15 Mysterie
Claus kwam bij.
'Dat is de derde keer,' zei Pasko.
Een beetje kreunend van de pijn en van de inspanning om zich te bewegen, wist Claus te vragen: 'De derde keer wat?' Hij fronste zijn wenkbrauwen. Zijn ogen leken wel dichtgeplakt, en zijn mond was droog. 'Mag ik wat water?'
Pasko hielp hem zijn hoofd op te tillen en bracht een beker water naar zijn lippen. Terwijl Claus een slok nam, hoorde hij een andere stem zeggen: 'De derde keer dat we ons best hebben moeten doen om je in leven te houden, Klauw;' Robert d'Lyes verscheen hoofdschuddend in zijn gezichtsveld. 'Nu ben je ons drie keer je leven verschuldigd.'
Claus dronk door tot zijn keel weer vochtig was en hij kon praten zonder te klinken als een kikker. 'Het spijt me het te moeten toegeven, maar ik heb er maar één te vergeven. En noem me ''Claus'', alstublieft, want ik heet nu Claudius.'
'Je hebt ons gisteren bijna je enige leven gegeven, Claus,' zei Robert zacht.
Claus keek naar zijn linkerarm, en zijn ogen werden groot. Zijn lijf was stijf en deed zeer, maar de wond op zijn arm was verdwenen, en op zijn rug voelde hij ook niets meer. 'Wat...'
'Magie,' antwoordde Robert.
'U hebt over nog geen twee weken een toernooi, mijnheer,' zei Pasko. 'Met de ernst van de wonden en het bloedverlies zou u nooit tot een wedstrijd in staat zijn geweest.'
'Een van de mogelijke redenen waarom je bent aangevallen,' voegde Robert eraan toe, 'al acht ik het niet waarschijnlijk.'
'Hoe...'
'Er zijn enkele zeer getalenteerde genezingspriesters in Roldem,' verklaarde Robert. 'Sommigen zijn het Conclaaf zeer behulpzaam.'
'Bent u daarom hier?' Claus bewoog zijn armen en merkte dat ze al minder stijf werden.
'Ik heb hem laten komen, mijnheer,' zei Pasko.
'Er was Pasko iets opgevallen dat het noodzakelijk maakte dat er meteen iemand van het Conclaaf met magische vaardigheden kwam. Hij rapporteerde dat de moordenaar onmogelijk zonder gebruik van magie in de ruimte had kunnen komen waar je werd gemasseerd.'
Claus dacht na. De tafel was groot genoeg om je onder te verstoppen, maar daar was je zichtbaar voor iemand die binnenkwam. Er waren geen kasten of andere deuren. 'Dat had ik moeten weten.'
'Jij was onwel,' zei Robert. 'Pasko heeft al via de gepaste kanalen verspreid dat het meeste bloed afkomstig was van de ongelukkige jongedame die is gedood en dat jij alleen maar wat blauwe plekken hebt en een oppervlakkige wond die snel zal genezen. Je zult op tijd in goede conditie zijn voor het toernooi.'
Claus kwam overeind en merkte dat de stijfheid al bijna was verdwenen. 'Ik rammel.'
'De gevolgen van de bezwering die onze bevriende priester heeft gebruikt. Als je de moeite nam om op dergelijke dingen te letten, zou je zien dat je magerder bent geworden. Het lichaam moest ergens de energie vandaan halen om het beschadigde weefsel te genezen, dus heeft het het beetje vet verbrand dat je had, Claus. Je ziet eruit als een skelet.'
Hij stond op, en zijn hoofd tolde. 'En ik voel me zo slap als een pasgeboren poesje.'
Pasko hielp hem in een kamerjas en bracht hem naar de tafel in de woonkamer van het appartement. Daar stond eten klaar, en Claus viel er gretig op aan. Terwijl hij at, keerden zijn krachten terug.
'De rest van de dag moet je rusten,' zei Robert, 'maar daarna moet je weer in het openbaar verschijnen om mogelijke geruchten over je verwondingen te ontzenuwen.'
'Waarom?' vroeg Claus. 'Vanwaar die haast?'
'Omdat de mensen nu al lopen te verzinnen waarom je bent aangevallen en hoe ernstig gewond je bent,' antwoordde Robert. 'Sommigen zullen in hun handen wrijven, want naar ik heb begrepen zijn er mensen genoeg die niet willen dat jij deelneemt aan het toernooi of hun dochters bezoekt.'
Claus knikte zonder te blozen.
'Wat de verwonding betreft, moeten we degene die de moordenaar heeft gestuurd duidelijk maken dat de opzet is mislukt. Opdat ze het binnenkort nogmaals proberen.'
'Aha, dus ik ben het lokaas?'
Robert haalde zijn schouders op. 'Iemand probeert jou te vermoorden. Vergelijk het met de jacht. Als jij door een roofdier wordt beslopen, wat doe je dan?'
'Dan vlucht je niet,' zei Claus meteen. 'Dan zet je een val.'
'Doen wij ook.'
Claus had zijn eten op en vroeg: 'Hoe laat is het?' Hij keek uit het raam en zag dat het middag was.
'Twee uur na noen,' hielp Pasko.
'Dan kan ik het beste terug naar het Meestershof gaan om wat opmerkingen te maken over dat arme kind dat is vermoord.' Plots dacht hij aan Salmina en besefte dat hij haar nooit meer zou zien en nooit meer haar enthousiaste minnespel zou ervaren, en even betreurde hij dat. 'Daarna ga ik weer naar Remarga voor een bad en een massage.' Hij keek Pasko aan. 'Nog uitnodigingen?'
'Drie.'
'Sla ze allemaal af. Als ik toch in het openbaar moet worden gezien, ga ik bij Dawson eten.'
Robert knikte. 'En daarna?'
'Spelen in het Rad van Fortuin.'
'Mooi, dat zal iedereen duidelijk maken dat je in goede gezondheid verkeert.'
Claus stond op en rekte zich uit. 'Ik voel me opmerkelijk goed voor iemand die gisteren als een zij wildbraad aan stukken is gesneden.'
'Die bezwering was ook niet goedkoop,' merkte Robert meesmuilend op.
Claus glimlachte. 'Het is maar goed dat ik een meester met voldoende middelen heb uitgezocht.'
Nu betrok Roberts gezicht. 'Zuurverdiende middelen, jongeheer Claus. Het mag dan makkelijk lijken om rijkdom te voorschijn te toveren als je niets van de magische kunsten weet, maar je hebt genoeg van ons ambacht gezien om enig idee van de moeilijkheden te hebben. Je kent het eiland, je weet hoeveel mensen we kleden en te eten geven, en je begint enig idee te krijgen van het aantal mensen dat we op andere plaatsen onderhouden.' Zijn hand beschreef een boog die het appartement, de kleding en de andere voorwerpen omvatte. 'Voor alles is betaald, en niets is zomaar uit de lucht geplukt.'
Claus wist niet zeker waar hij op doelde, dus zei hij: 'Ik waardeer ook best wat mijn meesters voor me hebben gedaan, Robert. Maar ik ben me er pijnlijk van bewust wie hier het doelwit van de moordenaar is, en daarom stel ik het zeer op prijs om op de juiste momenten enige macht achter me te hebben staan.' Hij keek nu dodelijk ernstig. 'Maar u zult zich herinneren dat u me nog steeds niet hebt verteld waarom ik ben opgeleid en wat mijn taak precies is, behalve het winnen van dit dekselse toernooi.'
Een tijdlang was Robert stil. 'Dat is waar. We hebben je niet veel verteld, en we zullen je onwetend houden zolang dat ons beter van pas komt. Als je nu in verkeerde handen zou vallen... Een bedreven magiër weet altijd wel een manier om je herinneringen uit je schedel te peuteren als een slak uit zijn huisje, Claus. Iemand die niet in jouw welzijn is geïnteresseerd, kan het in minder dan een dag, en laat je dan kwijlend buiten een herberg achter, zodat iedereen denkt dat je gewoon een dronkelap bent die zijn verstand heeft verzopen. Maar onderwijl zouden ze wel al je geheimen uit je hebben geperst.'
Pasko knikte. 'En het doet nog zeer ook, heb ik gehoord.'
Dat beaamde Robert. 'Ze brengen je naar een afgelegen plek, zodat niemand je hoort schreeuwen.'
Claus ging door met zich uitrekken. 'Dan reken ik erop dat mijn mentors hun magische kunsten zullen aanwenden om me tegen dat soort dingen te beschermen. Maar we hebben nog steeds geen idee van de moordenaar, hè?'
'Nee,' gaf Robert toe. 'Pasko had het er te druk mee om jou uit dat badhuis te krijgen.' Hij knikte goedkeurend. 'Best een prestatie, om je wonden te stelpen met handdoeken en je in de koets te leggen voordat iemand kon zien hoeveel bloed nu eigenlijk van jou was en hoeveel van het meisje.'
Pasko trok even zijn schouders op. 'Zo veel lof heb ik nu ook weer niet verdiend, Robert. De meeste mensen renden de andere kant op of waren in de war van het gegil en geschreeuw; Het badhuis is niet zo goed verlicht, en ... nou ja, ik wist gewoon dat het voorkomen moest worden dat al die mensen Claus als een bloedend karkas op de vloer zagen liggen.'
'Goed gedaan.' Robert keek Klauw aan. 'Je krijgt te horen over je missie als het zover is, mijn jonge vriend. Wees ervan verzekerd dat we blij zijn met je vooruitgang tot dusver, en op dit moment is onze enige zorg dat je dat toernooi wint.'
'Waarom?'
'Als je hebt gewonnen, zal ik het je vertellen.'
'En als ik niet win?'
'Dan hoef je ook niet te weten wat er daarna zou komen, toch?'
In Klauws ogen verschenen duistere pretlichtjes. 'Dat zal dan wel, meester.'
'Klauw noemt me "meester". Heer Claudius Haviks mag me Robert noemen.'
'Ja, Robert,' zei Claus, terug in zijn rol vallend. 'Pasko, breng kleren naar Remarga en laat de koets daar op tijd verschijnen.' Daarop wendde hij zich weer tot de oudere man. 'Robert, heb je geen zin om mee naar het badhuis te gaan? Je knapt er erg van op.'
Robert neigde zijn hoofd. 'Het zou best eens verstandig kunnen zijn als ik erbij was. De moordenaar zal geen magische vermogens hebben gehad, maar hij is wel met gebruik van een bezwering naar binnen gebracht, eentje voor transport of voor onzichtbaarheid. Als er tussen nu en de wedstrijd iets gebeurt, kan ik maar beter in de buurt zijn, vooral als er mystieke kunsten mee gemoeid zijn.'
'Weten we wie de moordenaar was?' vroeg Claus.
'Een man,' zei Pasko. 'Niemand heeft hem herkend, en de stadswacht heeft het lijk afgevoerd.'
'Kennen we iemand bij de stadswacht goed genoeg om naar deze boosdoener te informeren?'
'U hebt nog gekaart met dagwachtkapitein Drogan,' antwoordde Pasko, 'dus als u het hem gaat vragen, zal dat niemand opvallen.'
'Dan ga ik morgen,' besloot Claus en wendde zich weer tot Robert. 'Laten we een wandelingetje terug naar Remarga maken om de ongeregeldheden van gisteren te vergeten.'
'Laten we de schijn wekken dat we dat doen; zei Robert, 'maar ik wil dat je nooit vergeet hoe weinig het heeft gescheeld, of deze lieden hadden je gedood.'
'Welke lieden?'
Robert glimlachte. 'Daar komen we gauw genoeg achter, denk ik.'
De twee mannen vertrokken, en Pasko ging de kleren voor die avond uitzoeken.
Het was een bewolkte ochtend, goed passend bij Claus' stemming, toen hij door de smalle straten van de stad op weg was naar het stadswachtkantoor vlak bij het oude marktplein in het centrum. De vorige avond was zonder noemenswaardigheden verlopen, maar al die tijd was hij gespannen geweest in de verwachting van een nieuwe aanval, zodat hij weinig had genoten van de dingen waar hij gewoonlijk zo'n behagen in schepte. Het diner bij Dawson, een voormalige herberg waar tegenwoordig alleen nog maaltijden werden verzorgd voor de adel en de rijken die niet thuis wilden eten - de bovenkamers waren verbouwd tot privé-eetvertrekken - was zoals gewoonlijk uitmuntend geweest. Het vlees was perfect bereid, de glacés en sauzen konden tippen aan de beste die Claus ooit had geproefd, en op het personeel was niets aan te merken, maar Robert en hij hadden in betrekkelijke stilte gegeten. Zelfs de gewoonlijk voortreffelijke Ravensburgse wijnen, geïmporteerd uit het Koninkrijk, hadden zijn aandacht nauwelijks weten te trekken.
Het gokspel in Rad van Fortuin had voor weinig afleiding gezorgd. Claus speelde onverschillig, in gedachten elders, en zelfs vrouwe Thornhill zei tegen Claus dat hij afwezig overkwam. Hij had naar haar geglimlacht en gezegd dat het niets te maken had met de ongeregeldheden bij Remarga van de vorige dag, en nee, hij was niet ernstig gewond geraakt, dat leek alleen maar zo uit omdat hij onder het bloed van het arme meisje had gezeten en met zijn hoofd op de tegelvloer was gevallen, en ja, hij was met zijn gedachten al bij het komende toernooi.
Al vrij vroeg had hij zich teruggetrokken uit het spel, na bescheiden verliezen, en was met Robert naar zijn appartement gegaan, waar hij vroeg was gaan slapen, terwijl Robert en Pasko nog uren in de kamer ernaast hadden zitten praten.
Nu zocht hij antwoorden, op vragen die niet precies bekend waren.
Hij arriveerde bij het kantoor van het stadswachtershoofd, ene Dennis Drogan, neef van een lage paleisfunctionaris, die zijn ambt via politieke connecties had gekregen maar zich er niettemin competent in had getoond. Toen hij in Drogans kantoor werd gelaten, weinig meer dan een schrijftafel en een stoel in de hoek van de appélzaal met een houten scherm om het hoofd van de stadswacht wat privacy te geven, werd hij begroet met een beleefde doch afstandelijke glimlach. 'Claus, ik was van plan je later vandaag te bezoeken.' Drogan was een zwaargebouwde man van middelbare leeftijd met het ronds te hoofd dat Claus ooit had gezien. Zijn haar was kortgeknipt, en hij was gewend zich te scheren. Zijn neus, die in de loop der jaren herhaaldelijk was gebroken, was een vormeloze bobbel en een oor was tijdens een gevecht half afgebeten, maar zijn ogen stonden altijd helder, en er ontging hem niet veel.
'Ik neem aan dat je me wilde spreken over de moord.'
De wenkbrauwen van de stadswachter gingen omhoog. 'Ja. Wie zou jou willen vermoorden, Claus?'
'Mij?' veinsde Claus verbazing. 'Ik ging ervan uit dat het een jaloerse minnaar was die het op het meisje had gemunt, Salmina. Zij is per slot van rekening vermoord. Volgens mij kwam hij alleen maar op mij af om te voorkomen dat ik hem later kon herkennen.'
Daar dacht Drogan even over na. 'Heb je die man ooit eerder gezien?'
'Nee. In feite was ik er nieuwsgierig naar of hij jou misschien bekend was.'
'Nee, geen van mijn jongens heeft hem ooit gezien. We hebben het lijk onderzocht voordat we het in de kalkput gooiden, maar we hebben niets gevonden wat een aanknopingspunt bood, alleen dat hij pas uit de Eilanden was gekomen, aangezien hij wat Koninkrijkse zilvermunten bij zich had.'
Claus leunde achterover alsof hij diep nadacht. 'Nou, dat is een breinbrekertje, hè? Misschien een minnaar die terugkwam van een reis en tot zijn ongenoegen ontdekte dat Salmina in het badhuis werkte?'
'Daar werkte ze al meer dan tien jaar, mijn vriend. Als dat een verrassing voor die minnaar was, dan is hij wel erg lang op reis geweest.'
'Nou ja, dat was het eerste wat in me opkwam,' reageerde Claus.
'Het ligt voor de hand, en meestal klopt het ook nog. Maar deze keer denk ik toch niet. Als iemand dat kind wilde vermoorden, waarom wachtte hij dan niet gewoon tot ze op weg was naar huis? Nee, het lijkt er meer op dat iemand de beste zwaardvechter van Roldem wilde verrassen, bloot op zijn buik, zonder zijn zwaard. Volgens mij is het dat.'
'Maar wie zou er dan een huurmoordenaar op mij afsturen?'
'Wie zegt dat die knaap een huurmoordenaar was?'
Claus leunde weer achterover. 'Ik had hem nooit eerder gezien, Dennis. Er kunnen best wat mensen zijn die iets tegen mij hebben, maar die zou ik zeker kennen van gezicht. Als iemand mij dood wil, dan is die man dus gehuurd om mij te vermoorden. Maar dat acht ik niet erg waarschijnlijk.'
'Waarom niet?'
'Het is best mogelijk dat er wat vaders zijn die liever niet willen dat ik met hun dochters omga, en misschien zelfs wel een vrouw die me dood wenst, maar ik ken niemand die serieus zou overwegen om er iemand voor op pad te sturen.'
'Weet je wat nog het vreemdst aan deze zaak is?'
'Nou?'
'Niemand heeft die man het badhuis in zien gaan. Om bij de plek te komen waar je bent aangevallen, moet je langs een handvol bedienden en portiers. Vanaf het moment dat het badhuis 's morgens opengaat totdat ze 's avonds de deuren sluiten kun je niet via een andere weg naar dat deel van de baden.'
'Ja, erg vreemd, nietwaar?'
'Je hebt geen idee hoe hij daar heeft kunnen verschijnen, als bij toverslag?'
Met een meewarige glimlach keek Claus hem aan. 'Magie? Dat maakt het nog veel... vreemder, toch?'
'Het zou betekenen dat degene die uit was op jouw dood ook nog eens bereid was daar een smak geld voor te betalen. Niet alleen aan degene die het mes hanteerde, maar ook nog aan de persoon die hem met magie naar binnen heeft weten te krijgen.'
'Onzichtbaarheid?'
'Zoiets. Mijn oom heeft een vriend die een magiër kent. Ik heb die kerel een paar vragen gesteld, en volgens hem is dat de meest voor de hand liggende bezwering. Om iemand vanaf een andere plek naar de massageruimte te transporteren... Erg moeilijk, en er zijn maar weinig magiërs die het kunnen.'
Claus vond het maar beter om niet te zeggen dat hij er minstens vier kende die dat voor elkaar konden krijgen. De stadswachter mocht zelf achter de feiten komen. 'Dus niemand weet iets over die vent?'
'Nee, het spijt me.'
'En je kunt niet eens met zekerheid zeggen dat ik het beoogde slachtoffer was?'
'Nee, met zekerheid niet. Ik heb alleen een probleem met al die drukte over een vrouw die weinig meer was dan een gewone hoer.'
Claus' gezicht verstrakte. 'Salmina was veel meer dan dat.'
'Dat heb ik gehoord,' zei Dennis.
Claus stond op. 'Nou, ik zal je niet langer van je werk houden. Als je nog iets vindt, laat het me dan weten.'
'Daar kun je van op aan.'
Ze schudden elkaar de hand, en Claus verliet het kantoor. Buiten ging hij op weg naar zijn woning, gefrustreerd over het feit dat er geen informatie over de moordenaar beschikbaar was, ook al had hij dat wel verwacht.
Niettemin moest hij de onzekere factoren laten voor wat ze waren en zijn aandacht ten volle richten op het toernooi. Dat begon over nog geen twee weken, en als hij wilde winnen, mocht hij zich niet langer laten afleiden.
De wedstrijd naderde, en Claus voelde zijn opwinding stijgen. Hoe vaak hij de ontspanningsoefeningen ook deed die hij van Magnus, Nakur en Robert had geleerd, en hoe vaak hij zich ook probeerde te verstrooien met dobbelstenen, kaarten of aangenaam gezelschap, hij kon aan bijna niets anders denken dan het naderende toernooi.
Zelfs een uitnodiging voor een gala ten paleize, twee avonden voor de aanvang van het toernooi, wist zijn aandacht niet te vangen. Hij doodde de tijd bij een kleermaker, waar hij zich in de laatste mode voor aan het hof liet hijsen. Het was opzichtige, fatterige kleding. Een strakke broek, met de pijpen in zwarte laarzen die geen enkel praktisch nut hadden. Ze sloten te laag rond de kuiten om ermee te kunnen paardrijden - de bovenrand zou binnen een uur de blaren op je been hebben geschuurd - en te hoog om goed op te kunnen lopen. Maar er zaten prachtige zilveren gespen op, en langs de zijkant liep een rode streep van geverfd leer. De broek was een ramp, want die zat zo strak dat hij bijna afbond, maar de kleermaker verzekerde hem dat dit de nieuwste mode aan het hof was. Hij zag af van de broekklep, die eveneens een rage scheen te zijn. Sommige dingen weigerde hij nu eenmaal te dragen, ook al was het de mode aan het hof.
Het opzichtige hemd hing open bij de hals en werd onder het borstbeen dichtgehouden door een reeks parelknopen. Het had een kanten kraag, en aan de mouwen zat nog meer kant. Het jasje was puur ter decoratie, een afzichtelijk geval met gouddraad op rood brokaat en parels rond de kraag en manchetten. De kroon op het geheel was een breedgerande hoed van sneeuwwit vilt met een band van zilverdraad waarin een gekleurde veer was gestoken. Die van Claus was zwart, dus het contrast was aanzienlijk. De kleermaker verzekerde hem dat hij in deze kledij aan het hof in het geheel niet uit de toon zou vallen, maar Claus had niettemin het gevoel dat iemand de man hiertoe had aangezet opdat Claus bij zijn eerste verschijning aan het hof meteen het mikpunt van spot zou worden.
Maar op de avond van het gala, toen zijn koets aan de paleispoort arriveerde, zag hij andere jongelieden van de stad in minstens even absurde uitmonsteringen. Met nostalgie dacht hij terug aan de simpele jassen van huid en vacht die zijn familie 's winters in de bergen had gedragen; in de zomerse warmte hadden ze vrijwel naakt gelopen. Terwijl hij de paleistrappen opliep, besloot Claus dat de mode een door kleermakers opgezette samenzwering moest zijn om de adel van hun teveel aan goud af te helpen. Op de verscheidene bijeenkomsten die hij reeds in Salador en Roldem had bijgewoond, had hij genoeg gehoord om te weten dat alles wat hij nu aanhad volgend jaar rond deze tijd alweer helemaal uit zou zijn en dat heel andere kleren 'het' dan helemaal waren.
Claus betrad het paleis en gaf de uitnodiging aan de jonker die ervoor moest zorgen dat er geen ongenode gasten aan het koningshof verschenen. De jongen werd geruggensteund door een peloton paleiswachters die ondanks hun opzichtige rood-met-gele livrei de indruk wekten heel wel in staat te zijn een invasie af te slaan, laat staan een ongewenste gast te verwijderen. Er werd hem een schildknaap toegewezen om hem naar de ridderzaal te brengen. 'De koning heeft voor vanavond geen formele plaatsaanwijzing verordend,' zei de schildknaap onderweg. 'Iedereen maakt gebruik van het buffet.'
Dat woord was Claus vreemd, en hij zocht ernaar in zijn geheugen. Dat zou je ook altijd zien, bedacht hij met zelfspot. Net nu hij het idee had dat hij de taal een beetje kende, liep hij tegen een woord op dat hij niet kende. 'Buu-fet,' zei hij zachtjes.
De jongen gebaarde naar de lange tafels aan de zijkant van de zaal, zwaar beladen met voedsel. Bedienden repten zich door de zaal met schenkkannen vol bier en wijn om de kelken van de gasten naar believen te vullen. Overal waar Claus keek zag hij mensen, gekleed in schreeuwende kleuren, met elkaar praten, sommigen met een bord in de ene hand en etend met de andere.
Toen wist hij het weer: buffet was een Koninkrijks woord, uit het Bas-Tyraanse dialect. En het betekende dat je at van een gezamenlijke tafel zonder eraan plaats te nemen.
Lopend door de menigte herkende hij hier en daar een gezicht. Hij glimlachte en maakte een buiging voor wat kennissen en wandelde verder naar de tafels met eten. Alles wat hij zich voor een dis maar kon voorstellen, stond er: gerookt gevogelte en gekruide eieren; groenten die op alle mogelijke manieren waren bereid, van vers uit de ketel tot ingelegd en gekruid; kaas en fruit, ook de vruchten waar het nu de tijd niet voor was; en gebak. Hij pakte een bord, dat lichter bleek te zijn dan hij had verwacht. Een snelle inspectie leverde op dat het van een harde soort keramiek was in plaats van steen of metaal. Met de hand was het koninklijke wapen van Roldem erop geschilderd: een dolfijn die vanuit een golf over een ster heen sprong. Het zag er best indrukwekkend uit.
'Ja, dat ziet er indrukwekkend uit,' zei iemand rechts van hem.
Claus keek op en zag Quincy de Castle, een koopman uit Bas- Tyra met wie hij verscheidene malen had gekaart. 'Gedachten aan het lezen?' vroeg hij glimlachend.
'Nee,' antwoordde de koopman. 'Als ik dat kon, zou ik niet zo veel geld aan jou zijn verloren, Claus. Nee, ik zag dat je het bord stond te bewonderen en gokte naar je reactie.'
'Het ziet er inderdaad best indrukwekkend uit,' gaf Claus toe.
'Ach, je weet wat ze zeggen: "Het is fijn om de koning te zijn." Dan kun je jezelf allerlei geneugten permitteren.'
Geruis in de zaal ging vooraf aan het bonken van de met ijzer beslagen staf van de ceremoniemeester op de stenen vloer.
'U edelen, mijne dames en heren, de koning!'
Alle blikken gingen naar de ingang van de zaal die toegang bood vanuit de koninklijke vertrekken, en daar kwam koning Carol de Zesde binnengeschreden. Het was een man van middelbare leeftijd die er nog steeds even krachtig uitzag als op zijn vijfentwintigste, en aan zijn arm liep een mollige doch goed ogende vrouw met een kroontje op haar hoofd.
'De koningin en de koninklijke familie!' kondigde de ceremoniemeester aan.
Iedereen maakte een buiging, en de koning sprak: 'Het heeft ons behaagd u de festiviteiten te doen hervatten. Wij zijn vanavond informeel!'
Deze boodschap werd met een mild applaus in ontvangst genomen, en iedereen poogde tot de voorafgaande activiteiten terug te keren.
'Ben jij al eens eerder op zo'n gelegenheid geweest?' vroeg Claus aan Quincy.
'Ja, maar niet op zoiets informeels als deze. Ik heb gehoord dat er zo veel deelnemers aan het toernooi aanwezig zijn dat er in het hele paleis niet genoeg stoelen zijn voor iedereen, zelfs al was er een tafel groot genoeg om iedereen aan te laten plaatsnemen. Vandaar dit buffet hier, eentje in de zaal hiernaast en nog een in de zaal daarachter.'
Claus knikte. 'Ik voel mezelf ineens een stuk minder belangrijk met mijn uitnodiging, vriend Quincy.'
De man lachte. 'Voel je niet gekleineerd. Voor iedere genodigde hier staan er drie buiten de poorten die maar wat graag naar binnen hadden gewild. Ik ben alleen maar hier omdat ik al twintig jaar zaken doe met de koninklijke inkoper en het toernooi eerder heb bezocht. Dit wordt mijn derde. Jij behoort tot de favorieten voor het gouden zwaard, Claus, en als zodanig was je verzekerd van een uitnodiging. Verwacht een paar woorden van de koning zelf voordat de avond om is.'
'Wat moet ik dan zeggen?' vroeg Claus.
'Niet veel, lach om zijn grappen en stem in met alles wat hij voorstelt. Zo ga je met koningen om.'
'Bedankt voor het advies.'
Ze gingen uiteen, en Claus zwierf door de drie zalen, gedag zeggend tegen de mensen die hij kende en knikkend naar eenieder die naar hem knikte. Twee uur later werd hij aangesproken door een schildknaap die hem vroeg: 'Heer, bent u jonkheer Claus Haviks?'
'Ja,' antwoordde hij.
'De koning verlangt uw aanwezigheid. Volgt u mij, alstublieft.'
Claus knikte en liep mee met de jongen, die hem terugbracht naar de middelste der drie zalen. In de hoek stond de koning met koningin Gertrude en andere familieleden, een jongen van hooguit dertien die prins Constantijn moest zijn, twee andere jongens en een meisje. De jongere kinderen keken verveeld maar bleven rustig staan, zich duidelijk netjes gedragend.
De schildknaap fluisterde iets in het oor van een bediende, die op zijn beurt in het oor sprak van de ceremoniemeester. Deze knikte even in Claus' richting en zei toen: 'Majesteit, mag ik u voorstellen: Claudius Haviks, Jonkheer van Morganvliet en Belkasteel, Markies van Zilvermeer.'
Claus maakte zijn hoffelijkste buiging en kwam overeind. Hij wist wel beter dan zijn mond open te doen.
Koning Carol glimlachte. 'Ik heb van u gehoord, jongeheer. Ze zeggen dat de kenners erop wedden dat u het toernooi gaat winnen.'
'Uwe Majesteit is vriendelijk,' zei Claus. 'Maar het zou wel een groot geluk zijn als ik zou zegevieren over al die meesterzwaardlieden die eraan deelnemen.'
'U bent bescheiden,' zei de koning met een lachje. 'Ik hoor wel eens wat. Er zijn geen geheimen aan het Meestershof'
'Uwe Majesteit,' zei Claus, 'dat geloof ik direct.'
De glimlach van de koning werd breder, alsof Claus om iets geestigs had gelachen. 'Ach,' zei hij toen, 'daar komt iemand die zal trachten te voorkomen dat u het gouden zwaard wint.'
Claus keek om en zag een groepje mannen naderbij komen. De glimlach op zijn gezicht versteende toen de koning zei: jonkheer Claudius, mag ik u voorstellen aan onze neef Kaspar, Hertog van Olasko.'
De man was breed in de schouders maar smal in de heupen, en Claus kon zien dat hij behalve sterk ook gevaarlijk was. Zijn gezicht had iets van een volle maan, maar zijn kin stak naar voren, en zijn donkere ogen stonden scherp en smal, alsof hij een prooi besloop. Op zijn kin prijkte een donker baardje, maar zijn bovenlip was geschoren, en zijn lippen waren geplooid tot een glimlach die bijna zelfgenoegzaam aandeed. 'Zo, dus dit is de jonge knaap die mijn favoriet gaat beletten te winnen?' Hij draaide zich naar de man links van hem, die gekleed was in een gala-uniform. 'Majesteit, dit is luitenant Campaneal, de beste zwaardvechter van mijn hertogdom en degene op wie ik mijn geld zet voor het toernooi.' Met een lachje voegde hij eraan toe: 'En als ik geld zeg, bedoel ik grof geld.'
De koning lachte, en Claus knikte begroetend naar de hertog en de luitenant.
'Jonkheer, u staat te staren,' zei de hertog. 'Kent u elkaar?'
'Nee,' loog Claus. 'Even dacht ik van wel, maar ik had me vergist.' Hij wendde zich tot de hertog. 'Het is een eer u te ontmoeten, hertog Kaspar.'
Claus liet de hertog het gesprek overnemen en verdween naar de achtergrond. Het kostte hem al zijn zelfbeheersing om zijn gezicht in de plooi te houden, want hij had luitenant Campaneal al eens eerder gezien. Hij stond toen onder bevel van kapitein Quint Havrevulen, die op een paard zat naast de man die Raaf werd genoemd. Luitenant Campaneal was een van de mannen die Claus bij de verwoesting van zijn dorp had gezien, een van de mannen die hij gezworen had te zullen doden.