lang niet prettig geweest, het stalwerk vond hij makkelijk en vaak nog leuk ook. De zware wagen was getrokken door een vierspan, en er was wat overredingskracht voor nodig om de dieren ver genoeg achteruit te laten lopen om de wagen keurig uit de weg te zetten. Vlug spande hij de paarden een voor een uit, nam ze mee naar binnen en zette ze in een stal. Daarna borstelde hij ze af. Zelfs nadat ze bijna een half uur stil hadden gestaan terwijl hij aan het uitladen was, waren de beesten nog steeds vochtig van de lange tocht naar de herberg van die middag. De damp sloeg van hun ruggen, en terwijl hij ze borstelde, werd het langzaam bitter koud.
Tegen de tijd dat er water en voer in de stallen stonden, wist Klauw dat het ernst werd met het weer. Hij liep het stalerf op en keek naar de lucht. De zon ging onder, en hij zag de wolken donkerder en voller worden. De sneeuw viel nu ook dichter. De voerman en zijn leerling konden maar beter vlug de terugweg naar Latagore aanvangen, anders kwamen ze de komende dagen nog tot aan hun assen in de sneeuw te staan. Als ze geluk hadden, verbeterde hij zichzelf. Als er een storm hun kant op kwam, zaten ze voor de duur van de winter vast op Kendricks Hofstee.
De maaltijd verliep zonder noemenswaardigheden. Nadat de keuken was schoongemaakt en het brood klaar stond om de volgende ochtend de oven in te gaan, wilde Klauw net naar de kamer gaan die hij met Lars en Gibbs deelde, toen Lela naar hem toe kwam. 'Ga nog maar niet naar je kamer,' zei ze op fluistertoon. Ze legde een hand op zijn arm en nam hem mee naar de voorraadkamer tussen de gelagkamer en de eetzaal. Daar deed ze de deur van de gelagkamer op een kiertje.
Gibbs zat stilletjes voor de haard, starend in de uitdovende kolen, met in zijn handen een kroes bier.
Met een ondeugende glimlach deed ze de deur weer dicht. 'Lars heeft de kamer even nodig.'
'Waarvoor?' vroeg Klauw.
Haar ogen werden groot, en ze giechelde. 'Waarvoor? Weet je dat niet?'
Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Als ik het wist, zou ik het dan vragen?'
Plagerig gaf ze hem een duw tegen zijn buik. 'Hij is daar met Meggie.'
'Waarom?' Voordat ze kon antwoorden, begreep hij het. 'Moeten ze dan alleen zijn?'
'Natuurlijk, domoor!' giechelde ze.
'Bij mijn volk is dat anders,' legde hij uit. 'Wij wonen in de winter bij elkaar in grote huizen, en als er een man met een vrouw samen onder de berenhuiden kruipt, doet iedereen gewoon alsof ze er niets van merken.'
'Hier merken we het wel.' Ze zag de glinstering in zijn ogen. 'Wat kijk je bezorgd. Is er iets?'
Klauws gedachten keerden terug naar Meggies nukkige glimlach, haar wipneusje, de manier waarop haar tengere lijfje zachtjes wiegde als ze liep. 'Weet ik niet,' zei hij tenslotte.
Ineens werden Lela's ogen groot. 'Je bent jaloers!'
'Dat woord ken ik niet.'
'Je wilt Meggie voor jezelf!' zei ze vrolijk lachend.
Plotseling werd Klauw rood, en het liefste was hij zo door de vloer gezakt. 'Ik... ik weet niet waar je het over hebt,' stamelde hij.
Geruime tijd keek Lela hem schattend aan. 'Je bent een knappe jongeman aan het worden, Klauw,' zei ze uiteindelijk. Ze sloeg haar armen rond zijn middel en kwam vlak voor hem staan, met haar gezicht bij het zijne. 'Ben je al eens met een vrouw geweest?'
Klauws hartslag versnelde, en hij wist niets uit te brengen. Uiteindelijk schudde hij slechts zijn hoofd.
Lachend duwde Lela zich van hem af. 'Wat ben je toch een kind.'
Op slag werd Klauw kwaad. Om een of andere reden stak die opmerking hem, en hij schreeuwde bijna: 'Nee, ik ben een man van de Orosini! Ik heb op mijn visioen gewacht, en...' Zijn stem werd zacht. 'Ik zou mijn manbaarheidstatoeages op mijn gezicht hebben gehad als mijn familie niet was vermoord.'
Lela's gezicht werd zachter en ze stapte weer naar hem toe. 'Het spijt me. Ik was het vergeten.'
Zijn woede verdween toen ze vlak bij hem kwam staan en hem kuste. Haar zachte warme lippen wekten iets in hem op dat hem te veel dreigde te worden. Hij greep haar beet en trok haar tegen zich aan, wat haar een gilletje van protest ontlokte. 'Zachtjes,' zei ze, hem een stukje terug duwend.
Verward knipperde hij met zijn ogen, zwemmend in gevoelens die hij niet eens wist te benoemen. Hij smachtte ernaar haar weer in zijn armen te nemen.
Ze grijnsde. 'Je weet niets van het spel tussen man en vrouw.'
'Spel?'
Ze nam hem bij de hand. 'Ik heb gezien wat voor spelletjes je van Robert en Magnus hebt geleerd. Volgens mij wordt het eens tijd dat ik je het beste spelletje van allemaal ga leren.'
Een beetje angstig en gloeiend van verwachting klampte Klauw zich vast aan Lela's hand terwijl ze hem meenam door de gelagkamer naar de kamer die ze met Meggie deelde.
Toen hij zag wat er gebeurde, hief Gibbs grijnzend zijn bierkroes naar hen op. Terwijl ze de trap naar de nu lege gastenkamers op liepen, zei Gibbs: 'We hebben een extra dienstmeisje nodig hier, iets anders zit er niet op.'
Bij gebrek aan troost koos de bediende voor nog één biertje voordat hij op zoek zou gaan naar een slaapplaats.